Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3279

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
25-07-2019
Zaaknummer
18/1894
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag toekenning stimuleringspremie op basis van het Flankerend beleid van de gemeente Groningen. Als gevolg van eisers vertrek is geen sprake is van inkrimping van de formatie bij de gemeente. Omdat eiser daarom niet onder het toepassingsbereik van het Flankerend beleid valt, kan niet worden toegekomen aan de voorwaarde voor toekenning van de stimuleringspremie. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 18/1894

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2019 in de zaak tussen

[naam] , te Groningen, eiser

(gemachtigde: mr. J.W. Wijers),

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen, verweerder

(gemachtigde: mr. L.N. Hoekstra).

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om toekenning van een stimuleringspremie van acht maandsalarissen op basis van het Flankerend beleid gemeente Groningen 2014-2018 (hierna: Flankerend beleid) afgewezen.

Bij besluit van 25 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij brief van 27 juli 2018 heeft hij de beroepsgronden aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift, met bijlage, ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door J.J. Visser, teamleider Ruimtelijke Ontwikkeling en Uitvoering.

Overwegingen

1. Eiser was werkzaam bij de gemeente Groningen als projectmanager bij Stadsontwikkeling, directie Ruimtelijke Ontwikkeling en Uitvoering.

1.1.

Bij e-mail van 25 september 2017 heeft eiser verweerder meegedeeld dat hij per

25 september 2017 vrijwillig ontslag neemt en per 27 september 2017 als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) zijn eigen bedrijf start. Daarbij heeft hij verzocht om toekenning van de stimuleringspremie. Bij e-mail van 12 oktober 2017 heeft eiser meegedeeld dat hij per 1 december 2017 ontslag neemt.

1.2.

Bij e-mail van 13 oktober 2017 heeft een HRM-arbeidsjurist van de gemeente eiser

meegedeeld dat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van de stimuleringspremie en dat het niet zinvol is een aanvraag in te dienen. In reactie daarop heeft eiser bij e-mail van 14 oktober 2017 meegedeeld toch een formeel verzoek in te willen dienen. Bij e-mail van 16 oktober 2017 heeft een HR-personeelsadviseur van de gemeente hem er nogmaals op gewezen dat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor verstrekking van de premie.

1.3.

Op 5 november 2017 heeft eiser het door hem op 5 oktober 2017 ondertekende

Aanvraagformulier Stimuleringspremie Flankerend beleid ingediend. Die aanvraag strekt tot toekenning van acht maandsalarissen in het kader van het Flankerend beleid, vanwege zijn vrijwillige vertrek om zich als zelfstandig ondernemer te vestigen.

1.4.

Bij besluit van 13 december 2017 heeft verweerder, gelet op artikel 8:1, eerste lid, van

de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Groningen, eiser per 1 december 2017 eervol ontslag verleend.

2. In het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat eiser - gezien de

daartoe gestelde voorwaarden in het Flankerend beleid - niet als vrijwillig mobiele medewerker kan worden aangemerkt. Door het vertrek van eiser wordt de formatie niet ingekrompen. Om zijn functie te vervullen wordt een vacature opengesteld. Verder is uit navraag gebleken dat op zijn functie geen boventallige medewerker geplaatst kan worden.

2.1.

In het advies van 17 april 2018 heeft de commissie voor bezwaarschriften in Algemene

Rechtspositionele Aangelegenheden (commissie ARA) verweerder geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren. Onder verwijzing naar de definitie in het Flankerend beleid van een vrijwillig mobiele medewerker en naar de formatie- en bezettingsoverzichten concludeert de commissie ARA dat geen sprake is van krimp in de formatie van de functie projectmanager en dat eiser daarom niet in aanmerking komt voor de stimuleringspremie. Verweerder heeft onderzocht of een boventallige medewerker benoemd zou kunnen worden in de vacature die is ontstaan door eisers vertrek, maar dat heeft niet tot resultaat heeft geleid. De commissie ARA heeft geconcludeerd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de stimuleringspremie en dat de aanvraag terecht is afgewezen.

2.2.

Verweerder heeft het advies van de commissie ARA overgenomen en eisers bezwaar

ongegrond verklaard.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat door zijn vertrek de formatie is ingekrompen, omdat

de door zijn vertrek vrijgekomen positie niet is ingevuld. In bezwaar heeft verweerder meegedeeld dat het de intentie is dat een medewerker die op dat moment op basis van detachering werkzaam is, per 1 april 2018 structureel wordt benoemd. Tijdens de behandeling van het bezwaar op de hoorzitting van 27 maart 2018 is echter gebleken dat van een benoeming van die medewerker per 1 april 2018 geen sprake is. Na de hoorzitting heeft verweerder nog twee prints uit Youforce met cijfers over de formatie per 1 januari 2017 ingediend bij de commissie ARA, maar van een toelichting op die cijfers is geen sprake. Uit de cijfers kan volgens eiser niet worden afgeleid dat door zijn vertrek geen sprake is van krimp.

4. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat het volgens het

Flankerend beleid niet gaat om de vraag of eisers feitelijke werkzaamheden (“de stoel”) inmiddels worden uitgeoefend door een andere medewerker, maar om de vraag of het individuele vertrek van eiser heeft geleid tot reductie van de formatie in de functie projectmanager. Dat is niet het geval. Voorts heeft verweerder het bestreden besluit toegelicht. Per 1 december 2018 is de externe medewerker die aanvankelijk op detacheringsbasis werkzaam was, benoemd in de functie (medior) projectmanager. Bij het verweerschrift zijn twee overzichten van de formatie per 1 januari 2017 en per 1 januari 2018 gevoegd.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

In de Inleiding van het Flankerend beleid - dat is vastgesteld op 21 oktober 2014 en dat

een looptijd heeft van 1 oktober 2014 tot 1 januari 2018 - staat dat de komende jaren de omvang van het personeelsbestand van de gemeente Groningen door verschillende organisatieveranderingen structureel kleiner zal worden en dat een aantal organisatieveranderingen gepaard zal gaan met bezuinigingen. Die bezuinigingsoperatie heeft personele consequenties. Tot en met 2015 verwacht de gemeente Groningen een reductie van de formatie van 250 formatie-eenheden. Dat zal in de periode tot en met 2017 oplopen tot ca. 400 formatie-eenheden.

Het Flankerend beleid is van toepassing op drie categorieën ambtenaren, namelijk

a. boventallige medewerkers;

b. remplaçanten;

c. vrijwillig mobiele medewerkers.

Om onder de desbetreffende categorie te kunnen vallen zijn in het beleid de voorwaarden opgenomen. Voor categorie c is opgenomen:


“Onder vrijwillig mobiele medewerker wordt verstaan:

De medewerker in dienst van de gemeente Groningen die op eigen verzoek vrijwillig (gedeeltelijk) de organisatie verlaat, mits:

- door diens vertrek de formatie wordt ingekrompen; of

- wanneer in diens vacant geworden betrekking een boventallige medewerker wordt benoemd.”

Onder 1 tot en met 15 zijn de faciliteiten in het kader van het Flankerend beleid opgesomd en toegelicht.

Onder “11. Stimuleringspremie vrijwillige uitstroom bij vestiging als ZZP’er, al dan niet in combinatie met afbouw dienstverband bij gemeente” zijn de voorwaarden opgenomen waaraan de medewerker moet voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor toekenning van de stimuleringspremie.

5.2.

Ter beantwoording ligt voor de vraag of eiser onder het toepassingsbereik van

het Flankerend beleid valt. Zoals onder 5.1 is aangegeven, is het Flankerend beleid van toepassing op drie categorieën van ambtenaren. In het geval van eiser is aan de orde de vraag of eiser onder categorie c, de vrijwillig mobiele medewerker, valt. Niet is in geschil dat in eisers vacant geworden betrekking geen boventallige medewerker is benoemd. Daarmee dient de vraag te worden beantwoord of door eisers vertrek de formatie is ingekrompen.

5.3.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de formulering van de in het Flankerend

beleid opgenomen definitie van vrijwillig mobiele medewerker dat er een causaal verband moet bestaan tussen eisers vertrek en de inkrimping van de formatie. Voor zover dat betekent dat als gevolg van eisers vertrek zijn functie zou moeten zijn vervallen, stelt de rechtbank vast dat eisers functie projectmanager is blijven bestaan. Eisers stelling dat door zijn vertrek de formatie per definitie is gekrompen kan niet worden gevolgd. Het gaat immers om de relatie tussen eisers vertrek en de formatie van de afdeling waar hij werkzaam was. Daarbij heeft als formatie te gelden het aantal fte's dat binnen de gemeente voor de afdeling is vastgesteld en niet, zoals eiser veronderstelt, het aantal functies dat op enig moment feitelijk wordt ingevuld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende onderbouwd dat geen sprake is van krimp in die formatie. Met de bij het verweerschrift in bezwaar gevoegde bijlage inzake de bezetting van het medior projectmanagement per 1 november 2017 en 1 april 2018, de bij het advies van de commissie ARA gevoegde uitdraaien uit Youforce, alsmede de bij het verweerschrift in beroep gevoegde bezettingsoverzichten per 1 januari 2017 en 1 januari 2018 heeft verweerder voldoende inzichtelijk gemaakt dat een inkrimping van de formatie niet aan de orde is (geweest). Integendeel, er is sprake van een toename van de formatie. Eiser heeft niet onderbouwd waarom uit de door verweerder ingebrachte overzichten niet kan worden afgeleid dat de formatie niet is ingekrompen.

5.4.

De rechtbank overweegt verder als volgt. Het Flankerend beleid diende er toe om de

mobiliteit van de medewerkers te vergroten en de formatie te reduceren, zodat gedwongen ontslagen voorkomen zouden kunnen worden, zo heeft verweerder ter zitting toegelicht. Verweerder heeft in dat kader meegedeeld dat ten tijde van eisers ontslag in het onderdeel van de organisatie waar eiser werkzaam is geweest, geen sprake (meer) was van een beoogde krimp van de formatie. Dat wordt bevestigd door de e-mails van
13 oktober 2017 en van 16 oktober 2017, als genoemd onder 1.2. Uit die mails volgt dat eind 2017 geen sprake (meer) was van een door te voeren inkrimping van de formatie van de afdeling waar eiser werkzaam was en dus ook niet van een voornemen om eisers functie na diens vertrek niet meer in te vullen.

5.5.

Ook nadien is niet gebleken van inkrimping van de formatie. De enkele omstandigheid

dat niet gelijk na eisers vertrek een vacature is opengesteld, maakt niet dat daarmee sprake is van een inkrimping van de formatie. Verweerder heeft aangegeven dat eisers taken in eerste instantie onder collega’s zijn verdeeld om de voortgang van de werkzaamheden te waarborgen en dat er een externe kracht is ingehuurd die een deel van de bij de functie behorende werkzaamheden vervulde. Verder is de functie uitgeoefend door een medewerker op detacheringsbasis. Dat eerst per 1 december 2018 een medewerker daadwerkelijk is benoemd in de functie, maakt niet dat vóór die datum sprake is geweest van inkrimping van de formatie. De functie is daarvoor immers wel vervuld.

5.6.

De rechtbank komt tot de conclusie dat als gevolg van eisers vertrek geen sprake is van

inkrimping van de formatie. Omdat eiser niet onder het toepassingsbereik van het Flankerend beleid valt, kan niet worden toegekomen aan de voorwaarden voor toekenning van de stimuleringspremie. Verweerder heeft de aanvraag om een stimuleringspremie terecht afgewezen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en mr. S. Dijkstra en
mr. R. Herregodts, leden, in aanwezigheid van H.M. Eleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.