Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3375

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
31-07-2019
Datum publicatie
07-08-2019
Zaaknummer
C/18/188419 / HA ZA 18-246
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Een projectontwikkelaar heeft al jarenlang plannen om een grootschalige overdekte permanente markt te realiseren. Zowel de provincie als de gemeente hebben hun planologische medewerking toegezegd. De vaststellingsbesluiten ter zake van het gewijzigde bestemmingsplan c.q. de aan de projectontwikkelaar verleende omgevingsvergunning zijn tot twee keer toe door de ABRvS vernietigd in het kader van door derden aanhangig gemaakte bezwaar- en beroepsprocedures. De projectontwikkelaar stelt de gemeente nu aansprakelijk voor de door haar geleden vertragingsschade vanaf 2015. De rechtbank komt niet aan de beoordeling van de zogenaamde besluitenaansprakelijkheid toe, vanwege een geslaagd beroep op de exoneratie in de anterieure overeenkomst. Ook los daarvan is niet van onrechtmatig handelen (bestaande uit structureel vertragend optreden) gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/188419 / HA ZA 18-246

Vonnis van 31 juli 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE WERELDBAZAR OG B.V.,

gevestigd te Bad Nieuweschans,

eiseres,

advocaat mr. B. Benard te Wassenaar,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE OLDAMBT,

zetelend te Winschoten,

gedaagde,

advocaat mr. R.D. Boesveld te Haarlem.

Partijen zullen hierna De Wereldbazar en Gemeente Oldambt genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het incidenteel vonnis van 15 mei 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis in de hoofdzaak bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Wereldbazar houdt zich vanaf 2005 onder meer bezig met het ontwikkelen van een grootschalige overdekte permanente markt genaamd Wereldbazar (hierna te noemen: het project). De Wereldbazar wenst vanaf ongeveer 2010 het project aan de [adres] te Winschoten te realiseren. Het project was in strijd met de destijds geldende Provinciale Omgevingsverordening en met het bestemmingsplan.

2.2.

Bij brief van 30 november 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders De Wereldbazar nader geïnformeerd over de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om planologische medewerking te kunnen verlenen aan het project.

2.3.

Op 12 juli 2012 heeft [naam 1] , afdelingshoofd Ruimte & Economie van Gemeente Oldambt, naar aanleiding van een overleg op 5 juli 2012 De Wereldbazar aangeschreven en kenbaar gemaakt welke onderzoeken uitgevoerd moeten worden teneinde tot vaststelling van een bestemmingsplan te kunnen komen. Verder is aangegeven dat tussen partijen een overeenkomst tot stand moet komen onder meer in verband met het gemeentelijke kostenverhaal.

2.4.

In de raadsvergadering van 26 september 2012 heeft de gemeenteraad het college van burgemeester en wethouders verzocht de nadere planvorming voor het project verder uit te werken en deze voor te leggen aan de gemeenteraad.

2.5.

Eind oktober 2012 heeft Gemeente Oldambt De Wereldbazar een overzicht doen toekomen van onderwerpen die in de te sluiten overeenkomst moeten worden opgenomen.

2.6.

Eind november 2012 heeft De Wereldbazar aan Gemeente Oldambt een concept-voorontwerpbestemmingsplan voor het project voorgelegd. Partijen hebben dit stuk tijdens een overleg op 21 december 2012 besproken.

2.7.

In de tweede helft van januari 2013 heeft De Wereldbazar, naar aanleiding van een e-mail van 3 januari 2013 van Gemeente Oldambt, een nader uitgewerkt concept-voorontwerpbestemmingsplan aan Gemeente Oldambt doen toekomen.

2.8.

Op 26 februari 2013 is het voorontwerpbestemmingsplan door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld en in procedure gebracht.

2.9.

Bij besluit van 28 mei 2013 heeft het college van gedeputeerde staten voor het project een ontheffing verleend van de Provinciale Omgevingsverordening.

2.10.

Op 30 juli 2013 is een anterieure overeenkomst tot stand gekomen tussen partijen. Artikel 4 van deze overeenkomst bepaalt, voor zover relevant:

1. De Gemeente zal zich inspannen om te bewerkstelligen dat:

- de procedure benodigd voor de vaststelling en goedkeuring van het voor het Plangebied op te stellen Bestemmingsplan zo spoedig als mogelijk binnen de daarvoor geldende wettelijke termijnen wordt doorlopen;

- de Omgevingsvergunning(en) noodzakelijk voor de uitvoering van het Plan zo spoedig mogelijk na indiening van een ontvankelijke aanvraag en binnen de daarvoor geldende wettelijke termijnen wordt/worden verleend.

2. Indien bezwaar- en/of beroepschriften dan wel andere maatregelen van derden en/of het gebrek aan medewerking of goedkeuring van andere overheidsinstanties en/of het gebruik maken van publiekrechtelijke bevoegdheden/verantwoordelijkheden als bedoeld in het derde lid van dit artikel mochten leiden tot vertraging in de vaststelling en/of onherroepelijk worden van het Bestemmingsplan, dan wel vernietiging daarvan of mochten leiden tot vertraging in de verlening van de Omgevingsvergunning, ontheffingen en/of toestemmingen, zal de Gemeente, mits zij aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan, jegens de ontwikkelaar niet aansprakelijk zijn voor de daaruit voortvloeiende schade.

3. Bij de uitoefening van de op haar rustende inspanningsverplichting zal de Gemeente moeten handelen naar de op haar rustende publiekrechtelijke verantwoordelijkheid, die kan eisen dat de Gemeente publiekrechtelijke rechtshandelingen verricht of nalaat die niet in het voordeel zijn van de aard en strekking van deze overeenkomst.

2.11.

Bij besluit van 27 november 2013 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan “De Wereldbazar te Winschoten” vastgesteld.

2.12.

De Wereldbazar heeft op 16 december 2014 bij het college van burgemeester en wethouders een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het project aangevraagd. Tegen de aanvraag hebben derden bezwaar en beroep ingediend hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 22 juli 2015 waarbij het besluit tot vaststelling van het bestemmingplan “De Wereldbazar te Winschoten” alsmede de daaraan ten grondslag gelegde ontheffing van het college van gedeputeerde staten zijn vernietigd.

2.13.

Bij besluit van 21 september 2015 heeft het college van gedeputeerde staten opnieuw ontheffing van de Provinciale Omgevingsverordening verleend.

2.14.

Bij besluit van 14 december 2015 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan “De Wereldbazar te Winschoten” gewijzigd vastgesteld.

2.15.

Bij besluit van 22 december heeft het college van burgemeester en wethouders 2015 aan De Wereldbazar een omgevingsvergunning voor bouwen verleend.

2.16.

Tegen het vaststellingsbesluit van 14 december 2015 en de vergunning van 22 december 2015 hebben derden bezwaar en beroep ingesteld. Bij uitspraak van 5 oktober 2016 heeft de ABRvS de beroepen gegrond verklaard en het besluit en de vergunning vernietigd.

2.17.

Op 25 september 2017 heeft de gemeenteraad heeft het bestemmingsplan “De Wereldbazar te Winschoten” gewijzigd vastgesteld. Ook tegen dit vaststellingsbesluit hebben derden bezwaar en beroep aangetekend. Hierop is nog niet beslist.

2.18.

De Wereldbazar heeft Gemeente Oldambt bij brief van 27 juni 2017 aansprakelijk gesteld voor de schade die zij stelt te hebben geleden en nog zal lijden als gevolg van de door de ABRvS vernietigde besluiten.

3 De vordering

3.1.

De Wereldbazar vordert in de hoofdzaak samengevat - primair veroordeling van Gemeente Oldambt tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding van € 2.935.655,00 en een bedrag aan schadevergoeding van € 437.900,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke kosten ad € 7.605,76, en subsidiair veroordeling tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3.2.

Gemeente Oldambt voert verweer.

4 Het geschil

Het standpunt van De Wereldbazar

4.1.

De Wereldbazar baseert haar vordering op een onrechtmatige daad aan de zijde van Gemeente Oldambt eruit bestaande dat zij de voortgang van het project structureel heeft vertraagd en dat er sprake is van besluitaansprakelijkheid omdat de door Gemeente Oldambt genomen besluiten zijn vernietigd.

4.2.

