Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3092

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-07-2019
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
LEE 19-2297
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Tijdelijke omgevingsvergunning Wttv 2019. Verweerder was bevoegd om toepassing te geven aan artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Bor. Bodemgesteldheid en kernbestemming. Belangenafweging voor wat betreft geluid in het kader van een goed woon- en leefklimaat. Geen aanleiding voor schorsing of het opleggen van een maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/303 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummer: LEE 19/2297

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juli 2019 in de zaak tussen

1.a. [verzoekster] gevestigd te [plaats], verzoekster sub 1.a.,

1.b. [verzoekster], te [plaats], verzoekster sub 1.b.,

1.c. [verzoeker], te [plaats], verzoeker sub 1.c.,

hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers,

(gemachtigde: mr. drs. Th.C. van Gelder),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.C. van Oosten).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Stichting Welcome to the Village, gevestigd te Leeuwarden, vergunninghoudster,

(gemachtigde: mr. I. van der Meer).

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder een tijdelijke omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster voor het organiseren van het evenement Welcome to the Village 2019 (hierna: Wttv 2019) op een deel van de gronden van het recreatiegebied De Groene Ster te Leeuwarden.

Tegen het bestreden besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoekster bij brief van 22 juni 2019 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 5 juli 2019.

Verzoekster sub 1.a. is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en [naam].

Verzoekster sub 1.b. is vertegenwoordigd door haar gemachtigde.

Verzoeker sub 1.c. is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, S. Spoelstra en

mr. M. Swart.

Vergunninghoudster is vertegenwoordigd door [naam] [functie]), bijgestaan door haar gemachtigde en [naam] ([functie]).

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Bij zijn oordeelsvorming betrekt de voorzieningenrechter de navolgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 28 juni 2017 heeft de Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (hierna: de FUMO) de rapportage “Gevelgeluidweringsmetingen woningen nabij Groene Ster Leeuwarden” opgesteld.

1.2.

Bij besluit van 2 januari 2018 heeft de raad van de gemeente Leeuwarden (hierna: de raad) de Tijdelijke evenementenregeling Leeuwarden 2018 (de Tijdelijke evenementenregeling) van toepassing verklaard op het hele grondgebied van de gemeente Leeuwarden.

1.3.

Verweerder heeft op 23 april 2018 de “Nadere regels evenementen Leeuwarden” (hierna: de nadere regels evenementen) vastgesteld.

1.4.

Verweerder heeft bij besluit van 24 april 2018 de “Beleidsregel geluid 2018, evenementen in de open lucht” (hierna: de Beleidsregel geluid) vastgesteld.

1.5.

Op 16 mei 2018 heeft de Antea Group een memo “beoordeling van het aspect stikstofdepositie, evenementen recreatiegebied De Groene Ster” opgesteld.

1.6.

Op 17 mei 2018 heeft Altenburg & Wymenga een definitieve onderzoeksrapportage “Ecologische beoordeling van vier meerdaagse evenementen in 2018 in de Groene Ster te Leeuwarden” opgesteld.

1.7.

Op 18 december 2018 heeft verweerder de “Kaderstelling De Groene Ster 2019” vastgesteld.

1.8.

Op 21 februari 2019 heeft M. Zweemer, werkzaam bij Ecobureau Merula, een ecologische kaderstelling “festivals Promised Land en Wttv, Kleine Wielen, 2019” opgesteld.

1.9.

Vergunninghoudster heeft op 21 februari 2019 een aanvraag om omgevings-vergunning, aangevuld met een draaiboek van 22 mei 2019, voor het organiseren van het vierdaagse evenement Wttv 2019 in de vorm van een (muziek)festival op een deel van de gronden van het recreatiegebied De Groene Ster te Leeuwarden, bij verweerder ingediend.

Deze aanvraag heeft betrekking op de navolgende activiteit:

- handelen in strijd met regels van de ruimtelijke ordening.

1.10.

Op 8 maart 2019 heeft BügelHajema adviseurs B.V. (hierna: BügelHajema) een advies “natuurwaarden evenementen recreatiegebied Groene Ster” opgesteld.

1.11.

Op 30 april 2019 heeft Event Acoustics B.V. (hierna: Event Acoustic) een akoestisch advies “Leeuwarden – De Groene Ster, Wttv-festival 2019” opgesteld.

1.12.

Verweerder heeft een ruimtelijke onderbouwing “Evenementen De Groene Ster 2019” opgesteld.

