Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3417

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-08-2019
Datum publicatie
06-08-2019
Zaaknummer
18.170584-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte voor ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 249
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18.170584-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 6 augustus 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats],

wonende [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juli 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Pellinkhof, advocaat te Assen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.J. van der Heide.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 17 juni 2017 tot en met 18 juni 2017 te Emmen, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd,
immers heeft hij, verdachte:
- de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer] uitgetrokken en/of

- de dijen van die [slachtoffer] gemasseerd en/of
- zijn vinger(s) en/of penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of
- die [slachtoffer] gezoend.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het ten laste gelegde kan worden bewezen op grond van de aangifte, het informatief gesprek met [slachtoffer] en de getuigenverklaringen.

Naar het standpunt van de officier van justitie was er ook sprake van dat [slachtoffer] zich als cliënt aan de zorg van verdachte had toevertrouwd. Daarbij is niet van belang dat verdachte niet in dienst was bij [naam zorginstelling], de zorgorganisatie die [slachtoffer] begeleidde.

Verdachte was in de ten laste gelegde periode feitelijk werkzaam als hulpverlener en [slachtoffer] was aan zijn zorg toevertrouwd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Naar het standpunt van de raadsman was er geen sprake van een dienstverband tussen verdachte en de zorginstelling [naam zorginstelling]. Ook was het dienstverband tussen verdachte en het uitzendbureau dat verdachte uitzond naar [naam zorginstelling] al op 24 mei 2017 beëindigd. Verdachte was als vrijwilliger op uitnodiging van [naam zorginstelling] meegegaan en kreeg daarvoor een onkosten-vergoeding.

Daarnaast gold het protocol van [naam zorginstelling] in die zin dat deze organisatie zorg garandeert door inzet van geschoold, deskundig en bekwaam personeel. Verdachte kon daaraan niet voldoen omdat hij daartoe niet was opgeleid.

Naar het standpunt van de raadsman was verdachte in de ten laste gelegde periode niet werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de handelingen tussen [slachtoffer] en verdachte hebben bestaan uit strelen en zoenen. Dergelijke handelingen tussen volwassenen zijn op zich niet strafbaar en zeker niet als geen sprake is van een afhankelijkheidssituatie.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periode werkzaam was in de maatschappelijke zorg. Verdachte was door [naam zorginstelling] gevraagd mee te gaan om cliënten van [naam zorginstelling] -waaronder [slachtoffer]- dat weekend te begeleiden bij activiteiten.

Uit jurisprudentie volgt dat aan het begrip “werkzaam in gezondheidszorg of maatschappelijke zorg” een ruime uitleg wordt gegeven. Om werkzaam te zijn in de zorg is geen erkenning vereist als beroepsbeoefenaar uit hoofde van de Wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg. Ook is niet vereist dat sprake is van een zakelijke overeenkomst of een behandelingsovereenkomst, noch dat er sprake is van een erkende hulpverlener.

Verdachte was formeel door [naam zorginstelling] niet aangesteld als persoonlijk begeleider maar hij verrichtte voor [naam zorginstelling] wel degelijk werkzaamheden als zorgverlener. Hij was in het weekend van 17 en 18 juni 2017 daarbij ook belast met de zorg voor en begeleiding van [slachtoffer] en enkele andere cliënten. Daarmee was verdachte feitelijk werkzaam in de maatschappelijke zorg.

Verdachte kan zich daarnaast niet met succes beroepen op het door de raadsman aangehaalde protocol. Dit protocol, dat kennelijk strekt ter bescherming van de belangen van cliënten van [naam zorginstelling], doet niet af aan de aard en het karakter van de werkzaamheden die verdachte feitelijk bij [naam zorginstelling] heeft verricht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 augustus 2017, opgenomen op pagina 50 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017173530 d.d. 24 mei 2018, inhoudend als verklaring van [getuige 1]:

Ik ben directeur van [naam zorginstelling] te Emmen.

Er heeft seks plaatsgevonden tussen een begeleider [verdachte] en [slachtoffer].

[slachtoffer] is een cliënt die al een jaar of 5 bij ons woont. Ze is een meisje met een licht verstandelijke beperking en met een misbruikverleden.

In Parc Sandur in Emmen hebben we logeerweekenden voor autistische kinderen. Dat weekend zouden twee jongens gaan logeren. [slachtoffer] en [naam 1] hadden wat problemen met elkaar. Omdat er nog ruimte in het huisje was werd besloten dat [slachtoffer] met haar kindje daar het weekend naar toe zou gaan.

[getuige 2] ([getuige 2], de persoonlijk begeleider van [slachtoffer], naar de rechtbank begrijpt) heeft mij verteld dat hij alles over [slachtoffer] met [verdachte] heeft besproken. Dat was al voor het bewuste logeerweekend. Ook [getuige 3] heeft veel gesprekken met [verdachte] gehad over [slachtoffer].

[slachtoffer] vertelde aan mij en [getuige 3] ([getuige 3], naar de rechtbank begrijpt) dat ze in overleg op de logeeropvang was. Ze vertelde over de massagefolder. [verdachte] had verteld dat hij een massagesalon wilde beginnen maar nog geen proefpersonen had. [naam 2] was boven en [naam 3] zat beneden te gamen. Ze was gaan douchen. Intussen had [verdachte] twee matrassen op elkaar op bed gelegd. Dat was op de slaapkamer van de begeleider. Ze is daar toen op gaan liggen en heeft hij haar haarbandje los gemaakt en deed haar shirt uit. Ze vertelde dat [naam 4] begon te huilen, maar ook weer ophield. Ze moest toen haar broek uit doen. Dat wilde ze eigenlijk niet. Ze vond dat eng. Wat ze ook eng vond was dat de slippers van [verdachte] onder de deur waren gedaan zodat niemand er in kon. Toen ging hij verder met haar rug masseren. Daarna begon hij aan haar voeten. Ze zegt dat hij steeds verder ging. Haar broek deed hij steeds verder naar beneden over de heupen en uiteindelijk ging de broek uit. Hij ging verder met masseren. Ze lag toen op haar buik. Ze zei dat ze zich omdraaide en hij ging haar vingeren. Ze zei dat dat niet kon. Ze zei dat ze ook kort gezoend hadden.

Nog diezelfde dag toen ik het hoorde heb ik [verdachte] opgebeld en gezegd dat hij op kantoor moest komen. [getuige 3] en ik hebben toen met hem gesproken. Ik heb hem gevraagd of er iets was wat hij ons nog moest vertellen. Eerst deed hij wat lacherig, maar na nog een verzoek vertelde dat hij wel wat had te vertellen.
Hij refereerde aan het logeerweekend en vertelde over dat hij [slachtoffer] had gemasseerd.

Ik vroeg aan hem of hij haar had gezoend. Dat had hij gedaan. Ik heb hem gevraagd of hij
haar had gevingerd. Dat had hij ook gedaan.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 9 maart 2018, opgenomen op pagina 60 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3]:

Ik ben werkzaam bij [naam zorginstelling] te Emmen.

[slachtoffer] kwam, samen met [getuige 1] bij mij op kantoor. Zij heeft mij verteld dat zij seks tegen haar wil heeft gehad met [verdachte]. Dat was in het weekend van vrijdag 16 juni tot zondag 18 juni 2017. Het is op zaterdag gebeurd.

[slachtoffer] wilde gemasseerd worden en [verdachte] zei dat hij dat wel kon. Zaterdags kon hij haar wel masseren. Zij bracht [naam 4] naar bed en toen had hij twee matrassen beneden in de

slaapkamer boven op elkaar klaar gelegd en daarnaast een laptop met daarop muziek aan gezet.

Zij had aangegeven dat ze haar kleding niet uit wilde, maar ze begreep ook wel dat hij dan niet kon masseren. Dus heeft [slachtoffer] haar t-shirt uit getrokken. Toen is hij haar kuiten gaan masseren met de handen bij de joggingbroek in. Volgens mij werd toen [naam 4] wakker en is zij daar nog een keer naar toe gegaan. Toen zij weer terug kwam, ging hij verder met masseren en toen trok hij haar broek uit, toen zij al op bed lag. Zij zegt dat hij zijn slippers achter de deur zette zodat niemand naar binnen kon. Hij begon haar toen te vingeren. Dat wilde ze niet. Maar hij ging gewoon door.

Ik was bij het gesprek aanwezig dat [getuige 1] heeft gevoerd met [verdachte]. Dat was op 30 juni 2017. Dat gesprek ging over wat wij hadden besproken met [slachtoffer] over het logeerweekend. [getuige 1] heeft dat gesprek gevoerd. Ik heb aantekeningen gemaakt. [getuige 1] vroeg aan hem “Heb je ons ook iets te vertellen?”. Eerst probeerde [verdachte] het af te houden, maar hij had vrij snel door waar wij hem over wilde spreken. Hij had [slachtoffer] eerder die middag ook al geappt omdat hij toen te horen kreeg dat hij op gesprek moest komen. Hij voelde het dus wel aan. [verdachte] kwam vrij snel met zijn verhaal. Maar daar kwam niet uit, dat het onder dwang was gebeurd. Verder gaf hij wel alles toe.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 18 juli 2017, opgenomen op pagina 46 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:

Informatief gesprek met [slachtoffer].

[slachtoffer] krijgt ambulante begeleiding van [naam zorginstelling]. Deze helpen haar met de post en de financiën.

[slachtoffer] had voor het weekeinde van 17/18 juni wat gezeur met haar partner.

In overleg met [naam zorginstelling] kon ze aansluiten bij een logeerweekeinde in Parc Sandur. Als
begeleider ging mee [verdachte]. [verdachte] begeleidt vaker cliënten tijdens een dergelijk logeerweekeinde. Begeleider heeft seks gehad met [slachtoffer], terwijl ze dit niet wilde.

[slachtoffer] vertelde:

- dat begeleider [verdachte] mooi tegen haar begon te praten
- dat hij massage had geleerd en nog een proefpersoon nodig had en of zij dat wilde

- dat [verdachte] haar wilde helpen en dat ze hem vertrouwde

- dat ze nog aan [verdachte] had gevraagd wat voor kleding ze aan moest en dat Jan
Willem tegen haar zei dat ze gewone kleding aan kon doen
- dat [verdachte] op zijn slaapkamer beneden twee 1-persoonsmatrassen op elkaar had
gelegd, zodat hij er beter bij kon

- dat [verdachte] zijn sandalen onder de deur had gelegd, zodat er niet zomaar iemand
binnen kon komen
- dat [slachtoffer] haar shirt uitdeed en in een bh en broek op de matrassen ging liggen
- dat [verdachte] haar vroeg of het BH bandje los mocht en dat ze dat goed vond
- dat [verdachte] olie aan zijn handen had en haar schouders en rug bij de bips masseerde
- dat ze tegen [verdachte] zei dat ze niet verder wilde met masseren, dat ze moest huilen,

maar niet tot [verdachte] kon doordringen
- dat ze toestemde dat hij haar rug masseerde
- dat hij haar joggingbroek van onderen bij de pijpen vastpakte en aan haar broek trok
- dat ze tegen [verdachte] zei dat ze dat niet wilde
- dat ze bij [verdachte] toen een opgewonden ademhaling hoorde
- dat [verdachte] toen in een keer haar omdraaide van buik naar rug en haar broek

uitdeed
- dat [verdachte] haar tussen haar benen ging masseren
- dat hij haar kort ging zoenen
- dat hij haar vingerde.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 17 juni 2017 tot en met 18 juni 2017 te Emmen, terwijl hij werkzaam was in de maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer], die zich als cliënt aan verdachtes zorg had toevertrouwd,
immers heeft hij, verdachte:
- de broek van die [slachtoffer] uitgetrokken en

- de dijen van die [slachtoffer] gemasseerd en
- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en
- die [slachtoffer] gezoend;

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

als degene werkzaam in de maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is voorgesteld.

De officier van justitie heeft in haar eis laten meewegen dat verdachte het vertrouwen dat het slachtoffer in hem had gesteld op ernstige wijze heeft beschaamd. Verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak en heeft met betrekking tot de gevorderde gevangenisstraf opgemerkt dat er voldoende contra-indicaties zijn voor het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapporten van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is als vrijwilliger meegegaan naar een vakantiewoning in Emmen waar ook het slachtoffer met haar zoontje verbleef. Verdachte was daar om activiteiten te begeleiden van cliënten van [naam zorginstelling]. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte voldoende op de hoogte was van de problematiek van het slachtoffer. Toen het slachtoffer aangaf dat zij graag gebruik wilde maken van de massagediensten die Parc Sandur aanbood maar daar geen geld voor had, stelde verdachte voor haar te masseren. Het slachtoffer vertrouwde verdachte omdat zij hem al langer kende en ging op zijn aanbod in.

Verdachte heeft het slachtoffer gemasseerd en is daarin veel te ver gegaan. In zijn hoedanigheid van begeleider had verdachte dat aanbod in zijn geheel niet moeten doen.

Verdachte heeft ontucht met het slachtoffer gepleegd op een wijze zoals de rechtbank dat bewezen heeft verklaard.

De rechtbank rekent verdachte aan dat hij misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat het slachtoffer in hem stelde. Door te handelen zoals hij heeft gehandeld heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het handelen van verdachte heeft grote impact gehad op het slachtoffer en zij ondervindt daar nog steeds de nadelige gevolgen van, zoals ook blijkt uit haar slachtofferverklaring.

Het overtreden artikel dient om van zorg afhankelijke personen te beschermen tegen misbruik van psychisch overwicht door hulpverleners.

Het feit zoals de rechtbank dat bewezen heeft verklaard dient in beginsel te worden afgedaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige omvang.

De rechtbank zal daartoe niet overgaan. De rechtbank heeft meegewogen dat verdachte geen behandelrelatie met het slachtoffer had en bovendien geen intensief contact met haar had. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop in deze zaak. Dat leidt er toe dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de duur van het voorarrest van twee dagen achterwege dient te blijven.

De rechtbank acht geen gronden aanwezig om aan het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden te verbinden, nu onvoldoende gebleken is dat er bij verdachte sprake is van problematiek waarvoor reclasseringscontact en behandeling aangewezen zijn.

Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf van 100 uren passend en geboden.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 1250,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangeven dat de vordering voor toewijzing vatbaar is met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel omdat de vordering voldoende is onderbouwd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 18 juni 2017.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 88 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf voor de duur van 100 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.

Ten aanzien van parketnummer 18.170584-18

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1250,-- (zegge: twaalfhonderd-vijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2017.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 1250,-- (zegge: twaalfhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 22 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter, mr. B.I. Klaassens en mr. A.A.J. Smelt, rechters, bijgestaan door D.C. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 augustus 2019.

Mr. Smelt is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.