Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3298

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
25-07-2019
Zaaknummer
18/930209-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt verdachte vrij van 2 maal poging tot doodslag en veroordeelt verdachte tot poging zware mishandeling ( 2 maal) en bedreiging. De rechtbank legt op een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930209-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 juli 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te P.I. HvB Ter Apel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 juli 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.A. Koning, advocaat te Meppel. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 december 2018 te en in de gemeente Emmen ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het

leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een mes, althans een scherp

en/of puntig voorwerp, in de rug, althans in het lichaam, heeft gestoken en/of

gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 22 december 2018 te en in de gemeente Emmen ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een mes,

althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, althans in het lichaam,

heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 22 december 2018 te en in de gemeente Emmen [slachtoffer 1]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware

mishandeling, door dreigend tegen die [slachtoffer 1] te zeggen: "Je moet me niet

aanraken, kom mee naar buiten dan, ik neuk je moeder, ik steek je helemaal

neer", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

3.

hij op of omstreeks 22 december 2018 te en in de gemeente Emmen ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het

leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 2] met een mes, althans een scherp

en/of puntig voorwerp, in een bil, althans in het lichaam, heeft gestoken

en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 22 december 2018 te en in de gemeente Emmen ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 2] met een mes,

althans een scherp en/of puntig voorwerp, in een bil, althans in het lichaam,

heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte in ieder geval voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangever. Verdachte heeft aangever in een oncontroleerbare situatie, gestoken met een mes laag in de rug. Daarmee heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het steken een dodelijke afloop zou hebben.

Het met een mes in de rug steken kan levensgevaarlijk zijn nu er een aanmerkelijke kans is op het raken van vitale organen. Dat de wonden van het slachtoffer niet groot en diep waren, doet hier niet aan af. De officier van justitie verwijst naar de inhoud van de geneeskundige verklaring welke over het geconstateerde letsel werd opgemaakt d.d. 1 maart 2019.

Voorst heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde op basis van de stukken in het dossier wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Hij heeft vrijspraak gevorderd voor het onder 3 primair ten laste gelegde, poging tot doodslag. Verdachte heeft erkend aangever te hebben gestoken met een mes.

Gelet echter op de aard, plaats en omvang van het letsel is daarbij niet komen vast te staan dat er in deze situatie ook sprake was van een aanmerkelijke kans op het intreden van de dood. De officier van justitie verwijst naar de inhoud van de geneeskundige verklaring d.d. 1 maart 2019, waaruit blijkt dat niet gesproken kan worden van een levensbedreigende situatie.

Hij acht het subsidiair ten laste gelegde, poging zware mishandeling, wel wettig en overtuigend bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van al het hem ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde bedreiging. In het bijzonder de door de raadsman bekeken camerabeelden wijzen niet op een incident dat in de [naam club] zou zijn voorgevallen. Voorts is voor een bedreiging vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.

Uit de verklaring van aangever blijkt dat er geen sprake is geweest van enige vrees.

Ten aanzien van het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, hoewel verdachte beide aangevers heeft gestoken met een mes, niet kan worden

vastgesteld dat de verwondingen die bij aangevers door verdachte zijn veroorzaakt konden leiden tot een dodelijke afloop of tot zwaar lichamelijk letsel.

De aard, plaats en omvang van het letsel bij aangevers geven geen aanleiding om dit aan te nemen. Immers, er is sprake van oppervlakkige steekwonden. De kans dat hierbij vitale delen zouden kunnen worden geraakt is te verwaarlozen.

Mocht de rechtbank wel komen tot (voorwaardelijk) opzet en derhalve tot een bewezenverklaring dan wordt een beroep gedaan op een situatie van noodweer waarbij verdachte ter bescherming van diens lijf zich genoodzaakt zag het mes te hanteren, waarbij niet gericht is gestoken.

