Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:340

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
31-01-2019
Datum publicatie
01-02-2019
Zaaknummer
7196295 AR VERZ 18-57
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om een transitievergoeding toe te kennen in het geval de werknemer zelf reeds ontslag nam en een andere baan had, maar vervolgens door de werkgever tegen een eerdere datum werd ontslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0121
Prg. 2019/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer.: 7196295 AR VERZ 18-57

beschikking van de kantonrechter d.d. 31 januari 2019

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. M.T. Harbers,

tegen

[verweerder] B.V.,

gevestigd te [woonplaats] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. G. Machiels.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en [verweerder] worden genoemd.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure is als volgt:

- het verzoekschrift, ter griffie ontvangen op 8 september 2018;

- het verweerschrift, ter griffie ontvangen op 28 september 2018;

- de faxbrief van 7 oktober 2018 met producties van de zijde van [verzoeker] ;

- de faxbrief van 8 oktober 2018 met aanvullende producties en eiswijziging van de zijde van [verzoeker] ;

- de brief van 10 oktober 2018 met producties van de zijde van [verweerder] ;

- de mondelinge behandeling van 11 oktober 2018, waarbij door mr. Harbers een pleitnota is overgelegd;

- de faxbrief van 4 januari 2019 met producties van de zijde van [verzoeker] ;

- de faxbrief van 4 januari 2019 met producties van de zijde van [verweerder] ;

- de faxbrief van 7 januari 2019 met productie van de zijde van [verzoeker] ;

- de brief van 9 januari 2018 met productie van de zijde van [verzoeker] ;

- de mondelinge behandeling van 10 januari 2019, waarbij door mr. Harbers en mr. Machiels pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Vervolgens heeft de kantonrechter uitspraak bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] is op 13 juli 2004 in dienst getreden bij [verweerder] in de functie van monteur verkeersvoorzieningen op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tegen een salaris per 4 weken van € 2.563,64 bruto, vermeerderd met 8,33 % vakantietoeslag, gebaseerd op 40 uur per week.

2.2.

Op 3 juli 2018 heeft [verzoeker] zijn ontslag bij [verweerder] ingediend. Op dat moment had hij reeds een andere baan. Bij emailbericht van 3 juli 2018 aan [verweerder] meldt hij:

"Ik stop daarom mijn werkzaamheden per 25 augustus 2018. Deze week werk ik nog gewoon bij Traffic Service Nederland B.V. en daarna neem ik mijn verlof op en extra uren die ik zowel in 2017 als 2018 heb genoten. De bus en de sleutels zal ik nog dit weekend afleveren, want ik ben er helemaal klaar mee. Er zijn te veel dingen die worden afgesproken en die niet worden nagekomen."

2.3.

[verweerder] schreef vervolgens bij emailbericht van 4 juli 2018 aan [verzoeker] :

"Wij gaan niet akkoord met de datum van 25 augustus 2018 maar beëindigen de arbeidsovereenkomst per 9 juli 2018 overeenkomstig uw wens om vanaf die datum niet meer te gaan werken.

Vrijdag na werk verwacht ik dan ook dat je de bus sleutels en kleding in gaat leveren.

Ook de dag staten van Traffic vanaf 10 mei inleveren, deze heb je nog niet ingeleverd!

Als alles is ingeleverd, dan zal op 16 juli de laatste loonbetaling plaatsvinden incl. vakantiegeld en eventueel gemaakte overuren."

2.4.

[verzoeker] heeft in reactie daarop in een e-mail van 5 juli 2018 aan [verweerder] gemaild:

"Onderstaand schrijven duidt aan dat er nu sprake is van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever.

Beëindiging kan alleen met wederzijdse toestemming en ik stem niet in met de genoemde datum van

9 juli 2018. Ik heb mij gehouden aan de wettelijke termijn van minimaal 1 maand. In geval van ontslag per 9 juli 2018 zal ik aanspraak maken op de transitievergoeding en hiervoor een verzoek bij de kantonrechter indienen. Tevens zal ik een beroep doen op de opzegtermijn zoals hieronder vermeld."

2.5.

[verzoeker] heeft een eindafrekening ontvangen d.d. 16 juli 2018 waarop staat vermeld dat de datum van uitdiensttreding 9 juli 2018 is.

3 De verzoeken en het verweer

3.1.