Volgens De Wereldbazar heeft Gemeente Oldambt de voortgang van het project structureel vertraagd door:

a. pas begin januari 2013 de randvoorwaarden voor het project kenbaar te maken, terwijl De Wereldbazar daar herhaaldelijk om had verzocht (in elk geval op 18 oktober 2011, 3 november en 5 juli 2013) en de wethouder de heer H. Polman had toegezegd dat de randvoorwaarden uiterlijk 20 juli 2012 bekend zouden worden gemaakt;

b. een burgerparticipatie te gebruiken als argument om het ontwerpbestemmingsplan niet ter inzage te leggen, terwijl het geen wettelijke verplichting betreft, zodat het project nodeloos is vertraagd van 17 april 2012 tot 9 januari 2013;

c. het stellen van allerlei extra (rand)voorwaarden die vervuld moesten zijn voordat de bestemmingsplanprocedure van start kon gaan, terwijl het college van burgemeester en wethouders al op 19 juni 2012 akkoord was gegaan met de start van het project;

d. op 5 juli 2012 een anterieure overeenkomst te verlangen, terwijl de overeenkomst pas op 30 juni 2013 ondertekend kon worden doordat het eerste concept op 21 december 2012 werd opgestuurd en op 5 juni 2013 bovendien een gewijzigd concept met nieuwe aanvullende eisen werd toegezonden;

e. diverse keren besprekingen af te zeggen of te verplaatsen.

Aldus heeft Gemeente Oldambt in strijd gehandeld met hetgeen in het maatschappelijk verkeerd betaamt en is zij uit dien hoofde schadeplichtig jegens De Wereldbazar.

De Wereldbazar heeft ter comparitie uitdrukkelijk bewijs aangeboden van haar stelling dat Gemeente Oldambt steeds nieuwe voorwaarden heeft gesteld en ook overigens niet heeft meegewerkt.

4.3.

Voorts heeft Gemeente Oldambt onrechtmatig gehandeld jegens De Wereldbazar als aanvrager van het op 14 december 2015 vastgestelde bestemmingsplan en van de op 22 december 2015 verleende omgevingsvergunning, welke begunstigende besluiten vervolgens bij de uitspraken van de ABRvS van 22 juli 2015 respectievelijk 5 oktober 2016 zijn vernietigd. Volgens vaste jurisprudentie moeten de vernietigde besluiten jegens De Wereldbazar als onrechtmatig worden beschouwd en valt dat Gemeente Oldambt toe te rekenen. De Wereldbazar beroept zich in dit verband onder meer op de arresten van de Hoge Raad van 26 september 1986 (ECLI:NL:HR:1986:AC9505, Hoffmann-La Roche) en 3 juli 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1112, Hengelo/Wevers). Het feit dat er na de vernietigde besluiten telkens andere begunstigende besluiten zijn genomen, maakt dat de (vertragings)schade voor toewijzing in aanmerking komt.

4.4.

De schade als gevolg van de vernietigde besluiten bestaat uit vertragingsschade, extra kosten en de buitengerechtelijke kosten. De vertragingsschade bedraagt € 2.935,655,00 en bestaat voornamelijk uit doorlopende financieringskosten. Hiertoe verwijst De Wereldbazar naar de berekening van De Jong & Laan Accountants, die zij als productie 7 bij dagvaarding heeft overgelegd. De extra kosten houden verband met de aanvraag voor een nieuwe omgevingsvergunning. De aanvraag uit 2014 kan namelijk niet meer worden gebruikt, omdat er een gewijzigd bestemmingsplan is vastgesteld en er wijzigingen in de omvang, indeling van het gebouw en in de gevels moeten worden toegepast. Er moet dus een nieuw ontwerp worden opgesteld en de extra kosten daarvan bedragen naar verwachting € 437.900,00. De buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 6:96 BW bestaan tot slot uit de juridische (advocaat)kosten ad € 2.662,00 en de begroting van de schade door de accountant ad € 4.943,76.

4.5.

In reactie op het verweer van Gemeente Oldambt stelt De Wereldbazar zich op het standpunt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een beroep op het exoneratiebeding wordt gedaan. Gemeente Oldambt heeft zich zelf niet aan haar inspanningsverplichtingen gehouden, zoals overduidelijk blijkt uit alle gespreksverslagen.

Het standpunt van Gemeente Oldambt

4.6.

