Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3192

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-07-2019
Datum publicatie
19-07-2019
Zaaknummer
18/840101-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens medeplegen poging tot doodslag tot een jeugddetentie van 3 dagen met aftrek en een taakstraf van 200 uren waarvan 130 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering benadeelde partij.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77i
Wetboek van Strafrecht 77m
Wetboek van Strafrecht 77n
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77z
Wetboek van Strafrecht 77aa
Wetboek van Strafrecht 77gg
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/840101-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 juli 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] ,

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de besloten terechtzitting van

5 juli 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.W. de Jong, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. van den Oever.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 november 2018 te Groningen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven,

met dat opzet die [slachtoffer] (meermalen en/of met kracht) in/op en/of

tegen het gezicht en/of het hoofd heeft/hebben geschopt en/of gestampt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 24 november 2018 te Groningen tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer]

(meermalen en/of met kracht) in/op en/of tegen het gezicht en/of het hoofd

en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft/hebben geschopt en/of gestampt

en/of (meermalen en/of met kracht) op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op

en/of tegen het lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 24 november 2018 te Groningen

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

[slachtoffer] heeft mishandeld door hem (meermalen en/of met kracht) in/op

en/of tegen het gezicht en/of het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het

lichaam te schoppen en/of te stampen en/of (meermalen en/of met kracht) op

en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te slaan

en/of te stompen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van de stukken in het dossier veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde. De officier heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten, omdat zij als groep geweld hebben gebruikt tegen aangever en niemand zich afzijdig heeft gehouden. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] aangever tegen het hoofd hebben geschopt, gelet op de zichtbare verwondingen die zijn geconstateerd. Het hoofd is een kwetsbaar onderdeel van het menselijk lichaam. Het is een feit van algemene bekendheid dat het meermaals met geschoeide voet schoppen tegen het hoofd kan leiden tot de dood. Door op een dergelijke manier te handelen, hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever daardoor zou komen te overlijden. Op grond van het voorgaande heeft de officier van justitie geconcludeerd het medeplegen van poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak betoogd van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het medeplegen niet kan worden bewezen. Er is geen sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten, maar van een spontane confrontatie. Er is van te voren geen overleg geweest tussen verdachte en de medeverdachten. De raadsvrouw heeft verder betoogd dat verdachte geen opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van aangever dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Verdachte heeft slechts gereageerd op het geweld waarmee hij werd geconfronteerd. Voorts heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat er geen aanmerkelijke kans was op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel. Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld hoe hard verdachte aangever heeft geslagen en geschopt of dat verdachte degene is die de verwondingen heeft veroorzaakt die bij aangever zijn geconstateerd. Gelet hierop kan het primair en subsidiair ten laste gelegde niet worden bewezen en dient verdachte hiervan te worden vrijgesproken.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het meer subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde

1. De door verdachte op de terechtzitting van 5 juli 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb [slachtoffer] op 24 november 2018 tegen het hoofd geschopt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 november 2018, opgenomen op pagina 61 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100 2018327119 d.d. 14 december 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Op zaterdag 24 november 2018 ging ik met de groep van het Poortje voetballen. Tijdens het voetballen werd ik meerdere malen uitgedaagd door drie jongens: [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] . Omstreeks 21:00 uur liepen wij in een lange gang. Het uitdagen bleef doorgaan. Ik liep terug naar [verdachte] en zei dat ze moesten ophouden en dat ik er klaar mee was. Hierop vielen de drie jongens mij direct aan. Ik zag toen een rechterarm met gebalde vuist op mijn gezicht af komen. Ik voelde dat ik geslagen werd aan de linkerzijde van mijn gezicht. Ik wilde [medeverdachte 1] een klap geven. Ik sloeg hierbij mis en raakte een raam. Ik viel toen over een been, omdat we heel dicht op elkaar stonden. Ik lag toen op de grond. Ik zag in mijn ooghoek aan mijn linker zijde het rechterbeen van [medeverdachte 1] richting mijn gezicht komen. Ik voelde vervolgens dat zijn rechterbeen tegen de zijkant van mijn hoofd kwam. Dit was net boven mijn linkeroor. Ik voelde door deze schop een hevige stekende pijn. Ik zag dat hij met zijn rechterbeen nogmaals een schoppende beweging met meer dan geringe kracht maakte in de richting van mijn gezicht. Ik voelde hierop dat zijn rechterbeen tegen mijn bovenlip net onder mijn neus kwam. Ik voelde hierdoor hevige stekende pijn. Ik raakte voor mijn gevoel toen even buiten kennis. Ik opende mijn ogen weer en zag dat [medeverdachte 1] nog een keer een schoppende beweging maakte in de richting van mijn gezicht. Deze laatste schop kon mijn begeleider nog net tegen houden door [medeverdachte 1] weg te duwen. Ik voelde dat ik duizelig was. Er werd mij in het ziekenhuis verteld dat ik voornamelijk kneuzingen had. Ik heb een verwonding aan de linkerzijde van mijn hoofd, net boven mijn linkeroor. Ik heb wat wondjes rond mijn neus en mond.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 25 november 2018, opgenomen op pagina 20 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van

[medeverdachte 1] :

Wij hebben alle drie op hem ingeslagen. Het klopt dat hij (de rechtbank begrijpt:

[slachtoffer] ) op de grond terecht kwam en dat er op hem getrapt is. Ik heb hem een keer op zijn hoofd getrapt.

Medeplegen

Op basis van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] ruzie hebben gekregen met aangever. Hierop hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] aangever meermalen met kracht tegen het hoofd geschopt, terwijl aangever op de grond lag. Gelet op de feitelijke gedragingen zoals hiervoor beschreven, waarbij verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] tegelijkertijd geweldshandelingen hebben gepleegd tegen aangever, is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte, die ook heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering, en derhalve van medeplegen.

Poging doodslag

Naar algemene ervaringsregels roept het meermalen met geschoeide voet met kracht schoppen tegen het hoofd de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer daardoor komt te overlijden. Dit geldt vooral wanneer het slachtoffer op de grond ligt. Het hoofd is een zeer kwetsbaar onderdeel van het lichaam en grof geweld tegen het hoofd kan makkelijk leiden tot de dood. Verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] moeten zich daarvan bewust zijn geweest. Dat er relatief beperkt letsel bij aangever is geconstateerd, maakt dit niet anders. Overigens volgt uit de verklaring van aangever wel dat hij even buiten westen raakte. De rechtbank is van oordeel dat het meermalen met geschoeide voet met kracht schoppen tegen het hoofd, terwijl aangever op de grond lag, om die reden naar de uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan dan dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] de aanmerkelijke kans op dat gevolg, de dood, bewust hebben aanvaard. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 24 november 2018 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen en met kracht in het gezicht en tegen het hoofd hebben geschopt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primair medeplegen van poging tot doodslag

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 3 dagen met aftrek van het reeds ondergane voorarrest en een taakstraf van 200 uren waarvan 130 uren voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 31 mei 2019. De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden verklaard. Hoewel verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zeer ernstig feit, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat gelet op de complexe problematiek van verdachte en zijn jonge leeftijd een taakstraf in plaats van een jeugddetentie een passende reactie vormt. Nu verdachte in het kader van het civiele traject (de machtiging gesloten jeugdhulp) wordt begeleid en behandeld, zal oplegging van de maatregel jeugdreclassering dienen als stok achter de deur om recidive te voorkomen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat oplegging van een jeugddetentie of een leerstraf niet in het belang is van verdachte, omdat deze straffen gelet op zijn problematiek te belastend zijn. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het rapport van de Raad van 31 mei 2019. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het aantal op te leggen uren gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

Verdachte heeft zich op 24 november 2018 schuldig gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag. Na een potje voetbal is er plotseling een vechtpartij ontstaan tussen aangever, verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . Aangever is op de grond terecht gekomen waarna verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hem met kracht meerdere malen tegen het hoofd hebben geschopt. Hoewel het letsel relatief beperkt is gebleven, hadden de gevolgen ook veel ernstiger kunnen zijn. Dat aangever niet meer letsel heeft opgelopen dan nu het geval is, is een geluk geweest en zeker niet te danken aan het handelen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . De rechtbank rekent verdachte zijn handelswijze aan.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 19 juni 2019 niet eerder is veroordeeld.

Uit het psychologische Pro Justitia rapport van 11 februari 2019 is naar voren gekomen dat er bij verdachte sprake is van ADHD en een oppositionele-opstandige gedragsstoornis. Verdachte functioneert op licht verstandelijk beperkt niveau en er is sprake van hechtingsproblematiek. Voornoemde stoornissen en de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens waren ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde waardoor het bewezen verklaarde verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank kan zich met deze conclusie verenigen en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend. De gedragsdeskundige heeft geadviseerd om aan verdachte een voorwaardelijke taakstraf op te leggen met een proeftijd van 2 jaren.

Uit het rapport van de Raad van 31 mei 2019 volgt dat verdachte een veertienjarige jongen is wiens leven zich van jongs af aan kenmerkt door een onrustige thuissituatie, een lange hulpverleningsgeschiedenis en meerdere politiecontacten. Verdachte verblijft momenteel binnen de gesloten setting van de [instelling 1] waar het goed lijkt te gaan. Ook lukt het verdachte nu geruime tijd om zijn dagbesteding bij de [instelling 2] vast te houden. Ten aanzien van het delictgedrag is de Raad van mening dat dit voor een groot deel te herleiden is naar verdachtes problematiek. Dit maakt dat verdachte slechts gering bestand is tegen groepsdruk, hij impulsief is en over onvoldoende vaardigheden beschikt om te kunnen denken in termen van oorzaak en gevolg en de consequenties van zijn gedrag niet op tijd kan overzien. Intensieve behandeling om zo (de gevolgen van) de gedragsproblematiek van verdachte te verminderen is dan ook van belang om het hoge recidiverisico in te perken. De Raad ziet echter dat dit, gelet op de reeds vele ingezette trajecten nog veel tijd zal gaan kosten met mogelijk slechts geringe voortgang. Daarom acht de Raad toezicht en begeleiding van de jeugdreclassering van meerwaarde, om de risico's zoveel als mogelijk te beperken en ter ondersteuning van het civiele traject. Om het recidiverisico te beperken acht de Raad een middelenverbod als bijzondere voorwaarde van belang, omdat verdachte bekend is met middelengebruik en dit een verhoogd risico op recidive met zich meebrengt. Oplegging van een voorwaardelijke jeugddetentie acht de Raad niet passend, omdat bij recidive de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie niet wenselijk is door verdachtes complexe problematiek. De Raad heeft geadviseerd om aan verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen.

Gelet op de aard en de ernst van het door verdachte gepleegde feit, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie in beginsel een passende reactie vormt. Gelet op verdachtes jonge leeftijd en zijn complexe problematiek alsmede het feit dat het bewezen verklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend, zal de rechtbank een jeugddetentie opleggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Gezien de inhoud van het advies van de Raad van 31 mei 2019, het psychologisch rapport Pro Justitia van 11 februari 2019 en hetgeen ter zitting door deskundigen omtrent de persoon van verdachte naar voren is gekomen, acht de rechtbank het van groot belang dat de behandeling in het kader van het civiele traject wordt voortgezet. Om uitdrukking te geven aan de ernst van het feit en ter ondersteuning van het civiele traject om recidive te voorkomen, zal de rechtbank aan verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf opleggen. Aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen taakstraf zullen de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals opgenomen in het rapport van de Raad van 31 mei 2019. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de strafeis van de officier van justitie een passende reactie vormt.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, met dien verstande dat gelet op de rolverdeling een bedrag van € 825,- voor rekening van verdachte dient te komen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

24 november 2018 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel waarbij vervangende jeugddetentie op nihil wordt gesteld. Het overige deel van de vordering dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen dan wel te matigen, omdat de immateriële schade onvoldoende is onderbouwd.

Indien de rechtbank hier niet in mee gaat, heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om geen hoofdelijkheid toe te passen, maar om te bepalen dat een apart deel van de schade voor rekening van verdachte komt en dat de vervangende jeugddetentie op nihil wordt gesteld.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd bestaande uit de post fysiek letsel en de post psychische gevolgen. Ten aanzien van de post psychische gevolgen overweegt de rechtbank als volgt. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat voor vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 BW vereist is dat het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel bij de benadeelde partij als gevolg van het primair ten laste gelegde onvoldoende aannemelijk is geworden, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van dit onderdeel daarom afwijzen.

Ten aanzien van de post fysiek letsel kan de rechtbank enkel vaststellen dat verdachte door het primair ten laste gelegde een bult en een schram heeft opgelopen en dat hij bewusteloos is geweest. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 BW schat de rechtbank de hoogte van de fysieke schade in totaal op € 750,-. Het fysieke letsel is toegebracht door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . Verdachte zal worden veroordeeld tot betaling van 50% van dat deel van de vordering omdat de hoofdelijkheid niet zal worden opgelegd. De rechtbank ziet gelet op het door verdachte en medeverdachte gebruikte geweld geen aanleiding om te komen tot een andere dan gelijke verdeling van het schadebedrag.

Met betrekking tot het overige deel van de gestelde schade beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. De rechtbank zal geen vervangende jeugddetentie opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 3 dagen.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 200 uren.

De werkstraf moet binnen 6 maanden zijn verricht.

Bepaalt dat van deze werkstraf een gedeelte, groot 130 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, schuldig heeft gemaakt aan de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak (telefonisch) meldt de [stichting] , telefoonnummer [telefoonnummer] , en dat hij zich daarna zal blijven melden zo lang en zo frequent als deze instelling dat noodzakelijk acht;

2. dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van verdovende middelen en alcohol en ten behoeve van dit verbod aan bloedonderzoek of urineonderzoek meewerkt.

Geeft aan de gecertificeerde instelling [stichting] opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 35 dagen zal worden toegepast.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf, vervangende jeugddetentie voor de duur van 65 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de werkstraf niet naar behoren verricht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 375,- (zegge: driehonderd vijfenzeventig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2018.

Bepaalt dat deze benadeelde partij wat betreft het overige deel van de immateriële schade dat ziet op de post fysiek letsel niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Wijst de vordering van deze benadeelde partij voor wat betreft de post psychische gevolgen af.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] te betalen een bedrag van € 375,- (zegge: driehonderd vijfenzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2018. Dit bedrag bestaat uit

€ 375,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. R. Baluah en mr. B.F. Hammerle, rechters, bijgestaan door mr. A.C. Fennema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 juli 2019.