Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3338

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
30-07-2019
Zaaknummer
18/820136-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaren. Verdachte is de woning van aangeefster binnengegaan en heeft haar telefoon gestolen. In het hoesje van de telefoon zat onder andere een bankpas, met welke bankpas verdachte vervolgens in twee winkelbedrijven contactloos heeft gepind. Verdachte heeft ontkend de bankpas te hebben gestolen. Gelet echter op het zeer korte tijdsbestek tussen de diefstal en het pinnen en het ontbreken van een aannemelijke verklaring voor het bezit van de bankpas is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is geweest die de diefstal heeft gepleegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820136-19

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummers 10/180653-16 en 18/820050-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 juli 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd te P.I. Veenhuizen, gevangenis Esserheem te Veenhuizen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 juli 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.M. von Bartheld.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

primair

hij op of omstreeks 03 april 2019 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (in/uit een woning aan de [straatnaam]) heeft weggenomen een telefoon (met in het het hoesje een rijbewijs en/of een ID-kaart en/of een ING-bankpas), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

subsidiair

hij op of omstreeks 03 april 2019 te Groningen, een goed te weten een bankpas (ten name van [slachtoffer]) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 03 april 2019, te Groningen, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een bankpas (ten name van [slachtoffer]), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten een bankpas (ten name van [slachtoffer]) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig

misdrijf;

2.

hij op of omstreeks 03 april 2019 te Groningen 21,19 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] en/of de ING-bank, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van een valse sleutel, door bij een vestiging van het winkelbedrijf [winkelbedrijf] contactloos te pinnen met een op naam van [slachtoffer], althans met een niet op zijn naam, staande bankpas;

3.

hij op of omstreeks 03 april 2019 te Groningen 21,66 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] en/of de ING-bank, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van een valse sleutel, door bij een vestiging van het winkelbedrijf [bedrijf] contactloos te pinnen met een op naam van [slachtoffer], althans met een niet op zijn naam, staande bankpas.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feiten 1 primair, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle feiten. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Hoewel er een betrekkelijk korte periode ligt tussen de diefstal en het voorhanden hebben van de bankpas, kan dit in dit geval niet tot de conclusie leiden dat verdachte degene is geweest die de diefstal heeft gepleegd. Verdachte heeft verklaard dat hij heeft gepind met een bankpas die hij van iemand heeft gekregen. Op grond van die verklaring kan aan zijn schuld worden getwijfeld, wat met betrekking tot feit 1 in zijn voordeel moet werken. Ten aanzien van feiten 2 en 3 ontbreekt in dat geval het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.

Oordeel van de rechtbank

Uit de aangifte en de daarbij gevoegde bankafschriften volgt dat er maximaal 25 minuten hebben gezeten tussen de diefstal van de telefoon van aangeefster, met in het bijbehorende hoesje onder andere een bankpas, en het pinnen met die bankpas door verdachte. Verdachte heeft bij de politie geen aannemelijke verklaring voor het bezit van de pas afgelegd. Pas nadat hij is geconfronteerd met camerabeelden van een bewakingscamera in het winkelcentrum heeft hij verklaard dat hij de bankpas heeft gekregen van ene [naam] die hem had gevraagd sigaretten voor hem te kopen. Van deze [naam] kent verdachte de achternaam niet. [naam] zou uit Rotterdam komen en familie hebben in Groningen, maar waar deze familie woont, weet verdachte niet. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. De rechtbank heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat verdachte geen sigaretten bij [winkelbedrijf] heeft gekocht, zoals de opdracht van [naam] was, maar slechts een aansteker en € 20,- aan contant geld heeft gepind en vervolgens bij [bedrijf] twee blikjes bier heeft gekocht en eveneens € 20,- aan contant geld heeft gepind. Gelet op het zeer korte tijdsbestek tussen de diefstal en het pinnen en het ontbreken van een aannemelijke verklaring voor het bezit van de bankpas is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is geweest die de diefstal heeft gepleegd. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feiten 1 primair, 2 en 3 heeft gepleegd.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte ter zitting van 9 juli 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb op 3 april 2019 te Groningen bij de [winkelbedrijf] en de [bedrijf] contactloos gepind met een ING-pas. Ik weet niet op welke naam deze pas stond.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 4 april 2019 met bijlagen, opgenomen op pagina 19 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019089284 d.d. 10 april 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer]:

Ik woon aan de [straatnaam] te Groningen. Op 3 april 2019, omstreeks 19.50 uur, verliet mijn man de woning. Ik was op dat moment boven. Toen ik mijn mobiele telefoon wilde pakken zag ik dat hij niet meer lag op de plek waar ik hem voor het laatst had zien liggen. Er was om 20.15 uur contactloos gepind bij de [winkelbedrijf] aan de [straatnaam] te Groningen. Dit ging om een bedrag van 21 euro en 19 cent. Om 20.17 uur is er contactloos gepind bij [bedrijf] aan de [straatnaam] te Groningen. Dit ging om een bedrag van 21 euro en 66 cent. Het volgende is weggenomen: mobiele telefoon (turquoise/blauwe hoes), rijbewijs, identiteitskaart en bankpas ING.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1 primair, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

primair

hij op 3 april 2019 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [straatnaam] heeft weggenomen een telefoon met in het hoesje een rijbewijs en een ID-kaart en een ING-bankpas, toebehorende aan [slachtoffer];

2.

hij op 3 april 2019 te Groningen 21,19 euro, aan [slachtoffer] toebehorend, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door bij een vestiging van het winkelbedrijf [winkelbedrijf] contactloos te pinnen met een op naam van [slachtoffer] staande bankpas;

3.

hij op 3 april 2019 te Groningen 21,66 euro, aan [slachtoffer] toebehorend, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse

sleutel, door bij een vestiging van het winkelbedrijf [bedrijf] contactloos te pinnen met een op naam van [slachtoffer] staande bankpas.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair diefstal;

2. diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

3. diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1 primair, 2 en 3 wordt veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna ook: ISD) voor de duur van 2 jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, mocht de rechtbank tot een veroordeling komen, gepleit voor een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, omdat verdachte niet gemotiveerd is voor een ISD en verdachte in dat geval zijn plan waar kan maken om naar Bonaire terug te gaan. Mocht de rechtbank wel overgaan tot het opleggen van een ISD-maatregel, heeft de raadsman gesteld dat aftrek dient plaats te vinden van het reeds door verdachte ondergane voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) d.d. 21 juni 2019, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is de woning van aangeefster binnengegaan en heeft haar telefoon gestolen. In het hoesje van de telefoon zat onder andere een bankpas, met welke bankpas verdachte vervolgens in twee winkelbedrijven contactloos heeft gepind.

Verdachte heeft een uitgebreid strafblad en is eerder meermalen onherroepelijk veroordeeld voor diefstal. Verdachte liep bovendien ten tijde van de thans bewezen verklaarde feiten in twee proeftijden.

Motivering van de maatregel

De rechtbank zal aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen. De rechtbank stelt vast dat de door verdachte begane feiten misdrijven betreffen waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat verdachte in de vijf jaren hieraan voorafgaand ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld, terwijl de onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Ook moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De veiligheid van personen of goederen eist naar het oordeel van de rechtbank het opleggen van de ISD-maatregel. Gelet op de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers is de officier van justitie ook bevoegd tot het vorderen van oplegging van de ISD-maatregel. Aan de eisen voor oplegging van de ISD-maatregel is dus voldaan.

De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen het advies dat is uitgebracht door VNN in het rapport d.d. 21 juni 2019, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Aan de uitgebreide justitiële documentatie van verdachte liggen de licht verstandelijke beperking gecombineerd met ernstige verslavingsproblematiek ten grondslag. Het lastige aan deze problematiek is dat verdachte niet tot nauwelijks lijkt te leren van eerdere ervaringen. In periodes waarin de stress te hoog wordt kent hij geen andere strategie dan zijn toevlucht te zoeken in harddrugsgebruik.

Tijdens zijn vorige ISD-maatregel ging het gedurende de extramurale fase goed met verdachte. Hij had duidelijk baat bij het geboden behandeltraject en de langdurig hoge justitiële druk. Het probleem is dat zodra verdachte te veel vrijheid geniet, hij structuur over zijn leven ontbeert en het hem niet lukt zichzelf staande te houden. Na afloop van zijn tweede ISD-maatregel zijn diverse hulpverleningstrajecten voortijdig beëindigd. Momenteel zien wij geen alternatief voor het adviseren van het opleggen van opnieuw een ISD-maatregel. Hierbij zal ons inziens veel aandacht geschonken dienen te worden aan acceptatie van hulverlening en zorgvuldig gezocht moeten worden naar een begeleide woonplek waar verdachte zich thuis voelt en waar voldoende uitdaging voor hem is. Vanuit de veelplegeraanpak en de ISD-afdeling van de gevangenis zal, ook in het geval dat verdachte aanvankelijk mocht aangeven niet mee te willen werken, voortdurend aandacht geschonken worden aan het vergroten van zijn motivatie. Aangezien de reguliere strafmodaliteiten niet toereikend worden geacht om een plan van aanpak vorm te geven waardoor de kans van recidive verminderd wordt en deze kans onverminderd hoog blijft, adviseren wij om een ISD-maatregel voor de duur van twee jaar op te leggen. Gezien de problematiek van verdachte is dit ons inziens de enige overgebleven strafrechtelijke modaliteit waarin de benodigde justitiële druk gegenereerd kan worden om te komen tot noodzakelijke gedragsverandering. Ter terechtzitting van 9 juli 2019 heeft de als deskundige gehoorde reclasseringswerker dit advies bevestigd.

Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van de maatregel geboden ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte. De reclassering heeft duidelijk uiteengezet waarom er geen alternatieven zijn. Een gebrek aan motivatie van de zijde van verdachte staat het opleggen van een ISD-maatregel niet in de weg. De maatregel strekt er mede toe een bijdrage te leveren aan de oplossing van de verslavingsproblematiek van verdachte. De rechtbank zal de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen. Voor aftrek van het door verdachte ondergane voorarrest ziet de rechtbank geen aanleiding.

Vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

(onder parketnummer 10/180653-16)

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 5 december 2016, gewezen door de politierechter in de rechtbank Rotterdam, is verdachte veroordeeld tot - voor zover hier van belang - een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

(onder parketnummer 18/820050-19)

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 27 februari 2019, gewezen door de politierechter in deze rechtbank, is verdachte veroordeeld tot - voor zover hier van belang - een gevangenisstraf voor de duur van 51 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vorderingen d.d. 2 juli 2019 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormelde vonnissen voorwaardelijk opgelegde straffen.

Ter terechtzitting van 9 juli 2019 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de gevorderde ISD-maatregel, beide vorderingen moeten worden afgewezen. De raadsman heeft zich bij dit standpunt aangesloten, mocht de rechtbank overgaan tot oplegging van de ISD-maatregel.

Nu verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijden, kunnen de vorderingen in beginsel worden toegewezen. Gelet echter op het feit dat de maatregel van ISD wordt opgelegd en hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd, acht de rechtbank de tenuitvoerlegging van bovengenoemde voorwaardelijk opgelegde straffen niet proportioneel en zinvol. De rechtbank zal daarom beide vorderingen tot tenuitvoerlegging afwijzen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38m, 38n, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

10/180653-16:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 5 december 2016.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/820050-19:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 27 februari 2019.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, mr. M. Brinksma en

mr. O.J. Bosker, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 juli 2019.