Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3450

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-07-2019
Datum publicatie
12-08-2019
Zaaknummer
C/18/190272 / HA ZA 19-33
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Incident. Vorderingen ex artikel 223 Rv. Afwijzing vordering tot staking executie van grosse notariële akte. Voortzetten executie levert geen misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW op. Afwijzing vordering ex artikel 477a lid 2 Rv tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten van derde-beslagenen. Hoofdzaak betreft geen procedure in de zin van artikel 477a lid 2 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/190272 / HA ZA 19-33

Vonnis in incident van 24 juli 2019

in de zaak van

[eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] ,

wonende te [plaats] ,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. M.J. Blokzijl, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [plaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [plaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LIMUN B.V.,

gevestigd te Rotterdam ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TAYDEN B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SAMRAK B.V.,

gevestigd te Groningen,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat: mr. A.A. Bos, kantoorhoudende te Zwolle.

Eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident, zal hierna [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] genoemd worden. Gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident, zullen hierna afzonderlijk worden aangeduid als [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , Limun, Tayden en Samrak en gezamenlijk als [gedaagden i/d hoofdzaak eisers i/h incident] (in mannelijk enkelvoud).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 17 januari 2019;

  • -

    de incidentele conclusie van [gedaagden i/d hoofdzaak eisers i/h incident] van 15 mei 2019;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident van [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] van 29 mei 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Het geschil in de hoofdzaak

2.1.

[eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] vordert in de hoofdzaak - verkort weergegeven - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat de leningsovereenkomst van 25 september 2009 tussen partijen buitengerechtelijk is ontbonden dan wel dat de rechtbank deze leningsovereenkomst bij dit vonnis ontbindt;

2. [gedaagden i/d hoofdzaak eisers i/h incident] hoofdelijk veroordeelt om aan [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] te betalen een bedrag van

€ 414.102,28, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, te vermeerderen met contractuele rente;

3. [gedaagden i/d hoofdzaak eisers i/h incident] hoofdelijk veroordeelt tot het betalen van een schadevergoeding voor de werkelijke kosten van rechtsbijstand van [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, subsidiair tot het vergoeden van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 4.653,07, te vermeerderen met wettelijke rente;

4. [gedaagden i/d hoofdzaak eisers i/h incident] hoofdelijk veroordeelt in de nakosten;

5. [gedaagden i/d hoofdzaak eisers i/h incident] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, de beslagkosten daaronder begrepen, te vermeerderen met wettelijke rente.

2.2.

[eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] legt - samengevat weergegeven - het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] en [gedaagde sub 1] zijn een overeenkomst van geldlening aangegaan, op grond waarvan [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] een totaalbedrag van € 300.000,- heeft uitgeleend aan [gedaagde sub 1] . De overeenkomst van geldlening is vastgelegd in een notariële akte van 25 september 2009 (hierna: de notariële akte). [gedaagde sub 1] heeft het geleende bedrag aangewend voor de verbouwing van de watermolen, staande en gelegen aan de [adres] (hierna: de watermolen). Van deze watermolen was hij op dat moment nog geen eigenaar, maar hij had wel het recht van eerste koop daarop. [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] en [gedaagde sub 1] zijn overeengekomen dat op het moment dat [gedaagde sub 1] daartoe in staat zou zijn, [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] ter zekerheid van voldoening van haar vordering een recht van hypotheek zou verkrijgen op de watermolen en ondergrond. De toenmalige eigenaar/eigenaren van de watermolen en ondergrond zijn bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 11 oktober 2017 veroordeeld om hun medewerking te verlenen aan de levering van de watermolen en ondergrond aan [gedaagde sub 1] . Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. [gedaagde sub 1] kon op grond van dit vonnis de eigendom van de watermolen verkrijgen en aldus aan zijn verplichting voldoen om een recht van hypotheek hierop ten gunste van [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] te vestigen. [gedaagde sub 1] en de (erven van) de eigenaar/eigenaren zijn echter overeengekomen dat de watermolen en ondergrond aan Tayden B.V. zal worden geleverd, hetgeen bij notariële leveringsakte van 29 december 2017 is geschied. Nu [gedaagde sub 1] zijn verplichting jegens [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] doelbewust niet is nagekomen, heeft hij wanprestatie gepleegd en is hij - nu nakoming van zijn verplichting blijvend onmogelijk is - van rechtswege in verzuim. [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] heeft de overeenkomst met [gedaagde sub 1] buitengerechtelijk ontbonden vanwege voormelde wanprestatie van [gedaagde sub 1] , alsmede vanwege de wanprestatie aan zijn zijde, eruit bestaande dat hij de overeengekomen contractuele rente ad 5% over de geldlening nimmer heeft voldaan.

