Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3664

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-08-2019
Datum publicatie
22-08-2019
Zaaknummer
18/920146-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Oplegging ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/920146-19

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 21/003193-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 augustus 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] ,

thans gedetineerd te PI Leeuwarden te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 augustus 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.D. Onland, advocaat te Oldenzaal. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Stoffels.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 juni 2019 te Hoogeveen opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 9 juni 2019, opgenomen op pagina 16 van het dossier met nummer PL0100-2019147122 d.d. 10 juni 2019, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Op 9 juni 2019 parkeerde ik mijn auto, een Mercedes Benz met kenteken [kenteken] , bij de Albert Heijn in de Weide in Hoogeveen. Ik zag dat een man naar mijn auto toe kwam lopen en gelijk begon te beuken met een vuist op de motorkap. Hij heeft gebeukt op de motorkap, op de bovenkant van de auto, hij heeft tegen het raam aan getimmerd en is ook aan het beuken geweest op de achterkant van de auto. De antenne welke zich bevond op de kofferbak heeft hij vernield. Doordat deze man op mijn auto heeft gebeukt heeft mijn auto overal deuken.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 9 juni 2019, opgenomen op pagina 34 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

Op 9 juni 2019 zag ik dat een zilvergrijze Mercedez Benz parkeert op de parkeerplaats bij het winkelcentrum de Weide in Hoogeveen. Ik zag dat er een ouder echtpaar in de Mercedes zat. Een man met een paardenstaart liep naar de voorzijde van de auto en begon met zijn vuisten op de motorkap te slaan. Ik zag dat hij deuken in de motorkap sloeg. Vervolgens liep de man rond de auto en sloeg op meerdere plaatsen op en tegen de auto. Wij zagen de politie aan komen rijden waarop de man is aangehouden.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 9 juni 2019, opgenomen op pagina 38 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

Op 9 juni 2019 stond een Mercedes geparkeerd bij de Albert Heijn bij winkelcentrum de Weide te Hoogeveen. Ik zag dat een man met een staart naar de Mercedes liep en zag dat hij meerdere malen op de motorkap van de Mercedes sloeg. Ik heb gezien dat hij tegen de ramen van de Mercedes van beide kanten sloeg en ook op de portieren.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 10 juni 2019, opgenomen op pagina 45 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op 9 juni 2019 gingen mijn collega [verbalisant] en ik ter plaatse bij de Albert Heijn de Weide Hoogeveen. Wij werden door een omstander geattendeerd op een ongeveer 40-jarige man met paardenstaart. De omstander zei dat het de man was die iets verderop bij de Albert Heijn de auto van een oud echtpaar had vernield. Wij hielden de man aan voor vernieling. Ik vroeg verdachte naar zijn naam; hij gaf op te zijn: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 9 juni 2019, opgenomen op pagina 24 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op zondag 9 juni 2019 was ik belast met het onderzoek naar de vernieling van de auto

van het merk Mercedes Benz E voorzien van het kenteken [kenteken] . Ik zag dat midden op de motorkap twee deukjes ter grote van een tennisbal naast elkaar zaten. Vervolgens zag ik dat de antenne aan de achterzijde van de auto afgebroken was.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 9 juni 2019 te Hoogeveen opzettelijk en wederrechtelijk een auto, toebehorende aan [slachtoffer] , heeft beschadigd.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, beschadigen

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Motivering van de maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair gepleit voor een in ieder geval deels voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarde van een langdurige klinische behandeling van 6 tot 8 maanden, zoals voorgesteld door verdachte zelf. Verdachte is tot nu toe altijd kortdurend behandeld geweest. Een behandeling voor langere duur is nog niet geprobeerd. Subsidiair heeft de raadsman zich ten aanzien van het opleggen van de ISD-maatregel gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan beschadiging van een auto. Het was echter niet zomaar een beschadiging. Verdachte is zonder enige aanleiding naar de auto van aangever gelopen en heeft vervolgens als een wildeman op de auto ingeslagen, terwijl de 81-jarige aangever en zijn 87-jarige vrouw in die auto zaten. Verdachte heeft ook geprobeerd de deur aan de bijrijderskant – waar de vrouw van aangever zat – open te trekken. Omstanders hebben in moeten grijpen om verdachte te stoppen en hebben verdachte bij de auto weg moeten halen. Verdachte heeft met zijn onvoorspelbare en extreme gedrag aangever en zijn vrouw veel angst bezorgd. Zij hebben het gevoel gehad dat verdachte hen iets aan wilde doen. De rechtbank vindt het dan ook een zeer ernstig feit. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich door toe te geven aan zijn alcoholverslaving in voornoemde situatie heeft gebracht, ondanks het feit dat hij zich achteraf schuldbewust heeft getoond.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 juli 2019, dat 30 pagina’s telt, blijkt dat verdachte meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld voor zowel soortgelijke strafbare feiten als andersoortige feiten. Het grootste deel van deze straffen is reeds tenuitvoergelegd. Daarnaast liep verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit in een proeftijd. Een en ander heeft verdachte er echter niet van weerhouden om andermaal over te gaan tot het plegen van een strafbaar feit.

