Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3360

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-08-2019
Datum publicatie
01-08-2019
Zaaknummer
18/820095-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt verdachte vrij van één winkeldiefstal en veroordeelt hem voor twee winkeldiefstallen. De rechtbank legt aan verdachte de ISD-maatregel op voor de duur van 2 jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820095-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 augustus 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te P.I. Flevoland, HvB Lelystad.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

18 juli 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. V. Poelmeijer, advocaat te Amsterdam.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 8 maart 2019, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit ene winkel aan de [straatnaam] heeft weggenomen een pakje wierook, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 8 maart 2019, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, opzettelijk een goed, te weten een pakje wierook, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en welk goed verdachte uit de winkelvoorraad van voornoemde rechthebbende had genomen onder gehoudenheid om, alvorens die winkel te verlaten voornoemd goed te betalen, in elk geval ter betaling aan te bieden, en aldus dat goed anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij op of omstreeks 7 maart 2019, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een winkel aan de [straatnaam] heeft weggenomen een oplader/car charger, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 7 maart 2019, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, opzettelijk een goed, te weten een oplader/car charger, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en welk goed verdachte uit de winkelvoorraad van voornoemde rechthebbende had genomen onder gehoudenheid om, alvorens die winkel te verlaten voornoemd goed te betalen, in elk geval ter betaling aan te bieden, en aldus dat goed anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3.

hij op of omstreeks 31 januari 2019, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een supermarkt aan het [straatnaam] heeft weggenomen een blikje whisky-cola, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 31 januari 2019, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, opzettelijk een goed, te weten een blikje whisky-cola, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en welk goed verdachte uit de winkelvoorraad van voornoemde rechthebbende had genomen onder gehoudenheid om, alvorens die winkel te verlaten voornoemd goed te betalen, in elk geval ter betaling aan te bieden, en aldus dat goed anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd voor feit 1 primair, 2 primair en 3 primair. Ten aanzien van feit 3 primair heeft zij daartoe aangevoerd dat verdachte in de winkel twee blikjes heeft gepakt. Hij heeft één van deze blikjes in zijn broekzak gestopt. Verdachte heeft het goed op die manier aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende onttrokken. Verdachte is vervolgens de kassa's gepasseerd zonder het blikje te betalen, waarna hij door het winkelpersoneel is aangesproken. Verdachte had niet genoeg geld bij zich om het blikje te kunnen betalen. Het handelen van verdachte levert, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm, diefstal op.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair en subsidiair, 2 primair en subsidiair en 3 primair en subsidiair.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman betoogd dat verdachte geen opzet had op het wegnemen van het pakje wierook. Verdachte was in de veronderstelling dat hij iets in zijn zak stopte dat van hem was. Op de camerabeelden van [benadeelde partij 1] is te zien dat verdachte met zijn handen naar zijn neef wenkt dat hij naar binnen moet komen. Vervolgens is te zien dat verdachte de winkel verlaat. Verdachte loopt naar zijn neef die buiten voor de winkel staat. Verdachte komt terug met een portemonnee in zijn handen. Het verlaten van de winkel, om vervolgens uit eigen beweging terug te komen is een contra-indicatie voor de aanwezigheid van opzet, aldus de raadsman.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman betoogd dat uit de camerabeelden van [benadeelde partij 2] niet onomstotelijk blijkt dat verdachte goederen heeft weggenomen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Het dossier bevat een aangifte en camerabeelden waaruit blijkt dat verdachte een blikje in zijn zak heeft gestopt. Verdachte heeft verklaard dat hij niet genoeg geld bij zich had om het blikje af te rekenen. Volgens verdachte heeft hij dit tegen de kassière gezegd en heeft hij gezegd dat hij geld zou gaan pinnen met de pinpas van een vriend bij de pinautomaat achter de kassa's.

De rechtbank stelt vast dat de betreffende kassière niet is gehoord. Daarnaast is op de camerabeelden niet waar te nemen hoe ver verdachte in het gebied achter de kassa's is doorgelopen en of hij inderdaad op weg was naar de pinautomaat. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er te veel onduidelijkheid bestaat over de vraag of er sprake is geweest van opzet op wederrechtelijke toe-eigening van het blikje.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Feit 1

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 9 maart 2019 inclusief het aangifteformulier winkeldiefstal d.d. 8 maart 2019, opgenomen op pagina 20 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2019061124 d.d. 10 maart 2019, inhoudende als verklaring van [getuige] :

Ik doe aangifte namens [benadeelde partij 1] , gelegen aan de [straatnaam] te Groningen. Ik zag op 8 maart 2019 te Groningen, dat een man wierook onder zijn jas doet en vervolgens de winkel verlaat met de wierook onder zijn jas. Hierop heb ik de man aangehouden.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding door burger van Politie Noord-Nederland d.d. 8 maart 2019, opgenomen op pagina 8 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op 8 maart 2019 kregen wij opdracht om naar [benadeelde partij 1] aan de [straatnaam] te Groningen te gaan. Hier zou een persoon zijn aangehouden op verdenking van winkeldiefstal. Eenmaal ter plaatse bleek verdachte te zijn [verdachte] .

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 10 maart 2019, opgenomen op pagina 23 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op de camerabeelden van [benadeelde partij 1] , d.d. 8 maart 2019, is te zien dat verdachte in de winkel een pakje wierook in zijn jas stopt. Vervolgens loopt hij zonder het pakje wierook te betalen de winkel uit.

Feit 2

1. De door verdachte ter zitting van 18 juli 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

U toont mij de camerabeelden van [benadeelde partij 2] . Ik ben de man op de beelden. Ik heb een product uit het schap gepakt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 9 maart 2019 inclusief het aangifteformulier winkeldiefstal d.d. 8 maart 2019, opgenomen op pagina 26 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2019061124 d.d. 10 maart 2019, inhoudende als verklaring van [getuige] :

Ik doe aangifte namens [benadeelde partij 2] , gelegen aan [straatnaam] te Groningen.

Op de camerabeelden van [benadeelde partij 2] te Groningen, d.d. 7 maart 2019 is te zien dat een man een car charger pakte en de winkel verlaat zonder deze ter betaling aan te bieden bij de kassa.

3. De eigen waarneming van de rechtbank, gedaan op de terechtzitting van 18 juli 2019, voor zover van belang inhoudende:
Op het ter terechtzitting getoonde videofragment met bestandsnaam: [bestandsnaam] ziet de rechtbank dat verdachte een product uit het schap pakt. Dit is volgens het tijdstip weergegeven op de camerabeelden 07/03/2019 om 18.37.21 uur. Verdachte loopt vervolgens weg van het schap en in de richting van de kassa. Op het ter terechtzitting getoonde videofragment met bestandsnaam: [bestandsnaam] ziet de rechtbank dat verdachte voor de kassa staat. Verdachte verlaat vervolgens de winkel zonder iets ter betaling aan te bieden bij de kassa. Dit is volgens het tijdstip weergegeven op de camerabeelden 07/03/2019 om 18.37.50 uur.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank ten aanzien van feit 1 het volgende. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte een tas uit het schap van de [benadeelde partij 1] heeft gepakt en diverse spullen uit de winkel in een tas heeft gestopt. Verdachte heeft vervolgens met deze tas eerst de winkel verlaten en is daarna met de tas teruggekeerd in de winkel. Verdachte heeft bij de kassa de spullen uit de tas gehaald en deze op de balie neergelegd. Daarbij heeft verdachte een pakje wierook uit de tas in zijn jas gestopt. Verdachte heeft de winkel verlaten zonder het pakje wierook ter betaling aan te bieden.

Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van verdachte dat hij dacht dat er iets van hemzelf in die tas zou zitten ongeloofwaardig. Verdachte heeft een lege tas uit de schappen van de winkel gepakt en hierin de spullen uit de winkel gestopt. Het is niet aannemelijk dat er (al) iets anders in de tas zat dat van verdachte zelf was. Daar komt nog bij dat verdachte één pakje wierook in zijn jas heeft gestopt, terwijl er drie dezelfde pakjes wierook in de tas zaten en verdachte de andere twee pakjes wel op de balie heeft teruggelegd. De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de persoon is die te zien is op de camerabeelden van [benadeelde partij 2] en dat hij een product uit het schap heeft gepakt. Verdachte is vanaf het moment dat hij een product uit het schap heeft gepakt en het moment dat hij de winkel heeft verlaten, continu te zien op de camerabeelden. De rechtbank heeft aan de hand van de camerabeelden vastgesteld dat verdachte op geen enkel moment een goed heeft teruggelegd in het schap, alvorens hij de winkel heeft verlaten. Naar het oordeel van de rechtbank kan het dan ook niet anders dan dat verdachte het goed heeft weggenomen. De rechtbank acht het onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde onder 1 primair en 2 primair wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 8 maart 2019, te Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel aan de [straatnaam] heeft weggenomen een pakje wierook, toebehorende aan [benadeelde partij 1] .

2.

hij op 7 maart 2019, te Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel aan de [straatnaam] heeft weggenomen een car charger, toebehorende aan [benadeelde partij 2] .

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair. diefstal

2 primair. diefstal

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Motivering van de maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van de feiten 1 primair, 2 primair en 3 primair de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) moet worden opgelegd voor de duur van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair gepleit voor afwijzing van de vordering van de officier van justitie gelet op de door de raadsman bepleite vrijspraken.

Subsidiair heeft de raadsman gepleit voor afwijzing van de vordering wegens de onvolledigheid van de rapportage van de reclassering. Zo is er geen persoonlijk contact geweest tussen de rapporteur en verdachte. Het opleggen van de ISD-maatregel enkel op basis van schriftelijke stukken verhoudt zich niet tot de aard en omvang van de maatregel. Tevens is een deel van de aan verdachte opgelegde straffen nog niet ten uitvoer gelegd.

Daarnaast is het opleggen van de ISD-maatregel disproportioneel. Eerdere veroordelingen hebben betrekking op geweldsdelicten, terwijl er nu sprake is van vermogensdelicten. Daarbij komt dat concrete invulling van de ISD-maatregel in de rapportage ontbreekt.

Meer subsidiair heeft de raadsman gepleit voor een voorwaardelijke ISD-maatregel.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal winkeldiefstallen. Bij [benadeelde partij 1] heeft verdachte een pakje wierook gestolen. Na zijn aanhouding bleek dat hij de dag daarvoor een diefstal had gepleegd bij [benadeelde partij 2] . Daar heeft verdachte een carcharger gestolen.

Winkeldiefstallen zijn zeer ergerlijke feiten, die naast schade vaak veel hinder veroorzaken voor de gedupeerde bedrijven. De kosten die met winkeldiefstallen gepaard gaan worden bovendien doorberekend naar de betalende consument.

Uit het 25 pagina's tellende strafblad d.d. 12 juni 2019 van verdachte blijkt dat hij in de afgelopen 5 jaren meerdere malen voor verschillende feiten is veroordeeld. Een deel van deze straffen is ook reeds tenuitvoergelegd. De tenuitvoerlegging van deze straffen heeft echter niet tot een koerswijziging in het gedrag van verdachte geleid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 28 juni 2019. Uit het rapport blijkt – zakelijk weergegeven – onder meer dat verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, dat er onduidelijkheden bestaan met betrekking tot zijn financiën en dat hij een veelplegerstatus heeft. De rode lijn in de afgelopen 9 jaar is zijn consistente weigering mee te werken aan behandeling bij forensische en non-forensische instellingen, die beogen het recidiverisico te verlagen, of in meer algemene zijn, zijn maatschappelijke welzijn te verhogen.

Uit het overzicht van de reclasserings-en hulpverleningscontacten blijkt dat verdachte vanaf mei 2010 weigert iedere vorm van medewerking te verlenen. Verschillende organisaties (waaronder het Leger des Heils, het NIFP, de VNN en de Reclassering Noord Nederland) hebben getracht in contact te komen met verdachte. Bij het laatste contact, een trajectconsult van het NIFP van 22 maart 2019, heeft verdachte wederom geweigerd om medewerking te verlenen. De reclassering maakt zich ernstig zorgen over het psychosociaal functioneren van verdachte en de maatschappelijke situatie waarin hij verkeert. Naar de mening van de reclassering zijn er geen beschermende factoren in het leven van verdachte en zijn de meeste leefgebieden directe of indirecte criminogene factoren. Het risico op recidive, letselschade en het onttrekken aan voorwaarden wordt door de reclassering hoog ingeschat. De reclassering adviseert om bij veroordeling een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.

De rechtbank stelt vast dat de door verdachte begane feiten misdrijven betreffen waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat verdachte in de vijf jaren hieraan voorafgaand ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld, terwijl de onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Daarnaast moet er, zoals de reclassering ook heeft geconcludeerd, gelet op de veelvuldige eerdere veroordelingen van verdachte, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan.

De veiligheid van personen en/of goederen eist naar het oordeel van de rechtbank het opleggen van de ISD-maatregel. Gelet op de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers is de officier van justitie ook bevoegd tot het vorderen van oplegging van de ISD-maatregel in de onderhavige zaak. Aan de voorwaarden voor oplegging van de ISD-maatregel is naar het oordeel van de rechtbank dus voldaan.

Gelet op een en ander acht de rechtbank oplegging van de maatregel geboden ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte. Uit het reclasseringsadvies van 28 juni 2019 blijkt dat verdachte vaak hulp is aangeboden. Verdachte heeft echter stelselmatig iedere vorm van hulp afgewezen. De rechtbank acht alleen al om die reden een voorwaardelijke oplegging van de ISD-maatregel niet uitvoerbaar, nu niet te verwachten valt dat verdachte zich zal houden aan de voorwaarden die daarbij gesteld zullen worden.

Alles afwegende acht de rechtbank het daarom passend en noodzakelijk dat de ISD-maatregel voor de maximale termijn van twee jaren aan verdachte wordt opgelegd.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38m, 38n, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. J. Edgar en mr. R.R. van der Heide, rechters, bijgestaan door mr. D.A.J. de Jong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 augustus 2019.