Dit verweer van de raadsman zal hierna in het kader van de strafbaarheid van de verdachte worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

poging doodslag

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het onder 3 primair ten laste gelegde, poging tot doodslag van [slachtoffer 2] , niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte zal van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank ook het onder 1 primair ten laste gelegde, poging tot doodslag van [slachtoffer 1] evenmin wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte aangever [slachtoffer 1] met een mes heeft gestoken in zijn rug. Verdachte heeft dit ook erkend.
De rechtbank dient te beoordelen of verdachte in onderhavig geval redelijkerwijs dodelijk letsel heeft kunnen toebrengen aan aangever.
Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de aard en plaats van deze verwonding op het lichaam, niet zonder meer worden geconcludeerd dat verdachte door de handeling die hij met het mes heeft verricht de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat aangever zou komen te overlijden. Gelet hierop kan daarom niet worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet op de dood van aangever heeft gehad.
Dit oordeel vindt steun in de door de forensisch opgemaakte letselverklaring waaruit blijkt dat (slechts) sprake was van oppervlakkige steekverwonding in de rug van aangever en dit letsel geen ernstige gevolgen heeft gehad.


De rechtbank acht, zowel bij feit 1 als bij feit 3, de primair ten laste gelegde poging doodslag dan ook niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de navolgende bewijsmiddelen wel is komen vast te staan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zoals onder 1 subsidiair en 3 subsidiair ten laste is gelegd. Verdachte heeft bekend dat hij beide aangevers met een mes heeft gestoken.

Deze steekincidenten hebben letsel aan de rug van [slachtoffer 1] en aan de bil van [slachtoffer 2] veroorzaakt. Door met een mes te steken heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij aangevers als gevolg van zijn handelen ernstig/zwaar lichamelijk letsel had kunnen optreden. Dat de wonden van de slachtoffers niet groot en diep waren, doet hier niet aan af. Het is niet aan verdachte te danken dat het incident voor beide aangevers relatief gunstig is afgelopen.
Ook acht de rechtbank op grond van het dossier het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft in een uitgaansgelegenheid, tijdens een mondelinge aanvaring met aangever gedreigd met een mes te zullen steken. Verdachte heeft vervolgens de daad bij het woord gevoegd en heeft kort na het uiten van deze bedreiging aangever buiten op straat met een mes in de rug gestoken. De bedreiging is niet alleen door aangever [slachtoffer 1] , maar ook door getuige [getuige 1] gehoord.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

feit 1 subsidiair

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 december 2018, opgenomen op pagina 18 e.v. van het dossier van Politie Eenheid Noord-Nederland met BHV nummer:2018334591 en 2018334629 d.d. 25 februari 2019, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

Het incident vond plaats bij [naam club] te Emmen op zaterdag 22 december 2018 te 06:18 uur. Ik zag toen ik op de parkeerplaats stond dat [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] , broer aangever) de man sloeg en dat de man vervolgens achter [slachtoffer 2] aan begon te rennen.

Toen ik de man probeerde tegen te houden, haalde de man naar mij uit en direct daarop voelde ik een klap onder in mijn rug. Ik zag dat de man op mij af kwam lopen en dat hij mij wilde slaan. Hierop wilde ik mij verdedigen en bood ik mijn zijkant aan van mijn lichaam. Hierop sloeg de man mij links onder in de rug. Later voelde ik dat op de plek waar ik geslagen was, dat het nat aanvoelde. Later bleek dat de nattigheid die ik voelde op mijn lichaam dat dat bloed was.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 december 2018, opgenomen op pagina 45 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

Ik zag dat die donkere man een slaande beweging maakte naar [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) op heuphoogte van [slachtoffer 1] . Ik zag [slachtoffer 1] een schrikkende beweging maken. Ik heb wel geroepen: "Hij heeft een mes."

3. Letselverslag d.d. 1 maart 2019 betreffende [slachtoffer 1] , opgemaakt door S.P.H. Letmaath, forensisch arts en als los document opgenomen in voornoemd dossier:

Bij het letselonderzoek van de heer [slachtoffer 1] is een letsel op de rug geconstateerd dat het meest passend is bij een steekwond. Het letsel op de rug betreft een scherp letsel. Uit de medische informatie uit het ziekenhuis blijkt dat deze oppervlakkig lijkt te zijn met een diepte van 0,5 cm.

Ik acht het gegeven de wondkenmerken meer waarschijnlijk dat we hier te maken hebben met een steekletsel dan wel dat er een stekende beweging naar de rug met een contact met een steekwapen is geweest, dan dat we met een snijletsel te maken hebben.

Het geconstateerde letsel kan passen bij de door het slachtoffer aangegeven toedracht.

Het letsel heeft geen ernstige gevolgen.

feit 3 subsidiair

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 december 2018, opgenomen op pagina 23 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:

Ik ben 22 december 2018 met een mes in mijn bil gestoken bij [naam club] in Emmen. De donkere man werd kwaad op mij en ik zag dat hij een mes pakte. Ik zag hem een steekbeweging maken met dat mes in de rechterhand in mijn richting. Hij stond toen ongeveer een meter van mij af. Ik zag de steekbeweging en probeerde weg te komen. Hij heeft mij geraakt met dat mes in de linkerbil. Ik voelde dat ik nat werd op mijn rug. Ik heb mijn hand erop gelegd en voelde nattigheid en zag vervolgens allemaal bloed op mijn linkerhand.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 december 2018, opgenomen op pagina 47 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2]:

Ik zag dat de donkere jongen een mes pakte. Ik zag dat hij met de linkerarm en het mes in de hand een stekende beweging maakte naar [slachtoffer 2] en hem achter op de rug raakte. Ik hoorde [slachtoffer 2] roepen: "Hij heeft mij gestoken."

6. Letselverslag d.d. 1 maart 2019 betreffende [slachtoffer 2] , opgemaakt door S.P.H. Letmaath, forensisch arts en als los document opgenomen in voornoemd dossier:

Op de linkerbil, is een wijkend spoelvormig huidletsel met scherpe wondranden

zichtbaar met een afmeting van ca. 20 bij 10 mm. Het letsel betreft een scherp huidletsel meest passend bij een steekletsel gecombineerd met een krasletsel.

Het geconstateerde letsel kan passen bij de door het slachtoffer aangegeven toedracht.

In dit geval is er sprake van een oppervlakkig letsel. In het onderhavige geval heeft het letsel geen ernstige gevolgen.

feiten 1 subsidiair en 3 subsidiair

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 30 januari 2019, opgenomen op pagina 90 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [verdachte] :

Het mes wat u mij laat zien is van mij. Ik moest mij verdedigen. Ik gebruikte het mes. Ik heb met het mes in alle hoeken bewogen. Ik denk dat ik wel iemand heb geraakt. Dat weet ik wel zeker.

feit 2

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 december 2018, opgenomen op pagina 18 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

Het incident vond plaats bij [naam club] te Emmen op zaterdag 22 december 2018 te 06:18 uur. Ik zag dat dat een man ruzie had met een dame en dat de dame zich niet veilig voelde. Ik heb toen mijn hand op zijn borst gelegd en zei tegen de man: "he doe even rustig aan joh". De man reageerde direct hierop als reactie:" 'je moet me niet aanraken, kom mee naar buiten dan steek ik je helemaal neer".

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 december 2018, opgenomen op pagina 45 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

Ik zag dat [slachtoffer 1] wat tegen een donkere man zei. Ik zag dat die donkere jongen gelijk reageerde. Ik hoorde dat hij zei: "Raak me niet aan. Als je straks buiten komt prik ik je" of woorden van gelijke strekking.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 december 2018, opgenomen op pagina 52 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 3]:

Ik ben portier bij [naam club] in Emmen. Op 22 december 2018 zat er onder andere een donkere jongen in de club. Ik hoorde dat die donkere jongen agressief reageerde op een jongen die een opmerking had gemaakt tegen de donkere jongen. Ik hoorde dat de donkere jongen tegen de jongen zei: "Kom maar mee naar buiten". Dit was tegen sluitingstijd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1 subsidiair, 2 en 3 subsidiair wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. subsidiair

hij op 22 december 2018 te Emmen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een mes, in de rug heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 22 december 2018 te Emmen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, door dreigend tegen die [slachtoffer 1] te zeggen: "Je moet me niet aanraken, kom mee naar buiten dan, ik steek je helemaal neer", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

3.subsidiar

hij op 22 december 2018 te Emmen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een mes in een bil heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. subsidiair poging tot zware mishandeling

2. bedreiging met zware mishandeling

3. subsidiair poging tot zware mishandeling

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging (met betrekking tot het beroep op noodweer(-exces))
De raadsman heeft namens verdachte een beroep op noodweer gedaan. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat sprake is geweest van een noodweersituatie, waarin verdediging door verdachte tegen de aanranding van zijn lijf door aangever (s) noodzakelijk was.
Gelet op de omstandigheden waaronder het incident heeft plaatsgevonden, was de verdediging door verdachte bovendien proportioneel. Verdachte kon geen kant op kon en werd door meerdere personen omsingeld en werd door één man aangevallen. Verdachte heeft toen zijn mes gepakt en heeft daarmee om zich heen gezwaaid. Met betrekking tot de subsidiariteit is eigenlijk maar één vraag van belang en dat is de vraag of verdachte feitelijk had kunnen en moeten vluchten, zonder te steken. Uit het dossier blijkt dat verdachte geen uitweg had en onder de geschetste omstandigheden niet anders kon dan het hanteren van het mes.
De raadsman heeft daarnaast een beroep op noodweerexces gedaan.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat op het moment van steken door verdachte er geen sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte. [slachtoffer 2] had zich al van verdachte afgewend en kreeg als reactie op een aanval met zijn blote handen een messteek in zijn bil. [slachtoffer 1] is door verdachte achtervolgd waarna hij in zijn rug is gestoken. Voorts is de officier van justitie, anders dan de advocaat, van mening dat weglopen een reëel alternatief was geweest voor verdachte. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweerexces evenmin kan slagen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer allereerst de vraag moet worden beantwoord of er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, en vervolgens of de door verdachte tegen deze (dreigende) aanranding gevoerde verdediging noodzakelijk was (anders gezegd: of aan het subsidiariteitsvereiste is voldaan). Tenslotte moet worden beoordeeld of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was (met andere woorden: of aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan).

Vaststelling van de feitelijke toedracht

Bij de politie en ter zitting heeft verdachte verklaard dat toen hij vanuit de nachtclub naar buiten ging, werd ingesloten door een grote groep jongens Deze situatie was voor hem zeer bedreigend. Maar door de omsingeling van de groep kon hij niet vluchten.
De rechtbank acht het door verdachte geschetst scenario dat hij omringd werd door een grote groep jongens niet aannemelijk nu de verklaring van verdachte niet wordt ondersteund door objectieve bewijsmiddelen. De vriendin van verdachte heeft weliswaar in haar verklaring ook gesproken over een grote groep jongens maar haar verklaring is, naar het oordeel van de rechtbank, niet geloofwaardig nu deze op grote onderdelen uiteenloopt ten aanzien van andere getuigenverklaringen die zich in het dossier bevinden en bovendien in belangrijke mate verschilt van de verklaring (en) van verdachte.

De rechtbank gaat bij de feitelijke toedracht van het incident uit van het volgende. Na sluitingstijd van de nachtclub is [slachtoffer 1] samen met zijn broer [slachtoffer 2] , [getuige 2] en [getuige 1] naar buiten gegaan. Verdachte stond verderop in een steegje met zijn vriendin. [getuige 1] en [slachtoffer 2] vertrouwden het niet, omdat zij meenden dat verdachte eerder die avond zich misdragen had richting zijn vriendin, en liepen verdachte achterna. De rechtbank verwijst in dit verband, behalve naar de verklaring van [slachtoffer 1] , ook naar de verklaring van [slachtoffer 2] , [getuige 2] en [getuige 1] . Deze verklaringen komen in hoofdlijnen overeen.
Kort daarna kwam [slachtoffer 2] terug en zei tegen [slachtoffer 1] dat hij een klap had gehad van verdachte. [slachtoffer 2] is vervolgens wederom naar verdachte toegegaan en heeft hem ook een klap gegeven waarna [slachtoffer 2] wilde weglopen. Verdachte pakte zijn mes en heeft [slachtoffer 2] hiermee in zijn bil gestoken. Verdachte rende na het steken weg en liep daarbij langs [slachtoffer 1] , die de steeg inliep. [slachtoffer 1] draaide zich van verdachte weg en werd vervolgens door verdachte in zijn onderrug gestoken. De plaats waar aangevers zijn gestoken, in hun rug/bil, bevestigt deze gang van zaken.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het beroep op noodweer met betrekking tot [slachtoffer 2] als volgt.

Uit de hiervoor geschetste gang van zaken heeft [slachtoffer 2] , na het geven van een klap, zich van verdachte afgewend om weg te lopen. Dit past bij het letselbeeld en bij de plaats van de steekwond, te weten in de bil.
Van een noodweersituatie zoals door verdachte geschetst was, op het moment van steken, dan ook geen sprake.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verdachte ten tijde van de confrontatie met [slachtoffer 2]

anderen middelen had om adequaat op de door [slachtoffer 2] gegeven klap te reageren. Voor verdachte bestond op dat moment een reële en redelijke mogelijkheid weg te lopen. Dat kon en mocht in deze situatie dan ook van verdachte worden gevergd.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het noodweerverweer met betrekking tot [slachtoffer 1] als volgt.

Uit de hiervoor geschetste gang van zaken komt naar het oordeel van de rechtbank aan verdachte geen beroep op noodweer toe. Het was verdachte zelf, die de confrontatie met [slachtoffer 1] heeft opgezocht. Dit past bovendien bij het letselbeeld en bij de plaats van de steekwond, te weten in de onderrug.
Het beroep op noodweer wordt verworpen. Nu het beroep op noodweer faalt, omdat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie, is er geen ruimte voor een beroep op noodweerexces.

De rechtbank zal het beroep op noodweerexces dan ook niet nader bespreken.

Gelet op voorgaande acht de rechtbank verdachte strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.

Standpunt van de verdediging

Voor het geval de rechtbank zou komen tot de oplegging van een straf, heeft de raadsman de rechtbank verzocht uitdrukkelijk rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals naar voren gekomen in het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Reclassering Nederland d.d.6 mei 2019, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een zogenaamd knipmes bij zich gedragen terwijl hij zich in het uitgaansleven bevond. Een dergelijk mes hoort in het uitgaansleven niet thuis.

Verdachte heeft door zijn handelwijze aangetoond waartoe wapenbezit in het uitgaansleven kan leiden en onaanvaardbare risico's met zich mee kan brengen.

Het gebruik van een mes om een kennelijke onenigheid, nabij een drukbezochte horecagelegenheid te beslechten, zoals in onderhavige zaak het geval is, is een misdrijf dat behoort tot een categorie feiten, die niet alleen voor de slachtoffers, maar ook overigens in de samenleving gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaken.

Door zijn gedrag heeft de verdachte blijk gegeven geen respect te hebben voor de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. De gevolgen voor de slachtoffers hadden ook veel ernstiger kunnen zijn. Verdachte heeft zich laten leiden door zijn verontwaardiging en drift en in bijzijn van anderen een knipmes tevoorschijn gehaald en daarmee naar beide aangevers uitgehaald.

Bovendien heeft verdachte zich daarvoor in een horecagelegenheid schuldig gemaakt aan bedreiging door tegen één van de slachtoffers de woorden te uiten dat hij hem neer zou steken. Verdachte heeft, zoals blijkt uit het dossier, de daad bij het woord gevoegd.

De rechtbank rekent verdachte deze strafbare feiten zwaar aan en zij rechtvaardigen het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.

Daarnaast heeft de rechtbank in aanmerking genomen de uitzichtloze situatie waarin verdachte zich bevindt. Uit het reclasseringsrapport van 6 mei 2019 komt naar voren dat verdachte een 28 jarige man is afkomstig uit Sierra Leone die niet beschikt over een verblijfsstatus. Voorts heeft hij verklaard niet van plan te zijn terug te keren naar het land waar hij vandaan komt. Verdachte verblijft illegaal in Nederland en heeft geen recht op een inkomen of huisvesting. Gelet op de illegaliteit van zijn verblijf kan de reclassering geen interventies bieden, hetgeen naar aanleiding van onderhavige zaak zeer wenselijk zou zijn geweest. Het lijkt er namelijk op dat verdachte moeilijk kan omgaan met gevoelens van agressie wellicht mede in verband met zijn belaste voorgeschiedenis.

Mede omdat de rechtbank ten aanzien van feit 1 tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, zal zij aan verdachte een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

Daarnaast ziet de rechtbank ook aanleiding om een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden wederom stafbare feiten te plegen.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 168,86 ter vergoeding van materiële schade en € 2.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

2. [slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 237,17 ter vergoeding van materiële schade en € 2.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vorderingen tot vergoeding van de materiële schade bij beide aangevers voldoende onderbouwd en voor toewijzing vatbaar. Het standpunt van de officier ten aanzien van de gevorderde bedragen voor immateriële schade luidt als volgt. Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie gevorderd, gelet op de aard en ernst van de verwonding, een bedrag van € 1000,00 als voorschot toe te wijzen. Voor het overige dient de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] die ziet op de immateriële schade kan volledig worden toegewezen.

Vergoeding van de schade in beide zaken, dient voorts plaats te vinden onder vergoeding van de wettelijke rente en onder toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen in zijn geheel niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, nu hij pleit voor vrijspraak en noodweer (exces). Bovendien zijn de vorderingen onvoldoende onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] de gestelde materiële schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de door verdachte gepleegde feiten. De vorderingen met betrekking tot de vergoeding van de materiële schade, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen.

Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van de geleden immateriële schade acht de rechtbank voldoende onderbouwd dat er bij zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] sprake is van letsel en psychische gevolgen en dat dit onder meer is veroorzaakt door de strafbare feiten dat verdachte heeft gepleegd. De rechtbank schat de hoogte van de totale immateriële schade, bij beide benadeelden, op € 1.250,00. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de door verdachte toegebrachte letsels, verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden voor die schade.

Gelet op vorenstaande zal de rechtbank in totaal een bedrag van € 1.418,86 toewijzen aan schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] en voor het overige gedeelte de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Tevens zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente vanaf 22 december 2018 toewijzen over het toegewezen bedrag.

Ten aanzien van [slachtoffer 2] zal de rechtbank in totaal een bedrag van € 1.487,17 toewijzen aan schadevergoeding en voor het overige gedeelte de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Tevens zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente vanaf 22 december 2018 toewijzen over het toegewezen bedrag.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de slachtoffers de schade vergoed krijgen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan de uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt en ten behoeve van de ten uitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36, 45, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 3 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 1 jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar de hierna te noemen voorwaarde niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Vordering benadeelde partijen

Ten aanzien van 18/930209-18, feit 1 subsidiair

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.418,86 (zegge: duizend vierhonderdachttien euro en zesentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2018.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € € 1.418,86 (zegge: duizend vierhonderdachttien euro en zesentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 168,86 aan materiële schade en € 1.250,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/930209-18, feit 3 subsidiair

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 1.487,17 (zegge: duizend vierhonderdzevententachtig euro en zeventien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2018.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 1.487,17 (zegge: duizend vierhonderdzevententachtig euro en zeventien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 237,17 aan materiële schade en € 1.250,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Wolters, voorzitter, mr. B.I. Klaassens en mr.

C. Brouwer, rechters, bijgestaan door J.H. van Scharrenburg, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 juli 2019.

Mr. M.A.M. Wolters en mr. C. Brouwer zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.