Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3268

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
C/18/188903 / HA ZA 18/263
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

vermogensrechtelijke relatie samenwoners, ongerechtvaardigde verrijking door investeringen man in de woning van de vrouw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/188903 / HA ZA 18-263

Vonnis van 17 juli 2019

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. P. van Wijngaarden te Groningen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.E. Bentum te Veendam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 februari 2019

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 17 mei 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde] hebben tussen december 2007 en februari 2016 een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit hun relatie is in oktober 2014 een dochter geboren.

2.2.

Partijen hebben vanaf maart/april 2012 tot aan het einde van hun relatie samengewoond in de woning gelegen te [adres] ('de woning'). Deze woning was in eerste instantie eigendom van de grootouders van [gedaagde] en werd door haar gehuurd. In december 2013 heeft [gedaagde] de woning van haar grootouders gekocht voor een koopsom van € 135.000,00, waarna de woning op 20 december 2013 aan haar is geleverd.

2.3.

In opdracht van [gedaagde] heeft [naam] , verbonden aan Dijk Vastgoed Scheemda, de waarde van de woning per 8 oktober 2013 getaxeerd op € 160.000,00.

2.4.

Gedurende de periode van samenwonen heeft [eiser] , op eigen kosten, diverse werkzaamheden in en aan de woning verricht.

2.5.

[eiser] heeft naast de woning een (eveneens door hem betaalde) schuur geplaatst, ten behoeve van zijn loon- en grondverzetbedrijf, voorzien van inrit naar de schuur toe ('de schuur').

2.6.

Na het verbreken van hun relatie hebben partijen, onder meer, gesproken over de vraag aan wie de schuur toe zou moeten komen, en onder welke voorwaarden. Blijkens een door beide partijen op 6 september 2016 ondertekend document zijn zij op dit punt het volgende overeengekomen:

"De schuur incl stelcomplaten wordt gedemonteerd door [eiser] . Vooraf worden foto's gemaakt van de woning om eventuele schade vast te stellen.

[…]

Als [eiser] zijn woning rond heeft met de bijbehorende bouwvergunning wordt de schuur overgeheveld.

Tot dat de schuur verplaatst is mag [eiser] op afspraak/in overleg met [naam] spullen uit de schuur halen."

2.7.

Nadien heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat deze afspraken onder invloed van dwaling tot stand zijn gekomen, en de vernietiging daarvan ingeroepen. [eiser] heeft dat standpunt betwist. Partijen hebben in december 2016 via hun wederzijdse advocaten van gedachten gewisseld over dit onderwerp. Daarbij heeft de (toenmalige) advocaat van [eiser] bij brief van 16 december 2016 te kennen gegeven dat indien [gedaagde] bij haar standpunt zou blijven, een kort geding onvermijdelijk zou zijn.

2.8.

Op 17 december 2016 heeft [eiser] , vergezeld van werklieden en materieel, zich naar de woning begeven en is begonnen de schuur te demonteren. Nadat [gedaagde] hem had gesommeerd die demontage te staken en haar perceel te verlaten, en na overleg met de politie, heeft [eiser] gehoor gegeven aan die sommatie.

2.9.

Nadien zijn partijen alsnog overeengekomen dat de schuur aan [eiser] toe zou komen, en is deze door [eiser] gedemonteerd en verkocht aan een derde.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde] primair veroordeelt om aan [eiser] te voldoen, tegen behoorlijk

bewijs van kwijting, een bedrag van € 16.809,62, althans subsidiair te verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is jegens [eiser] ter zake de door [gedaagde] veroorzaakte vertraagde demontage van de schuur van [eiser] en [gedaagde] te veroordelen aan [eiser] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te voldoen de in goede justitie te bepalen schade welke [eiser] hierdoor lijdt, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

2 te verklaren voor recht dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt en [eiser] ongerechtvaardigd is verarmd vanwege de door [eiser] in en aan de woning van [gedaagde] verrichte werkzaamheden waardoor de onroerende zaak van [gedaagde] in waarde is gestegen en [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] deze ongerechtvaardigde verrijking te vergoeden, althans [gedaagde] te veroordelen op grond van de redelijkheid en billijkheid een in goede justitie te bepalen waardevermeerdering van de woning, veroorzaakt door de werkzaamheden van [eiser] , aan [eiser] te vergoeden, tegen behoorlijk bewijs van kwijting en te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening en daarbij de ongerechtvaardigde verrijking vast te stellen op € 28.201,76, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag;

3 [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en, voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet ontvankelijkheid, althans afwijzing van de vorderingen, onder veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

3.3.

Op de stellingen en het verweer van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 Het geschil en de beoordeling daarvan

de vordering ten aanzien van de schuur

4.1.

Aan zijn vordering sub 1 heeft [eiser] het navolgende ten grondslag gelegd. Partijen hebben op 6 september 2016 afgesproken dat [eiser] de schuur zou mogen demonteren en meenemen, die afspraak is schriftelijk vastgelegd. Op 17 december 2016 is [eiser] , in de veronderstelling daar toestemming voor te hebben en vergezeld van mannen en materieel, naar de woning gegaan om de schuur te demonteren en mee te nemen. Tijdens die werkzaamheden heeft [gedaagde] hem, samen met inmiddels gearriveerde politie, gesommeerd de demontage te staken, waaraan [eiser] gehoor heeft gegeven. Deze wijze van handelen kwalificeert als een onrechtmatige daad van [gedaagde] jegens [eiser] , zodat [gedaagde] gehouden is de dientengevolge door [eiser] geleden schade te vergoeden. Die schade bestaat in de eerste plaats uit de kosten die [eiser] (tevergeefs) heeft gemaakt in verband met het inhuren van mankracht en materieel (€ 3.919,40), in de tweede plaats uit de vervangende huurruimte die [eiser] heeft moeten zoeken omdat hij niet tijdig de beschikking over de schuur kreeg (€ 9.801,00) en in de derde plaats uit nadien uitgevoerde herstelkosten aan de schuur (€ 3.089,32). Deze laatste schadepost is ontstaan doordat de schuur, op het moment dat [gedaagde] sommeerde de demontage te staken, al niet meer wind- en waterdicht was, en daardoor in de periode na 17 december 2016 schade heeft opgelopen.

4.2.

[gedaagde] heeft tot haar verweer aangevoerd dat zij in september 2016 weliswaar had afgesproken dat de schuur aan [eiser] zou toekomen, maar enkel in de veronderstelling dat die schuur zijn eigendom was en hij die schuur nodig had voor de uitoefening van zijn onderneming. Nadien is zij tot de overtuiging gekomen dat beide omstandigheden onjuist waren, en heeft zij zich ten aanzien van de gemaakte afspraken beroepen op dwaling. Partijen hebben via hun wederzijdse advocaten gedebatteerd over de vraag in hoeverre dit standpunt steekhoudend kon worden geacht. Op 16 december 2016 kondigde de advocaat van [eiser] in dit verband aan dat wanneer [gedaagde] bij haar standpunt zou blijven een kort geding onvermijdelijk zou zijn. Los daarvan acht [gedaagde] relevant dat in september 2016 was afgesproken dat de schuur pas gemonteerd zou worden wanneer [eiser] een bouwvergunning had om de schuur naast zijn nieuwe woning te mogen plaatsen, aan die voorwaarde was nog niet voldaan. Tegen deze achtergrond bezien was [gedaagde] onaangenaam verrast dat [eiser] op 17 december 2016 onaangekondigd langskwam om de schuur te demonteren en mee te nemen, heeft zij de politie gebeld en [eiser] gesommeerd te vertrekken. Voor zover [eiser] daardoor vergeefs kosten heeft gemaakt of anderszins schade heeft geleden dient dat volgens [gedaagde] voor zijn rekening te blijven, omdat hij wist, althans had moeten begrijpen dat hij geen toestemming had om de schuur op 17 december 2016 te demonteren. Subsidiair betwist [gedaagde] de omvang van de schadeposten zoals die door [eiser] zijn opgevoerd.