Limun, van welke vennootschap [gedaagde sub 1] zelfstandig bevoegd bestuurder was, en Tayden, van welke vennootschap Limun op haar beurt zelfstandig bevoegd bestuurder was, hebben de wanprestatie van [gedaagde sub 1] mogelijk gemaakt en hiervan geprofiteerd. Tayden verkreeg een onbelaste watermolen, terwijl deze belast had moeten zijn met een hypotheekrecht ten gunste van [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] . Limun en Tayden hebben onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] dan wel zijn ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van haar. Zij zijn op grond daarvan (hoofdelijk) aansprakelijk voor de schade die [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] hierdoor heeft geleden. [gedaagde sub 2] was als aandeelhouder van Limun in staat om invloed uit te oefenen op het bestuur van Limun. Zij heeft gedoogd dat ten koste van [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] wanprestatie werd gepleegd door [gedaagde sub 1] en daarmee onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] . Zij is daarom ook schadeplichtig jegens [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] . [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] begroot haar schade op een bedrag van € 414.102,28, zijnde het (restant)bedrag van de lening, vermeerderd met rente en kosten. [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] heeft op 27 december 2018 conservatoir beslag laten leggen op de watermolen om te voorkomen dat Tayden de watermolen hangende deze procedure aan een derde zou overdragen en daarmee aan het verhaal van [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] zou onttrekken, alsmede op de aandelen van Tayden en Limun. [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] heeft nadien ten laste van [gedaagde sub 1] onder Limun, Tayden en Samrak executoriaal derdenbeslag gelegd op de gelden die zij aan [gedaagde sub 1] verschuldigd zijn voor de werkzaamheden die [gedaagde sub 1] voor hen (heeft) verricht als manager dan wel bestuurder. Deze vennootschappen hebben onjuist verklaard in hun verklaring derdenbeslag. Zij zijn daarom op grond van de wet gelijkelijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de vordering van [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] op [gedaagde sub 1]

3 Het geschil in het incident

3.1.

[gedaagden i/d hoofdzaak eisers i/h incident] vordert in het incident dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] veroordeelt om de tenuitvoerlegging van de notariële akte door middel van het treffen van executiemaatregelen te staken en gestaakt te houden totdat in de hoofdzaak een eindvonnis is gewezen, op straffe van verbeurte van een eenmalige dwangsom van € 100.000,-, te vermeerderen met € 5.000,- per dat dat [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] hiermee in strijd handelt;

2. [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak veroordeelt tot het stellen van zekerheid ten behoeve van [gedaagden i/d hoofdzaak eisers i/h incident] binnen vier weken na het wijzen van dit vonnis voor een bedrag van € 41.218,- voor proceskosten en schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zou kunnen worden, door middel van het stellen van een bankgarantie, af te geven door een Nederlandse bankinstelling volgens het Rotterdams garantieformulier in de meest recente versie, dan wel volgens het model van Nederlandse Vereniging van Banken in de meeste recente versie, althans deze zekerheid te stellen voor een bedrag op een wijze en op een termijn als de rechtbank in goede justitie juist acht;

3. [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] veroordeelt in de kosten van het incident, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede tot vergoeding van de nakosten ad € 131,- dan wel, indien betekening van dit vonnis plaatsvindt, € 199,-.

3.2.

[gedaagden i/d hoofdzaak eisers i/h incident] legt - samengevat weergeven - het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] heeft op grond van de grosse van de notariële akte van 25 september 2009 executoriaal beslag gelegd op de woning van [gedaagde sub 1] aan [gedaagde sub 2] . Deze woning is op 26 maart 2015 executoriaal verkocht voor een bedrag van

€ 61.000,-. Op basis van voormelde grosse heeft zij ook vele andere (derden)beslagen gelegd. Het is [gedaagden i/d hoofdzaak eisers i/h incident] niet bekend of deze beslagen doel hebben getroffen, en zo ja, voor welk bedrag. Aan [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] is via de derdenrekening van haar toenmalige advocaat daarnaast ten minste € 3.250,- betaald. Gelet op het vorenstaande is onduidelijk of [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] thans nog een vordering op [gedaagde sub 1] heeft en zo ja, hoe groot die vordering is. Dit dient in de hoofdzaak te worden uitgemaakt. Door de grosse van de notariële akte vooruitlopend op de uitkomst van de hoofdzaak onverkort te executeren, maakt [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] misbruik van recht in de zin van artikel 3:13 BW, althans handelt zij onrechtmatig jegens [gedaagden i/d hoofdzaak eisers i/h incident] De executie kan immers tot onomkeerbare gevolgen leiden, temeer gelet op het restitutierisico dat bestaat. [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] dient daarom ten aanzien van de grosse van de notariële akte van 25 september 2009 een executieverbod te worden opgelegd.

[eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] is daarnaast op grond van artikel 477a lid 2 Rv gehouden om - op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak - zekerheid te stellen voor de proceskosten waarin hij jegens de derde-beslagenen kan worden veroordeeld, begroot op een totaalbedrag van

€ 41.218,-. Zekerheidstelling door middel van een bankgarantie is nodig, omdat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] geen verhaald biedt voor de proceskosten. Zij heeft geen werk en geniet aldus geen vast inkomen.

3.3.

[eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] voert verweer, met conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van [gedaagden i/d hoofdzaak eisers i/h incident] in zijn vorderingen, althans tot afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling van [gedaagden i/d hoofdzaak eisers i/h incident] in de kosten.

3.4.

[eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] legt - samengevat weergegeven - het volgende ten grondslag aan haar verweer. De grosse van de notariële akte van 25 september 2009 levert een voor executie vatbare titel op jegens [gedaagde sub 1] . Staking van de executie is niet aan de orde. [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] heeft een vordering van € 300.000,- op [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] heeft dit bedrag tot op heden niet terugbetaald, noch rente hierover betaald. Dringende en bijzondere omstandigheden zouden de staking van de executie kunnen rechtvaardigen. Dat dergelijke omstandigheden zich voordoen, is niet gesteld door [gedaagde sub 1] . Zijn vordering dient daarom te worden afgewezen.

De overige eisers in het incident dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vordering, omdat [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] enkel ten opzichte van [gedaagde sub 1] een voor executie vatbare titel heeft en niet ten opzichte van hen. Hun vordering dient althans te worden afgewezen wegens gebrek aan belang hierbij.

De gevorderde zekerheidstelling dient ook te worden afgewezen. De derde-beslagenen zijn niet alleen aangesproken op het doen van onjuiste verklaringen, maar ook rechtstreeks op grond van onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking. Aldus zijn zij niet slechts zijdeling bij het geschil in de hoofdzaak betrokken.

4 De beoordeling in het incident

ten aanzien van de gevorderde staking van de executie

4.1.

De grosse van de notariële akte levert een voor tenuitvoerlegging vatbare executoriale titel op in de zin van artikel 430 lid 1 Rv. In geschil is of [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] - zoals [gedaagden i/d hoofdzaak eisers i/h incident] heeft gevorderd - bij wijze van voorlopige voorziening de executie van de grosse van de notariële akte dient te staken en gestaakt te houden, totdat in de hoofdzaak eindvonnis is gewezen.

4.2.

Op grond van het bepaalde in artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Ingevolge lid 2 van dit artikel moet de vordering samenhangen met de hoofdvordering. Aan dit vereiste is voldaan, nu de notariële akte die in het incident onderwerp van geschil is, ook aan de vorderingen in de hoofdzaak ten grondslag is gelegd.

4.3.

De partij die een voorlopige voorziening vraagt, dient daarbij een voldoende belang te hebben, in die zin dat van hem niet gevergd kan worden dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht. [gedaagden i/d hoofdzaak eisers i/h incident] heeft naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam gesteld dat [gedaagde sub 1] een voldoende belang heeft bij zijn vordering. Hij heeft immers gesteld dat de grosse van de notariële akte tegenover [gedaagde sub 1] een executoriale titel oplevert en dat [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] deze executoriale titel ten laste van hem ten uitvoer legt, terwijl niet vast staat of zij thans nog een vordering op hem heeft. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde sub 2] , Limun, Tayden en Samrak geen partij zijn bij de overeenkomst van geldlening die in de notariële akte is vastgelegd en dat de grosse van deze akte daarom niet te laste van hen ten uitvoer kan worden gelegd. In dat licht heeft [gedaagden i/d hoofdzaak eisers i/h incident] onvoldoende gesteld dat [gedaagde sub 2] , Limun, Tayden en Samrak een voldoende belang hebben bij hun vordering. Reeds om die reden zal de incidentele vordering van [gedaagde sub 2] , Limun, Tayden en Samrak worden afgewezen.