1.13.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder sub 2 aan vergunninghoudster een tijdelijke omgevingsvergunning verleend ten behoeve van:

- het organiseren van het vierdaagse evenement Wttv 2019 in de vorm van een (muziek)festival gedurende de periode van 18 juli tot en met 21 juli 2019 op de locatie plaatselijk bekend als de Groene Ster te Leeuwarden;

- het op- en afbouwen van het evenemententerrein in de periodes van 11 juli tot en met 18 juli 2019 respectievelijk 21 juli tot en met 26 juli 2019;

- het innovatieproject voor duurzame oplossingen DORP (van 14 juli tot en met 17 juli 2019 (opbouw) en van 18 juli tot en met 21 juli 2019 (“in bedrijf”);

- een crewcamping van 18 juli 2019 om 9.00 uur tot 22 juli 2019 12.00 uur;

- een festivalcamping van 18 juli 2019 om 9.00 uur tot 22 juli 2019 12.00 uur;

- het plaatsen van omgevingsvergunningvrije tijdelijke bouwwerken ten behoeve van het festival (onder meer podia, tenten en sanitaire voorzieningen).

Toepasselijke regelgeving

2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld de voorzieningenrechter van de bestuursrechter op verzoeker een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het, voor zover thans van belang, verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien: de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder a en ten tweede, van de Wabo kan de omgevings-vergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

2.2.

De in rechtsoverweging 2.1. bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Ingevolge artikel 2.7 van het Bor worden als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten tweede, aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Ingevolge artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Bor komt voor verlening van een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a en ten tweede van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan, in aanmerking: ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

2.3.

Ingevolge het bestemmingsplan “Leeuwarden – Recreatiegebied Groene Ster” is aan het perceel de bestemming “Recreatie – Dagrecreatie” toegekend.

Ingevolge artikel 7.1 van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan zijn de voor “Recreatie – Dagrecreatie” bestemde gronden bestemd voor:

a. extensieve dagrecreatie;

b. water;

c. strandoevers;

d. (schier)eiland(en);

e. groenvoorzieningen;

f. bebossing;

g. een gemeentewerf, ter plaatste van de aanduiding “specifieke vorm van recreatie – gemeentewerf”;

h. een gebouw ten behoeve van een horecabedrijf categorie 3;

i. gebouwen ten behoeve van sanitaire voorzieningen;

j. een midgetgolfbaan, ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van recreatie – midgetgolfbaan”;

met daaraan ondergeschikt:

k. paden;

l. parkeervoorzieningen;

m. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan is het op grond van artikel 7.2 van de Wro en artikel 2.1 van de Wabo verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemmingen volgens de artikelen 3 tot en met 16.

Ingevolge artikel 19, aanhef en onder b, ten vierde, van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan wordt tot een gebruik, strijdig met de gegeven bestemmingen, zoals bedoeld in lid a, in ieder geval gerekend: het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen.

Overwegingen

3. Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4. Aangezien vergunninghoudster in het kader van de opbouw op korte termijn gebruik kan maken van de aan haar verleende omgevingsvergunning, acht de voorzieningenrechter het spoedeisende belang aan de zijde van verzoekster in dit geval gegeven.

5.1.

Tussen partijen is in geschil of verweerder in dit geval een tijdelijke omgevings-vergunning voor strijdig gebruik ten behoeve van het festival Wttv 2019 in het recreatie-gebied de Groene Ster te Leeuwarden heeft kunnen verlenen aan vergunninghoudster. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

5.2.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het houden van het festival Wttv 2019 in het recreatiegebied de Groene Ster te Leeuwarden in strijd komt met de aan de percelen toegekende bestemmingen “Natuur” en “Recreatie – Dag-recreatie”. Waarbij de voorzieningenrechter opmerkt dat het hem voorkomt dat vrijstelling van de bestemming natuur niet nodig was nu het festivalterrein voor Wttv geheel lijkt te zijn gelegen binnen de bestemming Recreatie – Dagrecreatie.

5.2.2.

De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor een project dat in strijd is met een bestemmingsplan, is een bevoegdheid van verweerder. Gelet op de aanhef van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo mag de activiteit niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

Verder geldt dat verweerder beleidsruimte heeft bij de beslissing of het gebruik maakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. De bestuursrechter toetst of verweerder bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4079).

5.3.

Onder verwijzing naar een uitspraak van 22 februari 2017 van de AbRvS, kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2017:487, zijn verzoekers van mening dat verweerder in dit geval ten onrechte de reguliere voorbereidingsprocedure heeft gevolgd voor wat betreft het verlenen van de tijdelijke omgevingsvergunning. In dit verband wijzen verzoekers erop dat het met het vigerende bestemmingsplan strijdige gebruik is aangevangen in 1998 met de vergunning van verweerder voor het Frozenland Festival en hervat in 2007. Die vergunning is voortgezet in 2008 en 2009. Gelet hierop moet volgens verzoekers worden geconcludeerd dat de route van het vergunnen van festivals in de Groene Ster als kruimelgeval niet meer open staat. Dit brengt naar de mening van verzoekers met zich dat de enige mogelijkheid die verweerder nog rest om festivals in de Groene Ster te vergunnen de route van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten derde, van de Wabo is. Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo zal voor deze wijze van vergunnen de zogeheten “uitgebreide voorbereidingsprocedure” moeten worden gevolgd.

5.4.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de omgevingsvergunning in dit geval terecht met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Bor is verleend. In dit verband wijst verweerder erop dat Wttv 2019, noch de overige festivals voor een termijn van tien jaar zijn vergund. Daarbij acht verweerder van belang dat de festivals inclusief op- en afbouw in totaal immers enkele weken per jaar duren, zodat ook bij stapeling daarvan niet aan een periode van tien jaar (520 weken) wordt gekomen. Onder verwijzing naar een uitspraak van 16 augustus 2017 van de AbRvS, kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2017: 2212, is verweerder van mening dat de periode waarin eerder evenementen in het recreatie- gebied de Groene Ster zijn gehouden zonder omgevingsvergunning, terwijl dat gebruik wel strijdig was met het (destijds) vigerende bestemmingsplan, niet meetelt bij de tienjaars-termijn, als bedoeld in artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Bor.

5.5.1.

In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Bor (nota van toelichting, blz. 55 en 56, Stb. 2014, 333) is onder meer opgenomen: "Indien het een planologisch strijdig gebruik betreft dat niet is genoemd in de onderdelen 1 tot en met 10, kan voor een tijdelijk gebruik met een duur van maximaal tien jaar, de vergunning ingevolge artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II verleend worden met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo. […] De in de vergunning gestelde termijn op de grondslag van artikel 4, onderdeel 11, kan maximaal tien jaar bedragen. Indien een vergunning voor een langere tijdsduur moet worden verleend, kan (behoudens de mogelijkheden met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1° en 2°, van de Wabo), slechts met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo, vergunning worden verleend. De termijn in de vergunning kan worden verlengd, of er kan opnieuw voor dezelfde activiteit vergunning worden verleend, mits de totale tijdsduur van tien jaar niet wordt overschreden. Op de grondslag van artikel 4, onderdeel 11, kan dus niet telkens opnieuw voor een duur van tien jaar vergunning worden verleend. […]."

5.5.2.

In de door verzoekers aangehaalde uitspraak van 22 februari 2017 overwoog de AbRvS onder meer als volgt:

“De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat uit artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Bor volgt dat slechts voor een periode van maximaal tien jaar met gebruik van de bevoegdheid uit het genoemde artikel kan worden afgeweken van het bestemmingsplan. Uit de strekking van het hiervoor geciteerde deel van de nota van toelichting heeft de rechtbank terecht afgeleid dat de termijn van tien jaar als bedoeld in artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Bor in dit geval is aangevangen op de datum waarop met toepassing van artikel 17 van de WRO vrijstelling is verleend voor de met het bestemmingsplan strijdige bouw en het daarmee strijdige gebruik. Daarbij heeft zij terecht van belang geacht dat het gebruik van de bevoegdheid om een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo gelezen in verbinding met artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Bor te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan voor ten hoogste tien jaar met minder waarborgen is omkleed dan wanneer de omgevingsvergunning zou worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo. (…). Uit de nota van toelichting blijkt dat de nadruk in artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Bor ligt op de termijn van ten hoogste tien jaar waarvoor de omgevings-vergunning kan worden verleend voor ander planologisch strijdig gebruik dan in artikel 4, eerste tot en met tiende lid, van bijlage II van het Bor en niet op de grondslag van deze vergunning.”

5.6.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was verweerder in dit geval bevoegd om de gevraagde omgevingsvergunning voor de tijdelijke afwijking van het vigerende bestemmingsplan te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Bor. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat uit de door verweerder aangehaalde uitspraak van 16 augustus 2017 van de AbRvS, kenbaar uit ECLI:NL:RVS: 2017:2212, volgt dat Uit de tekst van artikel 4, elfde lid, van bijlage II bij het Bor volgt dat voor met het bestemmingsplan of de beheersverordening strijdig gebruik voor een periode van ten hoogste tien jaar vergunning kan worden verleend. De beperking tot een periode van maximaal tien jaar geldt blijkens de toelichting bij het elfde lid (nota van toelichting, blz. 55 en 56; Stb. 2014, 333) ook indien meerdere keren voor hetzelfde strijdige gebruik een tijdelijke vergunning wordt verleend. De totale tijdsduur van de vergunningen mag daarbij de maximale periode van tien jaar niet overschrijden. Zoals de AbRvS heeft overwogen in haar uitspraak van 22 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:487, vangt de termijn van tien jaar aan bij de eerste verlening van een tijdelijke vergunning voor het strijdige gebruik, ook als die eerste vergunning op een andere grondslag is verleend dan artikel 4, elfde lid, van bijlage II bij het Bor. Naar het oordeel van de Afdeling biedt de tekst van artikel 4, aanhef en elfde lid, van bijlage II bij het Bor, noch de toelichting bij het elfde lid aanknopingspunten voor het oordeel dat, indien het strijdige gebruik reeds illegaal bestaat voorafgaand aan de eerste verlening van een tijdelijke vergunning, de termijn van tien jaar is aangevangen op het moment waarop het strijdige gebruik feitelijk is begonnen.

