Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3702

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-07-2019
Datum publicatie
26-08-2019
Zaaknummer
7833347 VV EXPL 19-70
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kort geding. Ontruiming woonruimte. Erkende huurachterstand van 8 maanden. Hoewel gedaagde heeft aangevoerd dat hij de lopende huur kan voldoen, heeft hij deze niet betaald. Geen reëel perspectief tot het inlopen van de huurachterstand door middel van een betalingsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-/rolnummer: 7833347 / VV EXPL 19-70

vonnis van de kantonrechter ex art. 254 lid 5 Rv d.d. 22 juli 2019

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

gemachtigde: mr. A.J. Elema,

tegen

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

in persoon procederende.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

PROCESGANG

Op de in de inleidende dagvaarding genoemde gronden heeft [eiser] gevorderd dat bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening:

  1. [gedaagde] wordt gelast om binnen 14 dagen het in dezen te wijzen vonnis, althans binnen een zodanige termijn als het de voorzieningenrechter in goede justitie voorkomt, de onroerende zaak staande en gelegen te [plaats] aan de [adres] , te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden, met achterlating van meeverhuurde stoffering en meubilair en voorts al het overige dat [eiser] toebehoort, en onder afgifte van de sleutels ter algehele en vrije beschikking aan [eiser] te stellen, met machtiging van [eiser] om de ontruiming zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie te bewerkstelligen;

  2. [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 9.412,21 ter zake achterstallige huur, rente en kosten en een gebruiksvergoeding van € 1.050,00 voor elke maand, waarbij elk ingetreden maand als een volle maand geldt, vanaf 1 juli 2019 tot het moment van ontruiming;

3. [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, het nasalaris daaronder begrepen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 juli 2019. [eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. A.J. Elema als gemachtigde. [gedaagde] is in persoon verschenen.

Van het verhandelde ter zitting is door de griffier aantekening gehouden. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1 De vaststaande feiten

1.1

Als gesteld en erkend, dan wel niet (gemotiveerd) weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties staat het volgende vast.

1.2

[eiser] is eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning).

1.3

Op 29 maart 2016 is met betrekking tot de woning tussen partijen een huurovereenkomst gesloten voor onbepaalde tijd met een minimale duur van een jaar, ingaande op 1 april 2016. De woning wordt gemeubileerd en gestoffeerd verhuurd. De huurprijs bedraagt € 1.050,00 per maand en dient uiterlijk voor of op de eerste van elke maand te worden betaald.

1.4

Vanaf november 2018 is er een huurachterstand ontstaan.

1.5

Tussen partijen is een betalingsregeling overeengekomen. [gedaagde] is deze niet nagekomen, waardoor de huurachterstand is opgelopen.

1.6

Bij brief van 4 april 2019 heeft [eiser] [gedaagde] gesommeerd tot betaling van de huurachterstand en tot het reinigen en onderhouden van de woning en tuin, bij gebreke waarvan rechtsmaatregelen zouden worden getroffen.

1.7

[gedaagde] heeft daarop bij brief van 17 april 2019 gereageerd en aangegeven dat hij een betalingsregeling wil afspreken. Verder is er volgens [gedaagde] sprake van achterstallig onderhoud aan de woning.

1.8

Vervolgens heeft er tussen partijen correspondentie plaatsgevonden over de door [gedaagde] gestelde gebreken. [eiser] heeft onder meer voorgesteld de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen om vervolgens een betalingsregeling te treffen. [gedaagde] is daar niet mee akkoord gegaan.

1.9

Tot en met juni 2019 bedraagt de huurachterstand in totaal € 8.400,00.

2 Het standpunt van [eiser]

2.1

heeft gesteld dat hij spoedeisend belang heeft bij de vordering, omdat dit uit de aard van de zaak is gegeven. Een bodemprocedure kan, gezien de duur daarvan, niet worden afgewacht. [gedaagde] voldoet de lopende huur niet. Het is gezien de financiële problemen van [gedaagde] ook niet te verwachten dat hij de lopende huur tijdens de bodemprocedure zal voldoen. Een ontruiming dient daarom op de kortst mogelijke termijn plaats te vinden om de schade van [eiser] zo veel mogelijk te beperken.

2.2

Er bestaat een huurachterstand van 8 maanden en het is in voldoende mate aannemelijk en waarschijnlijk dat in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst zal worden uitgesproken.

3 Het standpunt van [gedaagde]

3

3.1

[gedaagde] heeft de gevorderde huurachterstand erkend. Hij heeft aangevoerd dat hij, totdat hij is gearresteerd, de huur altijd tijdig heeft voldaan. Daarna is de huurachterstand ontstaan. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij de lopende huur kan voldoen. Hij heeft de hulp ingeschakeld van de Kredietbank. Hij weet niet waarom de Kredietbank de lopende huur niet heeft voldaan.

3.2

Verder heeft [gedaagde] ter zitting kenbaar gemaakt dat de door hem gestelde gebreken niet de reden zijn van niet-betaling.

3.3

[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij graag in de woning wil blijven wonen. Zijn dochter (18 jaar) woont bij hem en zijn zoon (7 jaar) is om de twee weken bij hem thuis.

4 De beoordeling

4

4.1

Het spoedeisend belang bij de vorderingen van [eiser] vloeit naar het oordeel van de kantonrechter voldoende voort uit de aard van de vorderingen.