Gemeente Oldambt betwist dat zij de voortgang van het project structureel heeft vertraagd. Het ligt op de weg van De Wereldbazar als initiatiefnemer - een professionele ontwikkelaar bovendien - om zorg te dragen voor een goede ruimtelijke onderbouwing van het project en de daarbij benodigde onderzoeken. Er zijn voorts geen wettelijke beslistermijnen overschreden. Tegen de verwijten zoals weergegeven in r.o. 4.2 brengt Gemeente Oldambt het volgende in:

a. Er zijn geen rechtens afdwingbare toezeggingen gedaan, in het bijzonder geen toezegging om uiterlijk 20 juli 2012 de randvoorwaarden kenbaar te maken; de wethouder is bovendien ook niet als daartoe bevoegd bestuursorgaan aan te merken. In de brief van 30 november 2011 - dus al zo'n zes weken nadat De Wereldbazar daarom had verzocht - heeft Gemeente Oldambt uiteengezet aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om planologische medewerking te kunnen verlenen aan het project.

b. De reden dat het voorontwerpbestemmingsplan niet eerder kon worden vastgesteld, heeft niets te maken met burgerparticipatie, maar kwam doordat De Wereldbazar zelf pas eind november 2012 een concept-voorontwerpbestemmingsplan heeft voorgelegd. Dat concept is vervolgens in het stuurgroep-overleg besproken en verder opgepakt.

c. Gemeente Oldambt betwist dat zij nadere randvoorwaarden is blijven stellen. Pas in januari 2013 heeft Gemeente Oldambt een uitgewerkt concept-voorontwerpbestemmingsplan ontvangen dat vervolgens op onderdelen nog nadere uitwerking door behoefde. Gemeente Oldambt is De Wereldbazar juist ter wille geweest door het concept alvast in het kader van de inspraakprocedure ter inzage te leggen.

d. Aanvankelijk was het de bedoeling - zoals gebruikelijk bij grote, ingewikkelde projecten als het onderhavige - om eerst een intentieovereenkomst te sluiten en pas later een samenwerkingsovereenkomst of anterieure overeenkomst. Toen dit niet van de grond kwam, wat aan De Wereldbazar zelf te wijten is, is omstreeks juni 2013 ervoor gekozen om direct een anterieure overeenkomst te sluiten. De onderhandelingen zijn in elk geval gedurende de bestemmingsplanprocedure voortgezet.

4.7.

Gemeente Oldambt betwist voorts dat zij toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens De Wereldbazar door het verlenen van de (later vernietigde) omgevingsvergunning van 22 december 2015 en/of het nemen van de (eveneens vernietigde) vaststellingsbesluiten van 27 november 2013 en 14 december 2015.

4.8.

Wanneer een verleende omgevingsvergunning wordt vernietigd naar aanleiding van daartegen door derden ingesteld beroep bij de bestuursrechter, levert deze enkele vernietiging volgens Gemeente Oldambt nog niet een aan de gemeente toe te rekenen onrechtmatige daad jegens de vergunninghouder op. In dat soort gevallen gaat de vaste jurisprudentie waarop De Wereldbazar zich beroept (kort gezegd: de eigenlijke en de oneigenlijke leer van de formele rechtskracht), niet op. Gemeente Oldambt beroept zich op haar beurt op de arresten van de Hoge Raad van 10 april 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH2598, Barneveld/De Berkenhorst) en 29 april 1994 (ECLI:NL:HR:1994:ZC1358, Schuttersduin). In dergelijke gevallen dient de rechter een zelfstandig oordeel te vormen over de (on)rechtmatigheid van de vergunninghouder van de gebrekkige vergunningverlening en de toerekenbaarheid ervan aan de gemeente. In dit geval is onder meer van belang (i) dat het om een groot, complex bouwproject gaat, dat ingrijpende (ruimtelijke) gevolgen heeft voor de omgeving, (ii) dat sprake is van een initiatiefneemster waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij in staat is om een dergelijk project te ontwikkelen, (iii) dat het bovendien een commercieel project betreft, waarvan De Wereldbazar de door haar verwachte revenuen plukt, maar waarvoor zij ook de financiële risico's draagt en (iv) dat De Wereldbazar wist of althans redelijkerwijs behoorde te weten dat er in de te doorlopen bestuursrechtelijke procedure iets mis zou kunnen gaan.

4.9.

De juridische positie van De Wereldbazar als vergunninghouder geldt mutatis mutandis ook voor haar positie in het kader van de vaststelling van het voor de vergunningverlening noodzakelijke bestemmingsplan.

4.10.

Gemeente Oldambt betwist het (condicio sine qua non) causaal verband tussen de vernietigde besluiten en de gestelde schade. Volgens de leer van het hypothetisch rechtmatig besluit gaat het om een feitelijke beoordeling welk besluit zou zijn genomen, in plaats van een juridische beoordeling of er een besluit had kunnen worden genomen dat dezelfde schade tot gevolg zou hebben gehad. Hiertoe is het door De Wereldbazar aangehaalde Hengelo/Wevers-arrest richtinggevend. Ten tijde van de vernietigde vaststellingsbesluiten was het niet mogelijk rechtmatige besluiten te nemen met dezelfde inhoud. De vernietiging is immers uitgesproken omdat de gemeenteraad bij het nemen van de vaststellingsbesluiten geen gebruik had mogen maken van door het college van gedeputeerde staten verleende ontheffingen, die onverbindend waren. Op 27 november 2014 kon de gemeenteraad het bestemmingsplan dus niet vaststellen zonder in strijd te handelen met de Provinciale Omgevingsverordening. Ook het vaststellingsbesluit van 14 december 2015 was, achteraf bezien, in strijd met de Provinciale Omgevingsverordening, omdat ook toen geen ontheffing verleend had mogen worden. De gemeenteraad kon op 14 december 2015 dus geen rechtmatig besluit vaststellen met eenzelfde inhoud als het vernietigde besluit. Ook voor de vernietigde omgevingsvergunning van 22 december 2015 geldt dat het niet mogelijk was een rechtmatig begunstigend besluit te nemen. Er vigeerde achteraf bezien geen bestemmingsplan op grond waarvan de vergunning verleend had kunnen worden.

4.11.

Voorts beroept Gemeente Oldambt zich op eigen schuld aan de zijde van De Wereldbazar (artikel 6:101 BW). Hiertoe is het Schuttersduin-arrest richtinggevend. Net zoals de risicobenadering bij een nog niet onherroepelijke bouwvergunning bij de vergunninghouder ligt, kunnen de door De Wereldbazar opgevoerde financieringslasten gelijk worden gesteld aan de schade die direct wordt geleden doordat met bouwen wordt begonnen voordat over een onherroepelijke vergunning kan worden beschikt. Bij De Wereldbazar is geen gerechtvaardigd vertrouwen gewekt, zoals bedoeld in dat arrest. De Wereldbazar wist dat het project in strijd was met de destijds geldende Provinciale omgevingsverordening en met het bestemmingsplan. Het betreft hier bovendien een professionele projectontwikkelaar, die bekend mag worden verondersteld met de risico's en onzekerheden die verbonden zijn aan het doorlopen van planologische procedures. In het bijzonder was De Wereldbazar ermee bekend dat er bij de verschillende derde-belanghebbenden bezwaren bestonden. In de koopovereenkomst ter zake van de gronden aan de [adres] te Winschoten zijn geen opschortende of ontbindende voorwaarden verbonden. Tot slot heeft De Wereldbazar tegen zeer onvoordelige voorwaarden kredieten afgesloten, waarvan zij wist of redelijkerwijs had moeten beseffen dat niet aan de voor haar daaruit voortvloeiende verplichtingen zou kunnen worden voldaan.

4.12.

Gemeente Oldambt betwist verder de omvang van de schade en de wettelijke handelsrente.

4.13.

Tot slot beroept Gemeente Oldambt zich op het in artikel 4, tweede lid van de anterieure overeenkomst opgenomen exoneratiebeding. Dat beding heeft betrekking op schade die De Wereldbazar stelt te hebben als gevolg van de vernietigde besluiten; aan de op Gemeente Oldambt rustende inspanningsplicht is voldaan doordat binnen de wettelijke termijnen een bestemmingsplan is vastgesteld en een omgevingsvergunning is verleend.

5 De beoordeling

5.1.

Het geschil gaat in de kern over de vraag of Gemeente Oldambt jegens De Wereldbazar uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor schade als gevolg van vertraging die het project heeft opgelopen, door de handelwijze van Gemeente Oldambt gedurende de voorbereidingsfase van het planologische traject c.q. doordat de omgevingsvergunning van 22 december 2015 en/of de vaststellingsbesluiten van 27 november 2013 en 14 december 2015 vernietigd zijn.

De voorbereidingsfase van het planologische traject

5.2.

