Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3283

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-07-2019
Datum publicatie
25-07-2019
Zaaknummer
C/18/190262 HA ZA 19-32
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2021:10082, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Oud-aandeelhouder en bestuurder van meubelwinkel is betrokken bij start concurrerende meubelzaak waar zijn dochters (indirect) aandeelhouder en bestuurder van zijn. Schijnconstructie? Geen wanprestatie wegens ontbreken non-concurrentiebeding. Geen sprake van onrechtmatig handelen c.q. onrechtmatige concurrentie aan de hand van criteria arrest ECLI:NL:HR:1997:AG1569.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/190262 / HA ZA 19-32

Vonnis van 24 juli 2019 (bij vervroeging)

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EDGE HOLDING B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEUBELHALLEN KOLHAM B.V.,

beide gevestigd te Kolham,

eiseressen,

advocaat mr. J. Faas te Groningen,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCHUUR B.V.,

gevestigd te Wagenborgen,

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. E. Eshuis te Groningen.

Partijen zullen hierna Edge Holding, Meubelhallen Kolham, Schuur en [gedaagde] genoemd worden.

1
1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 april 2019;

  • -

    de aan de zijde van eiseressen bij brief van 17 juni 2019 in het geding gebrachte stukken;

  • -

    de aan de zijde van eiseressen bij brief van 18 juni 2019 in het geding gebrachte stukken;

  • -

    de aan de zijde van gedaagden bij brief van 25 juni 2019 in het geding gebrachte stukken;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 2 juli 2019.

1.2.

Op 18 juli 2019 heeft de rechtbank een brief van mr. Faas ontvangen met een opmerking over het proces-verbaal van comparitie van 2 juli 2019. Die brief is aan het
proces-verbaal gehecht.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten die vaststaan, omdat die feiten enerzijds zijn gesteld en anderzijds niet of niet voldoende zijn weersproken.

2.2.

Edge Holding is een beheermaatschappij. Meubelhallen Kolham exploiteert een keuken-, meubel- en beddenzaak in Kolham.

2.3.

Schuur is een beheermaatschappij. [gedaagde] is enig aandeelhouder en bestuurder van Schuur.

2.4.

Meubelhallen Kolham werd sedert 2007 door [gedaagde] (via zijn holding Schuur) samen met zijn zus, wijlen mevrouw [naam 1] (via haar holding Strohallen B.V., hierna: Strohallen), geëxploiteerd. [gedaagde] en zijn zus hielden beiden elk (via hun holdings) 50% van de aandelen in het kapitaal van Kolham Holding B.V. Kolham Holding is op haar beurt indirect aandeelhouder van Meubelhallen Kolham.

2.5.

In april 2015 is de zus van [gedaagde] overleden. Kort daarop hebben de heren [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] te kennen gegeven de positie van hun (schoon)moeder en echtgenote over te willen nemen. Als gevolg van het overlijden van de zus van [gedaagde] is er een aanbiedingsverplichting ontstaan voor de aandelen die Strohallen hield in het kapitaal van Kolham Holding. Tussen [gedaagde] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] is vervolgens een discussie ontstaan over de waarde van die aandelen.

2.6.

Ter beslechting van hun meningsverschil hebben Schuur en Strohallen op
7 juli 2017 een optieovereenkomst gesloten waarin is vastgelegd dat Strohallen gedurende drie maanden de tijd kreeg om de door Schuur gehouden aandelen in het kapitaal van Kolham Holding te kopen en geleverd te krijgen en dat, indien zij niet binnen die termijn de financiering rond had, de omgekeerde situatie zou gelden. De koopprijs bedroeg
€ 3.100.000,00. Voorts is overeengekomen dat Strohallen over de koopsom een rente over de periode gelegen tussen 1 januari 2017 tot en met de datum van overdracht van de aandelen is verschuldigd van 12,4%.

2.7.

De advocaat van Schuur heeft op 7 juli 2017 de advocaat van Strohallen een e-mail gestuurd waarin, voor zover hier van belang, staat:

Als bijlage het definitieve exemplaar van de optie-overeenkomst. (…) het non-concurrentiebeding was een absolute no go. Hij [opmerking rechtbank: [gedaagde] ] gaf (zeer) emotioneel aan dat hij überhaupt niet wist wat de toekomst hem nog zou kunnen brengen en dat hij zich gegeven zijn situatie in helemaal niets wilde beperken. (…).

2.8.

De advocaat van Strohallen heeft op 22 augustus 2017 een e-mail aan de advocaat van Schuur gestuurd waarin, voor zover hier van belang, staat:

(…)

Voor de vakantie is de vaststellingsovereenkomst getekend. Mijn cliënten zijn thans drukdoende financiering te verkrijgen voor de onderneming van Meubelhallen Kolham. Jij hebt namens [gedaagde] aangegeven dat hij geen concurrentiebeding in de koopovereenkomst wil hebben opgenomen. Daarbij heb jij namens [gedaagde] aangegeven dat er (mede gezien zijn leeftijd) geen plannen zijn om te gaan concurreren.

Inmiddels hebben cliënten van Habufa, de leverancier van onder meer Henders en Hazel een bericht ontvangen. Habufa heeft laten weten dat [gedaagde] een plan heeft gepresenteerd om direct na de overname met Habufa verder in zee te gaan en een concurrerende onderneming op te zetten.

Gezien de afspraken die zijn gemaakt en de goodwill die wordt betaald is dat onrechtmatig. Het ontbreken van een concurrentiebeding doet daar niets aan af. (…)

Graag verzoek ik je namens [gedaagde] omgaand (…) te bevestigen dat dat hij zich na de overname zal onthouden van het verrichten van concurrerende activiteiten. (…)

2.9.

De advocaat van Schuur heeft op 30 augustus 2017 in reactie daarop een e-mail aan de advocaat van Strohallen gestuurd waarin, voor zover hier van belang, staat:

(…)

Voor de goede orde zij allereerst gemeld dat cliënt geen concreet plan heeft om als de overname plaats vindt, iets te doen, laat staan dat hij de betreffende leverancier iets heeft gepresenteerd. (…)

Als uw cliënten nu koude voeten krijgen dan kunnen ze wat cliënte betreft de aangeven dat zij toch niet willen overnemen en dan gaat de termijn voor cliënt in om financiering te vinden. Client doet dit dan onder dezelfde omstandigheden en wordt dan ook met de betreffende clausules geconfronteerd evenzo goed als cliënt dan wordt geconfronteerd met mogelijke concurrentie van de zijde van uw cliënten.

Ter zake van de onthouding die u van cliënt vraagt kan ik u berichten dat cliënt die niet gaat geven. U vroeg het al eerder en ook toen heb ik u dat medegedeeld. Ik heb u expliciet gezegd dat ik mij niet kon voorstellen dat cliënt opnieuw gaat beginnen maar dat cliënt zich te dier zake niet wenste vast te leggen noch zulks van uw cliënten verlangde. Als de waarde van de pakketten even groot is zou dit er ook niet toe moeten doen.

Indien u meent dat cliënt onrechtmatig handelt of in de toekomst dan kunt u alsdan daar een zaak van maken. Dezerzijds wordt daadwerkelijk niet begrepen dat u nu al voor de fanfare uitloopt in de verwachting dat er sprake zal zijn van onrechtmatig handelen. Voor zover daar behoefte aan bestaat wil cliënte overigens wel bevestigen dat zij zich niet onrechtmatig jegens uw cliënten zal gedragen.

(…)

2.10.

Bij notariële akte van 16 oktober 2017 is tussen Schuur, Edge Holding en Strohallen is een (aanvullende) overeenkomst vastgelegd waarin, voor zover hier van belang, is bepaald:

(…) In aanvulling op de Optieovereenkomst komen Schuur, De Strohallen en EDGE Holding ub deze akte overeen dat het recht om de door Schuur gehouden aandelen in de Vennootschap over te nemen, zoals nader uiteengezet in de Optieovereenkomst, van
De Strohallen is overgegaan op EDGE Holding onder de verplichting voor laatstgemelde om de op De Strohallen rustende verplichting uit hoofde van de Optieovereenkomst over te nemen en als eigen schuld te voldoen (…)

2.11.

Door middel van voornoemde notariële akte zijn de door Schuur gehouden aandelen in het kapitaal van Kolham Holding vervolgens geleverd aan Edge Holding.

2.12.

In voornoemde notariële akte is voorts, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

Partijen doen afstand van het recht tot het vorderen van ontbinding van de overeenkomst van koop en levering, uit welken hoofde ook.

2.13.

Op 23 februari 2018 is een besloten vennootschap Meubelhuis Veendam B.V. (hierna: Meubelhuis Veendam) opgericht en ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De dochters van [gedaagde] zijn via hun holdings Mo B.V. en Poort B.V. (indirect) aandeelhouders en bestuurders van Meubelhuis Veendam. Schuur is als volledig gevolmachtigde van Meubelhuis Veendam ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

2.14.

In de notariële oprichtingsakte van 23 februari 2018 van Meubelhuis Veendam is Schuur als 'Oprichter 3' aangeduid. In de oprichtingsakte staat, voor zover hier van belang:

(…)

In het bij deze akte geplaatste kapitaal wordt deelgenomen door:

(…)

c. de Oprichter 3: voor twintig (20) aandelen B, genummerd B1 tot en met B20.

2.15.

Schuur houdt derhalve 5% van de aandelen in het kapitaal van Meubelhuis Veendam.

2.16.

In de oprichtingsakte staat verder, voor zover hier van belang:

Artikel 18 - goedkeuring directiebesluiten
1. De algemene vergadering en de vergadering van houders van aandelen B is bevoegd besluiten van de directie aan haar goedkeuring te onderwerpen. (…)

Artikel 22 - Agio, winstverdeling en uitkeringen

1. (…) Indien bij of na uitgifte van aandelen meer dan de nominale waarde van die aandelen wordt gestort of ingebracht, zal het meerdere als agio ten behoeve van de aandelen van die soort worden aangemerkt (…)

(…)

3. Indien door de algemene vergadering tot winstuitkering wordt besloten wordt:

a. ten eerste op elk van de aandelen A en op elk van de aandelen B een jaarlijks dividend uitgekeerd van vijf procent (5%) over het op de aandelen A en de aandelen B gestorte agiobedragen (…)

(…).

2.17.

In september 2018 is een meubelwinkel van Meubelhuis Veendam geopend in Veendam.

3 Het geschil

3.1.

Edge Holding verzoekt de rechtbank:

Primair

- de koopovereenkomst, waarbij Edge Holding de door Schuur gehouden aandelen in Kolham Holding heeft gekocht gedeeltelijk te ontbinden, in die zin dat de koopprijs wordt verminderd met een bedrag gelijk aan de betaalde goodwill ten bedrage van € 1.150.000,--,

- Schuur te veroordelen aan Edge Holding een bedrag te voldoen van € 1.150.000,--, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, vanaf de datum van de betekende dagvaarding, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag van algehele veroordeling,

- [gedaagde] te veroordelen aan Edge Holding de door Edge Holding geleden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat,

Subsidiair

- Schuur en de heer [gedaagde] hoofdelijk te veroordelen aan Edge Holding de door Edge Holding geleden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat,

Primair en subsidiair

- Schuur en de heer [gedaagde] hoofdelijk te veroordelen aan Edge Holding de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 6.775,-- te betalen,

- Schuur en de heer [gedaagde] hoofdelijk te veroordelen aan Edge Holding de nakosten ten bedrage van € 157,-- zonder betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, vermeerderd met € 82,-- in geval van betekening, te betalen,

- Schuur en de heer [gedaagde] hoofdelijk te veroordelen aan Edge Holding de proceskosten te betalen,

- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Het standpunt van Edge Holding en Meubelhallen Kolham

3.2.

Aan haar vorderingen legt Edge Holding, samengevat weergegeven, het navolgende ten grondslag. De door Schuur gehouden aandelen in het kapitaal van
Kolham Holding zijn door Edge Holding gekocht. Daarvoor is een bedrag van
€ 3.404.360,55 betaald. Als onderdeel van de koopprijs heeft Edge Holding € 1.150.000,00 aan goodwill betaald. Tijdens de onderhandelingen heeft [gedaagde] meerdere malen aangegeven dat hij vanwege zijn leeftijd en slechte gezondheid geen nieuwe meubelzaak zou gaan starten. [gedaagde] was niet bereid akkoord te gaan met een non-concurrentiebeding, maar gezien de duidelijke toezeggingen van [gedaagde] , achtte Edge Holding dit niet bezwaarlijk. Edge Holding heeft echter geconstateerd dat [gedaagde] vanaf september 2018 onder de naam Meubelhallen Veendam in Veendam een meubel- en beddenzaak exploiteert, althans daarin een zeer belangrijke rol vervult.

3.3.

Volgens Edge Holding is het uitgangspunt dat concurrentie in beginsel aanvaardbaar is. In dit geval bestaan volgens Edge Holding echter bijzondere omstandigheden op basis waarvan de concurrentie niet aanvaardbaar is. [gedaagde] heeft volgens Edge Holding de afspraak dat hij niet een nieuwe meubelzaak zou gaan starten geschonden. Edge Holding wijst er verder op dat in het arrest van de Hoge Raad van
1 juli 1997 (ECLI:NL:HR:1997:AG1569) is overwogen dat een overeenkomst, waarbij iemand een handelsonderneming aan een ander overdraagt, zich in de regel verzet tegen een handelwijze die erop neerkomt dat de overdrager zijn rechtsopvolger concurrentie aandoet door in de directe omgeving van de overgedragen onderneming dezelfde werkzaamheden te blijven verrichten, die hij voor de overdracht in de onderneming ook reeds verrichtte. Het niet aangaan van een concurrentiebeding betekent geen vrijbrief om in strijd met een overeenkomst, of de in artikel 6:248 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid, de wederpartij concurrentie aan te doen. Volgens
Edge Holding is in casu aan de vereisten van dit arrest voldaan zodat gedaagden tekort zijn geschoten in de nakoming van de overeenkomst waarbij de aandelen aan Edge Holding zijn overgedragen.

3.4.

Volgens Edge Holding hebben Schuur en [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat Meubelhuis Veendam een onderneming is van de dochters van [gedaagde] . Edge Holding stelt zich echter op het standpunt dat dit een schijnconstructie betreft. Daartoe stelt
Edge Holding (i) dat uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat
gevolmachtigde is van Meubelhuis Veendam, (ii) dat [gedaagde] in een telefoongesprek van 18 januari 2018 met een werknemer van Meubelhallen Kolham heeft aangegeven dat [gedaagde] bezig is met meubels in Veendam en dat hij een bedrijfspand in Veendam heeft gehuurd, (iii) dat [gedaagde] in een telefoongesprek met een werknemer van Meubelhallen Kolham van 25 mei 2018 heeft aangegeven dat hij de zaak op naam van zijn dochters heeft laten zetten, (iv) dat de dochters van [gedaagde] in het geheel geen ervaring hebben in de meubelbranche, (v) dat [gedaagde] leveranciers benadert om meubels aan Meubelhuis Veendam te leveren, die hij persoonlijk in ontvangst neemt, (vi) dat [gedaagde] opdracht aan een derde heeft gegeven om een laminaatvloer te leggen in het bedrijfspand van Meubelhuis Veendam, (vii) dat [gedaagde] betrokken is bij de verkoop van meubels aan klanten en (viii) dat op de website 112wagenborgen.eu een bericht is geplaatst over de opening van Meubelhuis Veendam en [gedaagde] daarop prominent in beeld is te zien.