4.2

Verder overweegt de kantonrechter dat in dit kort geding aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek, beoordeeld moet worden of de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is.

4.3

Voor toewijzing van een vordering tot ontruiming van de huurder in kort geding – welke toewijzing bijna een definitief karakter heeft – is alleen plaats indien met een zeer grote mate van waarschijnlijkheid de bodemrechter, indien zijn oordeel wordt gevraagd, tot beëindiging van de huurovereenkomst zal beslissen en een daaraan gekoppelde ontruimingsvordering zal toewijzen.

4.4

[gedaagde] heeft de door [eiser] gestelde huurachterstand erkend. Tot en met juni 2019 bestaat er een huurachterstand van 8 maanden, zijnde een bedrag van € 8.400,00. De huurachterstand levert een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst op.

4.5

Op grond van artikel 6:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geldt als uitgangspunt dat iedere tekortkoming in de nakoming grond kan opleveren voor ontbinding van een gesloten huurovereenkomst. Op de huurder rusten op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) stelplicht en bewijslast van de uitzondering op het uitgangspunt dat de tekortkoming, gezien de bijzondere aard of geringe betekenis daarvan, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij beantwoording van de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd is, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn, hetgeen meebrengt dat niet op voorhand aan één gezichtspunt een beslissende rol, ongeacht de overige omstandigheden van het geval, kan worden toegekend. Het is aan de kantonrechter om te beoordelen of de tekortkoming, gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder het concrete belang van de huurder bij het voortduren van de huurovereenkomst, van voldoende gewicht is om de overeenkomst te ontbinden (zie onder meer HR 29 september 2018, ECLI:NL:HR: 2018:1810).

4.6

In dit verband geldt allereerst dat er ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding al sprake was van een huurachterstand van 8 maanden en dat [eiser] heeft gesteld dat de huur voor de maand juli 2019 evenmin door [gedaagde] is voldaan. Dit heeft [gedaagde] ook erkend. Hoewel [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij de lopende huur wel kan voldoen heeft hij dit dus niet gedaan. [gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd dat hij hulp heeft gezocht bij de Kredietbank, maar niet is gebleken wanneer hij dit heeft gedaan en dit heeft er in ieder geval niet in geresulteerd dat de lopende huur is voldaan. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat familie hem wil helpen bij het inlopen van de huurachterstand, maar nu [gedaagde] dit niet nader heeft onderbouwd is niet gebleken dat er een reëel perspectief bestaat op het inlopen van de huurachterstand door middel van een betalingsregeling.

4.7

Tegen deze achtergrond is de kantonrechter van oordeel dat een eventuele vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemzaak een grote kans van slagen zal hebben, althans dat de bodemrechter met een zeer grote mate van waarschijnlijkheid tot beëindiging van de huurovereenkomst zal beslissen. Het belang dat [gedaagde] heeft bij het behoud van zijn woning maakt dat niet anders. De daarop vooruitlopende vordering in kort geding tot ontruiming is daarom toewijsbaar.

4.8

De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen. Artikel 556 lid 1 Rv schrijft voor dat de gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder. Deze heeft geen rechterlijke machtiging nodig om bevoegd te zijn de hulp van de sterke arm in te roepen. Die bevoegdheid ontleent de deurwaarder reeds aan artikel 557 jo. 444 Rv.

4.9

Nu [gedaagde] de huurachterstand heeft erkend zal hij eveneens worden veroordeeld tot betaling daarvan, zijnde een bedrag van € 8.400,00. De gevorderde rente van € 50,26 zal eveneens worden toegewezen.

4.10

Verder heeft [eiser] gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 1.050,00 voor elke maand vanaf 1 juli 2019 tot het moment van ontruiming. Dit gedeelte van de vordering zal worden afgewezen. Op grond van de huurovereenkomst heeft [eiser] immers recht op betaling van de huur tot de dag dat de huurovereenkomst wordt ontbonden, zodat [eiser] bij veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een gebruiksvergoeding geen belang heeft.

4.11

[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke kosten. De door (de gemachtigde van) [eiser] aan [gedaagde] verzonden aanmaning voldoet aan de wettelijke eisen. In deze aanmaning is het toepasselijke wettelijke tarief vermeld en een betalingstermijn van ruim veertien dagen gegeven, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW. [eiser] maakt echter aanspraak op een hoger bedrag dan genoemd is in de aanmaning. De vordering wordt slechts toegewezen tot het in de aanmaning vermelde bedrag van € 834,90 inclusief btw.

4.12

Nu [gedaagde] grotendeels in het ongelijk is gesteld, zal hij worden veroordeeld in de proceskosten. De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen zoals bij de beslissing nader

is omschreven. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 101,06

- griffierecht 231,00

- salaris gemachtigde 480,00

Totaal € 812,06

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis de onroerende zaak staande en gelegen te [plaats] aan de [adres] te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden, met achterlating van meeverhuurde stoffering en meubilair en voorts al het overige dat [eiser] toebehoort, en onder afgifte van de sleutels ter algehele en vrije beschikking aan [eiser] te stellen;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van in totaal € 9.285,16;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure tot aan deze uitspraak vastgesteld op in totaal € 812,06, alsmede in de nakosten, die worden begroot op een bedrag van € 120,00;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. M. Haisma, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juli 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 401