Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3296

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-07-2019
Datum publicatie
29-07-2019
Zaaknummer
LEE 18/1056 en LEE 18/2067
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:2310, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft besloten om twee verzoeken om intrekking van vergunningen van 23 juni 2008, 7 april 2011 en 23 augustus 2011 voor een biomassavergistingsinstallatie op het perceel Botniaweg 6 te Marrum af te wijzen en die vergunningen niet in te trekken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet op grond van artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo gehouden was om de drie vergunningen in te trekken. Niet aannemelijk is geworden dat niet redelijkerwijs door voorschriften te wijzigen kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende best beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Daarbij is van belang dat uit de vergunningen volgt dat in 2008 en 2011 is getoetst aan de beschikbare BBT-referentiedocumenten. Ook is van belang dat de Handreiking (co-)vergisting van mest van september 2010 thans in de wet- en regelgeving nog steeds is aangewezen als BBT-document voor mestvergistingsinstallaties. Met verweerder acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de inrichting kan gaan voldoen aan de Handreiking, dan wel dat met wijziging van voorschriften aan de BBT kan worden voldaan. De stellingen van eisers doen geen afbreuk aan de mogelijkheden die artikel 2.31 van de Wabo verweerder biedt. Daar komt bij dat namens de vergunninghouder ter zitting is aangegeven dat zij alle mogelijkheden voor het perceel nog onderzoekt en daarbij de vergunningen betrekt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten om in dit geval geen gebruik te maken van zijn intrekkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Verweerder heeft in zijn afweging voorop kunnen stellen dat het belang van rechtszekerheid zwaar meeweegt nu sprake is van onherroepelijke vergunningen. Voorts is van belang hetgeen hiervoor over BBT-toepassingsmogelijkheden is overwogen. Ook heeft verweerder kunnen concluderen dat niet zeker is dat van de vergunningen geen gebruik zal worden gemaakt. Voorts bestaat voor de vergunninghouder de mogelijkheid om een veranderings- of revisievergunning aan te vragen, indien zij de installatie anders wil uitvoeren. Verweerder heeft in redelijkheid zwaar gewicht mogen toekennen aan de belangen van de vergunninghouder bij behoud van de vergunningen. In de stelling van eisers dat verwerving van een groenstrook door de vergunninghouder niet meer mogelijk zou zijn, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om alsnog van zijn bevoegdheid gebruik te maken. Aan de belangen van eisers gemoeid met voorkoming van hinder en benutting van rechtsbeschermingsmogelijkheden heeft verweerder evenmin doorslaggevende betekenis hoeven toekennen. Verweerder zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat de belangen van de vergunninghouder bij behoud van de drie vergunningen prevaleren boven de belangen van eisers bij intrekking daarvan. De beroepen zijn ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.31
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/301 met annotatie van Meijden, D. van der
JBO 2019/302 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 18/1056 en LEE 18/2067

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2019 in de zaken tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , woonachtig aan [adres 1] ,

[eiser 3] woonachtig aan [adres 2]

[eiser 4] , woonachtig aan [adres 3]

[eiser 5] , woonachtig aan [adres 4]

[eiser 6] , woonachtig aan [adres 5]

[eiser 7] , woonachtig aan [adres 6]

[eiser 8] , woonachtig aan [adres 7]

[eiser 9] , woonachtig aan [adres 8]

[eiser 10] , woonachtig aan [adres 9]

[eiser 11] , woonachtig aan [adres 10]

[eiser 12] en [eiser 13] woonachtig aan [adres 11]

[eiser 14] , woonachtig aan [adres 12]

[eiser 15] , woonachtig aan [adres 13]

[eiser 16] en [eiser 17], woonachtig aan [adres 14]

[eiser 18] en [eiser 19], woonachtig aan [adres 15]

[eiser 20] , woonachtig aan [adres 16]

[eiser 21] en [bestuurder] , namens [de stichting], gevestigd aan [adres 17]

[eiser 22] , woonachtig aan [adres 18]

[eiser 23] , woonachtig aan [adres 19]

[eiser 24] , woonachtig aan [adres 20]

[eiser 25] , woonachtig aan [adres 21]

[eiser 26] , woonachtig aan [adres 22]

[eiser 27] , woonachtig aan [adres 23]

[eiser 28] , woonachtig aan [adres 24]

[eiser 29] , woonachtig aan [adres 25]

[eiser 30] , woonachtig aan [adres 26]

[eiser 31] , woonachtig aan [adres 27]

[eiser 32] , woonachtig aan [adres 28]

[eiser 33] , woonachtig aan [adres 29]

gezamenlijk eisers in zaaknummer LEE 18/1056 (hierna: [eisers A] )
en

[eiser 34] , woonachtig op [adres 30] , eiser in zaaknummer LEE 18/2067 (hierna: [eiser 34] )
(gemachtigde van alle eisers: mr. W.R. van der Velde),

en

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Sijbrandij-Leyten).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

- Groen Gas Marrum BV, te Marrum

(gemachtigde: [gemachtigde] )

- RSD Vastgoed BV, te Marrum

(gemachtigde: mr. B. Korvemaker).

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2018 heeft verweerder [eisers A] bericht dat hun verzoek om intrekking van de vergunningen van 23 juni 2008, 7 april 2011 en 23 augustus 2011 voor een biomassavergistingsinstallatie op het perceel Botniaweg 6 te Marrum (het perceel) is afgewezen en dat die vergunningen niet worden ingetrokken.

Bij besluit van 20 februari 2018 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het besluit
van 1 februari 2018 ingetrokken en het intrekkingsverzoek afgewezen.

Bij besluit van 23 mei 2018 (bestreden besluit 2) heeft verweerder [eiser 34] bericht dat zijn verzoek om intrekking van bovengenoemde drie vergunningen is afgewezen en dat die vergunningen niet worden ingetrokken.

[eisers A] hebben beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1, bekend onder zaaknummer LEE 18/1056.
[eiser 34] heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 2, bekend onder zaaknummer LEE 18/2067.

Verweerder heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft plaatsgevonden op 27 maart 2019.
[eiser 1] en [eiser 34] zijn verschenen. Namens de [de stichting] is [gemachtigde van de stichting] verschenen. Die eisers zijn bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partij RSD Vastgoed BV heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [bestuurder van de vergunninghouder] . Namens derde-partij Groen Gas Marrum BV is niemand verschenen.

Overwegingen

1. Naar het oordeel van de rechtbank is de [de stichting] (de stichting) belanghebbende bij dit geschil. Dat de stichting pas tijdens de behandeling van het intrekkingsverzoek van 25 maart 2017 is opgericht, maakt dit niet anders. Vaststaat immers dat [bestuurder] destijds betrokken was bij die oprichting, dat hij omwonende van het perceel was, dat hij de zienswijze mede heeft ondertekend en dat hij thans bestuurder van de stichting is.

2. Naar het oordeel van de rechtbank is Groen Gas Marrum BV ( Groen Gas ) niet langer belanghebbende bij dit geschil. Daarbij is van belang dat de vergunningen van
23 juni 2008, 7 april 2011 en 23 augustus 2011 zijn overgedragen aan RSD Vastgoed BV ( RSD ) en dat RSD thans eigenaar van het perceel is. Ook is van belang dat Groen Gas noch haar gemachtigde gemotiveerd heeft betwist hetgeen eisers hebben aangevoerd over het ontbreken van procesbelang van Groen Gas .

3. Voorts constateert de rechtbank dat de vergunningen van 23 juni 2008, 7 april 2011 en 23 augustus 2011 het mogelijk maken om een mestvergistingsinstallatie op het perceel te drijven, waartoe een IPPC-installatie behoort. Die vergunningen zijn onherroepelijk geworden. Daarnaast staat vast dat er ten tijde van sluiting van het onderzoek in de onderhavige beroepsprocedures nog geen mestvergistingsinstallatie op het perceel was opgericht.

4.1.

Eisers voeren – kort samengevat – aan dat intrekking van de vergunningen noodzakelijk is omdat die zodanig zijn verouderd dat binnen de inrichting niet de best beschikbare technieken (BBT) zullen worden toegepast. Zij menen dat wijziging van de voorschriften geen soelaas biedt nu het oprichten van de oorspronkelijk vergunde inrichting niet meer reëel is en een eventuele installatie wat aard, inrichting en omvang betreft er heel anders uit zal zien. Eisers stellen dat verweerder niet redelijkerwijs staande kan houden dat een BBT-document uit 2003 in 2018 nog steeds geldt als BBT. Eisers vermoeden dat het Toetsingsadvies over het milieueffectrapport van 8 maart 2011 (het toetsingsadvies) niet is betrokken bij de vergunning van 7 april 2011. Tevens stellen zij dat de BBT sinds 2011 niet stil hebben gestaan, zoals bijvoorbeeld volgt uit de brochure van de Stichting Groen Gas van april 2013 (de brochure). De vergunningen van 2008 en 2011 zouden niet langer de BBT voorschrijven, nu de plannen van de vergunninghouder uit 2017 geheel anders zijn dan die in 2011 zijn vergund. Voorts stellen eisers dat uit de vergunningen blijkt dat niet alle restwarmte wordt gebruikt en CO² niet nuttig wordt hergebruikt, terwijl dat in 2018 technisch wel mogelijk is. Daarnaast is in 2011 een hydrolyse tank vergund, terwijl ondertussen gebleken is dat dat geen BBT is. Daar komt bij dat bij de in 2008 en 2011 vergunde activiteiten geen luchtwasinstallatie wordt gebruikt, terwijl dat naar de huidige inzichten wel gebruikelijk is. Ook is destijds niet getoetst aan de BREF-afvalbehandeling en de BREF op- en overslag van bulkgoederen, aldus eisers.

4.2.

In reactie op deze beroepsgrond heeft verweerder – kort samengevat – aangevoerd dat het enkele feit dat de vergunningen dateren van 2008 en 2011, nog niet maakt dat de BBT niet kunnen worden toegepast. Volgens verweerder hebben eisers niet nader toegelicht waarom de vergunningen verouderd zouden zijn. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien waarom wijziging van voorschriften geen soelaas kan bieden. De vergunning van 7 april 2011 is wel aan de BBT toetst, namelijk aan de Handreiking
(co-)vergisting van mest van september 2010 (de Handreiking). De vergunning van
25 augustus 2011 is dat niet, omdat het een milieuneutrale aanvraag betreft. In de verwijzingen van eisers naar het toetsingsadvies en de brochure ziet verweerder geen aanleiding om tot intrekking van de vergunningen over te gaan, nu in de onderhavige procedure niet de besluitvorming omtrent de vergunning van 7 april 2011 ter discussie staat en de brochure geen aangewezen informatiedocument over BBT is. Verweerder heeft aangevoerd dat hem geen concrete plannen bekend zijn van de vergunninghouder om de installatie anders uit te voeren dan vergund. Als die plannen er wel zijn, volgt daaruit niet dat in de huidige vergunning geen BBT is voorgeschreven. Het enkele feit dat er andere of nieuwe technieken zijn, betekent naar verweerders visie nog niet dat oudere technieken niet langer als BBT kunnen worden aangemerkt. Verweerder acht zich niet gehouden doorlopend verleende vergunningen aan niet gewijzigde BBT-documenten te toetsen. Uit de stellingen van eisers volgt niet een relevante wijziging van BBT-documenten. Verweerder is er niet mee bekend dat geen sprake is van BBT als binnen een inrichting restwarmte en CO² niet wordt hergebruikt, een hydrolysetank wordt gebruikt en geen luchtwasser wordt toegepast bij het indikken van digestaat. Als wordt vastgesteld dat op punten geen sprake is van BBT, kunnen voorschriften op deze punten worden gewijzigd, aldus verweerder.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet op grond van artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo gehouden was om de drie vergunningen in te trekken. Anders dat eisers stellen, is niet aannemelijk geworden dat niet redelijkerwijs door voorschriften te wijzigen op grond van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende BBT worden toegepast. Daarbij is van belang dat uit de vergunningen volgt dat in 2008 en 2011 is getoetst aan de beschikbare BBT-referentiedocumenten, te weten de BREF voor de intensieve veehouderij van juli 2003 en de Handreiking. Laatstgenoemd document is thans in de wet- en regelgeving nog steeds aangewezen als BBT-document voor mestvergistingsinstallaties. De door eisers genoemde brochure vormt niet een dergelijk document. Met verweerder acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de inrichting kan gaan voldoen aan de Handreiking, dan wel dat met wijziging van voorschriften aan de BBT kan worden voldaan. De stelling van eisers dat het oprichten van de vergunde inrichting niet meer reëel is en dat een eventuele nieuwe installatie er geheel anders uit zal zien, doet geen afbreuk aan verweerders mogelijkheden om middels wijziging van vergunningvoorschriften te bereiken dat binnen de inrichting de BBT worden toegepast. De verwijzing van eisers naar het toetsingsadvies doet daar niet aan af. Dat in 2017 namens Groen Gas een alternatief plan voor het perceel is gepresenteerd, doet evenmin afbreuk aan de mogelijkheden die artikel 2.31 van de Wabo verweerder biedt. Daar komt bij dat namens RSD ter zitting is aangegeven dat zij alle mogelijkheden voor het perceel nog onderzoekt en daarbij de vergunningen betrekt. De stellingen van eisers over veranderde technieken inzake afvalbehandeling, op- en overslag van bulkgoederen en gebruik van restwarmte, CO², hydrolyse tanks en luchtwasinstallaties leidt niet tot een ander oordeel. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de BBT daaromtrent zijn gewijzigd en dat die ontwikkelingen relevant zijn voor deze installatie. Met die enkele stelling wordt evenmin afbreuk gedaan aan verweerders standpunt dat hij, indien nodig, vergunningvoorschriften zal wijzigen.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.1.

Daarnaast menen eisers dat verweerder bevoegd is om de vergunning in te trekken, nu vaststaat dat gedurende veel meer dan drie jaren geen handelingen meer zijn verricht met gebruikmaking van de vergunningen. Zij menen dat de rechtszekerheid van de vergunninghouder niet in het geding is, gelet op de omstandigheden van dit geval.

Zo volgt uit de feitelijke situatie dat er thans sprake is van een heel andere inrichting en heel andere technieken dan waarvoor de vergunningen zijn verleend. Dat de oorspronkelijke plannen niet meer kunnen en zullen worden uitgevoerd, blijkt ook uit het feit dat de in het bestemmingsplan “Marrum – Botniaweg 6” (het bestemmingsplan) voorgeschreven groenstrook als bedoeld in voorschrift B van de vergunning van 23 augustus 2011 niet meer kan worden verworven. Daar komt bij dat (de rechtsvoorganger van) de vergunninghouder al sinds 2011 weet dat de vergunningen kunnen worden ingetrokken en ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om van die vergunningen gebruik te maken. Volgens eisers blijkt uit niets dat RSD het voornemen heeft de vergunde installatie op te richten. Ook kan RSD dat niet doen omdat dat buiten haar statutaire doelstellingen valt. Eisers menen dat het belang van de vergunninghouder daarom niet zwaarwegend is. Dat terwijl zij en veel andere omwonenden belang hebben van stank- en verkeershinder gevrijwaard te zijn en gebruik te kunnen maken van hun recht op rechtsbeschermingsmogelijkheden.

5.2.

In reactie op deze beroepsgrond heeft verweerder – kort samengevat – aangevoerd

dat hij in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn intrekkingsbevoegdheid. Volgens verweerder heeft RSD belang bij behoud van de onherroepelijke vergunningen als zij de installatie anders wil uitvoeren, nu in dat geval de mogelijkheid bestaat om een veranderings- of revisievergunning aan te vragen. Bij een dergelijke aanvraag dient verweerder met de bestaande rechten rekening te houden. Wat voorschrift B en de aankoop van de groenstrook betreft, heeft verweerder aangevoerd dat op dit moment niet vaststaat dat niet aan die voorwaarde voldaan kan worden. Er is slechts sprake van een voorwaarde om een bepaald document over te leggen, voordat met werkzaamheden wordt gestart. Dat betekent niet dat de bouw in het geheel niet kan plaatsvinden als dat document niet is overgelegd, dan wel dat geen installatie kan worden gerealiseerd. Daar komt bij dat het bestemmingsplan kan worden gewijzigd. Verder heeft verweerder verwezen naar zijn belangenafweging in het bestreden besluit. Hem is niet bekend dat er geen plannen meer zijn om ter plaatse een co-vergistingsinstallatie te realiseren. Tevens zijn in de vergunde situatie voorschriften opgenomen om milieugevolgen te beperken. Ook staat het bestemmingsplan ter plaatse een mestvergistingsinstallatie toe. Volgens verweerder biedt het intrekken van deze vergunningen dan ook geen garantie dat ter plaatse geen vergistingsinstallatie zal worden gerealiseerd. Uit het feit dat omwonenden tegen een eventuele nieuwe vergunning rechtsmiddelen kunnen aanwenden volgt niet dat het bestreden besluit niet in redelijkheid is genomen, aldus verweerder.

5.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten om in dit geval geen gebruik te maken van zijn intrekkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Vaststaat dat voorafgaand aan de intrekkingsverzoeken van eisers gedurende drie jaren geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunningen. Aan dat enkele feit heeft verweerder echter geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen. Verweerder heeft in zijn afweging voorop kunnen stellen dat het belang van rechtszekerheid zwaar meeweegt nu sprake is van onherroepelijke vergunningen. Voorts is van belang hetgeen hiervoor over BBT-toepassingsmogelijkheden is overwogen. Ook heeft verweerder kunnen concluderen dat niet zeker is dat van de vergunningen geen gebruik zal worden gemaakt. Hoewel in 2017 namens Groen Gas een alternatief plan voor het perceel is gepresenteerd, is daarmee niet vast komen te staan dat de vergunningen niet alsnog zullen worden gebruikt. Nadien is de overdracht van de vergunningen aan RSD op gang gekomen, waardoor verweerder in zijn afweging ook rekening diende te houden met de plannen van RSD . Zoals ter zitting is aangegeven, onderzoekt RSD nog alle mogelijkheden voor het perceel waaronder de mogelijkheden die de vergunningen haar bieden. Voorts bestaat voor RSD de mogelijkheid om een veranderings- of revisievergunning aan te vragen, indien zij de installatie anders wil uitvoeren. Bij de behandeling van een dergelijke aanvraag dient verweerder rekening te houden met bestaande rechten, onder meer opgenomen in deze drie vergunningen. De stelling van eisers over de statutaire doelstellingen van RSD doet daaraan niet af. Gelet op die omstandigheden heeft verweerder in redelijkheid zwaar gewicht mogen toekennen aan de belangen van de vergunninghouder bij behoud van de vergunningen. In de stelling dat verwerving van de groenstrook door de vergunninghouder niet meer mogelijk zou zijn, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om alsnog van zijn bevoegdheid gebruik te maken. Hoewel de eigenaar van die strook heeft aangegeven dat hij niet van plan is die grond te verkopen ten behoeve van de installatie, is niet uitgesloten dat die verkoop niet nodig is om de vergunningen te kunnen gebruiken. Los van het feit dat voorschrift B van de vergunning van 23 augustus 2011 slechts ziet op het overleggen van een koopovereenkomst vóór aanvang van de werkzaamheden, is tussen partijen niet in geschil dat het bestemmingsplan en het bijbehorende beplantingsplan op dit punt kunnen worden gewijzigd. Ook niet in geschil is dat de vergunningvoorschriften op dit punt kunnen worden gewijzigd. Het wel of niet slagen van die verkoop hoeft daarmee geen doorslaggevende betekenis te hebben in verweerders afweging. Aan de belangen van eisers gemoeid met voorkoming van hinder en benutting van rechtsbeschermingsmogelijkheden heeft verweerder evenmin doorslaggevende betekenis hoeven toekennen. Vaststaat dat eisers dergelijke mogelijkheden hebben gehad nadat de vergunningen zijn afgegeven, maar dat zij daarvan destijds geen gebruik hebben gemaakt. Tegen een eventuele veranderings- of revisievergunning zouden eisers kunnen opkomen. Ook staat vast dat de drie vergunningen voorzien in bescherming van belangen gemoeid met voorkoming van hinder. Met instandlating van die vergunningen blijft die bescherming gewaarborgd. Al met al heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat de belangen van de vergunninghouder bij behoud van de drie vergunningen prevaleren boven de belangen van eisers bij intrekking daarvan.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

6. De beroepen zijn ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

typ: SCHA

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.