4.3.

De rechtbank oordeelt als volgt. Het erf waarop de schuur in december 2016 nog stond is eigendom van [gedaagde] . Tussen partijen is daarom terecht niet in geschil dat [eiser] (in beginsel) toestemming van [gedaagde] nodig had om dat erf op 17 december 2016 te mogen betreden teneinde de schuur te kunnen demonteren en mee te nemen. [eiser] stelt dat hij die benodigde toestemming had. Voor zover hij die toestemming meende te kunnen ontlenen aan de in september 2016 gemaakte afspraken is dat standpunt echter onjuist, ook wanneer het beroep van [gedaagde] op de vernietiging van die afspraken buiten beschouwing wordt gelaten. Uit de schriftelijke weergave van de gemaakte afspraken blijkt immers dat de schuur pas "overgeheveld" zou worden op het moment dat [eiser] zijn nieuwe woning, inclusief benodigde bouwvergunning "rond" zou hebben. Ter comparitie heeft [eiser] bevestigd dat aan die voorwaarde in december 2016 niet was voldaan. Daar komt bij dat partijen in september 2016 weliswaar hebben afgesproken dat de schuur aan [eiser] toe zou komen, maar dat [eiser] daaraan naar oordeel van de rechtbank hoe dan ook niet de toestemming heeft mogen ontlenen om zich op ieder door hem gewenst moment bij [gedaagde] te vervoegen om de schuur daadwerkelijk te demonteren, zonder dat moment (dat wil zeggen: datum en tijd) op voorhand met haar af te stemmen. Voor zover [eiser] heeft willen stellen dat hij de benodigde toestemming op enig moment, na de in september gemaakte afspraken, van [gedaagde] heeft gekregen, geldt dat die stelling in het licht van het gemotiveerde verweer van [gedaagde] onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank maakt uit de (niet weersproken) stellingen van [gedaagde] op dat partijen kort voor 17 december 2016 nog (via de wederzijdse advocaten) debatteerden over de vraag aan wie de schuur toe zou moeten komen, waarbij op 16 december van de zijde van [eiser] nog een kort geding in het vooruitzicht werd gesteld. Nergens blijkt uit dat partijen overeengekomen waren, dan wel dat [eiser] zelfs maar aangekondigd had op 17 december 2016 te zullen demonteren.

4.4.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] niet tekort is geschoten in haar verplichtingen onder de in september 2016 gemaakte afspraken. Daarbij kan in het midden blijven in hoeverre haar beroep op dwaling doel heeft getroffen. Dat [gedaagde] , onder de gegeven omstandigheden, onrechtmatig handelde door [eiser] op 17 december 2016 te sommeren de onaangekondigde demontage van de schuur te staken en te vertrekken is ook overigens niet gebleken. De gevorderde verklaring voor recht dient daarom afgewezen te worden.

4.5.

Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding oordeelt de rechtbank als volgt. Waar [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] in ieder geval toestemming had moeten geven om de schuur na 17 december 2016 weer waterdicht te maken geldt dat [gedaagde] onweersproken heeft aangevoerd die gelegenheid wel degelijk te hebben geboden, maar dat [eiser] daar geen gebruik van heeft gemaakt. Het deel van de schadevordering dat ziet op de kosten van herstel van de schuur dient daarom afgewezen te worden. Aan beoordeling van de beide andere schadeposten (vergeefse inhuur en kosten vervangende ruimte) komt de rechtbank niet toe, omdat die posten voortvloeien uit de (verworpen) stelling dat [gedaagde] de demontage van de schuur op 17 december 2016 ten onrechte zou hebben tegengehouden.

4.6.

De rechtbank zal de vordering sub 1 in zijn geheel afwijzen.

de vordering ten aanzien van de door [eiser] bekostigde werkzaamheden

4.7.

Aan zijn vordering sub 2 heeft [eiser] het volgende ten grondslag gelegd. Tijdens de relatie van partijen heeft [eiser] , op eigen kosten maar in overleg met [gedaagde] , vele verbeteringen aan de woning van [gedaagde] aangebracht, althans laten aanbrengen. Het betreft hier een investering van (in ieder geval) € 28.201,76, waarbij nog geen rekening is gehouden met eigen uren. Ten gevolge van die investering is de woning van [gedaagde] in waarde gestegen, in ieder geval met een bedrag gelijk aan de door [eiser] gemaakte kosten. Een en ander levert een ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van [gedaagde] op, zodat zij gehouden is een bedrag groot € 28.201,76 aan [eiser] te voldoen.

4.8.

De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat partijen ten tijde van de relevante feiten samenwoonden op basis van een affectieve relatie. Dit betekent dat de vermogensrechtelijke verhouding tussen hen beiden in beginsel moet worden bepaald aan de hand van het algemene verbintenissenrecht, zonder overeenkomstige toepassing van de regels die in de wet zijn opgenomen ten aanzien van de vermogensrechtelijke relatie tussen echtgenoten en geregistreerde partners. Daarbij kan tussen partijen, uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend, een overeenkomst tot stand zijn gekomen die (ook) de vermogensrechtelijke aspecten van hun samenleving regelt. Daarnaast is mogelijk dat een van partijen, indien aan de voorwaarden van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) is voldaan, een aanspraak heeft op teruggave of vergoeding van bepaalde uitgaven die zijn gegeven aan of ten gunste gekomen van de andere partij. Ook als ter zake van bepaalde uitgaven niet een vergoedingsrecht van de ene samenlevende jegens de andere samenlevende kan worden aangenomen op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst of op grond van de overige in het Burgerlijk Wetboek geregelde rechtsfiguren, kan zo'n vergoedingsrecht in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval voortvloeien uit de in artikel 6:2 lid 1 BW bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid. Het ligt daarbij op de weg van de partij die zich op een vergoedingsrecht beroept om dergelijke bijzondere omstandigheden te stellen (HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707).

4.9.

In deze procedure heeft [eiser] zich uitdrukkelijk (en uitsluitend) op het standpunt gesteld dat hij uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking als bedoeld in artikel 6:212 BW een vergoedingsrecht kan doen gelden. Dit betekent dat de rechtbank heeft te beoordelen in hoeverre [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [eiser] , in welk geval, voor zover dit redelijk is, [gedaagde] gehouden is de door [eiser] geleden te schade te vergoeden tot het bedrag van die verrijking.

4.10.

De rechtbank ziet aanleiding om bij haar beoordeling een onderscheid te maken tussen enerzijds de door [eiser] bekostigde werkzaamheden die zijn uitgevoerd vóór 20 december 2013, en anderzijds de door [eiser] bekostigde werkzaamheden die zijn uitgevoerd ná 20 december 2013. [eiser] heeft overzichten van werkzaamheden in het geding gebracht, waarop deze zijn gerubriceerd per 'project', en per onderdeel zijn gedateerd. De genoemde werkzaamheden en bijbehorende datering zijn (als zodanig) niet door [gedaagde] betwist. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat vóór 20 december 2013 de door [eiser] als project 6 tot en met 13, 18 en 23 aangeduide werkzaamheden zijn uitgevoerd, ná 20 december 2013 de als project 17, 19, 20 en 21 aangeduide werkzaamheden.

Werkzaamheden uitgevoerd vóór 20 december 2013

4.11.

[gedaagde] heeft er in het kader van haar verweer (onder meer) op gewezen dat zij pas per 20 december 2013 eigenaar is geworden van de woning, zodat volgens haar vóór dat moment uitgevoerde werkzaamheden aan haar zijde niet tot een verrijking hebben geleid.

4.12.

De rechtbank oordeelt op dit punt als volgt. [eiser] heeft zijn vordering bij dagvaarding gestoeld op de stelling dat hij werkzaamheden heeft uitgevoerd aan de woning van [gedaagde] , in dat verband kosten heeft gemaakt, dat die woning daardoor in waarde is gestegen, en dat [gedaagde] daardoor (naar de rechtbank begrijpt: rechtstreeks) is verrijkt. Terecht voert [gedaagde] echter aan dat een dergelijke waardestijging (in ieder geval in eerste instantie) ten goede is gekomen aan het vermogen van de eigenaar van de woning, en tot 20 december 2013 waren dat de grootouders van [gedaagde] . Dit betekent dat de door [eiser] bekostigde werkzaamheden, voor zover uitgevoerd vóór 20 december 2013, niet tot een rechtstreekse verrijking aan de zijde van [gedaagde] kunnen hebben geleid.

4.13.

Naar aanleiding van dit verweer van [gedaagde] heeft [eiser] vervolgens ter comparitie aangevoerd dat de door [gedaagde] met haar grootouders overeengekomen koopsom € 25.000,00 lager lag dan de marktwaarde van de woning, in oktober 2013 (inclusief de tot dat moment uitgevoerde werkzaamheden) getaxeerd op € 160.000,00. Volgens [eiser] is die 'korting' overeengekomen om [gedaagde] te compenseren voor de waardestijging van de woning die het gevolg was van de (tot dat moment) door [eiser] uitgevoerde werkzaamheden en de aanwezigheid van de (inmiddels geplaatste) schuur, de waarde waarvan ook was meegenomen in de taxatie van € 160.000. Doordat [gedaagde] de woning inclusief (door [eiser] bekostigde) waardestijging heeft verkregen, zonder daarvoor te hoeven betalen, is zij volgens [eiser] ongerechtvaardigd verrijkt. [gedaagde] betwist deze stellingen van [eiser] , volgens haar hing het verschil tussen marktwaarde en koopsom uitsluitend samen met de aanwezigheid van de schuur (en bijbehorende oprit), niet met een waardestijging ten gevolge van de door [eiser] bedoelde werkzaamheden. Dat betekent, volgens [gedaagde] , dat voor zover al sprake was van een waardestijging ten gevolge van die werkzaamheden, zij daarvoor een marktconforme prijs heeft betaald en niet is verrijkt.

4.14.

Ten aanzien van deze nadere stellingen van [eiser] overweegt de rechtbank dat in een geval waarin de waarde van een onroerende zaak is vermeerderd als gevolg van investeringen door een persoon die daarvoor geen vergoeding heeft gekregen, en die zaak vervolgens door de eigenaar is verkocht en geleverd aan een derde tegen een prijs die vrij aanzienlijk lager was dan de door de investeringen verhoogde marktwaarde, de koper in beginsel een voordeel geniet dat zijn rechtvaardiging vindt in de koopovereenkomst. De omstandigheid dat de investeerder (de verarmde) in het verleden op eigen kosten de zaak heeft verbeterd en daardoor in waarde heeft doen toenemen, brengt in het algemeen niet mee dat een zodanig verband bestaat tussen de verrijking van de koper en de verarming van de verarmde dat de koper ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van de verarmde (HR 30 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7928).

4.15.

De rechtbank neemt daarom tot uitgangspunt dat voor zover [gedaagde] is verrijkt doordat zij de woning onder de marktwaarde heeft gekocht, en daarmee feitelijk voordeel heeft gekregen van de door [eiser] gedane investeringen, die verrijking haar rechtvaardiging vindt in de omstandigheid dat de grootouders van [gedaagde] kennelijk bereid waren in te stemmen met een koopprijs die onder de werkelijke waarde van de woning lag, waar zij de woning ook tegen de marktwaarde hadden kunnen verkopen (al dan niet aan een derde). Dat neemt niet weg dat er in een concreet geval omstandigheden kunnen zijn die aanleiding geven om van dit uitgangspunt af te wijken, mede in aanmerking genomen de door de Hoge Raad in het hiervoor vermelde arrest genoemde gezichtspunten. Dergelijke omstandigheden zijn door [eiser] echter niet aangevoerd, althans onvoldoende onderbouwd.

4.16.

Daar komt bij dat de rechtbank van oordeel is dat, zou het voorgaande al anders zijn, [eiser] onvoldoende heeft gesteld omtrent zowel het bestaan als de omvang van de vermeende verrijking van [gedaagde] . Immers, zijn stelling is dat de verrijking bestaat uit de tussen [gedaagde] en haar grootouders overeengekomen 'korting' van € 25.000,00, welke 'korting' volgens hemt niet alleen verband hield met de schuur, maar óók met de waardevermeerdering door uitgevoerde werkzaamheden. Die stelling, door [gedaagde] gemotiveerd betwist, is niet feitelijk onderbouwd. Vervolgens heeft [eiser] evenmin toegelicht, zou al juist zijn dat de 'korting' óók op zijn werkzaamheden zag, welk deel daarvan dan betrekking had op de werkzaamheden (althans daaraan toegerekend zou moeten worden), terwijl zijn vordering enkel op dat deel ziet. Dat valt in ieder geval niet af te leiden uit de door hem overgelegde kostenoverzichten (waarvan [eiser] stelt dat de omvang overeenkomt met de waardestijging van de woning), omdat (bijvoorbeeld) nergens uit blijkt dat [gedaagde] en haar grootouders een dergelijk kostenoverzicht (althans een overeenstemmende waardevermeerdering) tot uitgangspunt hebben genomen bij hun onderhandelingen over de koopsom. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat de door [eiser] opgevoerde kosten en de kosten van de schuur (ter comparitie door [eiser] begroot op circa € 18.000,00) samen veel meer dan € 25.000,00 bedragen.

4.17.

Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank de vordering sub 2 af voor zover deze ziet op ongerechtvaardigde verrijking verband houdend met door [eiser] bekostigde werkzaamheden, voor zover deze vóór 20 december 2013 zijn uitgevoerd. Evenmin ziet de rechtbank reden om, op basis van de stellingen van [eiser] , de vordering tot vergoeding van deze kosten op een andere rechtsgrond toe te wijzen.

Werkzaamheden uitgevoerd vanaf 20 december 2013

4.18.

Ten aanzien van werkzaamheden uitgevoerd vanaf 20 december 2013 geldt dat deze, voor zover ze een waardevermeerdering hebben opgeleverd, in beginsel wel tot een directe verrijking aan de zijde van [gedaagde] hebben geleid, omdat zij vanaf dat moment enig eigenaar van de woning was. Voor zover de kosten van deze werkzaamheden door [eiser] zijn gedragen is aan zijn zijde bovendien sprake van een verarming, terwijl tussen beiden een voldoende verband bestaat. Daarmee resteert ter beoordeling de vraag of een dergelijke verrijking ten koste van [eiser] ongerechtvaardigd moet worden geacht, zoals [eiser] heeft gesteld.

4.19.

In de eerste plaats heeft [gedaagde] in dit verband aangevoerd, naar de rechtbank haar verweer begrijpt, dat tussen partijen ten tijde van de samenwoning een stilzwijgende afspraak heeft bestaan waarbij [gedaagde] de (kosten van) zorg voor de dochter van partijen voor haar rekening nam, maar ook de huur, hypotheeklasten en boodschappen betaalde. Ter compensatie voor die kosten betaalde [eiser] , aldus [gedaagde] , de kosten van de door hem uitgevoerde werkzaamheden. [gedaagde] stelt dat zij er altijd vanuit is gegaan dat de gezamenlijke kosten daarmee op een redelijke manier werden verdeeld. [eiser] heeft daarentegen betwist dat tussen partijen een dergelijke afspraak heeft bestaan, en bovendien aangevoerd dat hij de dagelijkse boodschappen en kosten van nutsvoorzieningen betaalde. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gesteld om aan te kunnen nemen dat tussen partijen een afspraak over de verdeling van kosten als door [gedaagde] bedoeld heeft bestaan, ook wanneer daarbij wordt betrokken dat een dergelijke afspraak stilzwijgend tot stand kan komen. Ook in dat geval komt het er immers wel op aan dat partijen over en weer uit elkaars gedragingen hebben mogen afleiden dat tussen hen een afspraak als door [gedaagde] gesteld tot stand was gekomen. De enkele feitelijke omstandigheid dat [gedaagde] bepaalde kosten voor haar rekening nam, [eiser] andere, acht de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat partijen daarmee ook (stilzwijgend) overeen zijn gekomen dat deze betalingen elkaar volledig compenseerden, en een en ander in de weg zou staan aan een vordering uit hoofde van (bijvoorbeeld) ongerechtvaardigde verrijking.

4.20.

Daarnaast heeft [gedaagde] in de tweede plaats aangevoerd dat de door [eiser] uitgevoerde werkzaamheden enkel op zijn initiatief zijn uitgevoerd, terwijl ze voor [gedaagde] achterwege hadden kunnen blijven. Wat daar ook van zij, vast staat dat [gedaagde] wist dat ze werden uitgevoerd, en daar (in ieder geval stilzwijgend) wel toestemming voor heeft gegeven. Daar komt bij dat, voor zover er sprake is van waardevermeerdering, [gedaagde] daar het voordeel van heeft, ongeacht of zij de werkzaamheden destijds heeft gewild of niet. Voor zover [gedaagde] heeft willen betogen dat een en ander in de weg staat aan een vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking verwerpt de rechtbank dit verweer.

4.21.

Dat geldt ook voor de stelling van [gedaagde] dat zij zelf óók verbeteringen heeft laten aanbrengen aan de woning, en in dat verband kosten heeft gemaakt. Wat daar verder ook van zij, het staat niet in de weg aan de vordering zoals die door [eiser] is ingesteld. De rechtbank wijst erop dat voor zover de door [gedaagde] bedoelde werkzaamheden (eveneens) tot een waardevermeerdering hebben geleid, ook die (enkel) ten gunste van haar vermogen is gekomen.

4.22.

Mede gelet op het voorgaande is de rechtbank met [eiser] eens dat, voor zover de door hem (na 20 december 2013) bekostigde werkzaamheden tot een waardevermeerdering van de woning hebben geleid, die verrijking ongerechtvaardigd moet worden geacht, en uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking tot een vordering van [eiser] op [gedaagde] leiden. Doorslaggevend is daarbij dat hij de volledige kosten heeft gedragen, terwijl [gedaagde] het volledige voordeel heeft gekregen, terwijl niet is gebleken van een (afdoende) rechtvaardiging voor een dergelijke vermogensverschuiving.

4.23.

Voor de goede orde merkt de rechtbank nog op dat [gedaagde] zich ook nog op verjaring heeft beroepen, maar enkel voor zover de vordering van [eiser] verband houdt met werkzaamheden die méér dan vijf jaar voor 12 december 2018 zijn uitgevoerd (zijnde de dag waarop de inleidende dagvaarding zou zijn uitgebracht). Gelet op hetgeen is geoordeeld omtrent werkzaamheden uitgevoerd voor 20 december 2013 komt de rechtbank niet toe aan bespreking van dit verweer.

Conclusie

4.24.

De rechtbank komt tot het oordeel dat, voor zover na 20 december 2013 door [eiser] bekostigde werkzaamheden tot een waardevermeerdering hebben geleid, [gedaagde] gehouden is die waardevermeerdering aan [eiser] te vergoeden, tot maximaal een bedrag gelijk aan de door [eiser] gemaakte kosten.

4.25.

Tussen partijen is echter in geschil óf en zo ja, in welke mate de bedoelde werkzaamheden daadwerkelijk tot een waardevermeerdering hebben geleid. [eiser] , op wie in dit verband conform de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast rust, stelt dat die waardevermeerdering overeen komt met de door hem geïnvesteerde kosten, maar heeft ter comparitie erkend dat niet gezegd is dat iedere investering in een woning tot een waardevermeerdering met de dezelfde omvang leidt. Daar staat tegenover dat op voorhand niet onaannemelijk is dat substantiële investeringen in ieder geval tot enige waardevermeerdering hebben geleid, terwijl [gedaagde] niet heeft gemotiveerd waarom daar in dit geval helemaal geen sprake van zou zijn geweest.

4.26.

De rechtbank ziet daarom aanleiding om een deskundige te benoemen, die zich dient uit te laten over de vraag of, en zo ja tot welk bedrag, de door [eiser] na 20 december 2013 bekostigde werkzaamheden tot een waardevermeerdering hebben geleid. Omdat partijen eveneens twisten over de vraag in hoeverre de door [eiser] opgevoerde kosten daadwerkelijk door hem zijn gemaakt zal de rechtbank de deskundige vragen zich ook uit te laten over de vraag in hoeverre de opgevoerde kosten in overeenstemming zijn met (de omvang en aard van) de betreffende werkzaamheden. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige en dat de deskundige in ieder geval de navolgende vragen dienen te worden voorgelegd:

1. Hebben de door [eiser] als:

project 17 (productie 11 bij dagvaarding),

project 19 (productie 13 bij dagvaarding),

project 20 (productie 14 bij dagvaarding) en

project 21 (productie 15 bij dagvaarding)

opgevoerde werkzaamheden tot een waardevermeerdering van de woning van [gedaagde] geleid?

2. Zo ja, kunt u, bij voorkeur per project, aangeven hoe groot die waardevermeerdering is geweest?

3. Kunt u, bij voorkeur per project, aangeven of u gelet op de aard en omvang van de betreffende werkzaamheden aannemelijk acht dat [eiser] de in dat verband door hem opgevoerde kosten heeft moeten maken?

4. Heeft u verdere opmerkingen die u van belang acht?

4.27.

Voordat de rechtbank een deskundige zal benoemen, dienen partijen zich bij akte uit te laten over:

- de aard van de verlangde deskundigheid;

- de vraag of met de benoeming van één deskundige kan worden volstaan;

- de persoon van de deskundige;

- de aan de deskundige te stellen vragen.

4.28.

De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg overeenstemming bereiken over de persoon van de deskundige. Voor zover partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de persoon van de deskundige - en zij om die reden ieder een deskundige voorstellen - dienen partijen gemotiveerd aan te geven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige en waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking zou moeten komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid ten opzichte van één of meer van de partijen. Dergelijke zwaarwegende redenen dienen onderbouwd te worden gesteld, bij gebreke waarvan de rechtbank aan bezwaren voorbij zal kunnen gaan. Na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming van een potentiële deskundige, zal de rechtbank vervolgens een door partijen aangedragen deskundige of een zelf gekozen deskundige benoemen.

4.29.

De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen, zodat partijen zich over de onder 4.27 genoemde punten kunnen uitlaten. Partijen dienen de concept akte uiterlijk een week vóór de rolzitting naar elkaar te sturen, zodat zij in de definitieve akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren.

4.30.

Uitgangspunt van de wet is dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Omdat [eiser] met een toevoeging procedeert, zal dit voorschot in debet worden gesteld.

4.31.

De rechtbank houdt, in afwachting van de door partijen te nemen aktes, iedere verdere beslissing aan.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 14 augustus 2019 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage;

5.2.

bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk één week voor de hiervoor genoemde zitting hun concept-akten toesturen, zodat zij ieder in hun eigen definitieve akte kunnen reageren op de standpunten van de wederpartij;

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.S. Huizinga en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2019.1

1 type: 827 coll: