Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3513

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
15-08-2019
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1521 en AWB - 17 _ 1587
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2021:177, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Reclamebelasting 2015 en 2016 gemeente Oldambt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een objectieve en redelijke rechtvaardiging is voor de beperking van het heffingsgebied. Dit brengt mee dat aan de Verordeningen verbindende kracht moet worden ontzegd. De rechtbank vernietigt de aanslagen reclamebelasting voor de jaren 2015 en 2016. Beroepen gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-08-2019
V-N Vandaag 2019/1881
FutD 2019-2228
NTFR 2019/2530 met annotatie van mr. P.L. Cheung
Belastingblad 2019/377 met annotatie van J.C. Scherff
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 16/1521 en LEE 17/1587

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 23 juli 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te Winschoten , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde eiseres] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Oldambt, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

2015 (LEE 16/1521)

Verweerder heeft voor het jaar 2015 met dagtekening 31 juli 2015 aan eiseres een aanslag opgelegd in de reclamebelasting ten bedrage van € 1.750.

Bij uitspraak op bezwaar van 23 februari 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep geregistreerd onder zaaknummer 16/1521.

2016 (LEE 17/1587)

Verweerder heeft voor het jaar 2016 met dagtekening 12 december 2016 aan eiseres een aanslag opgelegd in de reclamebelasting ten bedrage van € 1.750.

Bij uitspraak op bezwaar van 21 maart 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep geregistreerd onder zaaknummer 17/1587.

Alle zaken:

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 1] en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 3] en [naam 4] . Eiseres en verweerder hebben ter zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiseres exploiteerde een winkel in bovenkleding en modeartikelen met de naam [winkel] . De winkel is gelegen aan [adres] te Winschoten.

1.2.

In het Raadsvoorstel van 19 mei 2015, van Burgemeester en wethouders van de gemeente Oldambt aan de gemeenteraad, welk voorstel als bijlage 4 bij de beroepsgronden in de zaak met nummer 16/1521 is gevoegd (hierna: Collegevoorstel aan de Raad) is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

Uitbreiding van het reclamebelastinggebied

Het gebied waarin de reclamebelasting wordt geheven is uitgebreid tot het gehele centrum zoals met de paarse lijn ‘gebied 2’ is weergegeven op de kaart op de volgende pagina. Dit gebied is ook het gebied waar de investeringen in het verbeteren van het centrum plaatsvinden en/of in de directe invloedsfeer van dit gebied liggen. Deze investeringen richten zich in belangrijke mate op het versterken van de vestigingsomstandigheden van de

ondernemers in het gehele centrum van Winschoten. Voorbeelden zijn er te over. We noemen hier enkele voorbeelden. Voor een meer gedetailleerde beschrijving wordt verwezen naar andere u bekende documenten op het gebied van het verbeteren van het centrum:

  • -

    Herinrichting van het Oldambtplein, het stationsgebied, De Venne, de Engelstilstraat, de Torenstraat, het gebied rondom de voormalige LTS en het gebied rond de C1000.

  • -

    Naast de hiervoor genoemde investeringen zijn hier bijvoorbeeld ook panden verbeterd en aangekocht en wordt groen verbeterd.

  • -

    Parkeermogelijkheden worden verbeterd.

  • -

    Ook zijn investeringen gepland in het Renselgebied / de Renselkade (verbetering van de woonschepenlocatie en opwaardering van het gebied, o.a. de brug).

  • -

    Het terrein van beide voormalige gasfabrieken wordt aangepakt (het gaat om de terreinen gelegen aan de Gaslaan en aan de Marktstraat).

  • -

    Aanleg van de Blauwe Loper (een snelle verbinding voor langzaam verkeer tussen de Blauwestad en het centrum van Winschoten).

  • -

    De gemeente investeert in bestrijding van leegstand.

  • -

    De inrichting van de spoorwegovergang in de Blijhamsterweg wordt vernieuwd.

  • -

    De bewegwijzering wordt verbeterd.

  • -

    Inrichting van Stadstuinen om het verblijfsklimaat in het centrum te verbeteren.

  • -

    Een subsidieregeling die nog tot het einde van dit jaar open staat en waarvan ondernemers gebruik kunnen maken voor het verplaatsen van een winkel naar de binnenstad en voor het opknappen van het pand, de gevel of het wonen boven de winkel.

  • -

    Er wordt ook veel gedaan aan de aankleding van het centrum: aanleg van bloembakken en bankjes, nieuwe bestrating, aanleg van groen en bomen.

  • -

    Ook dragen de gemeente en de provincie bij aan initiatieven zoals Internet (Winschoten 24) en de aanleg van wifi in de binnenstad.

In totaal steekt de overheid circa € 30 miljoen in het verbeteren van het centrum van Winschoten. Het grootste deel van de bijdrage van de overheid (circa 80%) wordt besteed in de binnenstad van Winschoten, een substantieel deel (circa 20%) wordt besteed in de schil rondom de binnenstad, het overige deel van het centrum. Ook ondersteunt de gemeente evenementen, promotie en andere immateriële zaken zoals het keurmerk veilig ondernemen en is van de eerder genoemde subsidie aan het binnenstadsfonds.

Twee gebieden in het centrum

De voorgenomen bestedingen uit het binnenstadsfonds zijn in twee deelgebieden van het centrum verschillend. Het binnenstadsgebied (gebied 1, het gebied gelegen binnen de blauwe lijn) en het overige centrum (gebied 2, het gebied gelegen binnen de paarse lijn voor zover dit geen deel uitmaakt van gebied 1). De deelgebieden worden weergegeven op de kaart. De lijn loopt in de meeste gevallen door een straat. De panden aan beide zijden van de straat waar de lijn doorheen loopt, vallen binnen het betreffende gebied.

[kaart]

Het binnenstadsfonds raamt dat de bestedingen uit het binnenstadsfonds als volgt zijn:

  • -

    Circa 80% van de uitgaven van het binnenstadsfonds heeft betrekking op gebied 1 (binnenstad): € 100.000 als bijdrage aan promotie en activiteiten en € 125.000 t.b.v. verbeteringsmaatregelen van de gemeente in het overige centrumgebied (dit zijn de bestedingen die tijdens de informatieavond van 9 april 2015 werden genoemd).

  • -

    Circa 20% van de uitgaven van het binnenstadsfonds heeft betrekking op gebied 2 (overige deel van het centrum): € 20.000 als bijdrage aan promotie en activiteiten en € 25.000 t.b.v. verbeteringsmaatregelen van de gemeente in het overige centrumgebied (dit zijn de bestedingen die tijdens de informatieavond van 9 april 2015 werden genoemd).

Een groot deel van de bestedingen komt ten goede aan het binnenstadsgebied (gebied 1). Dit sluit aan bij het zeer omvangrijke investeringsprogramma ter verbetering van het centrum (geraamde investeringskosten: € 30 mln). Zoals hiervoor werd gezegd, vindt het grootste deel van deze investeringen - circa 80% — plaats in gebied 1, maar ook in andere delen van het centrum (gebied 2) vinden grote investeringen plaats (o.a. een deel van de Blauwe Loper, het Stationsgebied, sanering van de gasfabriekterreinen (het gaat om de terreinen gelegen aan de Gaslaan en aan de Marktstraat), de vernieuwing van de spoorwegovergang in de Blijhamsterweg, een deel van de verbetering van de bewegwijzering, een deel van de verbetering van de inrichting en aankleding het centrum, de voorgenomen investeringen in het Renselkadegebied (verbetering van de woonschepenlocatie en opwaardering van het gebied, o.a. de brug) en de aanleg van stadstuinen). Ook hebben de bestedingen van het binnenstadsfonds aan activiteiten, evenementen en promotie een duidelijke meerwaarde voor ondernemers in het gehele centrum (gebied 1 én gebied 2). Dit rechtvaardigt een bijdrage van de ondernemers in zowel de binnenstad (gebied 1) als in het overige deel van het centrum (gebied 2).

1.3.

