Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3104

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
18/141137-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak art. 246 Sr. Er kan niet bewezen worden dat verdachte aangeefster heeft gedwongen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/141137-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 juli 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1955 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 15 januari 2019 en 2 juli 2019.

Verdachte is verschenen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot en met 16 januari 2017 te Klazienaveen, gemeente Emmen, en/of elders in Nederland, (telkens) door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met

geweld of een andere feitelijkheid (telkens) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, een en ander (telkens) hierin bestaande, dat verdachte onverwachts en/of ondanks het door die [slachtoffer] verbaal en/of lichamelijk gepleegde verzet

- de borsten van die [slachtoffer] heeft betast en/of

- de vagina van die [slachtoffer] heeft betast en/of

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer] heeft geduwd/gebracht en/of

- de benen van die [slachtoffer] uit elkaar heeft geduwd/getrokken en/of

- een of meer van zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer] heeft geduwd/gebracht;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De aangifte wordt voldoende ondersteund om wettig en overtuigend te kunnen bewijzen dat de tenlastegelegde handelingen hebben plaatsgevonden. De aangifte wordt in de eerste plaats ondersteund door de verklaring van verdachte zelf, te weten dat hij heeft bevestigd dat hij aangeefster wel eens naar bed toe bracht en haar instopte. Daarnaast heeft mevrouw [naam 1] , de mentor van aangeefster, verklaard dat aangeefster naar haar toe is gekomen en heeft verteld dat verdachte fysieke toenadering had gezocht. Dit matcht met de aangifte. Voorts wordt de aangifte ondersteund door de chatgesprekken op Facebook. Verdachte stuurde seksueel getinte berichten naar aangeefster en via het “ [naam account] ”, welk account ook aan verdachte kan worden toegeschreven, dringt verdachte aan op nader contact. Ook kan wettig en overtuigend bewezen worden dat aangeefster zich door feitelijkheden gedwongen voelde tot het dulden van de ontuchtige handelingen. Verdachte had de relatie tussen aangeefster en haar moeder op de spits gedreven waardoor aangeefster dacht dat ze nergens naartoe kon. Verdachte vertelde aangeefster ook dat ze alleen hem nog had. Daarnaast had verdachte, als 61-jarige man, een natuurlijk overwicht op aangeefster, een 19-jarige kwetsbare jonge vrouw met een belast verleden. De officier van justitie meent derhalve dat het feit zoals tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Standpunt van verdachte

Verdachte heeft ten stelligste ontkend het tenlastegelegde te hebben gepleegd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

Uit de verklaringen van aangeefster en verdachte blijkt dat aangeefster in september 2016 vrijwillig bij verdachte is ingetrokken waarna zij tot 10 januari 2017 bij hem heeft gewoond. Aan verdachte is feitelijke aanranding van de eerbaarheid ten laste gelegd, zoals strafbaar gesteld in artikel 246 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Voor een veroordeling op grond van dat artikel moet bewezen kunnen worden dat verdachte aangeefster door middel van de uitvoeringshandelingen geweld, bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft gedwongen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen.

De rechtbank stelt vast dat, volgens de tenlastelegging, de uitvoeringshandeling(en) en daarmee de dwang heeft bestaan uit het “onverwachts en/of ondanks het door aangeefster verbaal en/of lichamelijk gepleegde verzet” verrichten, door verdachte, van de tenlastegelegde handelingen.

Ook als de rechtbank uitgaat van de verklaring van aangeefster omtrent de verrichte (seksuele) handelingen, blijkt uit het dossier onvoldoende van “onverwachts” handelen van verdachte. Evenmin blijkt uit het dossier dat sprake is geweest van “verbaal en/of lichamelijk gepleegd verzet” van aangeefster terwijl verdachte ondanks dat verzet, toch is doorgegaan. Dit betekent dat de tenlastegelegde uitvoeringshandeling (“door middel van een andere feitelijkheid”) niet kan worden bewezen verklaard.

Ook overigens bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat er sprake was van zodanige dwang van de zijde van verdachte dat hij dientengevolge zijn zin kon doordrijven. In dat kader overweegt de rechtbank in het bijzonder dat de gesprekken tussen verdachte en aangeefster via Facebook messenger weliswaar seksueel getint zijn en dat uit die gesprekken kan worden afgeleid dat verdachte seksueel contact zou willen hebben met aangeefster, maar uit die berichten blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet van enige vorm van dwang. Ook uit de berichten die verdachte onder de naam van [naam 2] via Facebook messenger naar aangeefster heeft gestuurd kan geenszins worden afgeleid dat verdachte aangeefster heeft gedwongen tot het ondergaan van ontuchtige handelingen.

Gelet op vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen worden dat verdachte aangeefster op de door art. 246 Sr vereiste wijze heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit te kunnen komen. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Depping, voorzitter, mr. E. Läkamp en mr. B.I. Klaassens, rechters, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juli 2019.

Mr. E. Läkamp is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.