Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:328

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
31-01-2019
Datum publicatie
31-01-2019
Zaaknummer
18/940023-18, 18/940035-18 (GEV TTZ) en 18/940043-17 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich binnen een periode van twee weken schuldig gemaakt aan vijf diefstallen van wielvelgen met banden bij diverse autobedrijven in Assen en één in Groningen en één poging daartoe.

Hij heeft de feiten gepleegd met een ander en daarbij was sprake van verbreking. Verder heeft verdachte zich samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan beïnvloeding van een getuige.

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest, zijnde 97 dagen, alsmede een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van twee jaren.

Aan de voorwaardelijke werkstraf worden algemene en bijzondere voorwaarden verbonden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77m
Wetboek van Strafrecht 77n
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77z
Wetboek van Strafrecht 77aa
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummers: 18/940023-18, 18/940035-18 (GEV TTZ) en 18/940043-17 (TUL)

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 31 januari 2019 in de zaken van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans verblijvende te Juvaid locatie Veenhuizen te Veenhuizen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 januari 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr A. van den Oever.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

met betrekking tot parketnummer 18/940023-18:

1.

verdachte op of omstreeks 31 juli 2018, te Assen, althans in de gemeente

Assen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich wederrechtelijk toe te eigenen

vanaf een bedrijfsterrein gelegen aan of bij de [straatnaam]

één of meer (wiel)velg(en) met band(en), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende autobedrijf [benadeelde partij 1] ,

in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

dat/die (wiel)velg(en) met band(en), althans

dat/die goed/goederen onder verdachtes/hun bereik te brengen door middel van

braak en/of verbreking, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s)

- naar een op het (bedrijfs)terrein van dat autobedrijf staande auto is gegaan/gelopen en/of

- met behulp van een krik die auto heeft opgetild en/of (vervolgens) (bak)stenen onder die auto heef geplaatst en/of

- een wiel, althans een velg met band, heeft gedemonteerd/losgemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

verdachte in of omstreeks de periode van 19 juli 2018 tot en met 20 juli 2018

te Assen, althans in de gemeente Assen,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijk toeëigening heeft weggenomen,

4, in elk geval één of meer, (auto)wiel(en), althans (wiel)velg(en) met band,

in elk geval enig goed,

(alles) geheel of ten dele toebehorende aan autobedrijf [benadeelde partij 1] ( [straatnaam]

), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen (auto)wiel(en), althans dat/die (wiel)velg(en) met band, onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.

verdachte in of omstreeks de periode van 21 juli 2018 tot en met 23 juli 2018,

te Assen, althans in de gemeente Assen,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijk toeëigening heeft weggenomen,

4, in elk geval één of meer, (auto)wiel(en), althans (wiel)velg(en) met band,

in elk geval enig goed,

(alles) geheel of ten dele toebehorende aan autobedrijf [benadeelde partij 1] ( [straatnaam]

), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen (auto)wiel(en), althans dat/die (wiel)velg(en) met band, onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4.

verdachte in of omstreeks de periode van 21 juli 2018 tot en met 23 juli 2018,

te Assen, althans in de gemeente Assen,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijk toeëigening heeft weggenomen,

2, in elk geval één of meer, (auto)wiel(en), althans (wiel)velg(en) met band,

in elk geval enig goed, (alles) geheel of ten dele toebehorende aan autobedrijf [benadeelde partij 2] , ( [straatnaam] ) in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen (auto)wiel(en), althans dat/die (wiel)velg(en) met band, onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

5.

verdachte in of omstreeks de periode van 27 juli 2018 tot en met 28 juli 2018,

te Assen, althans in de gemeente Assen,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijk toeëigening heeft weggenomen,

4, in elk geval één of meer, (auto)wiel(en), althans (wiel)velg(en) met band,

in elk geval enig goed, (alles) geheel of ten dele toebehorende aan autobedrijf [benadeelde partij 1] ( [straatnaam] ), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen (auto)wiel(en), althans dat/die (wiel)velg(en) met band, onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

met betrekking tot parketnummer 18/940035-18:

verdachte op of omstreeks 8 oktober 2018 te Assen, althans in de gemeente Assen,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

mondeling, door gebaren, bij geschrift en/of afbeelding

zich jegens [slachtoffer] heeft geuit,

kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid te verklaren of geweten

ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen

te beïnvloeden,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist/wisten of

ernstige reden had/hadden te vermoeden dat die verklaring zou worden

afgelegd en/of was afgelegd,

door samen met de medeverdachte, althans alleen,

- naar het huis van die [slachtoffer] voornoemd te gaan en/of

- op harde/luide toon die [slachtoffer] aan te spreken (over de door [slachtoffer] voornoemde afgelegde verklaring bij de politie) en/of

