Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3095

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
18/930187-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft met het doel doodgeschoten te worden door de politie (suicide by cop) een politieagent aangevallen met twee messen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte met voorbedachte raad gehandeld en is gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van verdachte sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van de politieagent. Verdachte wordt aldus veroordeeld wegens poging tot moord. Daarnaast wordt hij veroordeeld wegens een bedreiging. De rechtbank legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van 30 maanden (met aftrek voorarrest) en TBS met verpleging van overheidswege.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930187-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 juli 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam 1], [woonplaats],

thans gedetineerd te Zwolle PPC.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 februari 2019, 24 april 2019 en 2 juli 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.A.M. Kwakman, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

verdachte op of omstreeks 10 oktober 2018, te Emmen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een hoofdagent van politie, [slachtoffer 1] geheten, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met (in iedere hand) een mes, althans (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), meermalen, in elk geval eenmaal, (een) stekende/zwaaiende/maaiende bewegingen heeft gemaakt naar of in de richting van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

verdachte op of omstreeks 10 oktober 2018, te Emmen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten de hoofdagent van politie, [slachtoffer 1] geheten), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met (in iedere hand) een mes, althans (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), meermalen, in elk geval eenmaal, (een) stekende/zwaaiende/maaiende bewegingen heeft gemaakt naar of in de richting van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

verdachte op of omstreeks 10 oktober 2018, te Assen, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] (telefonisch) dreigend de woorden toe te voegen "Kom maar hier met de politie, dan maak ik die dood en daarna kom ik bij jou want ik weet

waar je woont", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde (poging tot moord en (impliciet subsidiair) poging tot doodslag). Er kan een veroordeling volgen voor het onder 1 subsidiair tenlastegelegde (poging tot zware mishandeling).

Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte expres met de messen heeft in gestoken op de politieagent die het schild droeg, wetende dat de politieagent zijn aanval met het schild zou afweren. Door dat schild was verdachte niet in staat om vitale lichaamsdelen te raken zodat de politieagent niet zou kunnen komen te overlijden. Verdachte is ook stellig in zijn verklaring dat hij de politieagent niet daadwerkelijk heeft willen doden. Uit het voorgaande volgt dat verdachte niet het opzet (ook niet in voorwaardelijke zin) had op het doden van de politieagent. De raadsvrouw meent dat wel een veroordeling kan volgen voor het onder 1 subsidiair tenlastegelegde omdat verdachte, door in de richting van de politieagent te steken en te hebben geprobeerd langs het schild heen te steken, wel de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de politieagent zwaar gewond zou raken.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte op zich erkent tegen aangeefster te hebben gezegd dat hij weet waar zij woont. Hij heeft dat echter niet door de telefoon tegen haar gezegd, maar toen zij bij hem aan de deur was. Verdachte ontkent dat hij haar daarbij concreet heeft bedreigd met de dood of met zwaar lichamelijk letsel. Ook heeft verdachte daarbij niet gezegd dat hij de politie dood zou maken. Verdachte wilde juist zelf dood. Er zijn ook geen getuigen die kunnen bevestigen dat verdachte aangeefster heeft bedreigd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ten aanzien van feit 1 primair

1. De door verdachte ter terechtzitting van 2 juli 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Op 10 oktober 2018 had ik de hele dag messen op zak. Ik had ze ook bij me toen ik medicijnen ging halen zodat ik in de aanval kon gaan als er politie zou lopen. Ik dacht, ik moet iets doen wat zo erg is dat de politie me doodschiet. Ik wou beslist doodgeschoten worden. Ik kon dus niet alleen maar dreigend met een mes vóór iemand gaan staan, ik moest wel iets radicaals doen. Ik moest overtuigend overkomen, anders zou de politie me niet serieus nemen en zou ik niet worden neergeschoten. Met het doel te worden neergeschoten heb ik die politieagent aangevallen. Eerder die dag heb ik een mailtje naar mevrouw [getuige 1] gestuurd waarin ik heb geschreven dat ik op de politie wacht en dat ik eraan ga.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 oktober 2018, opgenomen op pagina 43 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018294853 d.d. 8 november 2018, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1]:

Ik kreeg het verzoek om naar [straatnaam 2] in Emmen te gaan. Een man moest uit zijn woning gezet worden. Collega [naam] maakte de deur open met de sleutel. Ik ben nog niet eens binnen, ik zie een man aan komen lopen met twee messen in de hand. Hij begon gelijk op mij in te steken. Hij richtte op mijn lijf, ik had mijn schild voor mij, hij stak recht vooruit, ik probeerde naar achteren te gaan. De man komt steeds verder richting mij, hij drukte mij eigenlijk klem, hij drukte mij tegen de muur aan, links van mij was een muur, achter mij een deur. Rechts was de trap. Hij stond heel dicht bij mij, alleen het schild zat er tussen. Ik denk dat er nog geen meter afstand was. Ik stond met de rug tegen de deur aan van de woning tegenover, hij bleef maar steken, hij probeerde om het schild heen mij te raken met de messen, ik weet het schild te draaien om het af te weren. Hij probeerde mij van links en rechts, onderlangs en bovenlangs te steken. Ik raakte hem op verschillende plekken met mijn wapenstok, maar hij bleef maar komen.

3. Een schriftelijk bescheid, te weten een e-mail afkomstig van verdachte, verstuurd naar [getuige 1] op 10 oktober 2018 om 12:19 uur, opgenomen op pagina 52 van voornoemd dossier, inhoudend:

Ik wacht op de politie… ik ga eraan en jij blijft leven. Kom maar ik heb alles in huis. Ik ben er klaar voor.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 11 oktober 2018, opgenomen op pagina 92 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2]:

Op 10 oktober 2018 bevond ik mij aan [straatnaam 2] in Emmen. [verdachte] zat op nummer [nummer] en moest uit de woning. Mijn collega [naam] deed de deur open. Mijn collega [slachtoffer 1] stond met het schild in zijn linkerhand en deed een stap naar voren om de woning in te gaan en direct daarop zag ik een man, die later bleek te zijn: [verdachte], met in beide handen een mes naar buiten komen. Hij omvatte de heften met zijn hele handen en de lemmeten staken met de punt richting [slachtoffer 1]. [verdachte] liep met een redelijk snelle pas op [slachtoffer 1] af en maakte voorwaartse en zijwaartse stekende bewegingen richting [slachtoffer 1]. [verdachte] ging direct steken. Ik zag en hoorde dat [verdachte] het schild meerdere keren raakte en om het schild heen probeerde te steken. [verdachte] stak met de messen op verschillende hoogtes en posities op het schild en heel snel achter elkaar. Het ging met snelheid en agressie. Ik zag dat [slachtoffer 1] met zijn wapenstok [verdachte] raakte. Er is door een collega geroepen “laat dat mes vallen” of “laat dat wapen vallen”. [verdachte] reageerde nergens op. [verdachte] bleef steken, gewoon achter elkaar, met snelheid en kracht. [slachtoffer 1] stond in een hoek, kon geen kant op en werd met geweld en stekende bewegingen aangevallen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 11 oktober 2018, opgenomen op pagina 108 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3]:

Op 10 oktober 2018 zag ik dat [slachtoffer 1] bij de woning tegenover perceelnummer [nummer] van [straatnaam 2] in Emmen stond. Ik zag dat hij het schild voor zich hield. Ik zag dat een man met messen in zijn handen stekende bewegingen maakte in de richting van [slachtoffer 1]. Ik zag dat [slachtoffer 1] die stekende bewegingen met het schild kon afweren. Ik zag dat [slachtoffer 1] niet weg kon komen. Ik zag dat hij in een hoek stond. Aan de ene kant was de deur van de overburen en aan de andere kant was een muur. Ik zag dat die man maaiende bewegingen maakte in de richting van het lichaam van [slachtoffer 1]. Ik zag dat die man voluit maaide. Ik zag dat hij [slachtoffer 1] overal op zijn lichaam probeerde te raken.

Ten aanzien van feit 2

1. De door verdachte ter zitting van 2 juli 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb tegen mevrouw [slachtoffer 2] gezegd dat ik weet waar ze woont. Dat was bedoeld als dreigement.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 oktober 2018, opgenomen op pagina 25 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:

Op 10 oktober 2018 heeft [verdachte] telefonisch tegen mij gezegd: "Kom maar hier met de politie, dan maak ik die dood en daarna kom ik bij jou want ik weet waar je woont". Ik voelde me bedreigd door [verdachte]. Ik was bang dat hij onvoorspelbaar gedrag zou laten zien, gezien de eerdere incidenten die er waren geweest met [verdachte]. Hij heeft namelijk een cliënt bedreigd met een mes.

De rechtbank acht het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe als volgt.

Feit 1 primair

Op basis van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte met in iedere hand een mes meermalen stekende/zwaaiende/maaiende bewegingen heeft gemaakt naar aangever [slachtoffer 1]. Aangever droeg op dat moment in zijn linkerhand een schild dat hij vóór zijn lichaam hield. Voorts stelt de rechtbank op basis van de verklaringen van aangever, getuige [getuige 2] en getuige [getuige 3] vast dat verdachte niet alleen op het schild heeft in gestoken, maar dat hij ook heeft geprobeerd langs het schild heen te steken om op die wijze het lichaam van aangever te raken. Aangever was door de handelingen van verdachte in een hoek gedreven en kon geen kant op, terwijl verdachte met snelle en krachtige bewegingen op hem bleef insteken. De gedragingen van verdachte zijn naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood van aangever, dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht derhalve bewezen dat het opzet van verdachte minstgenomen voorwaardelijk was gericht op de dood van aangever.

Tevens is de rechtbank van oordeel dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de twee messen al de hele dag op zak had en dat hij die messen bij zich had om de politie aan te vallen omdat hij door de politie doodgeschoten wilde worden. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij besefte dat hij iets radicaals moest doen om ervoor te zorgen dat de politie hem daadwerkelijk zou neerschieten; enkel vóór iemand gaan staan met een mes zou niet voldoende zijn. Voorts heeft verdachte, enkele uren voorafgaande aan de uiteindelijke aanval op aangever, aan zijn begeleidster A. [getuige 1] een mailtje gestuurd met de inhoud “Ik wacht op de politie… ik ga eraan. Kom maar ik heb alles in huis. Ik ben er klaar voor.” De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat verdachte het vooropgezette plan had om de politie met twee messen aan te vallen, alsmede dat verdachte voldoende tijd heeft gehad om al dan niet terug te komen op dit besluit. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte voorafgaand aan zijn daad voldoende gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.

Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord.

Feit 2

Verdachte heeft erkend tegen aangeefster te hebben gezegd dat hij weet waar ze woont, alsmede dat dat was bedoeld als dreigement. Dat verdachte ontkent dat hij tevens heeft gezegd dat hij de politie dood zou maken en dat de bedreiging volgens verdachte niet telefonisch heeft plaatsgevonden, staat niet in de weg aan een bewezenverklaring nu niet is vereist dat elk deel van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt gedekt. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster bovendien geloofwaardig gelet op de gemoedstoestand en intenties van verdachte zoals die uit meerdere uitlatingen van hem die dag blijken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1 primair.

verdachte op 10 oktober 2018, te Emmen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een hoofdagent van politie, [slachtoffer 1] geheten, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met in iedere hand een mes meermalen stekende/zwaaiende/maaiende bewegingen heeft gemaakt naar die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

verdachte op 10 oktober 2018, in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 2] telefonisch dreigend de woorden toe te voegen "Kom maar hier met de politie, dan maak ik die dood en daarna kom ik bij jou want ik weet

waar je woont", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair. Poging tot moord.

2. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Motivering straf en maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, alsmede dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat niet voldaan is aan de vereisten voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling. Gelet op de met betrekking tot verdachte opgemaakte Pro Justitia rapportages is het moeilijk om een stoornis vast te kunnen stellen. Daarnaast is het de vraag of vastgesteld kan worden dat het recidivegevaar voldoende hoog is om de maatregel van terbeschikkingstelling op te kunnen leggen. In elk geval is de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging een te zware maatregel voor verdachte. Daarbij is van belang dat hij nog niet eerder een behandeling in een verplicht kader heeft gehad, en niet eerder voor zo’n zwaar delict is veroordeeld als waarvoor hij thans terechtstaat. Mocht de rechtbank toch de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opleggen, dan zou het opleggen van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan de duur van het voorarrest buitenproportioneel zijn.
Voorts heeft de verdediging ten aanzien van de mogelijkheid van het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, dan wel van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden, aangevoerd dat verdachte bereid is de voorwaarden, die daaraan zullen worden verbonden, na te leven.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de over hem opgemaakte Pro Justitia rapportages en het reclasseringsadvies, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 10 oktober 2018 verbleef verdachte in een zogenoemde time-out woning van hulpverleningsinstantie Cosis. Vanwege middelen- en agressieproblematiek kon verdachte niet langer in die woning verblijven. Verdachte weigerde evenwel mee te werken aan vertrek uit de woning. Meteen nadat de ingeschakelde politie de voordeur van de woning had geopend, kwam verdachte, gewapend met twee messen, naar buiten gestormd en begon als een wildeman in de richting van het slachtoffer - politieagent [slachtoffer 1] - te steken. Verdachte heeft daarbij meerdere malen het schild geraakt dat het slachtoffer vóór zich droeg, maar heeft ook geprobeerd om, langs en over het schild heen, het slachtoffer zelf te raken. Het slachtoffer bevond zich in een dusdanig benarde en gevaarlijke situatie dat twee collega’s aanleiding zagen om hun wapen te trekken en gericht op (de benen van) verdachte te schieten, waardoor verdachtes aanval afgebroken werd.

Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan poging tot moord. Naar eigen zeggen moest verdachte iets radicaals doen om ervoor te zorgen dat hij door politie zou worden gedood (“suicide by cop”). Dat verdachte zich, in zijn beleving, op dat moment bevond in een moeilijke situatie, doet er niet aan af dat hier sprake is van een ernstig feit, waarbij verdachte gevoelens van grote onveiligheid heeft veroorzaakt, eerst en vooral bij aangever, maar ook bij de andere bij het incident aanwezige politieagenten en de daarbij aanwezige medewerksters van Cosis. Het moet voor aangever erg beangstigend zijn geweest dat hij onverhoeds werd bedreigd met twee messen, op de wijze zoals hierboven beschreven. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring volgt dat aangever vreesde voor zijn leven en dat het incident zijn leven op de kop heeft gezet.

Verdachte heeft aldus de lichamelijke en ook de geestelijke integriteit van het slachtoffer op ernstige wijze geschonden.

Daarnaast blijkt uit het dossier dat het incident veel impact heeft gehad op de andere aanwezige politieagenten, niet in de laatste plaats op de twee politieagenten die zich genoodzaakt hebben gezien om op verdachte te schieten.

Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan bedreiging van een medewerkster van Cosis. Tijdens een telefoongesprek tussen aangeefster en verdachte waarbij aangeefster aan verdachte mededeelde dat hij niet langer in de time-out locatie kon verblijven, heeft verdachte de onder 2 bewezenverklaarde bedreiging geuit. Aangeefster was bang dat verdachte haar daadwerkelijk thuis zou gaan opzoeken en haar iets aan zou doen. Door zijn handelen heeft verdachte bij aangeefster sterke gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht en een inbreuk gemaakt op haar persoonlijke integriteit.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt bovendien dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens bedreiging.

Anderzijds zal de rechtbank, gelet op het advies van de psycholoog, het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte toerekenen. In het psychologische rapport, gedateerd 19 maart 2019, opgemaakt door F.H.A. Berkelbach van der Sprenkel, Gz-psycholoog in opleiding tot rapporteur onder supervisie van J. Heerschop, Gz-psycholoog wordt het volgende geconcludeerd. De bij verdachte aanwezige psychische problematiek was ook aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en heeft hierin doorgewerkt. Verdachte is vanuit de beschreven pathologie beperkt in zijn gedragskeuzen. Gelet op de aard en de omvang van de beschreven pathologie en de bepalende rol die dit heeft gespeeld in de totstandkoming van het tenlastegelegde, dient het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toegerekend te worden. De rechtbank volgt dit advies en weegt dit mee bij de straftoemeting.

Gelet op bovenstaande, in het bijzonder de aard en ernst van het onder 1 primair bewezenverklaarde, en op de strafmaat in soortgelijke zaken acht de rechtbank het aangewezen verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, zoals bepleit door de verdediging, acht de rechtbank, ondanks de verminderde toerekenbaarheid, niet passend gezien de ernst van het onder 1 primair bewezenverklaarde. De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden (met aftrek van voorarrest), zoals geëist door de officier van justitie recht doet aan alle omstandigheden.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte ter beschikking moet worden gesteld met verpleging van overheidswege. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank heeft acht geslagen op het voornoemd psychologische rapport van 19 maart 2019, en op de psychiatrische rapporten, gedateerd 26 maart 2019 en 24 juni 2019, opgemaakt door J. Marx, psychiater.

De psycholoog concludeert zakelijk weergegeven dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een autisme spectrum stoornis, alsmede een ernstige stoornis in middelengebruik, specifiek in opiaten (oxycodon), amfetaminen (speed), benzodiazepinen en alcohol. Verdachte heeft beperkte coping vaardigheden. Om de spanningen voortkomend uit de autismeproblematiek te dempen en zich in sociale contacten minder angstig te voelen is verdachte geneigd om middelen te gebruiken. Het lukt hem niet om spanningen te kanaliseren en zodoende is zijn mogelijkheid tot emotie- en agressieregulatie beperkt. Als bij verdachte de spanning hoog oploopt, doordat hij bijvoorbeeld de ander niet goed begrijpt en/of een verkeerde aanname doet, kan het komen tot een impulsieve woede-uitbarsting. Voornamelijk onder invloed van middelen schiet de impulscontrole van verdachte tekort.

Naast voornoemde problematiek zijn er aanwijzingen voor psychische stress en suïcidale gedachten. Voorts vertoont verdachte aanzienlijk externaliserend en/of acting out gedrag dat zeer waarschijnlijk tot opvallend disfunctioneren en problemen heeft geleid. Al met al zijn er problemen op uiteenlopende levensterreinen. Verdachte is iemand die veel structuur nodig heeft, maar is niet in staat zelfstandig langdurige stabiliteit in zijn leven te creëren waardoor hij verzeild raakt in problemen, conflicten en uiteindelijk grensoverschrijdend gedrag naar zichzelf of anderen. De conclusie is dat verdachte een matig tot hoog risicoprofiel heeft en dat er diverse risicofactoren zijn voor herhaling van geweld indien verdachte onbehandeld blijft. Een intensieve behandeling, om te beginnen in een klinische setting, is noodzakelijk. De motivatie voor behandeling is kwetsbaar, terwijl verdachte geneigd is terug te vallen in middelen op het moment dat hij te veel spanning ervaart. Het opleggen van de behandeling in de vorm van bijzondere voorwaarden is daarom onvoldoende. De psycholoog adviseert daarom een klinische behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Als de reclassering uitvoering van deze maatregel niet haalbaar acht, wordt geadviseerd om de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen.

De psychiater komt niet tot een volledige rapportage en advies omdat verdachte niet volledig zijn medewerking heeft willen verlenen. In zijn eerste rapport komt hij wel tot de conclusie dat er evidente aanwijzingen zijn voor een omvangrijke psychiatrische problematiek en middelengebruik. In de tweede rapportage noemt hij verdachte een onrijpe man met een vermijdende copingstijl en een geringe frustratietolerantie zonder psychopathologie. Hij twijfelt aan de diagnose Asperger en stelt dat er in elk geval sprake is van problematisch middelengebruik, welke problematiek ook ten tijde van het tenlastegelegde aan de orde was. Mogelijk is er sprake van een sociale fobie, mogelijk van een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

De psychiater doet in zijn rapportages geen uitspraak over het recidiverisico en de mate van toerekenbaarheid. Evenmin geeft hij advies inzake behandeling of op te leggen maatregel.

De rechtbank volgt de conclusies van de psycholoog dat er sprake is van een matig tot hoog recidiverisico en dat intensieve behandeling van verdachte noodzakelijk is om dit risico in te perken. Mede gelet op de ernst van het ten laste gelegde feit en het gevaar dat verdachte zich aan behandeling zal onttrekken brengt de rechtbank tot het oordeel dat, zoals ook door de psycholoog is geadviseerd, niet kan worden volstaan met bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel.

De vraag die vervolgens opkomt is of terbeschikkingstelling opgelegd kan worden. Anders dan de advocaat van verdachte is de rechtbank van oordeel dat wordt voldaan aan de eisen voor het opleggen van een ter beschikkingstelling. De psycholoog komt tot een duidelijke conclusie met betrekking tot de aanwezigheid van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Hoewel de psychiater in zijn rapportage niet tot een duidelijke conclusie komt met betrekking tot de aard van verdachtes problematiek spreekt hij wel in zijn eerste rapport over evidente aanwijzingen voor omvangrijke psychiatrische problematiek. Er is bovendien, gelet op het recidiverisico sprake van gevaar voor de veiligheid van personen. Voorts is een van de door verdachte begane feiten – te weten het onder 1 primair bewezen verklaarde – een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Er wordt derhalve voldaan aan de eisen voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling

De volgende vraag is of kan worden volstaan met een terbeschikkingstelling met voorwaarden of dat er aanleiding is ter beschikkingstelling met verpleging op te leggen. Naar aanleiding van de rapportage van de psycholoog, die adviseerde tot terbeschikkingstelling met voorwaarden, indien mogelijk, is aan de reclassering gevraagd om te adviseren omtrent de mogelijkheid van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Door de reclassering is hierover een rapport uitgebracht op 27 juni 2019.

De rechtbank is, mede op grond van deze rapportage, van oordeel dat verdachte van overheidswege moet worden verpleegd. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de reclassering blijkens haar rapportage en de toelichting ter terechtzitting een traject in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden niet haalbaar acht. Verdachte heeft ter terechtzitting weliswaar de toezegging gedaan mee te zullen werken aan voorwaarden, maar er kan niet worden gesproken van een betrouwbare bereidheid om zich aan voorwaarden te conformeren. Zowel uit de rapportage van de reclassering als uit de psychologische rapportage volgt dat verdachte al meerdere behandelingen en opnames heeft gehad maar dat er telkens sprake is van forse samenwerkingsproblemen. Een terbeschikkingstelling met voorwaarden biedt naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende waarborgen voor een succesvolle behandeling van verdachte, terwijl gebleken is dat er een hoog recidiverisico is als verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de veiligheid van anderen vereist dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

De maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.073,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 2.000,- ter vergoeding van immateriële schade dient te worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 1.073,-.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De rechtbank zal daarom, nu deze vordering wordt beheerst door de in het civiele recht geldende wet- en regelgeving, het gevorderde bedrag van

€ 1.073,- , waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, toewijzen vermeerderd met wettelijke rente vanaf 10 oktober 2018.

Nu vaststaat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde feit is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22b, 36f, 37a, 37b, 45, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden

Beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd

Feit 1 primair

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.073,- (zegge: duizenddrieënzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2018.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 1.073,- (zegge: duizenddrieënzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, mr. E. Läkamp en mr. R. Depping, rechters, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juli 2019.

Mr. E. Läkamp is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.