De Raad van de gemeente Oldambt heeft bij besluit van 22 juni 2015 de “Verordening op de heffing en de invordering van reclamebelasting centrum Winschoten 2015” (hierna: de Verordening 2015) vastgesteld. In de Verordening 2015 is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Artikel 2Gebiedsomschrijving

  1. Deze verordening is van toepassing binnen de gebieden van de gemeente Oldambt zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende kaart (Bijlage 1).

  2. De in het eerste lid, genoemde gebieden omvatten de hierna te noemen onroerende zaken:

  1. Binnenstad van Winschoten zoals aangegeven op de kaart in bijlage 1 (gebied 1).

  2. Overig centrumgebied van Winschoten zoals aangegeven op de kaart in bijlage 1 (gebied 2).

Artikel 3Belastbaar feit

Onder de naam ‘reclamebelasting’ wordt, met inachtneming van het gestelde bij of krachtens deze verordening, binnen het gebied zoals bedoeld in artikel 2, een directe belasting geheven ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg.

1.4.

In de Toelichting op de Verordening Reclamebelasting centrum Winschoten (hierna: de toelichting op de Verordening 2015) is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

Artikel 2 Gebiedsomschrijving

Alleen binnen het aangewezen gebied geplaatste of aangebrachte openbare aankondigingen vallen onder de reclamebelasting. Op de bij de verordening gevoegde kaart met toelichting is aangegeven hoever het bereik van de reclamebelasting gaat. Ter zake van aankondigingen buiten de grenzen van dat gebied kan de gemeente dus geen reclamebelasting heffen, ook al zijn deze aankondigingen zichtbaar van de openbare weg.

Dat dit mogelijk is blijkt uit de uitspraak van de Hoge Raad van 11 november 2011 (nr. 10/04446, ECLI:NL:HR:2011:BR4564), waarin is geoordeeld dat de reclamebelasting gelet op de gemeentelijke autonomie slechts in een deel van de gemeente kan worden ingevoerd, mits daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond bestaat. Indien een gemeente besluit de opbrengst van een reclamebelasting te besteden aan activiteiten en voorzieningen die binnen een bepaald gedeelte van het grondgebied zullen plaatsvinden of gerealiseerd worden, en zij het object van de heffing heeft beperkt tot openbare aankondigingen in het desbetreffende gedeelte van haar grondgebied, is volgens de Hoge Raad sprake van een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor die beperking indien de gemeente in redelijkheid heeft mogen uitgaan van de veronderstelling dat op deze wijze degenen die profijt kunnen hebben van de opbrengst van de belasting in de heffing worden betrokken.

De opbrengst zal worden ingezet voor de versterking van het centrum van Winschoten, waardoor sprake is van een objectieve rechtvaardiging om slechts in het aangewezen gebied reclamebelasting te heffen. Met de opbrengsten van de heffing zal onder andere een bijdrage worden geleverd aan de investeringen genoemd in het algemene deel van deze toelichting.

Tijdens de informatieavond over de nieuwe reclamebelasting die plaatsvond op 9 april 2014 legden de ondernemers de volgende wensen voor de besteding van hun bijdrage aan investeringen in de komende tijd op tafel:

  • -

    Zo min mogelijk hinder voor ondernemers tijdens herinrichtingsprojecten.

  • -

    Aandacht voor ‘koopstad Winschoten’ langs de A7 in het Nederlands en Duits.

  • -

    Maatregelen om het gebruik van de parkeergarage ‘t Rond te bevorderen.

  • -

    Een betere presentatie van de thans afgeplakte parkeerapparatuur.

  • -

    Herinrichting en verbetering van het verlichtingsniveau van de Engelstilstraat.

  • -

    Investeringen die bijdragen aan bevordering van rondlooproutes tijdens het bezoek aan het centrum.

Een bijdrage van de ondernemers van € 150.000 per jaar zal in de komende tijd worden ingezet zodat de gemeente in het kader van haar investeringsprojecten aan deze ondernemerswensen tegemoet te komen.

Al deze activiteiten vinden plaats in het afgebakende gebied. Daarnaast zal een deel van de heffing (€ 105.000 per jaar) worden aangewend voor evenementen en voor communicatie en promotie van het centrum van Winschoten. De met de opbrengsten van de heffing te financieren activiteiten en voorzieningen zijn dus in het bijzondere belang van en van bijzonder profijt voor alle belastingplichtigen die onder het bereik van de heffing vallen.

Invoering van de reclamebelasting ondersteunt de ontwikkeling van de economie van de binnenstad. Ook wordt op deze wijze invulling gegeven aan de wens van Gemeente Oldambt en de wens van de provincie dat de ondernemers en de gemeente samen bijdragen aan de versterking van het centrum.

De opbrengst van de belasting is begroot op € 260.000 per jaar, voor gebied 1 circa € 220.000 en voor gebied 2 circa € 40.000. Dit sluit aan bij de geplande bestedingen vanuit het ondernemersfonds centrum / binnenstadsfonds in de beide gebieden. Deze bedragen € 225.000 in gebied 1 en € 45.000. Het ondernemersfonds krijgt de beschikking over € 255.000, dit is de opbrengst van de reclamebelasting minus € 5.000 perceptiekosten ten behoeve van de gemeente. Daarnaast beschikt het fonds over een subsidie van de gemeente van € 15.000. De hier genoemde bedragen zijn afgerond.

1.5.

De Raad van de gemeente Oldambt heeft bij besluit van 14 december 2015 de “Verordening op de heffing en de invordering van reclamebelasting centrum Winschoten 2016” (hierna: de Verordening 2016) vastgesteld. Voor zover hier van belang is de Verordening 2016 gelijkluidend aan de Verordening 2015.

1.6.

Het pand van eiseres is gelegen in gebied 1 zoals bedoeld in het tweede lid, onderdeel a van artikel 2 van de Verordening 2015 en de Verordening 2016 (hierna gezamenlijk aangeduid als: de Verordeningen).

Geschil en beoordeling

2.1.

Tussen partijen is het volgende in geschil:

  1. In de eerste plaats of verweerder terecht jaarlijks aanspraak maakt op € 150.000 van de totaalopbrengst van de reclamebelasting;

  2. Ten tweede of de begrenzingen van het belastinggebied gerechtvaardigd zijn;

  3. Tot slot of de WOZ-waarde als heffingsmaatstaf voor de reclamebelasting mag worden gebruikt.

2.2.

Eiseres beantwoordt bovenstaande vragen ontkennend. Verweerder daarentegen beantwoordt bovenstaande vragen bevestigend.

2.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat op het pand van eiseres aankondigingen zijn aangebracht als bedoeld in artikel 3 van de Verordeningen, dat eiseres belastingplichtig is volgens de Verordeningen en dat de aanslagen reclamebelasting ook overigens op zichzelf in overeenstemming met de Verordeningen zijn opgelegd.

Geschilpunt b: Is de begrenzing van het belastinggebied gerechtvaardigd?

3. Om redenen van proceseconomie zal de rechtbank eerst geschilpunt b. behandelen. Geschilpunten a. en c. behoeven namelijk geen bespreking meer indien het standpunt van eiseres slaagt.

4. Op grond van artikel 227 van de Gemeentewet kan ter zake van openbare aankondigingen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg een reclamebelasting worden geheven.

5. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 11 november 2011 (Hoge Raad 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR4564) als volgt overwogen:

3.4.2. Bij de beoordeling van dit middelonderdeel dient te worden vooropgesteld dat de reclamebelasting in artikel 227 van de Gemeentewet is voorzien als een algemene belasting, hetgeen meebrengt dat een gemeente vrij is in de besteding van de opbrengst van die belasting en derhalve ook de vrijheid heeft om die opbrengst te besteden aan activiteiten en voorzieningen binnen een bepaald gedeelte van haar grondgebied.

3.4.3.

Verder dient te worden vooropgesteld dat het karakter van een algemene belasting er evenmin aan in de weg staat dat een gemeente de heffing van deze belasting beperkt tot een gedeelte van haar grondgebied, mits voor die beperking een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat (vgl. HR 21 juni 2000, nr. 33816, LJN AA6253, BNB 2000/272). Bij het bestaan van een dergelijke rechtvaardiging is de beperking niet in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel; de gemeentelijke wetgever overschrijdt daarmee ook niet de grenzen van de regelgevende bevoegdheid die hem in artikel 227 van de Gemeentewet is toegekend.

3.4.4.

Indien een gemeente besluit de opbrengst van een reclamebelasting te besteden op een wijze als hiervoor in 3.4.2 bedoeld, en zij het object van de heffing heeft beperkt tot openbare aankondigingen in het desbetreffende gedeelte van haar grondgebied, is sprake van de eerderbedoelde objectieve en redelijke rechtvaardiging voor die beperking, indien die gemeente in redelijkheid heeft mogen uitgaan van de veronderstelling dat op deze wijze degenen die profijt kunnen hebben van de opbrengst van de belasting in de heffing worden betrokken.

3.5.1. '

s Hofs oordelen dat voor de ondernemers in het centrumgebied profijt kan ontstaan door de met de reclamebelasting te subsidiëren activiteiten en voorzieningen, en dat bijna alle ondernemers in het centrumgebied - die in enigerlei mate profijt hebben van de activiteiten en de voorzieningen - in de vorm van een reclamebelasting bijdragen aan de kosten ervan, kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Deze oordelen zijn evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

6. Een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast brengt mee dat verweerder feiten en omstandigheden moet stellen en, bij betwisting door eiseres, aannemelijk moet maken waaruit volgt dat er sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het beperken van het heffingsgebied.

7. Verweerder heeft gesteld dat er een objectieve en redelijke rechtvaardiging is voor de beperking van het heffingsgebied. Ter onderbouwing heeft verweerder erop gewezen dat de reclamebelasting is gekoppeld aan het ondernemersfonds voor het centrum van Winschoten. Dit fonds besteedt zijn middelen in het heffingsgebied. De belastingtarieven sluiten aan bij de bestedingen uit het centrumfonds voor ondernemers per deelgebied. Hierdoor zal het voordeel van de belasting volgens verweerder worden genoten in het centrumgebied. Verweerder stelt dat de ondernemers buiten het centrumgebied hooguit een indirect voordeel hebben. Dit voordeel zou volgens verweerder kunnen voortvloeien uit het feit dat het centrum meer bezoekers gaat trekken door de investeringen die daar worden gedaan. Hierdoor is het mogelijk dat ook ondernemingen die gelegen zijn buiten het heffingsgebied meer bezoekers krijgen. Deze relatie is echter volgens verweerder niet rechtstreeks genoeg om uitbreiding van het heffingsgebied te rechtvaardigen. Daarnaast heeft verweerder erop gewezen dat de gebiedsafbakening logisch is gekozen door zoveel mogelijk aan te sluiten bij de natuurlijke grenzen, zoals de spoorlijn in het zuiden, de tramhaven in het oosten en de meer doorgaande straten zoals de St. Vitusholt en de Beertsterweg. Verweerder heeft ter verdere onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar het Raadsvoorstel (zie 1.2.) en de toelichting op de Verordening 2015 (zie 1.4.).

8. Eiseres heeft gemotiveerd betwist dat er sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de beperking van het heffingsgebied. Volgens eiseres heeft verweerder niet onderbouwd hoe de ondernemers in de gebieden 1 en 2 voldoende profijt van de reclamebelasting hebben en de ondernemers buiten het centrum van Winschoten hooguit een indirect voordeel. Gezien de aard, omvang en ligging van de vermelde voorzieningen is eiseres van mening dat ook ondernemers ten zuiden, westen, oosten en noorden van het heffingsgebied ten minste in dezelfde mate van de voorzieningen profiteren als de ondernemers in gebied 2. Eiseres stelt dus dat de begrenzing van gebied 2 te beperkt is gebleven waardoor vele profijt genietende ondernemers ten onrechte en op willekeurige gronden buiten schot zijn gebleven. Hiervoor kan volgens eiseres geen objectieve en redelijke rechtvaardiging worden gegeven.

9.1.

De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op hetgeen in 5. is overwogen, kan verweerder het heffingsgebied van de reclamebelasting in beginsel beperken. Hiervoor moet verweerder naar het oordeel van de rechtbank dan wel aannemelijk maken dat hij er in redelijkheid van uit heeft mogen gaan dat iedereen die profijt kan gaan hebben van de opbrengst, ook daadwerkelijk in de heffing wordt betrokken. Om dat te kunnen bewijzen, moet er dus eerst zicht bestaan op wie er profijt kunnen gaan hebben van de opbrengst van de belasting. Vervolgens kan die groep worden vergeleken met de in de Verordening aangewezen belastingplichtigen. De rechtbank leidt uit het arrest van de Hoge Raad af (zie 5.), dat de beperking van het heffingsgebied gerechtvaardigd is, als de groep profijthebbenden (nagenoeg) overeenkomt met de groep belastingplichtigen. Als verondersteld kan worden dat de groep profijthebbenden groter is, of als verweerder er in redelijkheid niet van heeft mogen uitgaan dat de groep profijthebbenden beperkt is tot de aangewezen belastingplichtigen, is de beperking ongerechtvaardigd.

9.2.

Verweerder heeft het heffingsgebied beperkt tot de gebieden 1 en 2 (zie 1.3.). Uit de toelichting op de Verordening 2015 (zie 1.4.) volgt dat de opbrengst van de reclamebelasting door de gemeente in het algemeen zal worden ingezet voor de versterking van het centrum van Winschoten. Daarnaast zijn in het Raadsvoorstel (zie 1.2.) enkele mogelijke investeringen door de gemeente genoemd. Uit de gedingstukken volgt echter niet welke activiteiten het ondernemersfonds precies zou gaan ondernemen met de opbrengst van de reclamebelasting en ook niet wie daar dan precies op welke manier profijt van zouden gaan hebben. In het dossier is daarnaast geen begroting aanwezig op basis waarvan de Verordeningen en de tarieven voor de reclamebelasting zijn vastgesteld. Verder heeft verweerder geen inzicht gegeven in de wijze waarop na de invoering van de reclamebelasting uitvoering is gegeven aan de besteding van de opbrengst van de reclamebelasting. Verweerder heeft geen overzicht overgelegd van de activiteiten van de gemeente en het ondernemersfonds en de kosten die met deze activiteiten gemoeid waren. Weliswaar heeft verweerder ter zitting een aantal posten genoemd waaraan de opbrengst uiteindelijk is besteed (zoals een bijdrage aan het opknappen van het Oldambtplein, de reconstructie van het Liefkensplein en het aanleggen van WiFi in de binnenstad), maar het is niet duidelijk geworden of en in hoeverre dat vooraf bekend was. Dit alles maakt het al erg lastig om te kunnen vaststellen wie er nu allemaal profijt zouden (kunnen) gaan hebben van de opbrengst. Dat is wel een vereiste om de toets aan het door de Hoge Raad geformuleerde criterium op dit punt te kunnen uitvoeren. In dit verband overweegt de rechtbank dat eiseres onvoldoende weersproken heeft gesteld dat de feitelijke situatie in de kern van Winschoten zo is, dat ook niet-belastingplichtigen mee kunnen profiteren van bijvoorbeeld infrastructurele voorzieningen.

9.3.

Verweerder heeft bovendien evenmin een voldoende duidelijk inzicht verschaft in de mate waarin de ondernemers in de gemeente, naar gelang hun pand in gebied 1, gebied 2, of buiten die gebieden gelegen is, daadwerkelijk profijt hebben gehad van de met de opbrengst van de reclamebelasting betaalde activiteiten (vergelijk Hof Arnhem-Leeuwarden 9 oktober 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8933). Tot slot heeft verweerder ook niet op andere feiten en omstandigheden gewezen, op grond waarvan hij er in redelijkheid vanuit kon gaan dat iedere ondernemer die redelijkerwijs profijt kon hebben van de bestedingen, ook werkelijk in de heffing werd betrokken. De rechtbank wijst ter illustratie op Hof Arnhem-Leeuwarden 26 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2610 (zie met name r.o. 4.5). Daarin had de heffingsambtenaar de gemaakte keuzes (wel) gemotiveerd. Bovendien had hij de stellingen van de belastingplichtige voldoende gemotiveerd weersproken, door te wijzen op leegstand, bijzonderheden ten aanzien van de ligging en de kans voor buiten het heffingsgebied gelegen ondernemers om met een eigen vereniging activiteiten te ontplooien en financieren.