3.5.

Volgens Edge Holding is Meubelhuis Veendam een directe concurrent van Meubelhallen Kolham omdat zij dezelfde werkzaamheden uitvoeren en dezelfde doelgroep hebben. Bovendien is het van Meubelhallen Kolham slechts 15 minuten (19,4 kilometer) rijden naar Meubelhuis Veendam, aldus Edge Holding. Edge Holding stelt dat
Meubelhallen Kolham in de regio bekendheid geniet als gerenommeerde meubelzaak. Volgens Edge Holding is [gedaagde] plaatselijk bekend omdat hij 25 jaar werkzaam is geweest voor Meubelhallen Kolham. [gedaagde] heeft volgens Edge Holding in de media ook ruchtbaarheid gegeven aan zijn plannen via de regionale krant ''t Bokkeblad' en Facebook. Daarnaast wordt volgens Edge Holding regelmatig door Meubelhuis Veendam in de regiokrant geadverteerd, waarbij bij de advertenties ook een foto van [gedaagde] is te zien. Edge Holding stelt verder dat [gedaagde] meerdere medewerkers van Meubelhallen Kolham heeft geronseld om te komen werken voor Meubelhuis Veendam. Daarbij heeft [gedaagde] volgens Edge Holding gebruik gemaakt van hem bekende bedrijfsinformatie zoals verkoopcijfers en de arbeidsvoorwaarden van de betreffende werknemers. Edge Holding wijst er tot slot op dat [gedaagde] ook aandeelhouder is van Meubelhuis Veendam terwijl dit in eerdere correspondentie door de advocaat van [gedaagde] nog werd ontkend. Volgens Edge Holding heeft [gedaagde] als aandeelhouder ook een bijzondere status binnen Meubelhuis Veendam.

Het standpunt van Schuur en [gedaagde]

3.6.

Schuur en [gedaagde] voeren een verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkheid van Edge Holding en Meubelhallen Kolham, althans tot afwijzing van hun vorderingen, één en ander met veroordeling van Edge Holding en Meubelhallen Kolham in de kosten van de procedure.

3.7.

Daartoe voeren Schuur en [gedaagde] , samengevat weergegeven, het navolgende aan. Schuur en Laan doen een beroep op nietigheid van de dagvaarding. Het is volgens Schuur en Laan volstrekt onduidelijk hoe de (samenhang tussen de) vorderingen van
Edge Holding en Meubelhallen Kolham moeten worden begrepen. De dagvaarding is daarmee volgens Schuur en [gedaagde] een obscuur libel. Schuur en Laan voeren verder aan dat het onduidelijk is waarom Meubelhallen Kolham optreedt als eiseres, nu zij geen vordering(en) heeft ingesteld. Meubelhallen Kolham dient daarom sowieso niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus Schuur en [gedaagde] .

3.8.

Ten aanzien van de vorderingen voeren Schuur en [gedaagde] aan dat partijen na het overlijden van de zus van [gedaagde] in onderhandeling zijn getreden over de waarde van de door Strohallen gehouden aandelen in het kapitaal van Kolham Holding. Omdat [gedaagde] te maken kreeg met diverse gezondheidsperikelen en de sfeer op de zaak bedroevend was heeft [gedaagde] voorgesteld dat hij bereid was de aandelen voor € 3.100.000,00 over te nemen en dat hij eveneens bereid was zijn aandelen (die dezelfde omvang hadden) voor die prijs te verkopen. Dat heeft geleid tot een optieovereenkomst en de uiteindelijke levering van de aandelen aan Edge Holding, aldus Schuur en [gedaagde] . In die overeenkomst is uitdrukkelijk geen non-concurrentiebeding opgenomen. De reden daarvoor was volgens Schuur en
dat [gedaagde] zijn opties open wilde houden, zonder daar op enigerlei wijze in belemmerd te worden. Schuur en [gedaagde] betwisten dan ook dat er sprake is van wanprestatie. Volgens Schuur en [gedaagde] is tussen Schuur en Edge Holding niet afgesproken dat Schuur niet zou mogen concurreren. Onder verwijzing naar de e-mail van 30 augustus 2017 wijzen Schuur en [gedaagde] erop dat [gedaagde] de mogelijkheid open wilde houden om zijn dochters te helpen. Daar waar geen verplichting is om zich te onthouden van concurrentie, is geen sprake van tekortkoming in de nakoming, aldus Schuur en [gedaagde] . Schuur en [gedaagde] merken in dat verband nog op dat Schuur niet concurreert met
Edge Holding, maar dat hooguit Meubelhuis Veendam concurreert met Meubelhallen Kolham. Schuur en/of [gedaagde] drijven geen meubelwinkel.

3.9.

Aangaande de gevorderde gedeeltelijke ontbinding wijzen Schuur en [gedaagde] erop dat in de akte van levering van aandelen is opgenomen dat ontbinding is uitgesloten. Partijen hebben volgens Schuur en [gedaagde] met deze niet nader gespecificeerde uitsluiting van ontbinding de bedoeling gehad elke ontbinding uit te sluiten, ook die van de gedeeltelijke. Indien gedeeltelijke ontbinding wel zou zijn toegestaan, wijzen Schuur en
erop dat er geen verband is te leggen tussen de gestelde tekortkoming en de mate van ontbinding. Er wordt volgens Schuur en [gedaagde] niet aangetoond waarom de gestelde wanprestatie zonder meer een vermindering van de kooprijs met zich zou moeten brengen van € 1.150.000,00. Over goodwill is nooit gesproken. Verder wijzen Schuur en [gedaagde] er in dit verband nog op dat [gedaagde] geen enkele overeenkomst met Edge Holding heeft gesloten en het hen onduidelijk is in welk opzicht [gedaagde] tekort zou zijn geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen. Voorts betwisten Schuur en [gedaagde] dat er sprake is van schade. Schuur en [gedaagde] wijzen erop dat uit het arrest van de Hoge Raad van 2 december 1994 (ECLI:NL:HR:1994:ZC1564) volgt dat aandeelhouders van een vennootschap in beginsel geen rechtstreekse aanspraak hebben jegens een derde die een onrechtmatige daad heeft gepleegd of toerekenbaar tekort is geschoten jegens deze vennootschap, ingeval de aandeelhouder als gevolg van een verslechterde vermogenspositie van die vennootschap uiteindelijk schade zou hebben geleden ("afgeleide schade"). Schuur en [gedaagde] voeren aan dat Edge Holding niet duidelijk heeft gemaakt waarom deze regel in casu enige uitzondering zou vormen.

3.10.

Schuur en [gedaagde] betwisten voorts dat er sprake is van onrechtmatige concurrentie. Zij stellen in dat verband voorop dat Edge Holding slechts een vennootschap is waarin aandelen worden gehouden en dat daarmee niet in concurrentie wordt getreden. Schuur en [gedaagde] voeren verder aan dat ook jegens Meubelhallen Kolham geen sprake is van onrechtmatige concurrentie. Schuur en [gedaagde] voeren in dat verband aan dat [gedaagde] slechts functioneert als geldschieter en adviseur van Meubelhuis Veendam. Hij verricht in dat verband inderdaad allerlei hand- en spandiensten voor zijn dochters, maar daar is volgens Schuur en [gedaagde] niets onrechtmatigs aan. Schuur en [gedaagde] voeren aan dat het beroep van Edge Holding op het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 1997 niet op gaat. Dit omdat het in die zaak ging om een geheel andere branche. Schuur en [gedaagde] wijzen erop dat het bij een meubelzaak niet om repeterende klanten gaat. Er zijn geen klanten die meegenomen kunnen worden. Er is volgens Schuur en [gedaagde] ook geen specifiek vertrouwelijke informatie van Meubelhallen Kolham die Schuur en [gedaagde] kan gebruiken. Schuur en [gedaagde] wijzen er voorts op dat de naam [gedaagde] op geen enkele wijze met Meubelhallen Kolham of Meubelhuis Veendam is verbonden. Tot slot wijzen Schuur en [gedaagde] er in dit verband op dat er een jaar gezeten heeft tussen het afscheid van [gedaagde] bij Meubelhallen Kolham en de opening van Meubelhuis Veendam. Dit in tegenstelling tot de zaak van 1 juli 1997, waar de overdragende partij een handel ernaast had, aldus Schuur en [gedaagde] .

3.11.

Schuur en [gedaagde] voeren verder nog aan dat Meubelhuis Veendam niet dezelfde meubels verkoopt als Meubelhallen Kolham. Schuur en [gedaagde] wijzen er verder op dat Meubelhallen Kolham een van de grootste woonwinkels is in Groningen en is Meubelhuis Veendam aanzienlijk kleiner, zowel qua oppervlakte als omzet. Schuur en [gedaagde] betwisten dat door Meubelhuis Veendam werknemers van Meubelhallen Kolham zijn geronseld.

3.12.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Obscuur libel?

4.1.

De rechtbank zal allereerst oordelen over het verweer van Schuur en [gedaagde] , inhoudende dat de dagvaarding een obscuur libel is en het daarmee samenhangende beroep op nietigheid van de dagvaarding.

4.2.

De rechtbank verwerpt dit verweer. In de dagvaarding zijn de feiten en de vorderingen zodanig verwoord, dat het Schuur en [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk moet zijn geweest wat de strekking van het betoog van
Edge Holding en Meubelhallen Kolham is. Ten aanzien van de dagvaarding kan niet gezegd kan worden dat Schuur en [gedaagde] zich daartegen onvoldoende hebben kunnen verdedigen. Dat Schuur en [gedaagde] het met de inhoud van de dagvaarding niet eens zijn of van mening is dat Edge Holding en Meubelhallen Kolham onvoldoende hebben gesteld, maakt de dagvaarding naar het oordeel van de rechtbank nog geen obscuur libel.

Ontvankelijkheid Meubelhallen Kolham?

4.3.

De rechtbank zal vervolgens oordelen over de ontvankelijkheid van

Meubelhallen Kolham. Schuur en [gedaagde] hebben aangevoerd dat het onduidelijk is waarom Meubelhallen Kolham optreedt als eiseres, nu zij geen vordering(en) heeft gesteld. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft de advocaat van Edge Holding en Meubelhallen Kolham te kennen gegeven dat Edge Holding de vennootschap is die de vorderingen instelt. Meubelhallen Kolham is volgens haar advocaat eveneens als eiseres in de dagvaarding opgenomen om te voorkomen dat zij bij een eventuele eiswijziging nog als eisende partij zou moeten tussenkomen in de onderhavige procedure. Gelet op het voorgaande heeft Meubelhallen Kolham naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond een zelfstandig en concreet belang te hebben bij de (door Edge Holding ingestelde) vorderingen (artikel 3:303 BW). Meubelhallen Kolham zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Vordering tot gedeeltelijke ontbinding en vergoeding van € 1.150.000,--

4.4.

Edge Holding stelt zich, zo begrijpt de rechtbank, op het standpunt dat de verkoop van de aandelen in Kolham Holding juridisch gelijk gesteld dient te worden aan de overdracht van een (deel van) onderneming, en vervolgens dat de verkopende partij zich in beginsel dient te onthouden van concurrentie aan de onderneming waarvan hij de aandelen heeft overgedragen (HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG1569), ook als er géén concurrentiebeding is afgesloten.

4.5.

De rechtbank begrijpt dat de door Edge Holding primair gevorderde gedeeltelijke ontbinding berust op wanprestatie door Schuur/ [gedaagde] jegens Edge Holding, gelet op de stelling in de dagvaarding onder punt 12. Daarin stelt Edge Holding dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst waarbij de aandelen aan Edge Holding zijn overgedragen door het aandoen van concurrentie. De overeenkomst waar hierop wordt gedoeld, zo begrijpt de rechtbank, is de bij notariële akte vastgelegde aanvullende overeenkomst van 16 oktober 2017 waarin is bepaald dat het in de optieovereenkomst vastgelegde recht van Strohallen om de door Schuur gehouden aandelen in Kolham Holding over te nemen overgaat op Edge Holding, al dan niet in combinatie met de optieovereenkomst.

4.6.

Voor toewijzing van de vordering tot gedeeltelijke ontbinding van die overeenkomst(en) is het, daargelaten de vraag of gedeeltelijke ontbinding in dit concrete geval mogelijk is, nodig dat er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van één van de verbintenissen van Schuur/ [gedaagde] (artikel 6:265 lid 1 BW). De rechtbank stelt in dit kader voorop dat [gedaagde] geen partij is bij de optieovereenkomst van 7 juli 2017 of de aanvullende overeenkomst van 16 oktober 2017 zodat, zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, hem geen tekortkoming in de nakoming van die overeenkomst(en) kan worden verweten. Voor zover de primaire vordering tot gedeeltelijke ontbinding is ingesteld tegen [gedaagde] zal deze daarom worden afgewezen. Voor zover de primaire vordering tot gedeeltelijke ontbinding is ingesteld tegen Schuur overweegt de rechtbank als volgt.

4.7.

De optieovereenkomst en de aanvullende overeenkomst zijn tot stand gekomen na een meningsverschil over de waarde van de aandelen in het kapitaal van Kolham Holding in het kader van de aanbiedingsplicht van Strohallen. Bij e-mail van 7 juli 2017 heeft de advocaat van Schuur de advocaat van Strohallen te kennen gegeven:

Als bijlage het definitieve exemplaar van de optie-overeenkomst. (…) het non-concurrentiebeding was een absolute no go. Hij gaf (zeer) emotioneel aan dat hij überhaupt niet wist wat de toekomst hem nog zou kunnen brengen en dat hij zich gegeven zijn situatie in helemaal niets wilde beperken. (…).

4.8.

Bij e-mail van 30 augustus 2017 heeft de advocaat van Schuur de advocaat van Strohallen te kennen gegeven:

Ik heb u expliciet gezegd dat ik mij niet kon voorstellen dat cliënt opnieuw gaat beginnen maar dat cliënt zich te dier zake niet wenste vast te leggen noch zulks van uw cliënten verlangde. Als de waarde van de pakketten even groot is zou dit er ook niet toe moeten doen.

4.9.

Uit voormelde e-mails blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet alleen dat
Strohallen en later (bij het aangaan van de aanvullende overeenkomst) Edge Holding er vóór het sluiten van de overeenkomsten van 7 juli en 16 oktober 2017 terdege van op de hoogte waren dat Schuur mogelijk bezig zou willen blijven binnen de meubelbranche.

4.10.

Vervolgens stelt de rechtbank vast dat er in de optieovereenkomst en de aanvullende overeenkomst geen woord is gewijd aan (het vermijden van) de door Strohallen/Edge Holding blijkbaar onder ogen geziene consequentie van eventuele concurrentie door Schuur. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank geen ruimte voor de door Edge Holding bepleite stelling dat de aanvullende (of optie)overeenkomst tevens zou inhouden dat Schuur zich zou moeten onthouden van concurrentie in de meubelbranche. Doordat Strohallen/Edge Holding mét kennis van voornoemde e-mails van 7 juli en
30 augustus 2017 de optieovereenkomst en aanvullende overeenkomst hebben gesloten zonder daarin ook een non-concurrentiebeding overeen te komen, kan Edge Holding naar het oordeel van de rechtbank niet na het sluiten daarvan alsnog aanspraak daarop maken.

4.11.

Andere feiten of omstandigheden op grond waarvan Schuur zich zou moeten onthouden van concurrentie in de meubelbranche zijn naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Voor zover Edge Holding heeft willen betogen dat één en ander volgt uit een verklaring van [gedaagde] dat hij niet meer een meubelzaak zou gaan starten, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Daarvoor is redengevend dat Edge Holding slechts in algemene bewoordingen stelt dat [gedaagde] dit zou hebben verklaard, terwijl [gedaagde] dit op de comparitie van partijen heeft betwist. Edge Holding had, gelet op haar daarop gerichte vordering, gespecificeerd moeten stellen en onderbouwen wanneer de betreffende verklaring precies zou zijn gedaan, in welke context die verklaring zou zijn gedaan en wie daarbij aanwezig waren. Door dat na te laten schiet Edge Holding niet alleen tekort in haar stelplicht, maar heeft zij haar stelling, mede bezien in het licht van de hiervoor aangehaalde inhoud van de e-mails van 7 juli en 30 augustus 2017, ook onvoldoende handen en voeten gegeven om daarin te kunnen worden gevolgd. De mededeling van de advocaat van Schuur en [gedaagde] "Voor zover daar behoefte aan bestaat wil cliënte overigens wel bevestigen dat zij zich niet onrechtmatig jegens uw cliënten zal gedragen", in de brief zoals genoemd in rov. 2.9, kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet als toezegging om zich te onthouden van concurrentie in de meubelbranche worden aangemerkt.

4.12.

Van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door Schuur kan in zoverre geen sprake zijn. De vordering tot gedeeltelijke ontbinding zal reeds hierom worden afgewezen. De primaire vordering tot vergoeding van € 1.150.000,-- is gestoeld op de gevorderde gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst(en). Nu de vordering tot gedeeltelijke ontbinding zal worden afgewezen, deelt de vordering tot vergoeding van
€ 1.150.000,-- hetzelfde lot.

Vordering tot schadevergoeding

4.13.

Edge Holding vordert voorts (primair) [gedaagde] en (subsidiair) Schuur en [gedaagde] te veroordelen aan Edge Holding de door Edge Holding geleden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat. De rechtbank begrijpt gelet op de inhoud van de dagvaarding en de ter gelegenheid van de comparitie van partijen daarop door Edge Holding gegeven toelichting, dat deze vordering berust op door Schuur/ [gedaagde] jegens Edge Holding onrechtmatig handelen bestaande uit onrechtmatige concurrentie door Schuur en/of [gedaagde] .

De rechtbank overweegt als volgt.

4.14.

Door Schuur/ [gedaagde] is onder meer als verweer gevoerd dat Edge Holding niet tot het instellen van een dergelijke vordering bevoegd is, maar dat die vordering alleen toekomt aan degene die stelt onrechtmatig beconcurreerd te worden en daardoor schade lijdt, in casu Meubelhallen Kolham. Dit verweer treft naar het oordeel van de rechtbank doel.

4.15.

Onrechtmatig handelen jegens Meubelhallen Kolham (zo daarvan sprake zou zijn) levert op zichzelf niet ook onrechtmatig handelen op jegens de (indirect) aandeelhouder van die vennootschap, in casu Edge Holding. Slechts wanneer een specifieke zorgvuldigheidsnorm is geschonden jegens de aandeelhouder zelf kan daarvan onder omstandigheden sprake zijn.

Daarover is echter - anders dan de algemene bewoordingen dat er sprake zou zijn van schending van een specifieke zorgvuldigheidsnorm - niets gesteld.

4.16.

Voor zover, anders dan hierboven is geoordeeld, niettemin gezegd zou moeten worden dat Edge Holding bevoegd zou zijn die vordering in te stellen, is de rechtbank niet van oordeel is dat door Schuur/ [gedaagde] op een onrechtmatige wijze concurrentie wordt bedreven jegens de Meubelhallen Kolham. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.17.

Als uitgangspunt geldt op basis van het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 1997 (ECLI:NL:HR:1997:AG1569) dat een overeenkomst waarbij iemand een handelsonderneming aan een ander overdraagt, zich in de regel verzet tegen een handelwijze die erop neerkomt dat de overdrager zijn rechtsopvolger concurrentie aandoet door in de directe omgeving van de overgedragen onderneming dezelfde werkzaamheden te blijven verrichten, die hij vóór de overdracht in de onderneming ook reeds verrichtte. Of een gedraging van de overdrager binnen de hier bedoelde grenzen valt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

4.18.

Nog daargelaten of Schuur/ [gedaagde] al dan niet via een schijnconstructie Meubelhuis Veendam drijft, overweegt de rechtbank als volgt. Meubelhuis Veendam is niet direct na de overname, doch 8 maanden erna, gestart met een meubelwinkel. Die meubelwinkel is gevestigd in Veendam, zo'n 19 kilometer van Kolham waar Meubelhallen Kolham is gevestigd. De naam van de geopende meubelwinkel - Meubelhuis Veendam - is wezenlijk anders dan Meubelhallen Kolham. In de door Edge Holding in het geding gebrachte advertenties van Meubelhuis Veendam wordt op geen enkele wijze verwezen naar Meubelhallen Kolham. De rechtbank acht het bovendien van belang dat een meubelwinkel in zijn algemeenheid geen vaste klanten heeft in die zin dat een klant slechts aan één winkel gebonden is (zoals het geval was in het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad waar sprake was van een assurantiekantoor). Edge Holding heeft niet weersproken dat de klanten van meubelwinkels veelal meerdere winkels in de regio aflopen in hun zoektocht naar meubels en dat er in de regio meerdere concurrerende meubelwinkels aanwezig zijn.
Ten slotte is niet gesteld of gebleken dat Schuur/ [gedaagde] actief klanten heeft benaderd die (voorheen) bij Meubelhallen Kolham kochten. Gelet op het voorgaande is onvoldoende gesteld en gebleken dat sprake is van een onrechtmatige gedraging zijdens Schuur/ [gedaagde] jegens Edge Holding. In zijn algemeenheid is het verrichten van concurrerende werkzaamheden immers toegestaan.

4.19.

Ook de omstandigheid dat Meubelhuis Veendam gebruik zou maken van inkoopmogelijkheden via het netwerk van [gedaagde] , leidt niet tot het oordeel dat sprake is van ongeoorloofde concurrentie. Van [gedaagde] kan immers bezwaarlijk verwacht worden dat hij na het vertrek bij Meubelhallen Kolham niet meer gebruik zou mogen maken van zijn netwerk en persoonlijke kennis en ervaring binnen de meubelbranche, opgedaan in het bedrijf dat nu stelt concurrentie te ondervinden. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat niet is gesteld of gebleken dat Edge Holding dan wel Meubelhallen Kolham door voornoemde omstandigheid daadwerkelijk nadeel en/of schade lijdt, bijvoorbeeld doordat haar eigen inkoopmogelijkheden daardoor zijn gewijzigd.

4.20.

Hetzelfde geldt voor de omstandigheden dat [gedaagde] via zijn holding Schuur 5% van de aandelen in het kapitaal van Meubelhuis Veendam houdt, de daarmee in de statuten samenhangende rechten heeft, in het handelsregister van de Kamer van Koophandel staat ingeschreven als volledig gevolmachtigde van Meubelhuis Veendam, en (sporadisch) hand- en spandiensten voor Meubelhuis Veendam verricht. Naar het oordeel van de rechtbank kan één en ander duiden op een meer dan vaderlijke betrokkenheid van [gedaagde] bij de onderneming waarvan zijn dochters (via hun holdings) aandeelhouders en bestuurders zijn. Echter het voorgaande vormt onvoldoende grond om te kunnen spreken van een schijnconstructie, te weten het volledig wegdenken van de betrokkenheid van de dochters van [gedaagde] bij Meubelhuis Veendam. Dat de dochters van [gedaagde] geen ervaring in de meubelbranche zouden hebben is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant. Ongeacht of zij wel of niet beschikken over ervaring in de meubelbranche, het staat de dochters van [gedaagde] vrij om hun geluk en vaardigheden in de meubelbranche te beproeven.

4.21.

Voornoemde omstandigheden leiden dus evenmin tot de conclusie dat het handelen van Schuur/ [gedaagde] onrechtmatig is te achten. Voor zover Edge Holding heeft willen betogen dat Schuur/ [gedaagde] onrechtmatig hebben gehandeld omdat zij werknemers van Meubelhallen Kolham voor Meubelhuis Veendam hebben geronseld, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Schuur/ [gedaagde] hebben als productie 9 en 10 verklaringen van de betreffende werknemers in het geding gebracht. Uit die verklaringen blijkt de rechtbank dat de werknemers zelf ervoor hebben gekozen om elders emplooi te zoeken en via de gebruikelijke weg van het reageren op een (online) vacature bij Meubelhuis Veendam hebben gesolliciteerd (en zijn aangenomen). De rechtbank acht in het licht van die verklaringen onvoldoende onderbouwd dat er sprake is geweest van het ronselen van werknemers aan de zijde van Schuur/ [gedaagde] . Niet gesteld of anderszins gebleken is dat de verklaringen van de betreffende werknemers onbetrouwbaar zouden zijn, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan uitgaat.

4.22.

Het voorgaande leidt, één en ander in onderling verband en samenhang beschouwd, tot de conclusie dat van onrechtmatig handelen door Schuur/ [gedaagde] geen sprake is. Gelet hierop zullen ook de vorderingen tot schadevergoeding (op te maken bij staat) worden afgewezen.

Nevenvorderingen

4.23.

Nu de vorderingen van Edge Holding zullen worden afgewezen, is er geen grondslag om de gevorderde nevenvorderingen toe te wijzen. Ook de gevorderde nevenvorderingen zullen daarom worden afgewezen.

Proceskosten

4.24.

Edge Holding en Meubelhallen Kolham zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Schuur en [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 4.030,00

- salaris advocaat € 7.712,00 (2 punt × tarief € 3.856,00)

Totaal € 11.742,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart Meubelhallen Kolham niet-ontvankelijk in haar vorderingen,

5.2.

wijst de vorderingen van Edge Holding af,

5.3.

veroordeelt Edge Holding en Meubelhallen Kolham in de proceskosten, aan de zijde van Schuur en [gedaagde] tot op heden begroot op € 11.742,00,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2019.1

1 type: 741