[verzoeker] verzoekt - na eiswijziging - om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I. [verweerder] te veroordelen om aan [verzoeker] binnen een week na de datum van deze beschikking het achterstallige loon ter zake van onbetaalde overuren en reisuren te betalen van € 65.678,58 bruto verminderd met € 3.920,00 netto (betaald aan voorschotten) en vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% conform artikel 7:625 BW althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen percentage en de wettelijke rente;

II. [verweerder] te veroordelen om aan [verzoeker] binnen een week na de datum van deze beschikking € 550,48 netto te betalen ter zake van telefoonkosten;

Subsidiair

III. [verweerder] te veroordelen om aan [verzoeker] binnen een week na de datum van deze beschikking het achterstallige loon te betalen van € 28.078,89 verminderd met € 3.920,00 netto (betaald aan voorschotten) en vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% conform artikel 7:625 BW althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen percentage en de wettelijke rente;

IV. [verweerder] te veroordelen om aan [verzoeker] binnen een week na de datum van deze beschikking € 550,00 te betalen ter zake van telefoonkosten;

Primair en subsidiair

V. [verweerder] te veroordelen om binnen een week na de datum van deze beschikking een billijke vergoeding te betalen aan [verzoeker] van € 15.000,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te betalen bedrag;

VI. [verweerder] te veroordelen om aan [verzoeker] binnen een week na de datum van deze beschikking te betalen een vergoeding wegens onregelmatige opzegging conform artikel 7:672 lid 10 jo. lid 11 Burgerlijk Wetboek, zijnde het loon over de periode van 9 juli tot 7 oktober 2018 vermeerderd met de vakantietoeslag van 8,33% en de wettelijke rente vanaf

10 juli 2018 conform artikel 7:686a lid 1 zoals vermeld onder randnummer 22 van het verzoekschrift;

VII. [verweerder] te veroordelen om aan [verzoeker] binnen een week na de datum van deze beschikking de transitievergoeding te betalen van € 15.293,86 bruto, conform artikel 7:686a lid 1 BW te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2018;

VIII. [verweerder] te veroordelen om aan [verzoeker] binnen een week na de datum van deze beschikking correcte loonstroken te verstrekken over de betaalperioden 2 tot en met 6 en over de eindafrekening op straffe van een dwangsom van € 500,- voor elke dag, of een gedeelte daarvan, dat [verzoeker] de betreffende loonstroken niet heeft ontvangen, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;

IX. [verweerder] te veroordelen om binnen een week na de datum van deze beschikking te betalen aan [verzoeker] tegen een behoorlijk bewijs van kwijting de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel buitengerechtelijke incassokosten;

X. [verweerder] te veroordelen om binnen een week na de datum van deze beschikking te betalen de kosten van deze procedure, de advocaatkosten daaronder begrepen en tevens nakosten vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van deze beschikking.

3.2.

[verweerder] heeft verweer gevoerd. Op de standpunten van partijen wordt hierna - voor zover van belang - nader in gegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen zijn tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling overeengekomen dat [verweerder] aan [verzoeker] over het jaar 2016 nog 416 overuren/reisuren tegen € 15,40 bruto per uur zal uitbetalen. Zij hebben verzocht dit vast te leggen in deze beschikking. Behoudens de verzoeken tot het vaststellen van een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, heeft [verzoeker] zijn verzoeken ingetrokken. Met betrekking tot de vergoedingen die nog ter beoordeling voorliggen overweegt de kantonrechter als volgt.

De transitievergoeding

4.2.

Artikel 7:673 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt, kort gezegd, dat indien de werkgever een arbeidsovereenkomst beëindigt van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd, een transitievergoeding verschuldigd is. Het verschuldigd zijn van de transitievergoeding geeft invulling aan de zorgplicht die de werkgever heeft ten opzichte van de werknemer die wordt ontslagen of waarvan het contract niet wordt verlengd. In lid 1, onder a, van artikel 673 BW is uitgewerkt welke situaties zich in dit verband precies kunnen voordoen. Deze kenmerken zich alle erdoor dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever plaatsvindt. Het gaat om de volgende gevallen:

1. opzegging door de werkgever;

2. ontbinding op verzoek van de werkgever;

3. na een einde van rechtswege op initiatief van de werkgever niet aansluitend voortzetten en voor het eindigen van de arbeidsovereenkomst geen opvolgende arbeidsovereenkomst aangaan, die tussentijds kan worden opgezegd en ingaat na een tussenpoos van ten hoogste zes maanden.

Daarnaast bepaalt art. 673 lid 1, onder b, BW dat een transitievergoeding is verschuldigd indien, kort gezegd, sprake is van beëindiging van de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werknemer wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

4.3.

Aan de orde is de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever, [verweerder] . [verzoeker] heeft in beginsel recht op een transitievergoeding aangezien de dienstbetrekking langer dan 24 maanden heeft geduurd. De wettelijke regeling van de transitievergoeding is van dwingend recht. Dat betekent dat daarvan niet mag worden afgeweken. De voorwaarden voor het recht op een transitievergoeding en de regels voor de berekening van de hoogte van de vergoeding zijn nauwkeurig in de wet omschreven. Door het abstracte en gestandaardiseerde karakter van de regeling van de transitievergoeding is als uitgangspunt niet van belang of de werknemer na het eindigen van de arbeidsovereenkomst werkloos is of een andere baan heeft gevonden. Het recht op en de hoogte van de transitievergoeding is uitdrukkelijk niet gekoppeld aan eventuele schade of inkomensverlies.

4.4.

De transitievergoeding is evenwel enerzijds bedoeld als compensatie voor het ontslag en anderzijds om de werknemer met behulp van de hiermee gemoeide financiële middelen in staat te stellen de transitie naar een andere baan te vergemakkelijken. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat in deze zaak niet voorbij gegaan kan worden aan de omstandigheid dat [verzoeker] , zoals hiervoor onder vaststaande feiten omschreven, aanvankelijk nadat hij een andere baan aanvaard had, eerst zelf ontslag heeft willen nemen en dit kenbaar heeft gemaakt aan [verweerder] waarop [verweerder] hem tegen een eerder gelegen datum ontsloeg. De facto - afgezien van de datum van ontslag- is er sprake van een beëindiging van de dienstbetrekking met wederzijds goedvinden. De transitie naar een andere baan behoeft in dit geval dan ook niet vergemakkelijkt te worden met financiële middelen. De kantonrechter neemt verder in ogenschouw dat de Wwz-wetgever niet beoogd heeft de toepasselijkheid van de artikelen 6:2 lid 2 BW (als de transitievergoeding moet worden aangemerkt als een verbintenis uit de wet) en 6:248 lid 2 (als de vergoeding voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst) uit te sluiten. Dit blijkt immers niet (expliciet noch impliciet) uit de parlementaire geschiedenis en past evenmin bij de aard en universele strekking van de artikelen 6:2 en 6:248 BW. Of toekenning van een (volledige) vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in een gegeven situatie onaanvaardbaar is hangt niet alleen af van alle omstandigheden van het geval, maar ook van de aard en strekking van de transitievergoeding en in dat kader ook van de bedoeling van de wetgever.

Hoewel in deze zaak niet één van de in de wet (7:673 lid 7 BW) genoemde uitzonderingen op het verschuldigd zijn van de transitievergoeding aan de orde is, ziet de kantonrechter, in meergenoemde feiten en omstandigheden, in het bijzonder het eigener beweging nemen van ontslag door [verzoeker] waarbij hij toentertijd reeds verzekerd was van een nieuwe baan en de transitie derhalve al perfect was, aanleiding om het toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten. De kantonrechter zal het verzoek dat strekt tot toewijzing van de transitievergoeding dan ook afwijzen.

De billijke vergoeding

4.5.

In meergenoemde omstandigheden vindt de kantonrechter tevens grond om de billijke vergoeding, waarop [verzoeker] op grond van artikel 7:681 lid 1 BW aanspraak kan maken, te matigen tot nihil.

De gefixeerde schadevergoeding

4.6.

Op grond van artikel 7:672 lid 10 BW is de partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Vast staat dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] onterecht met ingang van 9 juli 2018 heeft opgezegd. Daarmee heeft zij opgezegd tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt. Voor [verweerder] geldt een opzegtermijn van drie maanden. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging door [verweerder] , zou hebben voortgeduurd tot 7 oktober 2018. De vergoeding moet dan ook worden berekend op basis van het salaris van [verzoeker] van 9 juli 2018 tot 7 oktober 2018, vermeerderd met de vakantietoeslag van 8,33% en de wettelijke rente vanaf 10 juli 2018 conform 7:686a lid 1 BW. Gelet op het bepaalde in artikel 7:672 lid 11 BW is matiging van deze vergoeding, zoals door [verweerder] is verzocht, in dit geval niet mogelijk, nu de door [verzoeker] verzochte vergoeding overeenkomt met het in geld vastgestelde loon over de opzegtermijn zoals genoemd in het tweede lid van dit artikel en deze vergoeding niet minder kan bedragen.

De proceskosten

4.7.

Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 6.406,40 bruto;

5.2.

veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] binnen een week na de datum van deze beschikking te betalen een vergoeding wegens onregelmatige opzegging conform artikel 7:672 lid 10 jo. lid 11 Burgerlijk Wetboek, zijnde het loon over de periode van 9 juli 2018 tot 7 oktober 2018 vermeerderd met de vakantietoeslag van 8,33% en de wettelijke rente vanaf 10 juli 2018 conform artikel 7:686a lid 1;

5.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

5.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gegeven te Assen en in het openbaar uitgesproken op 31januari 2019 door

mr. C.J.R. de Locht, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

c: 353/md