De voorzieningenrechter constateert dat ook al zou artikel 4, elfde lid, van Bijlage II van het Bor op de voor verzoekers meest ongunstige wijze worden uitgelegd en zou moeten worden uitgegaan van het moment waarop de eerste vergunning is verleend, zonder aftrek van de tijd dat er geen festivals worden gehouden, verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat dit gebruik al langer dan tien jaar is vergund. Gelet hierop is er in dit geval geen sprake van een overschrijding van de in artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Bor bedoelde termijn van tien jaar en volgt de voorzieningenrechter hen niet in het betoog dat in dit geval ten onrechte de reguliere voorbereidingsprocedure is gevolgd. Deze grond van verzoekers slaagt niet.

6.1.

Verzoekers betogen dat de stikstofbelasting die festivals, zoals Wttv veroorzaken, toe te schrijven is aan de toename van verkeersbewegingen in en nabij de Groene Ster, de inzet van dieselaggregaten, de stikstofdepositie van bezoekers zelf (een week lang 21/7) in het terrein en de stikstof die door inklinking van de veenlaag als gevolg van bouw van podia, gebruik van zwaar materieel en mensenmassa’s vrijkomt in het grondwater en vervolgens in het oppervlaktewater van de Groene Ster. Via het gemaal Schanserbrug wordt dat oppervlaktewater met verhoogd stikstofgehalte vervolgens rechtsreeks geloosd op het Natura 2000-gebied De Groote Wielen. Voor zover het college van gedeputeerde staten van de provincie Fryslân (hierna: het college van GS) GS stelt dat de Groote Wielen niet zijn aangemerkt als een stikstof-gevoelig Natura 2000-gebied en dat daarom toename van stikstofdepositie niet zal leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudings-doelen, is die stelling met het wegvallen van de PAS-regeling naar de mening van verzoekers niet onderbouwd. In de visie van verzoekers zal het college van GS, rekening houdend met de hierboven beschreven keten van stikstoftransport en op basis van nieuwe metingen en berekeningen, moeten onderzoeken hoe groot de toename van de stikstofbelasting van de Groote Wielen is als gevolg van meerdaagse festivals in de Groene Ster. Zoals volgens verzoekers uit de tabellen van het waterschap Fryslân (hierna: het waterschap) is af te lezen, is de stikstofbelasting van het Natura 2000-gebied De Groote Wielen langjarig boven de norm en is de fosfaatbelasting de afgelopen jaren verder toegenomen. Daarmee liggen beide volgens verzoekers ver boven de aanvaardbare norm voor natuurgebieden.

6.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het belang van natuurwaarden primair plaatsvindt via de Wet natuurbescherming (Wnb), waarvoor het college van GS het bevoegde gezag is. Wat de depositie van stikstof betreft, is verweerder van mening dat primair van belang is in hoeverre er in de Groote Wielen stikstofgevoelige habitattypen zijn. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat in het aanwijzingsbesluit van Natura 2000-gebied Groote Wielen geen stikstofgevoelige habitattypen en soorten zijn opgenomen.

6.3.

In paragraaf 6.5.5 van de ruimtelijke onderbouwing is met betrekking tot de PAS vermeld dat voor de evenementen in 2018 een berekening is uitgevoerd met het wettelijk voorgeschreven rekenprogramma AERIUS Calculator versie 2016L. Die berekening wordt voor 2019 weer gebruikt, aangezien de situatie vergelijkbaar is (qua festivals), met zelfs minder programma, nu er in 2018 sprake was van een eenmalig, vierde evenement, zijnde Conference of the Birds (in het kader van Culturele Hoofdstad 2018). Daarbij zijn de deposities uitgerekend op de voor de Wnb relevante hexagonen in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Daarbij is één model gemaakt waarin de activiteiten van alle evenementen zijn gecumuleerd. Op basis van de berekening kunnen onderstaande conclusies worden getrokken voor alle evenementen:

- de berekende stikstofdepositie op een in het PAS opgenomen Natura 2000-gebied (waarbij Alde Feanen het dichtstbijzijnde PAS-gebied is) is minder dan 0,05 mol N/ ha/jaar. Die in het PAS gehanteerde drempelwaarde wordt niet overschreden. Hiermee is geen vergunning nodig op grond van de Wnb en hoeft ook geen melding onder de PAS te worden gedaan;

- de berekende stikstofdepositie op het (niet in het PAS opgenomen) Natura 2000-gebied Groote Wielen is maximaal 0,60 mol N/ha/jaar. Aangezien deze bijdrage minder is dan 1 mol N/ha/jaar, is ook voor dit gebied geen sprake van een vergunning- en meldingsplicht.

6.4.

De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder de effecten van de festivals op het Natura 2000-gebied Groote Wielen niet op juiste wijze in kaart heeft gebracht, aangezien de notitie stikstofberekening 2018 op basis van de AERIUS Calculator blijkens de uitspraak van 29 mei 2019 van de AbRvS, kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2019:1603, gebaseerd is op onjuiste uitgangspunten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is met betrekking tot de vraag of de natuurwaarden van het Natura 2000-gebied Groote Wielen in de weg staan aan het verlenen van een tijdelijke omgevingsvergunning niet gebleken van zodanig grote problemen voor wat betreft die waarden dat de tijdelijke omgevingsvergunning in dit geval niet mocht worden verleend. Hetzelfde geldt voor de overige gronden die verzoekers ten aanzien van de natuuraspecten van de vergunning hebben ingebracht. Voor een motivering van dit oordeel verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak in LEE 19/2336 van heden.

7.1.

Verzoekers betogen, onder verwijzing naar een rapportage van 30 maart 2018 van Smit Groenadvies, dat er sprake is van verdichting van de toplaag, dat de ontwikkeling van de grasmat slecht is en dat de grasmat niet vlak is en veel ondulatie heeft. Gelet hierop komen verzoekers tot de conclusie dat het terrein veel schade heeft opgelopen van de festivals die zijn georganiseerd, waarbij onvoldoende maatregelen zijn genomen tijdens de op- en afbouw. Volgens verzoekers is de herstelperiode na één enkel festival minimaal drie maanden, mits de juiste herstelwerkzaamheden worden uitgevoerd. Anders kan een grasmat zich niet goed ontwikkelen en wordt er roofbouw gepleegd op het terrein. Daarnaast zijn er in de visie van verzoekers geen of beperkte maatregelen genomen om het terrein na een festival te herstellen. Hierdoor wordt de problematiek naar de mening van verzoekers steeds groter. De huidige bodemopbouw en samenstelling is in de visie van verzoekers in feite ongeschikt voor een gebruik als festivalterrein.

7.2.

In voormelde rapportage van Smit Groenadvies zijn de navolgende bevindingen neergelegd.

De kwaliteit van de toplaag is als gevolg van verdichting van de toplaag matig tot slecht. Hierdoor stagneert het regenwater en wordt de wortelgroei sterk belemmerd. Oorzaak hiervan is waarschijnlijk een combinatie van:

a. uitvoeren werkzaamheden onder natte omstandigheden;

b. inzet zwaar materieel tijdens opbouwen en afbreken evenementen;

c. grondlaag niet geschikt voor gebruik als evenemententerrein met zware transporten, zwaar materieel en grote groepen festivalgangers;

d. inzet rijplatenbaan zonder onderbouw is niet effectief gezien de bodemopbouw;

e. tijdens op- en afbouw van evenement ook veel werkverkeer buiten de rijplatenbanen;

f. geen gedegen herstelmaatregelen na een evenement om het terrein weer geschikt

te maken voor recreatie;

g. bodemopbouw van het terrein is sterk gevoelig voor verdichting en verslemping.

Daarnaast komt uit voormeld rapport naar voren dat de ontwikkeling van de grasmat slecht is. Dit is grotendeels te herleiden tot de verdichting en afwezigheid van bodemleven. Er is niet onderzocht of er voldoende voedingstoffen aanwezig zijn voor wortelgroei en ontwikkeling van de grasplant, omdat die voedingstoffen, gezien de huidige problemen, de knelpunten niet oplossen. De grasmat is niet vlak en heeft veel ondulatie. Ter plaatse van de

plassen ligt het maaiveld lager dan de omgeving en zijn er veel sporen aanwezig. Zonder ingrijpende maatregelen zal het terrein steeds verder achteruit gaan. Om verdere verdichting van de toplaag te voorkomen en de achteruitgang van de grasmat te stoppen moet niet meer met voertuigen in het terrein worden gereden (ook niet met rijplaten), geen zware objecten (zoals podia) worden geplaatst en geen grote mensenmassa’s worden toegelaten.

7.3.

In de ruimtelijke onderbouwing is met betrekking tot het aspect bodem het navolgende vermeld.

Met betrekking tot verdichting en draagkracht is in paragraaf 6.3 ‘Bodem’ van de ruimtelijke onderbouwing vermeld dat door betreding en gebruik van de ligweiden de toplaag van de bodem plaatselijk verdicht is geraakt. Ook is het terrein niet vlak. Hierdoor wordt de afvoer van regenwater en de grasgroei bemoeilijkt. Om de waterafvoer te bevorderen is daarom een drainagesysteem aangelegd. Het gebied wordt van gemeentewege onderhouden. Dit geschiedt conform een onderhoudsplan waarin per gebiedtype/gebruiksvorm een onderhoudsniveau is bepaald. Eventuele schade aan het terrein wordt ongedaan gemaakt door (reguliere) onderhoudsmaatregelen, zoals eggen, vertidraineren en/of aanvulling met zand. Na afloop van de evenementen wordt het terrein (indien beschadigd) hersteld op kosten van de organisatoren van de evenementen. Daarnaast zijn er diverse aanvullende maatregelen mogelijk om – desgewenst – de structuur van de bodem te herstellen. Te denken valt aan vertidraineren (het ‘doorprikken’ van de toplaag). Andere, meer ingrijpende maatregelen zijn, het (groen) bemesten en het ploegen/eggen van de ligweiden. Voordeel van deze maatregelen is dat de bodemstructuur aan de basis wordt aangepakt. Ten aanzien van de draagkracht van de bodem geldt in het algemeen dat een goede ontwatering in combinatie met zandgrond de beste resultaten geeft. Een goed functionerend drainagesysteem heeft dus ook positieve effecten op de draagkracht. Verder kunnen ter plaatse van podia bijvoorbeeld nog doorgroeibare PVC-matten worden aangebracht. Op transportroutes kan worden gewerkt met rijplaten met een onderlaag die na gebruik zo spoedig mogelijk weer worden verwijderd. Op voorhand is het echter duidelijk dat het gras, indien het intensief wordt gebruikt tijdens evenementen, altijd enige schade kan ondervinden. Dit is niet allen het geval in het Groene Ster-gebied, maar dit is inherent aan (tijdelijk) intensief gebruik in het algemeen. Het zal dan ook altijd noodzakelijk blijven om na afloop van een evenement het gebied te inspecteren en eventuele maatregelen te treffen als schade is ontstaan. Verweerder is zich hiervan bewust en stemt het beheer van het gebied hier dan ook op af. Op basis van alle verzamelde gegevens wordt per deelgebied aangegeven welke maatregelen noodzakelijk zijn om de situatie te verbeteren. Het doel hiervan is dat:

- de werkzaamheden voor de op- en afbouw van evenementen onder droge omstandigheden kunnen plaatsvinden;

- de bezoekers van evenementen geen hinder ondervinden van een natte toplaag;

- het herstel van de grasmat en toplaag plaats kan vinden;

- het gras zich kan herstellen.

7.4.

De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder bij de besluitvorming op de aanvraag voor de omgevingsvergunning te kennen heeft gegeven dat de bodemgesteldheid van het terrein een punt van aandacht is, maar dat die wel geschikt is voor het organiseren van het Wttv-festival. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat van gemeentewege de Groene Ster wordt onderhouden aan de hand van een onderhoudsplan per gebiedstype of de gebruiksvorm. Na afloop van het festival wordt het terrein hersteld door vergunninghoudster als dit beschadigd zou zijn. Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat in opdracht van verweerder door een extern bureau (Antea) onderzoek wordt uitgevoerd naar de bodemgesteldheid en dat uit het concept-rapport andere resultaten naar voren komen dan uit voormeld rapport van Smit Groenadvies. Gelet op de bevindingen van Antea in het concept-rapport heeft verweerder nadere uitvoeringsmaatregelen aangekondigd die de komende jaren gefaseerd zullen worden uitgevoerd. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het aspect bodemgesteldheid in dit geval niet zodanig urgent is dat thans een voorlopige maatregel dient te worden getroffen. In zoverre slaagt deze grond van verzoekers niet.

8.1.

Verzoekers betogen dat het centrale terrein van de Groene Ster door schade en opbouw/festival/afbouw-cyclus feitelijk niet beschikbaar is voor de dagrecreanten. De kernbestemming van het gebied van de Groene Ster is volgens verzoekers natuurgerichte dagrecreatie. Die natuurgerichte dagrecreatie door reguliere bezoekers van de Groene Ster concentreert zich in de visie van verzoekers gedurende de twee zomermaanden op en rond de zwemplassen, strandjes en ligweiden. Centraal staat daarin volgens verzoekers de grote zonneweide met de zwemplas, waar op basis van Europese richtlijnen zwemwatercontrole plaatsvindt. Daar bevindt zich ook de kiosk met terras. Daarnaast heeft de Groene Ster een aantal Noord-Zuid en Oost-West georiënteerde fiets- en wandelpaden die enerzijds het gebied ontsluiten en anderzijds gebruikt worden door fietsers en wandelaars op doortocht. Zowel het Wttv-festival als het Psy-Fi-festival vinden plaats tijdens het recreatief hoog-seizoen van de Groene Ster. In dit verband wijzen verzoekers erop dat eerst de opbouw-periode komt, dan het evenement zelf, en vervolgens de afbouwperiode van het Wttv-festival. Een week daarna start de opbouw van het Psy-Fi-festival, gevolgd door het festival zelf en vervolgens weer de afbouwperiode van dat festival. Ook na Psy-Fi is het terrein langdurig onbruikbaar, enerzijds vanwege het uitvoeren van herstelwerkzaamheden en anderzijds vanwege de langdurige en onherstelbare schade die het gevolg is van de festivals, aldus verzoekers. Het praktische gevolg is volgens verzoekers dat het terrein tijdens de zomervakantie maar één week volledig beschikbaar is voor de planbestemming. In dit verband wijzen verzoekers erop dat Wttv gedurende 15 dagen ongeveer 50% van de Groene Ster in beslag neemt, en Psy-Fi doet dat formeel voor de duur van drie tot vier weken vrijwel geheel. Door de verlengde periode van opbouw en afbouw en de schade die aan het terrein ontstaat betreft het daadwerkelijke beslag in de visie van verzoekers echter een veel langere periode. Bezien in samenhang met het andere festival, Psy-Fi, legt Wttv naar de mening van verzoekers een te groot beslag op voor de recreatie essentiële delen van de Groene Ster. In de (beperkte) zomerperiode moet het centrale terrein door reguliere bezoekers gebruikt kunnen worden voor zonnebaden, zwemmen en strandrecreatie. Door het Wttv-festival wordt de kernbestemming van vrij toegankelijke natuurgerichte dagrecreatie in de visie van verzoekers te zeer beperkt.

8.2.

In hoofdstuk 7 van de ruimtelijke onderbouwing is met betrekking tot de gecumuleerde effecten in 2019 onder meer het navolgende vermeld.

Met betrekking tot het tijdbeslag door de evenementen en het evenementengeluid wordt in paragraaf 7.1 van de ruimtelijke onderbouwing vermeld dat het totaal aantal evenementen-dagen twaalf bedraagt. Het totaal aantal dagen ten behoeve van de op- en afbouw van de drie meerdaagse (muziek)evenementen bedraagt 48 dagen. Dit betekent dat gedurende de zomer-periode de Groene Ster deels niet beschikbaar is. Verweerder acht dit echter aanvaardbaar omdat er gedurende deze periode (grote) delen van de Groene Ster toegankelijk blijven voor dagrecreatief gebruik (met name stranden en ligweides).

In de kaart van de Kaderstelling is het maximale ruimtebeslag door de drie meerdaagse (muziek)evenementen weergegeven. Daarbij is sprake van een verspreiding van de verschillende evenementen over het gebied. Ook de omvang van het terrein varieert per evenement. Van groter belang is dat de evenementen niet tegelijkertijd plaatsvinden, maar verspreid over een periode van ruim drie maanden, te weten van 7 juni tot en met 12 september 2019. Het grootste ruimtebeslag vindt plaats door Psy-Fi en ook dan zijn nog delen van de Groene Ster openbaar toegankelijk. Uit de kaart van het gebied en de evenementenplanning blijkt dat gedurende de gehele zomer altijd delen van het gebied openbaar toegankelijk blijven, inclusief zwemwater met strand en ligweide(s). Te allen tijden blijven dus (veelal grote) gebieden binnen de Groene Ster toegankelijk voor onder meer wandelaars en fietsers en zijn voorts ten minste twee stranden met zwemwater beschikbaar, te weten in ieder geval één van de twee kleinere stranden (1 en 2) en het naaktstrand. Daarnaast wordt nog voorzien in een alternatieve zwemlocatie, te weten ‘Oer de Bonke’ te Snakkerburen. Dit strand ligt in de nabijheid van de Groene Ster. Die bestaande zwemlocatie is in 2018 verbeterd, onder meer door zandsuppletie. In de periode dat een aantal stranden in de Groene Ster als gevolg van Psy-Fi niet beschikbaar is voor badgasten, zal bij ‘Oer de Bonke’ voorzien worden in een toiletvoorziening. Het strand en de ligweide meten 810 m² respectievelijk 4.700 m² en vormt een aanvaardbaar alternatief voor badgasten.

8.3.

Hoewel verzoekers kunnen worden gevolgd in hun betoog dat het recreatiegebied de Groene Ster bestemd is voor recreanten en de verleende tijdelijke omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan voormeld gebruik beperkt, wijst de voorzieningenrechter erop dat daarin is voorzien, gelet op de aan verweerder gegeven bevoegdheid ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Bor. Indien en voor zover verzoekers van mening zijn dat verweerder in het kader van de door hem te maken ruimtelijke belangenafweging niet tot dit oordeel heeft kunnen komen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de procedure in de voorlopige voorziening zich in dit geval niet leent voor een intensief onderzoek naar de afweging van die belangen.

9.1.

Verzoekers betogen dat er in het kader van een goed woon- en leefklimaat sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat, mede gelet op de geluidsparagraaf van de ruimtelijke onderbouwing.

9.2.

In de ruimtelijke onderbouwing is in de geluidsparagraaf onder meer het navolgende vermeld. Het geluid bij evenementen kan een bepaalde mate van overlast met zich brengen. Om deze overlast te beperken stelt verweerder onder meer normen aan het aantal geluids-dagen, de begin- en eindtijden, de hoeveelheid te produceren geluid en aan rusttijden. Dit vormt het normenstelsel van de Beleidsregel geluid. Bij planologische besluiten sluit verweerder aan bij de Beleidsregel geluid, omdat die beleidsregel onaanvaardbare/onduld-bare hinder voorkomt. In overeenstemming met de Beleidsregel geluid wordt op basis van de APV aan elk festival een afzonderlijke geluidsontheffing verleend. Op grond van de Beleidsregel geluid worden de organisatoren van de evenementen in de Groene Ster verplicht per evenement een akoestisch onderzoek uit te laten voeren gebaseerd op de feitelijke situatie per evenement. Daarbij moet onder meer het aantal podia, de locatie van de podia, de gebruikte apparatuur, de aard van het festival, de mogelijkheden om geluid af te schermen en alle overige informatie, die nodig is om te beoordelen of aan de maximaal toegelaten waarden van de geluidimmissie op de gevels van omliggende woningen en/of Front of House (FoH) wordt voldaan, worden betrokken.

10.3.1.

Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS: 2013:822 en ECLI:NL:RVS:2013:BZ1248, volgt dat verweerder eventueel veroorzaakte geluidsoverlast ook in aanmerking dient te nemen bij de beoordeling of de woon- en leefsituatie in de omgeving van de te houden festival op ontoelaatbare wijze nadelig zal worden beïnvloed. De voorzieningenrechter overweegt dat de beoordeling of aan de geldende milieunormen wordt voldaan, uitsluitend in het kader van de handhaving van de Wet milieubeheer aan de orde dient te komen (vgl. AbRvS, 9 januari 2008, ECLI:NL: RVS:2008: BC1506). Dit betekent evenwel niet dat verweerder aan geluidsaspecten voorbij kan gaan. Het geluid, voor zover dat valt binnen de door de Beleidsregel geluid gestelde normen, maakt deel uit van de uitstraling in totaliteit van het festival op de omgeving en is dus mede bepalend voor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het festivalterrein.

10.3.2.

De voorzieningenrechter constateert dat verweerder voor de ruimtelijke inpassing van het festival Wttv zich heeft laten leiden door de Nota Limburg die verweerder stelt te hebben geïncorporeerd in zijn Beleidsregel geluid. Daarbij is het uitgangspunt dat er voor omwonende binnenshuis geen onduldbare hinder mag ontstaan. Verweerder heeft die vraag apart beoordeeld in het kader van de op grond van de APV verleende geluidsontheffing. Voor de beoordeling van de vraag of verweerder dat goed gedaan heeft verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak LEE 19/2320 van heden.

De voorzieningenrechter benadrukt dat de geluidsontheffing wordt beoordeeld in het licht van het feit dat het gaat om een bevoegdheid op grond van de APV. Het enkele feit dat een festival wellicht toelaatbaar is op grond van de APV wil echter nog niet zeggen dat een structurele ruimtelijke inpassing van dit festival in combinatie met andere festivals ruimtelijk toelaatbaar is. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat in de huidige omgevingsvergunning weliswaar slechts toestemming wordt verleend voor het festival Wttv doch dat voor de ruimtelijke toelaatbaarheid daarvan ook moet worden gekeken naar de cumulatieve effecten van de verschillende festivals op de woon- en leefomgeving van omwonenden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in het kader van de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende aandacht besteed aan die cumulatieve effecten voor wat betreft de geluidshinder van de festivals in de Groene Ster. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het enkele feit dat er tussen de verschillende festivals een ruimere rustperiode is ingelast niet met zich brengt dat dit een goed woon- en leefklimaat voor de omwonenden garandeert. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan verweerder dit gebrek in de motivering in het besluit op bezwaar herstellen.

Daar tegenover staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat weliswaar duidelijk is dat verzoekers een grote mate van geluidsoverlast door de festivals op dit moment moeten dulden maar dat verzoekers thans onvoldoende hebben onderbouwd dat de door verweerder verrichte belangenafweging zodanige gebreken vertoont dat verweerder niet tot deze afweging zou kunnen komen en de omgevingsvergunning daarom geschorst zou moeten worden. Of de voorzieningenrechter ten aanzien van de geluidsbelasting een beperkende maatregel zou moeten treffen, zal worden beoordeeld in LEE 19/2320, het verzoek om voorlopige voorziening tegen de geluidsontheffing. In zoverre slaagt deze grond van verzoekers niet.

11. Gelet op de voorgaande overwegingen ziet de voorzieningenrechter na afweging van de betrokken belangen geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding om een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, uit te spreken.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2019.

De griffier De voorzieningenrechter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.