- van die [slachtoffer] te eisen dat hij zijn afgelegde verklaring bij de politie zou herroepen en/of

- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij anders klappen zou krijgen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- waarbij de medeverdachte die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal heeft

geschopt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder parketnummer

18/940023-18 onder 1, 2, 3, 4, en 5 en het onder parketnummer 18/940035-18 ten laste gelegde, nu deze feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder parketnummer 18/940023-18 onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde geen verweer gevoerd. Verdachte heeft deze feiten ook bekend.

Met betrekking tot het onder parketnummer 18/940035-18 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw betoogd dat geen sprake is geweest van het beïnvloeden van een getuige in de zin van artikel 285a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daartoe heeft zij verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad van 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2092.

Verdachte heeft nimmer de intentie gehad de verklaringsvrijheid van [slachtoffer] aan te tasten. Hij heeft zich jegens [slachtoffer] enkel mondeling geuit en daarbij aangegeven dat [slachtoffer] bij de politie de waarheid moest vertellen en zijn eigen rol in het geheel niet kleiner moest maken. Van beïnvloeding van medeverdachte [slachtoffer] zoals in de tenlastelegging is omschreven is niet gebleken. Verdachte zal dan ook moeten worden vrijgesproken van het onder parketnummer 18/940035-18 ten laste gelegde.

Oordeel van de rechtbank

met betrekking tot parketnummer 18/940023-18:

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 januari 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 31 juli 2018, opgenomen op pag. 420 e.v. van het dossier van de politie Eenheid Noord-Nederland met registratienummer: PL0100-2018271208 Z, inhoudende de verklaring van [medewerker 1] namens [benadeelde partij 1] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 20 juli 2018, opgenomen op pag. 695 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medewerker 1] namens [benadeelde partij 1] ;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 20 juli 2018, opgenomen op pag. 731 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medewerker 1] namens [benadeelde partij 1] ;

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 30 juli 2018, opgenomen op pag. 772 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medewerker 2] namens [benadeelde partij 2] ;

6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 31 juli 2018, opgenomen op pag. 822 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medewerker 1] namens [benadeelde partij 1] .

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

met betrekking tot parketnummer 18/940035-18:

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 17 januari 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

[slachtoffer] heeft ons er bij genaaid zonder zijn eigen aandeel te vertellen. Medeverdachte [medeverdachte] en ik hebben tegen hem gezegd dat hij nog een keer naar de politie moest gaan en de waarheid moest vertellen. Ik wilde er voor zorgen dat hij zijn eigen aandeel ook ging vertellen en niet alleen de schuld aan anderen zou geven. We hebben onze stem verheven als hij ons probeerde te onderbreken.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 oktober 2018 met proces-verbaalnummer: PL0100-2018265357-1, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :

Toen ik 8 oktober 2018 de voordeur opendeed van mijn huis te Assen stond daar [verdachte] samen met [medeverdachte] . [medeverdachte] en [verdachte] gingen voor mij staan. Zij begonnen toen op harde toon tegen mij de praten. De beide jongens praatten toen heel luid, bijna schreeuwend, en ik hoorde toen onder andere [verdachte] tegen mij zeggen: “wij willen dat je weer naar de politie toegaat en dat je opnieuw gehoord gaat worden en wij willen ook dat je dan verklaart dat niet [medeverdachte] degene was waarmee je bij ‘ [benadeelde partij 3] ’ de diefstal hebt gepleegd maar dat je dat samen hebt gedaan met [naam] .” Zowel [medeverdachte] als [verdachte] hebben dit meerdere malen tegen mij gezegd. Ik was op dat moment erg bang voor deze beide jongens. Ik heb hun nog geprobeerd uit te leggen dat ontkennen toch gaan zin had, omdat onder andere ook mijn vingerafdrukken op auto’s zaten, maar ook dat er herkenbare camerabeelden waren

waarop duidelijk de diefstallen te zien waren en dat ik mijzelf maar ook [medeverdachte]

op foto’s die van de beelden zijn gemaakt heb herkend. Ik zag dat beiden, zowel [medeverdachte] als [verdachte] , toen zij dit hoorden, alleen nog maar bozer werden en nog harder begonnen te schreeuwen. Ik hoorde [verdachte] toen tegen mij zeggen: “Wij hebben ons uit al die diefstallen weten te lullen, maar door jouw bekentenis kan het wel eens betekenen dat [medeverdachte] misschien wel 4 jaren zou moeten zitten en dat ik ook daardoor een hogere straf zou kunnen krijgen”. De beide jongens praatten toen nog steeds luidkeels.

Ineens, vanuit het niets, werd ik toen door [medeverdachte] vol op mijn bovenbeen geschopt. Ik voelde dat hij mij met veel kracht schopte en wel met de onderkant, de zoolkant dus, tegen mijn bovenbeen. Ik hoorde dat zowel [medeverdachte] als [verdachte] tegen mij bleven schreeuwen. Vrij kort daarna werd ik weer, eveneens door [medeverdachte] , geschopt op dezelfde wijze als hij mij tegen mijn bovenbeen had geschopt, maar nu raakte hij met veel kracht mij aan de voorzijde op mijn borst. Ik werd daardoor ook steeds banger voor hen. Ze kwamen zeer bedreigend op mij over. Uit angst, om niet weer geschopt te worden, heb ik uiteindelijk tegen [medeverdachte] en [verdachte] gezegd dat ik naar het politiebureau zou gaan en dat ik dan mijn verklaring zou gaan laten aanpassen en dat ik de naam van [medeverdachte] daaruit zou laten verwijderen en de naam van die [naam] die zij noemden daarvoor in de plaats zou laten zetten. Ik deed dit puur omdat ik bang was dat er nog meer ellende zou ontstaan en ik nog meer mishandeld zou gaan worden.

Ik hoorde toen [medeverdachte] tegen mij zeggen: “je moet nu straks direct de politie gaan bellen

om een afspraak te maken voor het veranderen van de verklaring.” Ook hoorde ik [verdachte] toen tegen mij zeggen: “Als je niet gaat doen wat wij jou gezegd hebben, dan komen wij weer bij jou terug en dan krijg je weer klappen.” Dit werd ook op een toon tegen mij gezegd dat ik daardoor dermate bang was dat ik dacht dat zij het ook inderdaad zouden gaan doen.

Door de wijze waarop zowel [medeverdachte] als [verdachte] tegen mij tekeer gingen, en [medeverdachte] mij schopte en dus mishandelde, voelde ik mij zeer bedreigd. Ik voelde ook dat

zij, [medeverdachte] en [verdachte] , mij dwongen om iets te doen waarbij zich konden verschuilen

achter een ander, om zodoende hun straf te ontlopen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d.

8 oktober 2018 met procesverbaalnummer: PL0100-2018265357-2 inhoudende de verklaring van [getuige] :

[slachtoffer] (aangever) vertelde mij dat [medeverdachte] en [verdachte] aan de deur stonden. Nadat ik buiten was zei [verdachte] tegen mij dat ik naar binnen moest gaan omdat ze wat moesten bespreken. Dit was op een voorzichtige dwingende manier gezegd. Ik kon hieruit opmaken dat het dringend was. Dat personen die hierbij niet betrokken waren er even niet bij hoorden. Ik had het gevoel dat het om iets ergs ging, het was niet pluis wat daar gebeurde. Nadat ik weer in de woning was hoorde ik wel dat een van de twee zei: je hebt ons er bij genaaid, ik hoorde dat dit geïrriteerd werd gezegd, ook werd er met stemverheffing gesproken. Ik hoorde dat ze tegen aangever zeiden dat hij zijn bekentenis moest intrekken en een andere naam moest noemen. Ik hoorde dat de stemming omsloeg, ze begonnen hard te praten er kwamen scheldwoorden voorbij.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 oktober 2018 met proces-verbaalnummer: PL0100-2018265357-22, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] :

Tijdens het doen van de aangifte trok aangever [slachtoffer] zijn shirt omhoog en toonde zijn bovenlijf, om aan te wijzen waar hij zou zijn geschopt door [medeverdachte] . Ik zag dat de aangever een rode huidverkleuring aanwees op zijn bovenlijf ter hoogte van zijn rechtertepel. Ik zag een licht rood gekleurde streep van ongeveer zes centimeter. Dit licht rood gekleurde streepje zou mogelijk veroorzaakt kunnen zijn door bijvoorbeeld de afdruk van de voorkant/zool van een schoen. Op mijn vraag of dit rood gekleurde streepje er ook al zat voordat [medeverdachte] hem had geschopt hoorde ik aangever zeggen nee dat streepje zat er toen nog niet.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat de strafbaarstelling van beïnvloeding van getuigen als bedoeld in artikel 285a Sr strekt tot bescherming van de vrijheid van personen om onbelemmerd ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te kunnen leggen.

Van ‘beïnvloeden’ in de zin van voornoemd artikel is sprake indien de uiting ertoe strekt deze verklaringsvrijheid aan te tasten. Voor een bewezenverklaring van beïnvloeding van getuigen is niet vereist dat sprake is geweest van intimidatie, hoewel intimidatie in de regel wel een sterke aanwijzing oplevert dat de desbetreffende uitlating ertoe strekt om de verklaringsvrijheid aan te tasten. Voldoende is dat komt vast te staan dat de uiting kennelijk bedoeld was om de verklaringsvrijheid te beïnvloeden, zonder dat wordt vereist dat die kennelijke bedoeling ook tot een daadwerkelijke beïnvloeding heeft geleid.

Daar komt bij dat evenmin hoeft komen vast te staan dat de uiting van verdachte ertoe strekte om de getuige ertoe te bewegen een verklaring af te leggen die niet waarheidsgetrouw is. Artikel 285a Sr strekt immers ter waarborging van de vrijheid van personen om onbelemmerd naar waarheid of geweten een verklaring te kunnen afleggen, waarbij het aan de persoon zelf is om te bepalen hoe de inhoud van zijn verklaring in overeenstemming met zijn eigen, mogelijk gebrekkige, herinnering aan bepaalde gebeurtenissen af te leggen verklaring luidt, zonder bemoeienis van een ander met die inhoud. Het bestanddeel ‘kennelijk’ heeft geen betrekking op het opzet van de verdachte, maar op de perceptie van derden, onder wie in het bijzonder de getuige. De uiting moet van dien aard zijn dat de getuige daaruit in redelijkheid heeft kunnen opmaken dat zij ertoe strekt zijn verklaringsvrijheid aan te tasten. Zie hiervoor HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2908, HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2092,

HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7910 en de conclusie van de

advocaat-generaal Knigge op 4 september 2018, ECLI:NL:PHRL2018:913.

De rechtbank acht, gelet op voornoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de primair ten laste gelegde mondelinge en middels gebaren gedane uitlatingen jegens [slachtoffer] heeft gedaan. Ook het meermalen schoppen door medeverdachte [medeverdachte] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht de verklaringen van aangever betrouwbaar. Zijn verklaringen vinden in voldoende mate steun in ander bewijsmateriaal. Zo heeft verbalisant [verbalisant] tijdens de aangifte bij aangever letsel waargenomen dat veroorzaakt zou kunnen zijn door bijvoorbeeld de afdruk van de voorkant/zool van een schoen. De rechtbank heeft geen reden gevonden om aan te nemen dat aangever vlak voor de aangifte door iemand anders is geschopt of dat er een andere oorzaak is voor het waargenomen letsel.

De rechtbank is van oordeel dat de gedane uitlatingen, mede gelet op de context daarvan, kennelijk bedoeld waren om de verklaringsvrijheid van [slachtoffer] te beïnvloeden.

De uitlatingen waren van dien aard dat [slachtoffer] daaruit in redelijkheid heeft kunnen opmaken dat zij ertoe strekten om zijn verklaringsvrijheid aan te tasten.

De rechtbank acht gelet op het vorenstaande het medeplegen van het beïnvloeden van getuige [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder parketnummer 18/940023-18, onder 1, 2, 3, 4 en 5 en het onder parketnummer 18/940035-18 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

met betrekking tot parketnummer 18/940023-18:

1.

verdachte op 31 juli 2018, te Assen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen

misdrijf om tezamen en in vereniging met het oogmerk om zich wederrechtelijk toe te eigenen vanaf een bedrijfsterrein gelegen aan of bij de [straatnaam]

wielvelgen met banden, toebehorende aan autobedrijf [benadeelde partij 1] ,

en die goederen onder hun bereik te brengen door middel van verbreking,

tezamen en in vereniging

- naar een op het bedrijfsterrein van dat autobedrijf staande auto is gelopen en

- met behulp van een krik die auto heeft opgetild en vervolgens bakstenen onder die auto heeft geplaatst en

- een wiel, althans een velg met band, heeft losgemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

verdachte in de periode van 19 juli 2018 tot en met 20 juli 2018 te Assen,

tezamen en in vereniging

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen,

4 wielvelgen met band, toebehorende aan autobedrijf [benadeelde partij 1] ( [straatnaam] ),

waarbij verdachte en zijn mededader die wielvelgen met band onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

3.

verdachte in de periode van 21 juli 2018 tot en met 23 juli 2018, te Assen,

tezamen en in vereniging

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen,

4 wielvelgen met band, toebehorende aan autobedrijf [benadeelde partij 1] ( [straatnaam] ),

waarbij verdachte en zijn mededader die weg te nemen wielvelgen met band onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

4.

verdachte in de periode van 21 juli 2018 tot en met 23 juli 2018, te Assen,

tezamen en in vereniging,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen,

2 wielvelgen met band, toebehorende aan autobedrijf [benadeelde partij 2] , ( [straatnaam] ), waarbij verdachte en zijn mededader die wielvelgen met band onder hun bereik hebben gebracht door middel verbreking;

5.

verdachte in de periode van 27 juli 2018 tot en met 28 juli 2018, te Assen,

tezamen en in vereniging,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen,

4 wielvelgen met band, toebehorende aan autobedrijf [benadeelde partij 1] ( [straatnaam] ),

waarbij verdachte en zijn mededader die wielvelgen met band onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking.

met betrekking tot parketnummer 18/940035-18

verdachte op 8 oktober 2018 te Assen,

tezamen en in vereniging met een ander

opzettelijk

mondeling en door gebaren,

zich jegens [slachtoffer] heeft geuit,

kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden,

terwijl verdachte en zijn mededader wisten dat die verklaring zou worden was afgelegd,

door samen met de medeverdachte,

- naar het huis van die [slachtoffer] voornoemd te gaan en

- op harde/luide toon die [slachtoffer] aan te spreken over de door [slachtoffer] voornoemde afgelegde verklaring bij de politie en

- van die [slachtoffer] te eisen dat hij zijn afgelegde verklaring bij de politie zou herroepen en

- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij anders klappen zou krijgen en

- waarbij de medeverdachte die [slachtoffer] meermalen heeft geschopt.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

met betrekking tot parketnummer 18/940023-18:

1. poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking;

2. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking;

3. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking;

4. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking;

5. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking.

met betrekking tot parketnummer 18/940035-18

medeplegen van het opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter / ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het onder parketnummer 18/940023-18 onder 1, 2, 3, 4 en 5 en het onder parketnummer 18/940035-18 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 152 dagen, waarvan 40 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van twee jaren.

Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van algemene en bijzondere voorwaarden gevorderd, zoals reeds eerder opgelegd bij vonnis van 31 mei 2018, met uitzondering van het verblijf in Flevostate. In plaats daarvan heeft de officier van justitie als bijzondere voorwaarde gevorderd dat verdachte dient mee te werken aan een civiele plaatsing binnen gesloten jeugdzorg, zoals de Wilster of een soortgelijke instelling.

Bij de bepaling van de strafeis is tevens rekening gehouden met het door verdachte ter terechtzitting erkende ad informandum gevoegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Tevens kan het door verdachte ter terechtzitting erkende ad informandum gevoegde feit worden afgedaan.

Verdachte is niet langer gemotiveerd en bereid de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde bijzondere voorwaarden na te komen. Er is herhaaldelijk benadrukt dat er zorgen zijn over verdachte en dat hulpverlening en passende behandeling noodzakelijk is. Tot op heden is er echter geen concrete behandeling gestart. De verantwoordelijke instanties, met name de jeugdreclassering, hebben niet voortvarend gehandeld teneinde verdachte de zo noodzakelijke hulp te bieden. Dit acht de raadsvrouw zeer kwalijk. Verdachte zou graag zijn straf uitzitten en wil daarna laten zien dat hij het op eigen kracht kan.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het door verdachte erkende ad informandum gevoegde feit, zoals ter terechtzitting gewijzigd, en welk feit hiermee is afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich binnen een periode van twee weken schuldig gemaakt aan vijf diefstallen van wielvelgen met banden bij diverse autobedrijven in Assen en één in Groningen en één poging daartoe. Hij heeft de feiten gepleegd met een ander en daarbij was sprake van verbreking. Er was steeds sprake van dezelfde werkwijze en de diefstallen werden op een georganiseerde manier gepleegd. Zo stonden de auto's waarmee de gestolen wielvelgen met banden werden vervoerd op naam van een ander dan verdachte of zijn mededader, werden er bivakmutsen en handschoenen aangeschaft om herkenning en betrapping moeilijker te maken en werden de wielvelgen met banden verstopt in een schuur tot ze verkocht werden.

De materiële schade die verdachte en de medeverdachte hebben aangericht is aanzienlijk, zoals blijkt uit de ingediende schadevergoedingsvorderingen. Met zijn handelen heeft verdachte veel overlast toegebracht aan de gedupeerden en daarmee ook blijk gegeven geen respect te tonen voor andermans eigendommen. Tevens worden door dergelijke strafbare feiten gevoelens van onveiligheid en maatschappelijke onrust veroorzaakt. Dit alles neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk.

Verder heeft verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte] schuldig gemaakt aan beïnvloeding van een getuige, zijnde medeverdachte [slachtoffer] . Verdachte was ervan op de hoogte dat medeverdachte [slachtoffer] reeds een bekennende verklaring had afgelegd bij de politie en daarbij had aangegeven dat hij de diefstallen samen met medeverdachte [medeverdachte] had gepleegd. Verdachte heeft er bij [slachtoffer] op aangedrongen zijn afgelegde verklaring aan te passen en een andere dader te noemen. Het voorgaande is een ernstig vergrijp, omdat een ieder die getuige is geweest van voor een geding relevante feiten, daarover ten overstaan van de politie dan wel een rechter in vrijheid en onbelemmerd behoort te kunnen verklaren. Beperkingen van deze vrijheid, van welke aard ook, ondermijnen de rechtsorde.

Verdachte heeft op onaanvaardbare wijze getracht de uitkomst van een strafgeding te beïnvloeden door de verklaringsvrijheid van de betrokken getuige aan te tasten. Ook dit strafbare feit neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder bij vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 31 mei 2018 onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit. Tijdens zijn proeftijd, al twee maanden na voornoemd vonnis, is verdachte gerecidiveerd. Het feit dat verdachte nog in een proeftijd liep was voor hem kennelijk geen beletsel wederom strafbare feiten te plegen.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het rapport van de Raad van 11 januari 2019, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

De kans op herhaling wordt als zeer hoog ingeschat. Ondanks de eerdere veroordeling in mei 2018 is het grensoverschrijdende gedrag van verdachte niet gestopt. De ontwikkeling van verdachte verloopt uiterst zorgelijk. Bij verdachte is sprake van diverse stoornissen. Om het recidiverisico te beperken en de ontwikkeling van verdachte te bevorderen is behandeling binnen een residentiële behandelsetting noodzakelijk, door middel van een civielrechtelijke maatregel.

De Raad adviseert de rechtbank verdachte een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Daarnaast adviseert de Raad de bij vonnis van 31 mei 2018 opgelegde bijzondere voorwaarden op te leggen, met uitzondering van het verblijf in Flevostate, omdat verdachte hier niet langer verblijft. Het meewerken aan een verblijf binnen gesloten jeugdzorg, zoals de Wilster of een soortgelijke instelling, zal wel als voorwaarde kunnen worden opgenomen. Gezien de ernstige problematiek en de hoge kans op herhaling is extern toezicht en begeleiding noodzakelijk, aldus de Raad.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest, zijnde 97 dagen, alsmede een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. De ernst van de feiten, het gedrag en de houding van verdachte rechtvaardigen de oplegging van een forse straf in de vorm van onvoorwaardelijke jeugddetentie.

Aan de voorwaardelijke werkstraf zullen algemene en bijzondere voorwaarden worden verbonden, als hierna vermeld. Dit met het doel verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal niet overgaan tot het opleggen van de bijzondere voorwaarde dat verdachte mee moet werken aan een civielrechtelijke plaatsing in een gesloten instelling voor jeugdzorg. De rechtbank heeft daarbij allereerst in aanmerking genomen dat op dit moment nog onzeker is of een civiele plaatsing daadwerkelijk zal plaatsvinden. Daar komt bij dat verdachte ook ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij niet gemotiveerd is en niet langer bereid is mee te werken aan een plaatsing binnen een gesloten jeugdzorginstelling of deelname aan een residentiële behandelingen op een groep. Ook is gebleken dat verdachte zich meermalen niet aan de hem bij de schorsing van de voorlopige hechtenis opgelegde voorwaarden heeft gehouden. De rechtbank ziet gelet op voorgaande omstandigheden geen heil in het opleggen van deze door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarde.

Wel moet verdachte zich melden bij de jeugdreclassering en zich houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, meewerken aan schoolgang dan wel dagbesteding en wordt hem een verbod opgelegd drugs te gebruiken, terwijl hij moet meewerken aan controle daarop.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem/haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit of het ad informandum gevoegde feit, alsmede de gronden waarop deze berust, als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

Ten aanzien van parketnummer 18/940023-18

1. [medewerker 1] namens [benadeelde partij 1] , tot een bedrag van € 467,05 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan (feit 1);
2. [medewerker 3] namens [benadeelde partij 1] , tot een bedrag van € 4.613,98 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan (feit 2);
3. [medewerker 3] namens [benadeelde partij 1] , tot een bedrag van € 2.312,40 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan (feit 3);

4. [medewerker 3] namens [benadeelde partij 1] , tot een bedrag van € 4.078,04 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan (feit 5);

5. [medewerker 4] namens [benadeelde partij 4] , tot een bedrag van € 26.341,25 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan (ad informandum gevoegde feit).

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij

[medewerker 1] namens [benadeelde partij 1] (feit 1) in zijn vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat een schriftelijke machtiging om namens [benadeelde partij 1] als benadeelde partij op te treden ontbreekt. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen exclusief de gevorderde BTW.

De door [medewerker 3] namens [benadeelde partij 1] gevorderde materiële schade voor de feiten 2, 3 en 5 kan worden toegewezen. Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [medewerker 4] namens [benadeelde partij 4]

(ad informandum gevoegde feit) in zijn vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat een schriftelijke machtiging om namens [benadeelde partij 4] als benadeelde partij op te treden ontbreekt en onduidelijk is wie de gestelde schade heeft geleden, [benadeelde partij 5] of [benadeelde partij 4] Tevens wordt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en nihilstelling van de vervangende jeugddetentie gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade door de benadeelde partij [medewerker 3] namens [benadeelde partij 1] (feiten 2, 3 en 5) exclusief BTW kunnen worden toegewezen.

De benadeelde partijen [medewerker 1] namens [benadeelde partij 1] (feit 1) en [medewerker 4] namens [benadeelde partij 4] (ad informandum gevoegde feit) dienen in hun vorderingen niet ontvankelijk te worden verklaard gelet op het ontbreken van een schriftelijke machtiging om namens [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 4] als benadeelde partij op te treden. Bovendien geldt voor de vordering van de benadeelde partij [medewerker 4] namens [benadeelde partij 4] dat onduidelijkheid bestaat omtrent de vraag wie de gestelde schade heeft geleden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt allereerst dat zij beschikt over onvoldoende informatie om te kunnen vaststellen wie de door de benadeelde partij [medewerker 4] namens [benadeelde partij 4] gestelde schade heeft geleden, [benadeelde partij 5] of [benadeelde partij 4] Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij alsnog te laten aantonen wie de gestelde schade heeft geleden, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal deze vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Voorts overweegt de rechtbank dat in onderhavige zaak de ontvankelijkheid van de benadeelde partij [medewerker 1] (feit 1) is betwist omdat niet zou zijn gebleken van een machtiging om namens [benadeelde partij 1] als benadeelde partij op te treden. De rechtbank is evenwel van oordeel dat - gelet op de op de vordering betrekking hebbende stukken - het ontbreken van een schriftelijke volmacht in dit geval er niet aan in de weg staat om aan te nemen dat [medewerker 1] gemachtigd was om de benodigde formulieren in te vullen en te ondertekenen. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [medewerker 1] namens [benadeelde partij 1] (feit 1) daarom ontvankelijk verklaren.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij [medewerker 1] namens [benadeelde partij 1] de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18/940023-18 onder

1. bewezen verklaarde. De vordering van € 467,05, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen exclusief BTW, totaal € 385,99, zijnde € 193,- per verdachte, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 juli 2018.

Naar het oordeel van de rechtbank is tevens voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij [medewerker 3] namens [benadeelde partij 1] (feiten 2, 3 en 5) de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de onder parketnummer 18/940023-18 onder 2, 3 en 5 bewezen verklaarde feiten. De rechtbank zal de volgende bedragen toewijzen.

De vordering met betrekking tot feit 2, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal worden toegewezen exclusief BTW, totaal € 4.613,98, zijnde € 2.306,99 per verdachte, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 juli 2018.

De vordering met betrekking tot feit 3, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal worden toegewezen exclusief BTW, totaal € 2.312,40 zijnde € 1.156,20 per verdachte, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juli 2018.

De vordering met betrekking tot feit 5, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal worden toegewezen exclusief BTW, totaal € 4.078,04, zijnde € 2.039,02 per verdachte, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 juli 2018.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Ten aanzien van de toegewezen vorderingen en het toegewezen deel van de vorderingen acht de rechtbank telkens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade en om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. De rechtbank stelt de bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen jeugddetentie op nihil.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 31 mei 2018, gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, is verdachte veroordeeld tot

-voor zover hier van belang- een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, waarvan 72 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 15 juni 2018. De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 14 januari 2019 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De hiervoor bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd tot afwijzing van de tenuitvoerlegging en gevorderd te volstaan met verlenging van de proeftijd voor de duur van één jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de vordering tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen en kan worden volstaan met verlenging van de proeftijd voor de duur van één jaar.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft de in voormeld vonnis van 31 mei 2018 gestelde algemene voorwaarde dat dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, (meerdere malen) niet nageleefd. Het feit dat verdachte nog in een proeftijd liep was voor hem kennelijk geen beletsel opnieuw strafbare feiten te plegen: de bewezenverklaarde feiten dateren van slechts twee maanden na dat vonnis. Daarbij komt dat verdachte ook tijdens de periode dat hij in de Wilster woonde een strafbaar feit heeft gepleegd door zonder overleg de playstation van de afdeling waar hij woonde mee te nemen voor tijdens zijn verlof thuis. Gelet op hetgeen ter terechtzitting is behandeld, de houding van verdachte en het patroon van gedragingen zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis van 31 mei 2018 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 311 en 287a van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder parketnummer 18/940023-18 onder 1, 2, 3, 4 en 5 en het onder parketnummer 18/940035-18 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 97 dagen.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

een werkstraf voor de duur van 40 uren.

Bepaalt dat deze werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, schuldig heeft gemaakt aan de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden.

Stelt als algemene voorwaarden:

a. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

b. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

c. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich op uitnodiging zal melden bij de jeugdreclassering van Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen, locatie Assen, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

2. dat veroordeelde zal meewerken aan het hebben van een dagbesteding en/of het volgen van onderwijs;

3. dat veroordeelde geen drugs zal gebruiken en mee zal werken aan urinecontroles om dat verbod te kunnen handhaven.

Draagt de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen op toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf, vervangende jeugddetentie voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de werkstraf niet naar behoren verricht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde jeugddetentie.

Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen

Ten aanzien van parketnummer 18/940023-18

Bepaalt dat de benadeelde partij [medewerker 4] namens [benadeelde partij 4] in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen kosten draagt.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [medewerker 1] namens [benadeelde partij 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 193,- zegge: honderddrieënnegentig euro, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2018.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [medewerker 1] namens [benadeelde partij 1] voor het overige gedeelte wordt afgewezen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [medewerker 1] namens [benadeelde partij 1] te betalen een bedrag van € 193,- (zegge: honderddrieënnegentig euro), en stelt de bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen jeugddetentie op nihil. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [medewerker 3] namens [benadeelde partij 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.306,99 (zegge: tweeduizend driehonderdzes euro en negenennegentig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2018.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [medewerker 3] namens [benadeelde partij 1] te betalen een bedrag van € 2.306,99,- (zegge: tweeduizend driehonderdzes euro en negenennegentig cent), en stelt de bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen jeugddetentie op nihil. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [medewerker 3] namens [benadeelde partij 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.156,20 (zegge: duizend honderdzesenvijftig euro en twintig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2018.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [medewerker 3] namens [benadeelde partij 1] te betalen een bedrag van € 1.156,20,- (zegge: duizend honderdzesenvijftig euro en twintig cent), en stelt de bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen jeugddetentie op nihil. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [medewerker 3] namens [benadeelde partij 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.039,02 (zegge: tweeduizend negenendertig euro en twee cent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2018.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [medewerker 3] namens [benadeelde partij 1] te betalen een bedrag van € 2.039,02,- (zegge: tweeduizend negenendertig euro en twee cent), en stelt de bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen jeugddetentie op nihil. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormelde bedragen ten behoeve van de slachtoffers de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partijen doet vervallen, alsmede dat betaling van voormelde bedragen aan de benadeelde partijen de verplichting tot betaling aan de Staat van deze bedragen doet vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/940043-17 (TUL):

Gelast de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen,

d.d. 31 mei 2018, te weten: 72 dagen jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, tevens kinderrechter, mr.

R. Depping en mr. M. van den Steenhoven, rechters, bijgestaan door mr. H. Wachtmeester-Koning, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 januari 2019.

Mr. B.I. Klaassens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.