4.4.

Ten aanzien van de vordering van [gedaagde sub 1] overweegt de rechtbank voorts als volgt. [gedaagde sub 1] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] misbruik van recht maakt door de grosse van de notariële akte ten laste van hem te executeren. Van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW kan sprake zijn, indien de executant - mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien de te executeren akte klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na deze akte voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (zie onder meer

HR 19 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC529, NJ 1998, 286). Dat de notariële akte berust op een juridische of feitelijke misslag of dat de executie van deze akte een noodtoestand aan de zijde van [gedaagde sub 1] zal doen ontstaan, is gesteld noch gebleken. Dat [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] anderszins geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging van de notariële akte over te gaan, heeft [gedaagde sub 1] onvoldoende onderbouwd gesteld. De rechtbank overweegt daartoe dat [gedaagde sub 1] niet heeft betwist dat hij - zoals in de notariële akte wordt vermeld - € 300.000,- van [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] heeft geleend. [gedaagde sub 1] heeft weliswaar gesteld dat onduidelijk is of [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] thans nog een vordering op hem heeft omdat op de lening is afgelost, maar de concreet door hem genoemde afgeloste bedragen, te weten € 61.000,- en € 3.250,-, dekken de vordering ad € 300.000,- bij lange na niet. De rechtbank acht het daarom voorshands aannemelijk dat [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] thans nog een vordering op [gedaagde sub 1] heeft. Tegen die achtergrond levert het voortzetten van de executie van de grosse van de notariële akte naar het voorlopig oordeel van de rechtbank geen misbruik van bevoegdheid op aan de zijde van [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] en kan evenmin geoordeeld worden dat [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] hierdoor onrechtmatig handelt jegens [gedaagde sub 1] . Ook de vordering van [gedaagde sub 1] zal aldus worden afgewezen.

ten aanzien van de gevorderde zekerheidstelling

4.5.

In geschil is voorts of [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] - bij wijze van voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 223 Rv - op grond van het bepaalde in artikel 477a lid 2 Rv zekerheid dient stellen voor de proceskosten van [gedaagden i/d hoofdzaak eisers i/h incident] in de hoofdzaak.

4.6.

De rechtbank overweegt dat indien een derdenbeslag is gelegd en een derde-beslagene een verklaring heeft afgelegd, de executant op grond van het bepaalde in artikel 477a lid 2 Rv bevoegd is om deze verklaring geheel of ten dele te betwisten dan wel aanvulling daarvan te eisen door de derde binnen twee maanden na zijn verklaring te dagvaarden tot het doen van gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van hetgeen volgens de vaststelling door de rechter aan de executant zal blijken toe te komen. De rechter kan in een dergelijke procedure op verlangen van de derde-beslagene bepalen dat de executant zekerheid moet stellen voor de proceskosten, waarin hij jegens de derde-beslagene kan worden veroordeeld.

4.7.

Nog daargelaten dat niet alle eisers in het incident als derde-beslagenen kunnen worden aangemerkt, stuit de vordering van [gedaagden i/d hoofdzaak eisers i/h incident] naar het oordeel van de rechtbank reeds af op de omstandigheid dat de hoofdzaak niet een procedure in de zin van artikel 477a lid 2 Rv betreft. [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] heeft zich in de hoofdzaak weliswaar op het standpunt gesteld dat de derde-beslagenen onjuist hebben verklaard, maar zij geen veroordeling van deze derde-beslagenen gevorderd tot het afleggen van een gerechtelijke verklaring. Aldus zijn de derde-beslagenen niet op de voet van artikel 477a lid 2 Rv gedagvaard tot het doen van een gerechtelijke verklaring.

ten aanzien van de proceskosten

4.8.

[gedaagden i/d hoofdzaak eisers i/h incident] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] tot op heden vastgesteld op

€ 461,00 aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst de vorderingen van [gedaagden i/d hoofdzaak eisers i/h incident] af,

5.2.

veroordeelt [gedaagden i/d hoofdzaak eisers i/h incident] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres i/d hoofdzaak verweerster i/h incident] tot op heden vastgesteld op € 461,00 aan salaris advocaat,

in de hoofdzaak

5.3.

verwijst de zaak naar de rol van 4 september 2019 voor het nemen van een conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagden i/d hoofdzaak eisers i/h incident] ,

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2019.1

1 type: pgm coll: