Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3720

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-08-2019
Datum publicatie
28-08-2019
Zaaknummer
C/17/167784 / KG ZA 19-187
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

- koopoptie na afloop leaseperiode

- aanbiedingsplicht verkoper

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/167784 / KG ZA 19-187

Vonnis in kort geding van 28 augustus 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. I.J. Woltman te Leeuwarden,

tegen

MR. D.C. POIESZ

in hoedanigheid van curator in het faillissement van [B] , h.o.d.n. [C] ,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. D.C. Poiesz te Sneek.

Partijen zullen hierna [A] en de curator genoemd worden. De gefailleerde zal [C] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie

  • -

    de mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A] houdt zich bezig met onder andere de verkoop, verhuur en reparatie van landbouwvoer- en werktuigen.

Op 16 oktober 2007 zijn tussen [A] en [C] twee leaseovereenkomsten gesloten met betrekking tot twee tractoren (John Deere 6830P+ en John Deere 6830 PQ). De overeenkomsten waren aangegaan voor een periode van 60 maanden, tegen een leaseprijs van € 1.350,00 (excl. BTW) per maand per tractor. De eerste termijn verviel op 15 november 2007. In de overeenkomsten was verder opgenomen:

"Na einde looptijd bieden wij zoals afgesproken dit object aan voor een bedrag van

€ 30.000,-- excl. btw."

2.2.

Artikel 5.1. van deze overeenkomsten bepaalde onder meer:

"Het object is en blijft eigendom van lessor."

De overeenkomst was opgesteld op papier van [A] . Onderaan dit papier stond onder meer vermeld:

"Op alle opdrachten aan ons, op al onze offertes en op alle met ons gesloten overeenkomsten zijn toepasselijk de Algemene Leverings- en Betalingsvoorwaarden voor de Metaalnijverheid (Smecomavoorwaarden) (voorzieningenrechter: hierna de Smecomavoorwaarden), (…)."

2.3.

Op 23 januari 2013 is door [A] en [C] een leaseovereenkomst ondertekend met betrekking tot twee tractoren (John Deere 6830P+ en John Deere 6830 PQ) (hierna aan te duiden als: de tractoren) voor de periode van 12 maanden, tegen een leaseprijs van € 2.000,00 (excl. BTW) per maand, waarbij de eerste termijn verviel op 15 november 2012. Ook deze overeenkomst bevatte onder 5.1. de bepaling:

"Het object is en blijft eigendom van lessor."

In de overeenkomst was verder opgenomen:

"Na einde looptijd bieden wij zoals afgesproken dit object aan voor een bedrag van

€ 40.000,-- excl. btw."

De hiervoor genoemde leaseovereenkomsten hadden betrekking op dezelfde tractoren.

2.4.

[C] heeft de verschuldigde leasetermijnen tot 15 november 2013 voldaan. [C] is de tractoren na november 2013 blijven gebruiken.

2.5.

In het jaar 2014 heeft [C] aan [A] nog 12 maal

€ 2.000,00 (€ 24.000,00) (exclusief BTW) betaald. Nadien heeft [C] niets meer betaald.

2.6.

Op enig moment is tussen [A] en [C] een handgeschreven notitie op A4 formaat met een opstelling opgemaakt. Deze opstelling vangt aan met:

"2 mei 2015" en de eerste helft van de opstelling bevat een berekening over een verreiker en een voertuig merk Claas. De tweede helft van de opstelling bevat de navolgende aantekeningen:

"John Deere 6830 2 stuks

Lease 15-11-2012 start

15-11-2013 eind 40.000,=

15/11/2013 start verlenging start 40.000,=

9/12/2014 12x2000,= 24.000,= berekend en betaald 2014

Saldo € 16.000,=

Renteberekening

2014 40.000 + 16000 = 28000 x 5% = 1400,=

2

per (of: pm) januari kostprijs 16 17400,= saldo 2 x John Deere 6830.

Saldo John Deere's per 1 januari 2017 ½% rente pm. 2 mei 15 2 mei 16 = 12

2 mei 16 - 2 mei 17. 8

20 mnd = 10%

Saldo per 1/1/17 19140,= ex"

2.7.

Bij brief van 17 april 2018 heeft [A] aan [C] bericht:

"Op 17 april 2018 is (…) de volgende afspraak gemaakt (…).

De openstaande posten ten bedrage van € 60.000,-- worden voor 1 mei 2018 betaald.

Indien dit niet gebeurd dan haalt [A] haar 3 trekkers op. Het gaat om 2 maal John Deere 6830 (…) Uiteraard blijft de vordering bestaan totdat deze is voldaan.

[B] (…) zegt toe voor 1 mei 2018 aan de betalingsverplichtingen te zullen voldoen. (…)"

2.8.

[C] is op 6 november 2018 failliet verklaard met aanstelling van

mr. Poiesz als curator. Bij brief van 21 november 2018 aan de curator heeft [A] verzocht de tractoren tot haar beschikking te krijgen. De curator is hieraan niet tegemoet gekomen.

2.9.

Artikel 18 van de Algemene Leverings- en Betalingsvoorwaarden van de Stichting Centraal Orgaan Mechanisatiebedrijven (COM) luidt voor zover van belang:

"Na levering blijft het mechanisatiebedrijf eigenaar van geleverde zaken zolang de opdrachtgever:

a. tekortschiet of tekort zal schieten in de nakoming van zijn verplichtingen uit deze overeenkomst of andere gelijksoortige overeenkomsten;

(……)"

3 De geschillen in conventie en in reconventie

3.1.

[A] vordert samengevat - afgifte door de curator van de tractoren, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van de curator in de proceskosten.

3.2.

De curator vordert samengevat - een verklaring voor recht dat, zodra aan [A] een bedrag van € 19.140,00, te vermeerderen met 21% BTW, is voldaan, de tractoren tot de boedel van [B] behoren en bij toewijzing hiervan [A] te veroordelen tot het verstrekken aan de curator van een factuur ter grootte van € 19.140,00 exclusief BTW, althans [A] te veroordelen medewerking te verlenen aan de levering van de tractoren aan de boedel van [voornaam B] (bedoeld is: [C] ) [achternaam B] , door het zenden van een factuur aan de curator voor deze levering ten bedrage van € 19.140,00, exclusief BTW, alles op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [A] in de proceskosten in conventie en in reconventie.

3.3.

Partijen voeren over en weer verweer in conventie en in reconventie.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vorderingen en de daaraan ten grondslag liggende standpunten in conventie en in reconventie zodanige samenhang vertonen, dat zij gezamenlijk kunnen worden beoordeeld.

4.2.

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat zowel [A] als de curator voldoende spoedeisend belang hebben gesteld bij de vordering in conventie en in reconventie.

4.3.

Op grond van de leaseovereenkomst(en) had [C] het recht om de tractoren na afloop van de leastermijn tegen betaling van de in de overeenkomsten genoemde prijs aan te kopen. [A] heeft dit ter zitting aangeduid als een aanbiedingsplicht van haar zijde.

4.4.

De laatste (schriftelijk) overeengekomen leaseperiode liep af per 15 november 2013. Uit de stellingen van partijen en de ter terechtzitting gegeven toelichtingen leidt de voorzieningenrechter af dat [C] de tractoren nadien is blijven gebruiken, zonder dat daarvoor door hem nog een (lease)vergoeding aan [A] werd betaald. Namens [A] is ter zitting verklaard dat [C] bij haar nog diverse schulden, tot bijna € 60.000,-- open had staan, onder meer ter zake van huur van diverse machines en vergoedingen voor diverse uitgevoerde reparaties. Zij heeft verder verklaard dat de leaseovereenkomst niet stilzwijgend is voortgezet, maar dat zij [C] , door de tractoren bij hem te laten, de mogelijkheid bood om inkomsten te verwerven, waarmee de openstaande rekeningen zouden kunnen worden afgelost.

4.5.

De curator heeft gesteld dat [C] na afloop van de tweede leaseovereenkomst de tractoren van [A] heeft overgenomen. De betalingen tot een bedrag van € 24.000,00 exclusief BTW die [C] in 2014 aan [A] heeft gedaan, betreffen volgens de curator een aflossing van de contractuele koopprijs van € 40.000,00 (exclusief BTW). De curator heeft in dit kader gewezen op de opstelling van de handgeschreven notitie (2.6 hiervoor) waaruit dit volgens hem blijkt, met daarbij de rente die [A] is gaan rekenen over de af te lossen koopprijs.

[A] heeft gesteld dat zij bij het einde van de tweede leaseperiode de tractoren aan [C] heeft aangeboden conform de overeenkomst, maar dat [C] daarvan heeft afgezien omdat zij de koopprijs niet kon betalen. De notitie, die volgens [A] is opgesteld door haar directeur, dateert volgens haar van 2 mei 2015, en niet uit 2017 zoals de curator heeft gesteld en moet worden gezien in een groter geheel, in het kader van een reorganisatie van [C] . De notitie met de daarin genoemde bedragen gaf volgens [A] de stand van zaken op dat moment weer.

4.6.

De voorzieningenrechter is op grond van de stellingen van partijen voorlopig van oordeel dat het aannemelijk is dat [C] na het eindigen van de tweede leasetermijn is overgegaan tot overname van de tractoren, althans dat dit werd beoogd.

De 12 betalingen van € 2.000,00 die [C] in 2014 aan [A] heeft gedaan komen terug op de notitie en worden daarbij in mindering gebracht op een bedrag van € 40.000,00, volgens de leaseovereenkomst de koopprijs, waarna een saldo van

€ 16.000,00 resteert dat, verhoogd met rente, als 'kostprijs' wordt aangemerkt. Waarom [C] de 12 maal € 2.000,00 anders zou hebben betaald en waarom op de notitie de relatie tussen deze betalingen en de € 40.000,00 wordt gelegd, is door [A] onvoldoende duidelijk gemaakt en zij heeft de stelling van de curator op dit punt onvoldoende betwist. Daar komt bij dat [A] heeft gesteld dat [C] na 2013 geen leasetermijnen meer heeft betaald, zodat de betalingen uit 2014 niet als zodanig zijn aan te merken. Ook heeft zij niet gesteld dat de in 2014 aan haar betaalde bedragen zagen op inlossing van andere nog openstaande schulden van [C] .

4.7.

Het geheel in ogenschouw nemende is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat het aannemelijk is dat er sprake is van een koop van de tractoren door [C] op afbetaling. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan het verschil van mening tussen partijen over het moment waarop de notitie is opgesteld (volgens [A] op 2 mei 2015 en volgens de curator in januari 2017), omdat dat in het kader van de onderhavige procedure niet valt vast te stellen. Vastgesteld kan wel worden dat er een saldo is bepaald per 1 januari 2017 van hetgeen [C] nog moest betalen.

4.8.

[A] heeft haar vordering tot afgifte van de tractoren gebaseerd op een eigendomsrecht en zij beroept zich in verband hiermee op artikel 18 van de COM-voorwaarden, hiervoor aangehaald onder 2.8. [A] heeft daartoe verwezen naar door haar overgelegde schriftelijke stukken en tevens gesteld dat zij reeds jarenlang zaken deed met [C] , alsmede dat er door haar steeds werd verwezen naar de van toepassing zijnde algemene voorwaarden. [A] heeft tevens gesteld dat de Smecomavoorwaarden dezelfde waren als de COM-voorwaarden. De curator heeft gesteld dat de Smecomavoorwaarden zijn overgegaan in de Metaalunievoorwaarden, maar daarbij weersproken dat algemene voorwaarden van toepassing zijn. Alleen een regeltje met verwijzing onder aan het contract is daartoe volgens hem te weinig.

4.9.

De voorzieningenrechter stelt vast dat, zoals hiervoor onder 2.2. is weergegeven, onder aan blad 1 van de leaseovereenkomsten van 16 oktober 2007 de Smecomavoorwarden zijn toepassing zijn verklaard. Op het in de procedure overgelegde exemplaar van de tweede leaseovereenkomst ingaande 15 november 2012 valt een dergelijke verwijzing niet waar te nemen. In een door [A] overgelegde brief aan [C] van

2 februari 2012 wordt echter wel weer verwezen naar de Smecomavoorwaarden. Naar de COM-voorwaarden wordt eerst verwezen in een door [A] overgelegde brief aan [C] van 19 december 2017, derhalve ruimschoots na het aangaan en eindigen van de tweede leaseovereenkomst. Daarbij stelt de voorzieningenrechter overigens vast dat de curator de stelling van [A] dat de Smecomavoorwaarden gelijk zijn aan de COM-voorwaarden niet (gemotiveerd) heeft weersproken.

4.10.

Gelet op de hiervoor genoemde verwijzingen naar de Smecomavoorwaarden en de door [A] gestelde en door de curator niet betwiste bestendige relatie tussen [A] en [C] is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat de Smecomavoorwaarden op de leaseovereenkomst van toepassing zijn. Het gestelde, in deze voorwaarden omschreven (verlengde) eigendomsvoorbehoud is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook van toepassing, aangezien [C] tekort schoot in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen jegens [A] .

4.11.

Daarnaast geldt dat onder 5.1 van de leaseovereenkomst is bepaald dat de tractoren eigendom bleven van [A] . De omstandigheid dat de tractoren na eindigen van de leaseovereenkomst per 15 november 2013 bij [C] bleven, maakt niet dat hij daarmee de eigendom heeft verkregen. Dit geldt ook uitgaande van aankoop van de tractoren door [C] , omdat dit feit op zichzelf nog geen eigendomsovergang met zich brengt. Onder de werking van de leaseovereenkomst was [C] aan te merken als houder van de tractoren. Eigendomsoverdracht impliceert bezitsoverdracht en daartoe is volgens het bepaalde in artikel 3:115 aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek (BW) in een geval als het onderhavige een tweezijdige verklaring benodigd. Daarvan is onvoldoende gebleken. [A] heeft verder gesteld dat de tractoren bij haar 'in de boeken' zijn gebleven. De curator heeft dat niet weersproken en ook niet gesteld dat de tractoren ook bij [C] als zodanig in de boekhouding zijn komen te staan. Ook dit duidt derhalve niet op eigendomsoverdracht aan [C] .

Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat [A] nog als eigenaar van de tractoren moet worden aangemerkt.

4.12.

De curator stelt echter dat hij herhaaldelijk heeft aangeboden om het restantbedrag van € 19.140,00 exclusief BTW, volgens hem de restant koopsom, te betalen, maar dat [A] daarop niet is willen ingaan doordat zij heeft geweigerd de daartoe door de curator gevraagde factuur te overleggen. Het standpunt van de curator komt erop neer dat voldoening van de koopprijs een verplichting tot levering door [A] meebrengt en daarmee zou de grondslag voor haar standpunt en haar vordering wegvallen.

4.13.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit standpunt van de curator doel treft. Niet is gebleken dat [A] de koopovereenkomst met [C] heeft ontbonden dan wel dat deze overeenkomst anderszins is opgehouden te bestaan. De brief van 17 april 2018 (2.7 hiervoor) kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet als zodanig gelden aangezien daarin geen ontbinding van de overeenkomst tot uitdrukking komt en [A] de tractoren ook niet heeft weggehaald. Sterker; uit de opmerking dat 'de vordering blijft bestaan' is op te maken dat geen ontbinding is beoogd.

Dit brengt mee dat het aanbod van de curator om de restantkoopprijs alsnog te betalen niet door [A] kan worden geweigerd.

4.14.

[A] heeft verder nog gesteld dat het eigendomsvoorbehoud in de algemene voorwaarden op alles ziet, waarmee zij kennelijk bedoelt dat dit voorbehoud geldt totdat alle schulden van [C] aan haar, uit welke hoofde dan ook, zijn voldaan. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt niet. Het in artikel 18 van de COM-voorwaarden, ervan uitgaande dat de Smecomavoorwaarden gelijkluidend zijn, genoemde 'andere gelijksoortige overeenkomsten' verdraagt zich niet met dit standpunt. Dat van schulden uit 'andere gelijksoortige overeenkomsten' sprake zou zijn is onvoldoende gebleken.

4.15.

Dit alles leidt tot het oordeel dat [A] alsnog zal moeten ingaan op het aanbod van de curator tot betaling van het bedrag van € 19.140,00 exclusief BTW. De daartoe strekkende vordering in reconventie zal worden toegewezen. Dit brengt verder mee dat [A] na voldoening door de curator zal moeten meewerken aan levering van de tractoren aan de boedel. De door de curator gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen. [A] heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat voor toewijzing van een dergelijke vordering in een kort geding geen plaats is.

De door de curator gevorderde dwangsom zal worden gematigd in die zin dat deze zal worden beperkt tot een bedrag van € 50,00 per dag, tot een maximum van € 1.000,00.

4.16.

Er thans van uitgaande dat de curator na ontvangst van de gewenste factuur terstond tot betaling ervan zal overgaan, impliceert het voorgaande dat er voor toewijzing van de vorderingen in conventie geen grondslag is. Deze vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

4.17.

[A] zal in conventie en in reconventie als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van de curator worden in conventie vastgesteld op:

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat € 980,00

totaal € 1.619,00.

In reconventie zullen de proceskosten worden vastgesteld op € 490,00 vanwege salaris advocaat (half salarispunt, vordering voortvloeiend uit het verweer).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt de [A] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de curator vastgesteld op € 1.619,00,

in reconventie

5.3.

veroordeelt [A] medewerking te verlenen aan de levering van de tractoren John Deere type 6830 aan de boedel van [B] v.h.o.d.n. [C] , door het zenden aan de curator van een factuur voor de levering van beide tractoren John Deer type 6830, ten bedrage van € 19.140,00 exclusief BTW, op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag voor iedere dag dat [A] na betekening van dit vonnis in gebreke blijft, tot een maximum van € 1.000,00,

5.4.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van de curator vastgesteld op € 490,00 vanwege salaris advocaat,

5.5.

verklaart het vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het anders of meer gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Biesma en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2019.1

1 type: 439 coll: