Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3333

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
30-07-2019
Zaaknummer
18/203200-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op 28 mei 2019 een verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voor een poging tot zware mishandeling.

Verdachte had een man, nadat deze op de grond was gevallen, meermalen tegen zijn hoofd geschopt.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte met het schoppen tegen het hoofd opzet heeft gehad op de dood van aangever, ook niet in voorwaardelijke zin, nu het dossier onvoldoende duidelijkheid biedt omtrent het letsel van aangever en het schoeisel van verdachte voor een poging tot zware mishandeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/203200-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 28 mei 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 mei 2019.

Verdachte is niet verschenen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 8 juli 2017 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, zes maal, althans meermalen, (met kracht) tegen het gezicht en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 8 juli 2017 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen zes maal, althans meermalen, (met kracht) tegen het gezicht en/of het hoofd, van voornoemde [slachtoffer] heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat, ondanks dat verdachte zich bij de politie heeft beroepen op zijn zwijgrecht en hij ter zitting niet is verschenen, op basis van de verklaringen van de getuigen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte aangever meermalen in zijn gezicht en tegen zijn hoofd heeft geschopt. Ten gevolge van deze schoppen is aangever buiten westen geraakt en had hij, aldus de officier van justitie, kunnen overlijden. Verdachte heeft, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen, de kans op het overlijden van aangever ook bewust aanvaard. Het op deze wijze schoppen tegen het hoofd levert naar het oordeel van de officier van justitie een poging tot doodslag op.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 juli 2017, opgenomen op pagina 19 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017179319 d.d. 5 december 2017, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :

Op zaterdag 8 juli 2017 omstreeks 19:30 uur zat ik in het [naam café] , gevestigd aan de [straatnaam] te Leeuwarden.

Ik was op een gegeven behoorlijk aangeschoten en stond buiten een sigaretje te roken met [naam 1] . Ik zag dat er buiten een aantal personen zaten waaronder een Marokkaanse jongen. De jongen viel op omdat hij vervelend deed. Met vervelend doen, bedoel ik commentaar op alles en met iedereen bemoeien. Hij begon op een gegeven moment tegen [naam 1] te praten. Ik weet niet meer wat hij zei, maar het viel verkeerd bij mij. Ik heb hem daarover aangesproken en ik hoorde hem vervolgens zeggen tegen mij: "Kankerlijer". Dit viel bij mij in het verkeerde keelgat. Ik heb hem vervolgens een duw gegeven of een waarschuwingsklap. Ik weet alles niet helemaal meer precies hoe het ging. Hierdoor is de jongen in verzet gegaan. Ik weet nog dat wij met een aantal mensen hem hebben proberen tegen te houden. Ik weet niet zo goed meer wat er daarna is gebeurd.

Het is mij verteld dat ik vervolgens ben gestruikeld. Ik had namelijk die avond badslippers aan. Het is mij verteld dat ik op mijn rechterkant terecht ben gekomen. Ik weet dat er iets gekneusd is geraakt bij mijn hersenen, maar de benaming weet ik niet meer precies. Ik moest een nacht blijven omdat er een bloeding was en dat ze bang waren dat dit fout zou aflopen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 18 juli 2017, opgenomen op pagina 21 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :

Op 8 juli 2017 ben ik mishandeld. Ik weet mij niets meer te herinneren vanaf het moment dat ik samen met een aantal mensen een man op het terras van [naam café] , wilde tegenhouden.

Het eerste dat ik me van die avond, c.q. nacht, weer kan herinneren is dat ik op een kamer in het Medisch Centrum Leeuwarden (MCL) lag. Ik voelde op dat moment een drukkende pijn in mijn hoofd. Deze pijn voelde ik bij mijn linkerslaap. Ik voelde een verdikking van vijf bij drie centimeter en een (1) centimeter dik. Ik voelde ook pijn bij mijn rechterjukbeen. Ik voelde daar een verdikking van twee bij een (1) centimeter en een halve centimeter dik. Ook voelde ik op dat moment een stekende pijn aan rechterschouder.

Op zondag 9 juli 2017, omstreeks 14.30 uur, verliet ik het ziekenhuis MCL. Op dat moment kon ik mijn rechterschouder niet meer gebruiken. In het ziekenhuis vertelden ze dat mijn spieren in mijn rechterschouder een kneuzing heeft opgelopen. Daarnaast was onder mijn rechteroog een blauwpaarse verkleuring van de huid. Ook de drukkende pijn op mijn linkerslaap was aanwezig.

Op uw verzoek heb ik op maandag 17 juli 2017 en dinsdag 18 juli 2017 een bezoek

gebracht aan het letselschade spreekuur van de GGD. Ik heb de GGD-arts toestemming

gegeven om het dossier aan u te doen toekomen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 20 juli 2017, opgenomen op pagina 26 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :

Ik was op 8 juli 2017, om 21.00 uur, in het [naam café] te Leeuwarden. Ik had deze avond geen alcohol gedronken. Ik was in het café en hoorde wat ellende van het terras weg komen. Ik zag buiten op het terras de mij wel bekende [slachtoffer] staan in een hoekje.

Ik zag dat een vrouw bij hem stond. Later hoorde ik dat haar naam [naam 1] was. Ik kon wel zien dat [slachtoffer] wat gedronken had, zover ik kon zien was het niet zo erg dat hij niet meer voor zichzelf kon zorgen. Volgens mij had [naam 1] twee wijntjes gedronken. Ik zag dat het buiten op het terras aardig druk was. Op een gegeven moment zag ik dat het buiten escaleerde. Ik ben er toen tussen gesprongen en heb de beide partijen gescheiden van elkaar. Ik zag dat er een getinte jongen weg liep. Ik hoorde dat hij nageroepen werd door mensen op het terras. Hierop reageerde de getinte jongen. Ik zag dat de getinte jongen en [slachtoffer] op elkaar afliepen. Ik zag dat [slachtoffer] struikelde, hierop zag ik dat de getinte jongen een aantal keer hard tegen het gezicht van [slachtoffer] aan schopte. Dit was zeker wel 5 a 6 keer. Ik stond er op dat moment ongeveer 2 meter vanaf. Ik zag dat de getinte jongen hierop snel wegrende.
Ik kan de getinte jongen als volgt een beschrijven: Marokkaans, ongeveer 30 jaar oud, 1.80 meter lang, breed gespierd postuur, licht getint, soms petje op, maar de desbetreffende zaterdagavond niet. Deze man is wel vaker bij het [naam café] , hij is nooit eerder vervelend geweest.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 22 juli 2017, opgenomen op pagina 30 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :

Ik ben de eigenaar van het [naam café] gelegen op de [straatnaam] te Leeuwarden. Ik was op 8 juli 2017, omstreeks 18.30 uur in het café. Toen ik daar aankwam zag ik dat [slachtoffer] er al was. Ik zag op een gegeven moment dat er een Marokkaanse jongen het café ingelopen kwam. Ik zag dat hij zich met iedereen bemoeide en iedereen aan het uitdagen was in het café. Ik heb de jongen aangesproken en het advies gegeven om het café te verlaten. Ik zag dat hij naar buiten liep.

Ik zag dat de Marokkaanse jongen nu plaats nam op het terras. Na ongeveer twee minuten, zag en hoorde ik dat hij weer begon te schreeuwen naar iedereen die om hem heen zat. Op een gegeven moment pakt iemand hem vast bij de arm om hem mogelijk te corrigeren. Ik ben hier toen direct naar toegegaan om die twee heren uit elkaar te halen. Na dat dit gebeurd was hoorde ik van meerdere kanten van het terras geschreeuw over en weer. Ik zag dat hij op een gegeven moment van iemand een "klapje" kreeg, van wie zou ik niet durven zeggen. Ik zou er toen heen lopen en toen zag ik dat [naam 1] bij de jongen stond. Ik zag dat de Marokkaanse jongen haar weggooide op de grond. Toen escaleerde het op het terras. Toen heb ik getracht zoveel mogelijk personen tegen te houden om niet naar de Marokkaanse jongen te gaan.

Ik zag dat de Marokkaanse jongen toen wegliep. Op een gegeven moment keek ik achter me en zag ik dat [slachtoffer] op de grond viel, mogelijk struikelde hij. Dit mogelijk omdat hij op slippers liep. Ik zag dat de Marokkaanse jongen toen naar hem toe liep en hem herhaaldelijk in zijn gezicht trapte. Dit waren vol doorgehaalde trappen ongeveer 5 a 6 keer.

Ik kan de jongen als volgt beschrijven: Marokkaan, licht getint, Noord-Afrikaans uiterlijk, +/- 25 jaar oud, 1.80 a 1.85 meter lang, kort zwart haar, lichte kleren aan, witgrijze broek.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 6 september 2017 , opgenomen op pagina 32 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3] :

Op 8 juli 2017 was ik aan het werk in [naam café] , [straatnaam] te Leeuwarden. Ik stond achter de bar.

Ik weet de naam zo niet van de jongen welke [slachtoffer] heeft geslagen. Ik heb wel een

facebooksite van hem en daar staat op dat hij [verdachte] heet. Het is een Marokkaanse jongen. Deze jongen komt hier wel vaker. Ook deze avond kwam hij de kroeg binnen. Ik merkte aan hem dat hij anders was van gedrag.

Ik had het vermoeden dat hij drugs had gebruikt. Dit vermoeden klopte nadat hij mij had vertelde dat hij zijn neus vol had. Hiermee bedoelt hij dat hij drugs had gesnoven.

Op een gegeven moment is die Marokkaanse jongen naar buiten gegaan en ook [slachtoffer] is met dat vrouwtje naar buiten gegaan. Op een gegeven moment liepen er cafébezoekers het café uit de straat op. Ik had in de gaten dat er buiten een ruzie gaan de was. Ik zag toen dat die Marokkaanse jongen ruzie had met [slachtoffer] . Ik zag op een gegeven moment dat de Marokkaanse jongen een stoel pakte met de kennelijke bedoeling hiermee [slachtoffer] te slaan. Ik zag dat het vrouwtje dit verhinderde en de stoel afpakte. Ik zag vervolgens dat die jongen dat vrouwtje duwde waardoor zij op de grond viel. Ik zag vervolgens dat de jongen wegrende. Ik zag dat [slachtoffer] achter die jongen aanrende. Ze renden in de richting van de Albert Heijn. Ik zag dat [slachtoffer] struikelde en op de grond viel. Ik zag dat de jongen stopte met rennen en omkeerde en naar [slachtoffer] liep. Ik zag dat de jongen een aantal keren met kracht [slachtoffer] in het gezicht en tegen het hoofd schopte. [slachtoffer] bleef liggen op de grond en de jongen liep weg. [slachtoffer] was buiten bewustzijn.

Ik ben eerder benaderd door collega's. Zij hebben mij toen een foto getoond. Op die foto stond de Marokkaanse jongen waarover ik sprak, de jongen welke [slachtoffer] het ziekenhuis heeft ingeslagen.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 3 oktober 2017, opgenomen op pagina 34 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 4] :

Ik was die avond in [naam café] in Leeuwarden. Ik zag dat er een Marokkaanse jongen het café binnen kwam lopen. Ik weet niet hoe deze jongen heet. Ik weet alleen dat hij ergens in [straatnaam] zou wonen.

Zoals ik zei kwam die jongen het café binnen. Hij kwam erg agressief over. Ik hoorde dat hij riep: Wie wil er met mij vechten. Ik hoorde dat [getuige 2] de eigenaar van het café, tegen hem zei dat hij rustig moest doen of anders zou hij er uitgezet worden. Ik zag dat die Marokkaanse jongen mensen welke aan de bar zaten lastig viel. Op een gegeven moment is die Marokkaanse jongen door [getuige 2] uit de kroeg gezet. Volgens mij is [slachtoffer] toen meegelopen. [getuige 2] kwam weer terug naar de bar. Ik zag toen dat [getuige 2] naar buiten rende en ik hoorde dat [getuige 2] mijn naam riep. Toen ik buiten kwam zag ik dat [slachtoffer] op de grond lag en bewusteloos was en dat [getuige 2] bij hem stond. Ik hoorde van verschillende personen dat [slachtoffer] was gevallen en dat die Marokkaanse jongen [slachtoffer] een aantal keren hard tegen het hoofd had getrapt. Ik heb dit niet zien gebeuren. [getuige 2] heeft 112 gebeld.

Een aantal dagen later was ik weer in het café aanwezig toen er collega's van u binnen kwamen. Zij stelden ons een aantal vragen. Ook lieten ze mij een foto zien van een jongen.

Ik herkende de jongen op de foto als de jongen welke die zaterdagavond heel agressief in het café aanwezig was. De foto welke mij werd getoond was wel wat ouder, hij heeft op dit moment langer haar. Ook heb ik uw collega's een telefoonnummer gegeven.

Vlak voor dat uw collega's kwamen zat er een man in het café. Deze man heet [naam 2] . Ik

weet zijn achternaam niet. [naam 2] werd gebeld door iemand. Toen hij ophing zuchtte hij. Ik vroeg aan hem wie het was. Hij vertelde mij dat het die jongen was die [slachtoffer] had geschopt. Ik vroeg toen aan hem of ik dat nummer mocht hebben zodat ik die aan de politie kon geven mocht dat nodig zijn. Die [naam 2] gaf aan dat hij die Marokkaanse jongen heel goed kende en gaf mij het telefoonnummer [telefoonnummer] .

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlage d.d. 24 juli 2017, opgenomen op pagina 37 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:

Op 20 juli 2017, was ik, verbalisant [verbalisant 1] , op de [straatnaam] te Leeuwarden voor een gesprek met [getuige 1] . [getuige 1] zou mogelijk in het bezit zijn van het telefoonnummer van de broer van de verdachte, welke verdacht werd van diens betrokkenheid bij de zware mishandeling, gebeurd op zaterdag 8 juli 2017.

[getuige 1] overhandigde het telefoonnummer van de broer van de verdachte aan mij. Het opgegeven telefoonnummer betrof: [telefoonnummer] . Tijdens mijn gesprek met [getuige 1] , kwam er een manspersoon de horecagelegenheid binnen lopen. Deze manspersoon zou volgens [getuige 1] , [naam 3] zijn genaamd. [naam 3] zou de buurman zijn van de verdachte vertelde [getuige 1] mij. [getuige 1] vertelde mij, dat hij herhaaldelijk gevraagd had aan [naam 3] om het adres te geven van de verdachte, zodat de zaak volgens zijn zeggen opgelost kon worden. De manspersoon [naam 3] zou telkens aangeven hebben, niets met de zaak te maken willen hebben.

[getuige 1] verklaarde mij vervolgens dat hij wederom het gesprek met [naam 3] aan wilde gaan, om het adres van de verdachte te achter halen. Hierop ben ik teruggegaan naar verbalisant [verbalisant 2] , welke op mij aan het wachten was in het dienstvoertuig. Wij hebben in ons dienstvoertuig overleg gehad over de ontstane situatie. Wij hebben hierop besloten terug te gaan naar het [naam café] . Wij wilden de manspersoon [naam 3] aanspreken en zodoende het adres van de verdachte proberen te achterhalen.

[getuige 1] gaf aan dat [naam 3] net was vertrokken. Op dat moment zagen wij dat een persoon, welke later op gaf te zijn genaamd: [getuige 4] , kwam binnen lopen. [getuige 1] vroeg direct aan [getuige 4] of hij wist waar [naam 3] woonachtig was. [getuige 4] begon hierop bellen met zijn mobiele telefoon. Wij hoorden dat [getuige 4] een gesprek had met een voor ons onbekende derde. Kort hierop hoorden wij [getuige 4] ons verbalisanten verklaren dat [naam 3] woonachtig moest zijn op [straatnaam] te Leeuwarden.

[getuige 1] en [getuige 4] verklaarden ons dat de verdachte naast de verdachte (de rechtbank leest hier in de plaats van 'verdachte' ' [naam 3] ') woonde met 1 perceel er tussen. [getuige 4] gaf hierop tevens aan dat hij het telefoonnummer had van de betrokken verdachte. [getuige 4] overhandigde diens mobiele telefoon, na het plegen van enkele handelingen. Wij zagen dat het een telefoonnummer uit de gemeente Leeuwarden betrof, namelijk het telefoonnummer [telefoonnummer] . Hierop zocht verbalisant [verbalisant 2] in het politiesysteem BVI-IB. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag dat het telefoonnummer was gekoppeld aan een manspersoon, genaamd [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] , woonachtig op [straatnaam] te Leeuwarden. Ik toonde hierop de opgeslagen politiefoto uit 2012 aan verbalisant [verbalisant 1] . Op verzoek van [getuige 1] toonde ik de foto aan [getuige 1] . Hierop zagen wij dat [getuige 1] , [getuige 4] en mevrouw [getuige 3] de betrokken politiefoto bekeken. Wij hoorden dat deze drie personen verklaren dat dat dit de verdachte voor 100 procent was.

De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte meermalen tegen het hoofd van aangever heeft geschopt. Er zijn meerdere getuigen die verdachte hebben zien schoppen. De rechtbank acht die verklaringen betrouwbaar.

Voor een bewezenverklaring van poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling is vereist dat het opzet van verdachte, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op de dood dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Er is voorwaardelijk opzet aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.

Of de gedraging van verdachte die aanmerkelijke kans in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte met het schoppen tegen het hoofd opzet heeft gehad op de dood van aangever, ook niet in voorwaardelijke zin, nu het dossier onvoldoende duidelijkheid biedt omtrent het letsel van aangever en het schoeisel van verdachte. Daarbij merkt de rechtbank op dat in het procesdossier geen letselverklaring is aangetroffen. Aangever heeft zich door een GGD-arts laten onderzoeken, maar deze heeft vastgesteld dat de tijdsduur tussen het incident op 8 juli 2017 en het letselonderzoek op 20 juli 2017 te groot is om iets over het letsel te kunnen zeggen. Nadere aanvullende medische informatie, bijvoorbeeld van het ziekenhuis, ontbreekt. Daar komt bij dat evenmin bekend is of verdachte schoeisel droeg en zo ja, welk schoeisel dat was. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1. primair ten laste gelegde, nu niet is vast te stellen of sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van aangever.

Met betrekking tot het (voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de intentie (het zogenaamd vol opzet) had om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Daarom moet de rechtbank beoordelen of er sprake is van voorwaardelijk opzet. Naast de hierboven uiteengezette toets van het voorwaardelijk opzet, overweegt de rechtbank nog dat voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo'n kans niet alleen vereist is dat de verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zou intreden, maar ook dat hij die kans bewust heeft aanvaard (en op de koop heeft toegenomen).

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte meermalen tegen het hoofd van aangever heeft geschopt, terwijl aangever op de grond lag- zij het dat van het door verdachte gedragen schoeisel niets bekend is. Naar algemene ervaringsregels brengt het meermalen met kracht schoppen tegen het hoofd een aanmerkelijke kans met zich dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel op loopt. Het hoofd is immers een kwetsbaar en vitaal onderdeel van het lichaam en een verwonding aan het hoofd of de hersenen kan tot zwaar lichamelijk letsel leiden. Ook verdachte moet zich daarvan bewust zijn geweest. Deze gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte willens en wetens die aanmerkelijke kans heeft aanvaard. De rechtbank heeft hierbij gelet op de waarneming van getuige [getuige 1] , die heeft verklaard dat het ging om ‘vol doorgehaalde trappen, ongeveer 5 a 6 keer’. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank acht dan ook het onder 1. subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 8 juli 2017 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met kracht tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

subsidiair Poging tot zware mishandeling.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de justitiële documentatie en de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft een man, nadat deze op de grond was gevallen, meermalen tegen zijn hoofd geschopt. Door zijn handelwijze heeft verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Ook veroorzaakt dergelijk uitgaansgeweld veel gevoelens van onveiligheid onder de personen die er getuige van zijn geweest en -in breder verband- in de samenleving. Door getuigen is verklaard dat verdachte mogelijk onder invloed was en het er op leek dat hij ruzie zocht.

De rechtbank kan geen rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, omdat deze de rechtbank niet bekend zijn geworden. Verdachte heeft gezwegen bij de politie en er is geen reclasseringsrapportage opgemaakt. Ook is verdachte niet ter terechtzitting verschenen.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, een gevangenisstraf recht doet aan deze zaak.

De rechtbank komt tot een lagere straf dan geëist door de officier van justitie, mede omdat de rechtbank verdachte tot het subsidiair ten laste gelegde feit veroordeelt. Met het oog op de landelijke oriëntatiepunten van de LOVS en de ouderdom van het feit vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend en oplegging daarvan geboden. De rechtbank heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een poging tot doodslag.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Post, voorzitter, mr. J.Y.B. Jansen en mr. M.J. Dijkstra, rechters, bijgestaan door D.P. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 mei 2019.