Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:356

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-02-2019
Datum publicatie
04-02-2019
Zaaknummer
18/840023-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft vandaag een 17-jarige jongen veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 160 uren, met een proeftijd van twee jaren, en met daaraan gekoppeld de door de deskundigen geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Veroordeelde heeft zich in een relatief korte periode schuldig gemaakt aan diefstal met geweld, medeplichtigheid aan gekwalificeerde diefstal en aan diefstal. Voorts heeft veroordeelde zich schuldig gemaakt aan de beschadiging van een fiets en aan mishandeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77b
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77m
Wetboek van Strafrecht 77n
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77z
Wetboek van Strafrecht 77aa
Wetboek van Strafrecht 77gg
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/840023-18

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/074859-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 februari 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

18 januari 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.R.H. Baas, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. Hertogs.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 maart 2018 te Delfzijl met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee (met inhoud,

waaronder geld), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke

diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestond(en) dat verdachte die [slachtoffer 1] bij de jas (en/of) (ter hoogte

van) de keel heeft vastgepakt en/of heeft vastgehouden en/of (vervolgens) met

zijn, verdachtes, hand in de jaszak van die [slachtoffer 1] is gegaan;

2.

(parketnummer 18/840040-18)

hij op of omstreeks 18 april 2018 te Delfzijl

[slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem meermalen en/of met kracht in

en/of tegen het gezicht te slaan en/of in en/of tegen het lichaam (de borst)

te slaan en/of te stompen en/of (met de rug) tegen een muur te duwen;

3.

(parketnummer 18/039646-18)

hij op of omstreeks 2/3 oktober 2017 te Appingedam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een clubgebouw/pand

heeft weggenomen

(een) kinder crosshelm(en) en/of een (paarse) crossfiets en/of geld en/of

snoep/drink- en/of etenswaren en/of kleding (race-/BMX pakken), in elk geval

enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen

(een) goed(eren) en/of geld onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door

middel van braak, verbreking en/of inklimming;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of (een of meer) ander(en) op of omstreeks

2/3 oktober 2017 te Appingedam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een clubgebouw/pand

heeft weggenomen

(een) kinder crosshelm(en) en/of een (paarse) crossfiets en/of geld en/of

snoep/drink- en/of etenswaren en/of kleding (race-/BMX pakken), in elk geval

enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]

en/of zijn mededaders en/of aan verdachte,

waarbij die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of zijn/hun mededaders zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of de/het weg te

nemen goederen

onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking

en/of inklimming,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of

omstreeks 2/3 oktober 2017 te Appingedam in elk geval in Nederland,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen

en/of inlichtingen heeft verschaft door op de uitkijk te staan;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 2/3 (althans in of omstreeks de maand) oktober 2017 te

Appingedam, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(een) goed(eren) te weten (een) kinder crosshelm(en) en/of een (paarse)

crossfiets en/of geld en/of snoep/drink- en/of etenswaren en/of kleding

(race-/BMX pakken) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen,

terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit/deze

goed(eren) wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

4.

hij op of omstreeks 24 november 2017 te Appingedam

opzettelijk en wederrechtelijk

een fiets, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te

weten aan [slachtoffer 4] toebehoorde,

heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

5.

hij op of omstreeks 04 september 2018 te Delfzijl, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (driewiel)fiets, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

6.

hij op of omstreeks 04 september 2018 te Delfzijl, zich met geweld en/of

bedreiging met geweld, heeft verzet

tegen (een) ambtena(a)r(en), [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] (beiden hoofdagent

van politie), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening,

te weten de aanhouding (op heterdaad) en/of overbrenging van verdachte naar

het politiebureau te Delfzijl, teneinde hem te kunnen voorgeleiden aan een

hulpofficier van justitie, door te beletten en/of te verhinderen dat hij,

verdachte, in het dienstvoertuig kon worden geplaatst, waartoe hij, verdachte,

zijn be(e)n(en) (telkens) gestrekt buiten het dienstvoertuig, tussen het

portier en de dorpel, hield;