Uit de vaststaande feiten volgt dat partijen in elk geval vanaf 2010 met enige regelmaat contact en overleg hebben gehad over het project. Deze contacten en overleggen werden ingegeven door de wens van De Wereldbazar om het project aan de [adres] te Winschoten te realiseren. De contacten en overleggen sloten kennelijk aan bij de bij Gemeente Oldambt levende behoefte c.q. gevoelde noodzaak om planologische medewerking te verlenen aan het project. Het was partijen bekend dat de destijds geldende Provinciale Omgevingsverordening en het destijds geldende bestemmingsplan geen planologische basis hiervoor boden. Gemeente Oldambt heeft steeds uitgesproken te (blijven) streven naar realisatie van het project. De bestuurlijke procedures hebben tot op heden niet geleid tot de benodigde planologische basis voor het project; partijen zijn nog in afwachting van de uitkomst van de huidige lopende procedures.

5.3.

De Wereldbazar legt aan haar vordering ten grondslag dat het aan Gemeente Oldambt te wijten is dat het project tot op heden geen aanvang heeft kunnen vinden, meer in het bijzonder door zich te gedragen zoals hiervoor samengevat is weergegeven in r.o. 4.2. Voor zover De Wereldbazar hiermee bedoeld zou hebben te stellen dat Gemeente Oldambt op haar rustende (contractuele of buitencontractuele) verplichtingen heeft geschonden, kan de rechtbank haar daar niet in volgen. Gesteld noch gebleken is dat Gemeente Oldambt zich jegens De Wereldbazar verbonden heeft om daadwerkelijk (binnen een bepaalde termijn) de benodigde planologische basis tot stand te brengen. Wel heeft Gemeente Oldambt door ondertekening van de anterieure overeenkomst een inspanningsplicht op zich genomen om ervoor zorg te dragen dat de procedure zo spoedig als mogelijk binnen de daarvoor geldende wettelijke termijnen wordt doorlopen. Gemeente Oldambt heeft echter onweersproken gesteld dat er in het kader van de besluitvorming geen wettelijke beslistermijnen zijn overschreden. Gelet hierop kan niet geoordeeld worden dat Gemeente Oldambt tot op heden onvoldoende planologische medewerking aan het project heeft verleend.

5.4.

Voor het antwoord op de vraag of het specifiek door De Wereldbazar benoemde handelen van Gemeente Oldambt onrechtmatig is, is beslissend of Gemeente Oldambt daardoor gezien de omstandigheden van het geval in strijd heeft gehandeld met de in het maatschappelijk verkeer jegens De Wereldbazar in acht te nemen zorgvuldigheid. Zelfs indien dat handelen vertragend zouden hebben gewerkt en geheel veroorzaakt is door Gemeente Oldambt (wat gemotiveerd betwist is), dan levert dat naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf én in onderlinge samenhang beschouwd geen strijd met het ongeschreven recht op. Hiertoe is het volgende redengevend.

- de randvoorwaarden (punt a)

5.5.

Kennelijk baseert De Wereldbazar haar stelling dat de randvoorwaarden pas begin januari 2013 kenbaar zijn gemaakt op het feit dat Gemeente Oldambt in de e-mail van 3 januari 2013 vragen over het project heeft gesteld en daarin heeft geschreven ervan uit te gaan "dat een aantal zaken nog worden aangepast" in het (op 21 december 2012 besproken) concept-voorontwerpbestemmingsplan (zie r.o. 2.7). Uit de vaststaande feiten volgt echter dat Gemeente Oldambt de randvoorwaarden voor het project al veel eerder, namelijk bij brief van 30 november 2011 aan De Wereldbazar kenbaar heeft gemaakt (zie r.o. 2.2). De Wereldbazar heeft naar het oordeel van de rechtbank bovendien onvoldoende toegelicht welk verband er bestaat tussen de e-mail van 3 januari 2013 en de eerder door Gemeente Oldambt gestelde randvoorwaarden voor het project; zo is het de rechtbank om te beginnen niet eens duidelijk welke "zaken" in het concept-voorontwerpbestemmingsplan precies zijn aangepast. De Wereldbazar kan dan ook niet gevolgd worden op dit punt.

- de burgerparticipatie (punt b)

5.6.

Partijen zijn het erover eens dat in dit geval geen wettelijke verplichting tot burgerparticipatie bestaat, maar dat Gemeente Oldambt desondanks erop heeft gestaan dat andere belanghebbenden in een vroeg stadium bij het bestuurlijke traject worden betrokken. In de stelling van De Wereldbazar dat Gemeente Oldambt burgerparticipatie heeft gebruikt als argument om het voorontwerpbestemmingsplan (nog) niet ter inzage te leggen, ligt een veronderstelling besloten dat dit in de aangewezen periode van 17 april 2012 tot 9 januari 2013 ter inzage gelegd had kunnen worden. Uit de vaststaande feiten volgt echter dat De Wereldbazar pas eind november 2012 een concept-voorontwerpbestemmingsplan aan Gemeente Oldambt heeft voorgelegd, wat op 21 december 2012 is besproken waarna het ontwerp in januari 2013 nader is uitgewerkt. Gelet hierop kan niet geoordeeld worden dat Gemeente Oldambt niet voortvarend (genoeg) heeft gehandeld als het gaat om de terinzagelegging, wat immers in februari/maart 2013 heeft plaatsgevonden. Voorts is gesteld noch gebleken dat uitsluitend de burgerparticipatie ertoe heeft geleid dat De Wereldbazar niet eerder een concept-voorontwerpbestemmingsplan heeft kunnen voorleggen aan Gemeente Oldambt. De Wereldbazar kan dan ook niet gevolgd worden op dit punt.

- het stellen van extra voorwaarden (punt c)

5.7.

De rechtbank stelt voorop dat het aan De Wereldbazar is om, ter voldoening aan haar stelplicht, de vordering met voldoende feiten en omstandigheden te onderbouwen. In de dagvaarding is in het geheel niet geconcretiseerd welke extra voorwaarden (die vervuld moesten zijn voordat de bestemmingsplanprocedure van start kon gaan) Gemeente Oldambt zou hebben gesteld. Ter comparitie is "als voorbeeld" genoemd dat eerst de anterieure overeenkomst ondertekend moest zijn terwijl daarin nog werd uitgegaan van de aanleg van een loskade wat inmiddels (doordat Gemeente Oldambt het naastgelegen perceel aan derden had verkocht) niet meer uitvoerbaar was. Verder is genoemd dat partijen het niet eens zijn geworden over de kosten van de ontsluiting en de aanleg van extra parkeerplaatsen. De rechtbank vermag niet in te zien dat Gemeente Oldambt enig verwijt aangaande deze gang van zaken kan worden gemaakt. In dit verband is van belang dat Gemeente Oldambt onweersproken heeft gesteld dat het bij projecten als het onderhavige gebruikelijk is om een anterieure overeenkomst te sluiten. Uit het feit dat partijen het (kennelijk) niet direct eens zijn geworden over de inhoud daarvan, kan niet zonder meer de gevolgtrekking worden gemaakt dat Gemeente Oldambt (ten onrechte) extra voorwaarden heeft gesteld. De Wereldbazar kan dan ook niet gevolgd worden op dit punt; aan bewijslevering, zoals ter comparitie uitdrukkelijk is aangeboden, wordt niet toegekomen.

- de anterieure overeenkomst (punt d)

5.8.

Uit de vaststaande feiten volgt dat ongeveer een jaar is gelegen tussen het moment van het ter sprake brengen van de noodzaak van een overeenkomst (op 12 juli 2012) en de ondertekening van de anterieure overeenkomst (op 30 juli 2013). Uit het enkele feit dat het concept op 21 december 2012 is opgestuurd en dat het concept op 5 juni 2013 gewijzigd is, zoals De Wereldbazar stelt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer de gevolgtrekking worden gemaakt dat Gemeente Oldambt enig verwijt kan worden gemaakt. In dit verband is van belang dat Gemeente Oldambt onweersproken heeft gesteld dat het aanvankelijk de bedoeling was om eerst een intentieovereenkomst te sluiten maar dat dit niet van de grond kwam, en dat daarna in juni 2013 gekozen is om direct een anterieure overeenkomst te sluiten. De Wereldbazar kan dan ook niet gevolgd worden op dit punt.

- de besprekingen (punt e)

5.9.

Uit de stellingen van partijen volgt dat er inderdaad een paar besprekingen zijn afgezegd c.q. verplaatst door Gemeente Oldambt. Dat enkele feit is naar het oordeel van de rechtbank niet als onrechtmatig te bestempelen; er hebben immers (in elk geval tot 2016) evenzovele besprekingen wel doorgang gevonden. De Wereldbazar kan dan ook niet gevolgd worden op dit punt.

5.10.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Gemeente Oldambt jegens De Wereldbazar niet (uit hoofde van onrechtmatige daad) aansprakelijk is voor schade als gevolg van vertraging die het project heeft opgelopen door de handelwijze van Gemeente Oldambt gedurende de voorbereidingsfase van het planologische traject.

De besluitenaansprakelijkheid; exoneratie

5.11.

Vast staat dat de omgevingsvergunning van 22 december 2015, alsmede de vaststellingsbesluiten van 27 november 2013 en 14 december 2015 vernietigd zijn. Partijen hebben uitvoerig gedebatteerd over de toepassing van het leerstuk van de besluitenaansprakelijkheid op het onderhavige geval. De rechtbank is evenwel van oordeel dat het leerstuk buiten beschouwing kan blijven, omdat Gemeente Oldambt zich met succes op het exoneratiebeding in artikel 4, tweede lid van de anterieure overeenkomst kan beroepen. Hierin is de besluitenaansprakelijkheid met zoveel woorden uitgesloten.

5.12.

De in het exoneratiebeding opgenomen voorwaarde dat Gemeente Oldambt aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan, is naar het oordeel van de rechtbank vervuld. Daarmee wordt gedoeld op de inspanningsverplichting die Gemeente Oldambt op grond van artikel 4, eerste lid van de anterieure overeenkomst op zich heeft genomen, namelijk om te bewerkstelligen dat de bestuurlijke procedures (voor wat betreft zowel het bestemmingsplan als de omgevingsvergunning) binnen de daarvoor geldende wettelijke termijnen worden doorlopen. Zoals hiervoor onder 5.3 al is overwogen, heeft Gemeente Oldambt onweersproken gesteld dat er in het kader van de besluitvorming geen wettelijke beslistermijnen zijn overschreden.

5.13.

Voorts acht de rechtbank het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat Gemeente Oldambt zich op het exoneratiebeding beroept. Bij artikel 6:248 lid 2 BW gaat het om de vraag of de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid aan een beroep op een contractueel beding in de weg staat. Het antwoord op die vraag hangt af van alle omstandigheden, zoals de aard en de verdere inhoud van de overeenkomst waarin het beding voorkomt, de maatschappelijke positie en onderlinge verhouding van partijen, de wijze waarop het beding tot stand is gekomen, de mate waarin de wederpartij zich de strekking van het beding bewust is geweest en de zwaarte van de schuld (ter zake van het veroorzaken van de desbetreffende schade) mede in verband met de aard en de ernst van de bij enige gedraging betrokken belangen.

5.14.

Partijen hebben de anterieure overeenkomst gesloten teneinde de voorwaarden en bepalingen vast te leggen waaronder De Wereldbazar zal overgaan tot ontwikkeling en realisering van het project. De vaststelling en goedkeuring van een voor de beoogde locatie op te stellen bestemmingsplan en de verlening van een omgevingsvergunning noodzakelijk voor de uitvoering van het project, maken deel uit van die afspraken. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is niet vast komen te staan dat Gemeente Oldambt zich niet aan haar inspanningsverplichting heeft gehouden dan wel (anderszins) onvoldoende planologische medewerking aan het project heeft verleend. Voor het overige heeft De Wereldbazar geen relevante feiten of omstandigheden naar voren gebracht, op grond waarvan anders zou moeten worden geoordeeld. De stelling van De Wereldbazar dat alles "overduidelijk blijkt uit alle gespreksverslagen" kan in elk geval niet als een deugdelijke onderbouwing van het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid worden aangemerkt.

5.15.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Gemeente Oldambt jegens De Wereldbazar niet aansprakelijk is voor schade als gevolg van vertraging die het project heeft opgelopen doordat de omgevingsvergunning van 22 december 2015 en/of de vaststellingsbesluiten van 27 november 2013 en 14 december 2015 vernietigd zijn. De overige stellingen van partijen kunnen verder onbesproken blijven.

5.16.

De slotsom is dat de vorderingen van De Wereldbazar integraal zullen worden afgewezen. De Wereldbazar zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Gemeente Oldambt worden (in de hoofdzaak) vastgesteld op:

- griffierecht € 3.946,00

- salaris advocaat 7.712,00 (2,0 punten × tarief € 3.856,00)

Totaal € 11.658,00

Op de proceskosten in het incident is al beslist in het incidenteel vonnis van 15 mei 2019.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen af;

6.2.

veroordeelt De Wereldbazar in de proceskosten, aan de zijde van Gemeente Oldambt tot op heden vastgesteld op € 11.658,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na heden tot de dag van volledige betaling;

6.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2019.1

1 750