9.4.

Gelet op het voorgaande en de gemotiveerde betwisting van eiseres (zie 8.), is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat (bijna) alle ondernemers, die in enige mate profijt kunnen hebben van de activiteiten en voorzieningen die met de opbrengst van de reclamebelasting worden gefinancierd, ook daadwerkelijk in de heffing worden betrokken.

9.5.

Verweerder heeft gesteld dat de gebiedsbeperking ook gerechtvaardigd kan zijn als ondernemers die gevestigd zijn buiten het heffingsgebied een gering profijt, of zoals verweerder in zijn verweerschrift heeft geschreven ‘hooguit een indirect voordeel’, hebben.

In zijn algemeenheid volgt de rechtbank verweerder in zijn stelling dat ondernemers die mogelijk enig profijt hebben, door de gebiedsafbakening buiten de heffing kunnen blijven, zonder dat daardoor die afbakening ongerechtvaardigd wordt (zie Hof Arnhem-Leeuwarden 22 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9784). Het criterium zoals Hof Arnhem-Leeuwarden dat heeft geformuleerd ('mogelijk enig profijt') is naar het oordeel van de rechtbank in lijn met het arrest van de Hoge Raad (zie 5.). Uit dat criterium leidt de rechtbank af dat er twee eisen worden gesteld. In de eerste plaats mag het niet op voorhand al zeker zijn dat er ondernemers zijn die buiten het heffingsgebied zijn gelegen en toch profijt hebben van de opbrengsten van de reclamebelasting ('mogelijk'). In de tweede plaats moet de groep die dan misschien buiten de heffing blijft, minder profijt hebben dan de aangewezen belastingplichtigen van de reclamebelasting ('enig profijt'). Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in wezen zelf erkend dat het op voorhand duidelijk was dat sommige ondernemers buiten het heffingsgebied zouden profiteren (zie 7.). Daar komt bij dat verweerder niet heeft bewezen dat die groep hooguit in (zeer) geringe mate profiteren van de opbrengsten van de reclamebelasting. Daarbij betrekt de rechtbank dat het zeer wel mogelijk is dat ondernemers buiten het heffingsgebied meer dan in (zeer) geringe mate profiteren van bijvoorbeeld de aanleg van de Blauwe Loper en de vernieuwing van de inrichting van de spoorwegovergang (zie hiervoor onder 1.2). Daarom heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de ondernemers die zijn gelegen buiten het heffingsgebied slechts mogelijk enig profijt hebben.

10. Gelet op het voorgaande is verweerder er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat er een objectieve en redelijke rechtvaardiging is voor de beperking van het heffingsgebied. Dit brengt mee dat aan de Verordeningen verbindende kracht moet worden ontzegd en dat de aanslagen dienen te worden vernietigd.

Conclusie:

11. De beroepen zijn gegrond.

Griffierecht:

12. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank heeft in de zaak met zaaknummer 16/1521 € 334 aan griffierecht geheven. In de zaak met zaaknummer 17/1587 heeft de rechtbank € 333 aan griffierecht geheven. Verweerder zal daarom in totaal € 667 aan griffierecht aan eiseres moeten vergoeden.

Proceskosten:

13. De rechtbank is niet van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de aanslag reclamebelasting over het jaar 2015;

- vernietigt de aanslag reclamebelasting over het jaar 2016;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 667 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.P.D. Mathey-Bal, voorzitter, en mr. A. Heidekamp en mr. F.J.H.L. Makkinga, leden, in aanwezigheid van mr. L.S. Langius, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2019.

De griffier is verhinderd te ondertekenen

w.g. voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.