7.

hij op of omstreeks 04 september 2018 te Delfzijl opzettelijk beledigend (een)

ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] (beiden hoofdagent

van politie), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van

hun/zijn bediening, en/of in het openbaar in diens/dier tegenwoordigheid

mondeling heeft toegevoegd de woorden "(vieze) kankermongolen", althans

woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 3 primair en onder 7 ten laste is gelegd. Ten aanzien van hetgeen verdachte onder 1, 2, 3 subsidiair, 4, 5 en 6 ten laste is gelegd, heeft de officier van justitie geconcludeerd dat deze feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en daartoe verwezen naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder

3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft zij aangevoerd dat er zich in het dossier weliswaar voldoende wettig bewijs bevindt om tot een bewezenverklaring van deze feiten te komen, maar dat het bewijs, gelet op de stellige ontkenning van verdachte, niet overtuigend is en zij om die reden vrijspraak bepleit.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat dit feit niet gekwalificeerd kan worden als diefstal, nu verdachte niet het oogmerk had om zich de fiets wederrechtelijk toe te eigenen.

Aangaande het onder 6 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich niet opzettelijk heeft verzet bij zijn aanhouding. De verklaring die verdachte heeft gegeven, namelijk dat hij zijn benen niet kwijt kon in de dienstauto van de politie en dat hij meermalen heeft verzocht of de dienstdoende agenten iets meer ruimte voor hem wilde maken, acht de raadsvrouw aannemelijk. Voorts merkt zij op dat het niet onwaarschijnlijk is dat zowel verdachte als de verbalisanten de gehele situatie die op dat moment gaande was op een verschillende manier hebben geïnterpreteerd. Verdachte als gevolg van zijn autistische stoornis en de verbalisanten vanwege de hectische situatie waarin zij zich op dat moment bevonden.

Met betrekking tot het onder 7 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw het standpunt van de officier van justitie onderschreven.

Inzake de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd ten aanzien van de bewijsbaarheid van die feiten.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van het onder 6 en 7 ten laste gelegde

De rechtbank acht het onder 6 en 7 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal hiervan daarom worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat verdachtes verklaring dat hij -zittend op de achterbank van de politieauto- zijn benen niet (tijdig) in de auto kon krijgen niet geheel onaannemelijk is. Deze gedraging van verdachte kan niet worden beschouwd als geweld in de zin van artikel 180 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank spreekt verdachte eveneens vrij van hetgeen hem onder 7 ten laste is gelegd, nu zij niet wettig en overtuigend bewezen acht dat de verbalisanten zich daadwerkelijk beledigd hebben gevoeld door de uitlatingen van verdachte. De verbalisanten hebben in de door hen opgemaakte processen-verbaal van bevindingen enkel gerelateerd welke bewoordingen verdachte jegens hen heeft gebruikt, maar niet dat zij zich hierdoor in hun eer en goede naam aangetast voelden.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1 en 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 januari 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 22 maart 2018, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier met nummer COLONIAL/NN2R018044 d.d. 13 november 2018, inhoudende de verklaring van

[slachtoffer 1].

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 januari 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 18 april 2018, opgenomen op pagina 21 e.v. van het dossier met nummer 2018094641 d.d. 24 april 2018, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2].

Ten aanzien van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank past ten aanzien van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 3 oktober 2017, opgenomen op pagina 83 e.v. van het dossier met nummer 2018010963 d.d. 17 januari 2018, inhoudende als verklaring van [naam] (namens [benadeelde partij]):

Op 3 oktober 2017 was ik bovenin het clubgebouw van [benadeelde partij] te Appingedam. Ik zag dat er een raam was ingegooid en dat er diverse goederen waren weggenomen.

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (inclusief bijlagen) van Politie Noord-Nederland d.d. 11 januari 2018, opgenomen op pagina 104 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op 11 januari 2018 had ik telefonisch contact met aangeefster [naam], naar aanleiding van welk telefoongesprek zij mij vervolgens een e-mailbericht deed toekomen met daarin een lijst van de bij de op 2 oktober 2017 gepleegde inbraak in het clubgebouw van [benadeelde partij] weggenomen goederen.

Bijlage e-mailbericht: de weggenomen goederen betreffen o.a. twee helmen, een crosspak, een bodyprotector, geld, blikjes drinken en snoep.

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 5 januari 2018, opgenomen op pagina 169 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:

Op 2 oktober 2017 was ik samen met [verdachte], [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3]. [medeverdachte 2] heeft toen een raam ingegooid bij de crossbaan te Appingedam en toen zijn wij daar vervolgens naar binnen gegaan. [medeverdachte 2] heeft een fiets weggenomen. We hebben ook drinken en snoep weggenomen. Ook hebben we geld meegenomen. Zowel [medeverdachte 2] als ik hebben nog een helm weggenomen en ik heb ook nog een borst- en rugbeschermer en een racebroek gestolen. [medeverdachte 2] had nog een T-shirt gepakt. [verdachte] stond buiten op de uitkijk voor ons.

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 4 januari 2018, opgenomen op pagina 202 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 3]:

Op 2 oktober 2017 was ik samen met [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] bij de fietscrossvereniging in Appingedam. [medeverdachte 2] heeft toen een ruit ingegooid met een steen. Een paar van ons gingen toen naar binnen en hebben in ieder geval helmen, racepakken, geld, een fiets en eten en drinken weggenomen uit het gebouw van de vereniging. De rol van [verdachte] bestond hieruit dat hij buiten op de uitkijk stond en zou waarschuwen als er mensen aan zouden komen.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft ontkend dat hij op 2 oktober 2017 aanwezig was bij de inbraak in het clubgebouw van [benadeelde partij] te Appingedam. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij zich meent te herinneren dat hij die dag ziek thuis was. Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank echter vast dat verdachte wel degelijk aanwezig was bij de inbraak in het verenigingsgebouw. Naast de aangifte van [naam] bevinden er zich tevens verklaringen van onder andere de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in het dossier, waaruit niet alleen blijkt dat verdachte aanwezig was, maar dat hij tevens een zekere rol had.

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan voornoemde verklaringen en ziet niet in waarom [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] ten onrechte belastend over verdachte zouden verklaren, te meer daar zij –in tegenstelling tot verdachte- openheid van zaken hebben gegeven bij de politie, daarmee ook zichzelf belastend. Op grond van het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte medeplichtig is geweest aan diefstal met braak door de medeverdachten. Verdachte heeft op de uitkijk gestaan en heeft, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen, opzet gehad op het behulpzaam zijn bij zowel het inbreken in het clubgebouw van [benadeelde partij], als op het daaruit wegnemen van de in de tenlastelegging genoemde goederen.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 januari 2019, voor zover inhoudende –zakelijk weergegeven-:

Op 24 november 2017 was ik in Appingedam. Er was daar het één en ander aan de hand tussen jongens en op een gegeven moment heeft één van die jongens nog een foto van mij gemaakt.

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 24 november 2017, opgenomen op pagina 53 e.v. van het dossier met nummer 2018010963 d.d. 17 januari 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 4]:

Op 24 november 2017 stond ik bij de Albert Heijn te Appingedam. Ik was hier samen met o.a. [getuige]. Op een gegeven moment kwamen er twee jongens aan fietsen. Ik kan de jongen die op een later moment mijn fiets heeft vernield, omschrijven als een dikke jongen met een donkere huidskleur. Op een gegeven moment fietsten de jongens weg en toen hoorde en zag ik dat mijn fiets omviel. Ik zag dat de dikke jongen die ik zojuist omschreef het dichtst bij mijn fiets in de buurt fietste en ik wist dat hij tegen mijn fiets had aangetrapt. Ik heb dit zelf niet gezien, maar [getuige] (opmerking rechtbank: [getuige]) zag het wel en vertelde mij dat. Toen ik mijn fiets vervolgens pakte en vooruit duwde, merkte ik dat er vier spaken van mijn achterwiel kapot waren.

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 24 november 2017, opgenomen op pagina 64 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige]:

Op 24 november 2017 was ik samen met o.a. [slachtoffer 4] aan het chillen bij de Albert Heijn in Appingedam. Op een gegeven moment kwamen er twee jongens op een fiets aan. Toen zij even later wegfietsten, pakte één van die jongens de fiets van [slachtoffer 4] op en gooide de fiets vervolgens met het achterwiel op de grond. Toen [slachtoffer 4] zijn fiets later pakte, ontdekte hij dat er van het achterwiel meerdere spaken kapot waren. Ik zag dat er vier spaken kapot waren. De jongen die de fiets oppakte en neergooide was een beetje een dikkere jongen met een donkere huidskleur. Later heb ik nog een foto van die jongen gemaakt.

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 4 januari 2018, opgenomen op pagina 202 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 3]:

Op 24 november 2017 was ik bij de Albert Heijn in Appingedam met o.a. [verdachte]. Ik zag dat [verdachte] de fiets van een jongen optilde en op de grond gooide. [verdachte] heeft daarmee de achterband van deze fiets kapot gemaakt.

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 28 november 2017, opgenomen op pagina 156 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:

Op 24 november 2017 waren wij met een groepje jongens in Appingedam. Op een gegeven moment heeft [verdachte] de fiets van een jongen in de lucht gegooid. Die fiets viel toen op de grond. De spaken waren los.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft ontkend dat hij de fiets van aangever [slachtoffer 4] heeft beschadigd. Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank hetgeen verdachte onder 4 ten laste is gelegd echter wettig en overtuigend bewezen. De aangifte van [slachtoffer 4] wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige] en door de verklaringen van onder andere de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1]. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen en niet valt in te zien waarom [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1], twee vrienden van verdachte, in strijd met de waarheid een voor verdachte belastende verklaring zouden afleggen.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 5 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 januari 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 5 september 2018, opgenomen op pagina 34 e.v. van het dossier met nummer 2018234447 d.d. 6 september 2018, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5].

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Anders dan de raadsvrouw heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte wel degelijk gekwalificeerd kan worden als diefstal. Verdachte heeft de fiets gepakt, is daarop gaan fietsen en heeft de fiets vervolgens op een andere plek dan waar hij hem had weggenomen weer achtergelaten. Verdachte heeft derhalve als heer en meester over de fiets beschikt, terwijl voorts uit voornoemde gang van zaken naar hun uiterlijke verschijningsvorm redelijkerwijs niet anders kan worden afgeleid dan dat de verdachte het oogmerk had om zich de betreffende fiets wederrechtelijk toe te eigenen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3 subsidiair, 4 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 22 maart 2018 te Delfzijl met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee met inhoud,

waaronder geld, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke

diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal gemakkelijk te maken,

welk geweld hierin bestond dat verdachte die [slachtoffer 1] bij de jas ter hoogte

van de keel heeft vastgepakt en/of heeft vastgehouden en vervolgens met

zijn, verdachtes, hand in de jaszak van die [slachtoffer 1] is gegaan;

2.

hij op 18 april 2018 te Delfzijl

[slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem meermalen in

en tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam

te slaan en te duwen;

3. subsidiair

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en anderen op

2 oktober 2017 te Appingedam

tezamen en in vereniging,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een clubgebouw

heeft weggenomen

kindercrosshelmen en een paarse crossfiets en geld en

snoep/drink- en etenswaren en kleding (race-/BMX pakken),

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij],

waarbij die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of hun mededaders zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak, bij tot het plegen van welk misdrijf verdachte op omstreeks 2 oktober 2017 te Appingedam,

opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan;

4.

hij op 24 november 2017 te Appingedam

opzettelijk en wederrechtelijk een fiets, die geheel aan een ander,

te weten aan [slachtoffer 4] toebehoorde, heeft beschadigd;

5.

hij op 4 september 2018 te Delfzijl, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een driewielfiets,

geheel toebehorende aan [slachtoffer 5].

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken

2. mishandeling

3. subsidiair medeplichtigheid aan diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

4. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen

5. diefstal

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 subsidiair, 4, 5 en 6 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen vervangende jeugddetentie, met een proeftijd van twee jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming in haar rapportage d.d. 3 januari 2019. De officier van justitie acht het, evenals Jeugdbescherming Noord en anders dan de Raad voor de Kinderbescherming, voorts van belang dat het geadviseerde intensieve traject van ITB Harde Kern gedurende een periode van maximaal drie maanden wordt gecombineerd met elektronisch toezicht.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangegeven zich met de strafeis van de officier van justitie te kunnen verenigen, met dien verstande dat zij zich –evenals de Raad voor de Kinderbescherming– verzet tegen het opleggen van elektronisch toezicht, omdat dit te beperkend zal werken voor het sociale leven en de sportieve activiteiten van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in een relatief korte periode schuldig gemaakt aan diefstal met geweld, medeplichtigheid aan gekwalificeerde diefstal en aan diefstal. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de beschadiging van een fiets en aan mishandeling. Met name het eerste feit, waarbij verdachte niet heeft geschroomd geweld toe te passen jegens het kennelijk bewust door hem uitgekozen kwetsbare slachtoffer om op die manier haar portemonnee te bemachtigen, rekent de rechtbank verdachte zeer aan. Verdachte heeft zich geen enkele rekenschap gegeven van de mogelijke gevolgen van deze, voor het slachtoffer zeer ingrijpende en beangstigende gebeurtenis. Verdachte heeft zich bij alle door hem gepleegde vermogensdelicten louter laten leiden door zijn eigen financiële gewin.

Voor zowel de vermogensdelicten als de beschadiging van de fiets geldt bovendien dat dit handelen van verdachte blijk geeft van ieder gebrek aan respect voor andermans eigendommen en dat hij eveneens geheel voorbij gaat aan de angst, overlast en ergernis die dergelijke feiten bij de gedupeerden veroorzaken.

Ten aanzien van de door verdachte gepleegde mishandeling behoeft het tot slot geen betoog dat hij hiermee een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

De rechtbank overweegt dat voornoemde feiten de oplegging van een substantiële straf zonder meer rechtvaardigen. Te meer nu verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en dat deze eerdere veroordelingen hem er kennelijk niet van hebben weerhouden om

-tijdens een nog lopende proeftijd- opnieuw de fout in te gaan. De rechtbank dient echter ook rekening te houden met de persoon van verdachte en diens jeugdige leeftijd.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank allereerst kennis genomen van de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 15 november 2018, opgemaakt door drs. M.A. Aalbers-Passier, GZ-psycholoog. De deskundige heeft geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde leed aan een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens die zich in diagnostische zin laat omschrijven als een stoornis in het autistisch spectrum en een ander gedifferentieerde gedragsstoornis. De deskundige heeft geadviseerd verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank kan zich verenigen met de conclusie van de psycholoog omtrent de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en maakt die tot de hare. De rechtbank is daarom van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde aan verdachte verminderd kan worden toegerekend.

Voornoemde deskundige schat de kans op recidive –zonder interventie- als hoog in.

De beperkingen die verdachte ervaart vanuit zijn autistische stoornis, maken dat hij zich regelmatig in maatschappelijke situaties bevindt die voor hem niet duidelijk zijn.

De onhandige keuzes die verdachte dientengevolge vaak maakt, brengen hem vervolgens weer in de problemen. Om het recidivegevaar te beperken en ter bevordering van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte acht de deskundige het van groot belang om naast verdachte en zijn ouders ook de hulpverleners te betrekken bij de psycho-educatie van verdachte aangaande diens problematiek. Daarnaast acht de deskundige een gestructureerde invulling van de dag, met voldoende toezicht en controle, noodzakelijk om de kans op recidive te verkleinen. Dat geldt tevens voor dagbesteding en/of scholing door medewerkers die ervaring hebben met mensen met een stoornis in het autistisch spectrum, een gestructureerde vrijetijdsbesteding en strak toezicht en controle op de omgang met zijn vrienden. Volgens de deskundige zou het bovenstaande kunnen worden gerealiseerd door verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden hetgeen hierboven is omschreven. Daarnaast adviseert de deskundige toezicht en controle door de jeugdreclassering in de vorm van ITB Harde Kern.

Uit het advies van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 3 januari 2019 komt eveneens naar voren dat de problemen van verdachte met name voortkomen uit zijn autistische stoornis. Evenals de psycholoog is de Raad voor de Kinderbescherming van mening dat er middels het opleggen van ITB Harde Kern strakke kaders voor verdachte zullen komen, waardoor hij minder snel in de problemen zal belanden. Zij adviseert de rechtbank om aan verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden dat verdachte meewerkt aan ITB Harde Kern voor zes maanden, dat hij onderwijs volgt/adequate dagbesteding heeft, meewerkt aan de geïndiceerde hulp, therapie en/of behandeling en zich houdt aan de meldplicht.

Uit de omtrent verdachte door Jeugdbescherming Noord opgemaakte reclasseringsrapportage d.d. 10 januari 2019 blijkt dat ook de jeugdreclassering zich met voornoemde adviezen kan verenigen, met dien verstande dat zij het eveneens van belang acht dat het intensieve traject van ITB Harde Kern wordt gecombineerd met elektronisch toezicht.

De deskundige van de Raad voor de Kinderbescherming, mevrouw T. Keizer, heeft zich ter terechtzitting nadrukkelijk uitgesproken tegen het opleggen van elektronische toezicht. Dit ingrijpende controlemiddel zal verdachte enorm beperken en zal eveneens een negatieve invloed hebben op de positieve factoren in zijn leven, zoals het spelen van honkbal. Bovendien heeft het inzetten van een dergelijk ingrijpend controlemiddel niet gerechtvaardigd, nu het op de afgelopen periode relatief goed is gegaan met verdachte.

Alles afwegende acht de rechtbank de strafeis zoals door de officier van justitie geformuleerd passend en geboden en zal deze straf dan ook opleggen, met dien verstande dat de rechtbank –aansluitend bij het advies van de Raad voor de Kinderbescherming- geen elektronisch toezicht zal opleggen.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] (feit 1), tot een bedrag van € 20,00 ter zake van materiële schade en

€ 500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 4] (feit 4), tot een bedrag van € 194,95 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van € 500,00 (zijnde de gevorderde immateriële schade) en voor het overige (het materiële deel) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu zij dit bedrag op een andere wijze terug zal krijgen (via het beslag).

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze vordering gedeeltelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van € 64,95 (zijnde de gevorderde kosten voor de schadepost “vernielde fiets”) en dat de vordering voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de schadepost “vernielde bril” betrekking heeft op een strafbaar feit dat verdachte niet ten laste is gelegd.

Ten aanzien van beide gedeeltelijk toewijsbare vorderingen heeft de officier van justitie de rechtbank voorts verzocht hierbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, maar daarbij de vervangende jeugddetentie op nihil te stellen.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat deze gedeeltelijk kan worden toegewezen, daar waar het de immateriële schade betreft. Wel verzoekt de raadsvrouw de rechtbank om dit bedrag van

€ 500,00 te matigen tot een bedrag van € 250,00. Voor wat betreft de gevorderde materiële schade van € 20,00 heeft de raadsvrouw zich aangesloten bij de officier van justitie .