De reclassering (VNN) adviseert in haar rapport van 25 juli 2019 – waarin geciteerd wordt uit het rapport van 24 juni 2019 – de oplegging van een ISD-maatregel. Uit het rapport blijkt dat verdachte een zeer actieve veelpleger is die al jaren gevolgd wordt door het Veiligheidshuis Twente. Verdachte pleegt zijn delicten ten behoeve van of onder invloed van alcohol of drugs. De alcohol- en drugsverslaving van verdachte is dusdanig ernstig dat een regulier justitieel kader, zoals een reclasseringstoezicht, niet afdoende is gebleken. Tijdens het toezicht dat sinds juni 2018 liep, heeft verdachte, ondanks het doorlopen van een detox-opname en klinische opname bij Tactus Verslavingszorg, er eind november 2018 bewust voor gekozen om niet naar de voor hem gereserveerde beschermde woonvorm te gaan. Het risico op recidive, letselschade en het onttrekken aan voorwaarden wordt door de reclassering als hoog ingeschat. De reclassering is van mening dat een strakke maatregel als de ISD-maatregel nodig is om de kans te verkleinen dat een traject voortijdig wordt afgebroken en er daardoor onvoldoende kan worden gewerkt aan (gedrags)verandering en recidivevermindering.

De rechtbank stelt vast dat het door verdachte begane feit een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat verdachte in de vijf jaren hieraan voorafgaand ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld, terwijl het onderhavige feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Daarnaast moet er, gelet op het reclasseringsrapport en de veelvuldige eerdere veroordelingen van verdachte, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. De veiligheid van personen en/of goederen eist naar het oordeel van de rechtbank het opleggen van de ISD-maatregel. Gelet op de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers is de officier van justitie ook bevoegd tot het vorderen van oplegging van de ISD-maatregel in onderhavige zaak. Aan de voorwaarden voor oplegging van de ISD-maatregel is naar het oordeel van de rechtbank dus voldaan.

Voorts acht de rechtbank oplegging van de maatregel geboden ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte. De reclassering heeft geconcludeerd dat zij buiten de ISD-maatregel om geen andere mogelijkheden meer ziet om het risico op recidive te verminderen. Ondanks een detox-opname en klinische opname is verdachte opnieuw vervallen in crimineel gedrag. Het is niet te verwachten dat een nieuwe klinische behandeling buiten het kader van de ISD-maatregel dit keer wel tot gedragsverandering zal leiden.

De rechtbank zal de ISD-maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen. Voor aftrek van het door verdachte ondergane voorarrest ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank ziet daarnaast thans geen aanleiding te bepalen dat een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de ISD-maatregel zal plaatsvinden.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 3.500,35 ter vergoeding van materiële schade en € 400,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 9 juni 2019.

Nu vast staat dat verdachte aansprakelijk is tot de hiervoor genoemde schade ter hoogte van € 3.900,35 die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 18 mei 2018 van de enkelvoudige strafkamer van het Hof Arnhem-Leeuwarden locatie Zwolle, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 weken, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 2 juni 2018. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 10 juli 2019 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegd straf, omdat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan één of meer strafbare feiten. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank in verband met het opleggen van de ISD-maatregel de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen en de proeftijd zal verlengen met één jaar.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft bepleit dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen, als de rechtbank de ISD-maatregel aan verdachte oplegt.

Oordeel van de rechtbank

Nu veroordeelde het bewezenverklaarde feit heeft begaan voor het einde van de proeftijd, kan de vordering in beginsel worden toegewezen. Gelet op de oplegging van de ISD-maatregel ziet de rechtbank aanleiding om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen en te volstaan met verlenging van de proeftijd voor de duur van één jaar.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38m, 38n, 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Legt op de maatregel tot

plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 3.900,35 (zegge: negendertighonderd euro en vijfendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2019.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 3.900,35 (zegge: negendertighonderd euro en vijfendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2019, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 49 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 3.500,35 aan materiële schade en € 400,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

21/003193-16:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de enkelvoudige strafkamer van het Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Zwolle van 18 mei 2018.

Verlengt de in het vonnis van de enkelvoudige strafkamer van het Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Zwolle van 18 mei 2018 vastgestelde proeftijd met één jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Eelsing, voorzitter, mr. B.I. Klaassens en mr. R.R. van der Heide, rechters, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 augustus 2019.

Mr. R.R. van der Heide is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.