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel afgewezen dient te worden. Zulks nu verdachte ontkent dit feit te hebben gepleegd. Subsidiair, indien de rechtbank wel tot enige bewezenverklaring mocht komen, heeft de raadsvrouw aangegeven dat zich voor wat betreft de schadepost “vernielde bril” bij de officier van justitie aansluit en heeft zij zich ten aanzien van de schadepost “vernielde fiets” gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Zij heeft daarbij wel opgemerkt dat de bijgevoegde factuur ziet op een eerdere reparatie van het achterwiel van de fiets en dat geenszins blijkt dat er thans sprake is van dusdanige schade aan het achterwiel van de fiets dat een dergelijk bedrag gerechtvaardigd is.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)

De rechtbank is van oordeel dat de vordering toewijsbaar is tot een bedrag van € 500,00 (zijnde de gevorderde immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2018. Zij ziet geen aanleiding voornoemd bedrag te matigen. De gevorderde materiele schade acht de rechtbank niet voor toewijzing vatbaar, nu [slachtoffer 1] dit bedrag terugkrijgt middels opheffing van het beslag dat daarop ligt. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom afwijzen.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. De rechtbank zal ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel geen vervangende jeugddetentie opleggen.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 4)

De rechtbank is van oordeel dat de vordering gedeeltelijk toewijsbaar is tot een bedrag van

€ 64,95 (zijnde de gevorderde kosten voor de schadepost “vernielde fiets”), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2017. De andere schadepost (“vernielde bril”) acht de rechtbank niet voor toewijzing vatbaar, nu de rechtbank vaststelt dat deze schade ziet op een niet aan verdachte ten laste gelegde mishandeling. Deze gevorderde schade is derhalve geen rechtstreeks gevolg geweest van het onder 4 ten laste gelegde feit. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. De rechtbank zal ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel geen vervangende jeugddetentie opleggen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 2 augustus 2017, gewezen door de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot een taakstraf –bestaande uit een werkstraf- voor de duur van 30 uren, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 7 augustus 2017.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 19 december 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De hiervoor bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis van

2 augustus 2017 voorwaardelijk opgelegde taakstraf.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen geldbedrag van in totaal € 27,50 moet worden teruggegeven aan de rechthebbenden, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet. Daarvan zal € 20,00 euro terug zal moeten worden gegeven aan [slachtoffer 1] en € 7,50 aan verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 48, 49, 77a, 77b, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 300, 310, 311, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 primair, 6 en 7 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 subsidiair, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een werkstraf voor de duur van 160 uren.

Bepaalt dat deze werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, schuldig heeft gemaakt aan de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf, vervangende jeugddetentie voor de duur van 80 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Stelt als algemene voorwaarden:

a. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

b. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

c. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd op bepaalde tijdstippen zal melden bij Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen te Groningen en dat hij zich daarna zal blijven melden zo lang en zo frequent als deze instelling dat noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd in het kader van het jeugdreclasseringstoezicht zal meewerken aan de maatregel Intensieve Trajectbegeleiding (ITB Harde Kern), waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die de veroordeelde in het kader van die maatregel door die instelling zullen worden gegeven;

3. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zal beschikken over een dagbesteding en/of onderwijs zal volgen;

4. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zijn medewerking zal verlenen aan de geïndiceerde ambulante hulp, therapie en/of behandeling.

Draagt de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen te Groningen op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Ten aanzien van 18/840023-18, feit 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2018.

Bepaalt dat de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige wordt afgewezen.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro). Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/840023-18, feit 4:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 64,95 (zegge: vierenzestig euro en vijfennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2017.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 64,95 (zegge: vierenzestig euro en vijfennegentig eurocent). Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/074859-17:

Gelast de tenuitvoerlegging van de taakstraf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter te Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, d.d. 2 augustus 2017, te weten: een werkstraf voor de duur van 30 uren.

Gelast de teruggave aan veroordeelde van het in beslag genomen geldbedrag van € 7,50.

Gelast de teruggave aan [slachtoffer 1] van het in beslag genomen geldbedrag van € 20,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. M.J.B. Holsink en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. L. van der Weide, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 februari 2019.

mr. Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.