Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3091

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
18/830323-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging zware mishandeling door messteek in been; beroep op putatief noodweer verworpen; onvoldoende gesteld voor ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en overigens culpa in causa; straf conform vooarrest in rekening houdend met naderende uitzetting naar Duitsland.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830323-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 juli 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats],

verblijvende in het Justitieel Complex Zaanstad,

Smeet 1 te Westzaan.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 juli 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.J.E. Hogewind, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Scharenborg.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 30 december 2018 te Delfzijl ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] in het been heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 30 december 2018 te Delfzijl, [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] in het been te steken en/of te snijden.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde en heeft daartoe aangevoerd dat, door opzettelijk met een mes in een bovenbeen te steken, de kans op zwaar lichamelijk letsel bij aangever aanmerkelijk is.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde nu niet bewezen kan worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 2 juli 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb [slachtoffer] met een mes in zijn been gestoken.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 december 2018, opgenomen op pagina 25 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018341207 d.d. 28 januari 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer]:

Op zondag 30 december 2018 bevond ik mij op het COA opvangadres in Delfzijl. De man had een mes in zijn hand en haalde ineens uit naar mijn been met het mes. Het mes raakte mijn been. Ik voelde dat het mes in mijn bovenbeen stak. Ik voelde hierdoor meteen een hevige pijn en zag dat er direct bloed uit de wond kwam lopen.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank acht op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer heeft gestoken in zijn linker bovenbeen. De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat zich in het bovenbeen onder andere spieren, pezen en slagaders bevinden en dat de kans dat iemand zwaar lichamelijk letsel overhoudt aan het steken met een mes in een been, in de vorm van doorgesneden spieren, pezen of slagaders, aanmerkelijk is. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat door op de hiervoor omschreven wijze te handelen, verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen bewust heeft aanvaard. De rechtbank concludeert daarmee dat verdachte het opzet op zwaar lichamelijk letsel heeft gehad en zich daarom schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 30 december 2018 te Delfzijl ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] in het been heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van verdachte

Het bewezen verklaarde levert op:

Primair: poging tot zware mishandeling.

Standpunt van verdediging

De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld, nu hij heeft gehandeld uit putatief noodweer. Verdachte heeft abusievelijk in de veronderstelling verkeerd dat hij werd aangevallen door AZC-bewoners waar hij al eerder een conflict mee had gedacht, terwijl in werkelijkheid de beveiliging voor de deur stond die de kamer van verdachte wilde betreden omdat het brandalarm op zijn kamer was afgegaan.

De raadsvrouw heeft subsidiair aangevoerd dat niet vastgesteld kan dat de paranoïde waan zou zijn ontstaan door overmatig alcohol- en drugsgebruik, omdat niet duidelijk is geworden in welke hoeveelheden verdachte middelen heeft gebruikt die betreffende avond. De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat, nu verdachte al langere tijd alcohol en drugs gebruikt, hij geen rekening hoefde te houden met de omstandigheid dat hij in een paranoïde waan terecht zou komen.

Standpunt van officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van (putatief) noodweer.

Oordeel van rechtbank

De rechtbank verwerpt het beroep op putatief noodweer en overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij bang was om aangevallen te worden door een aantal schreeuwende mensen die voor de deur stonden en zijn kamer wilden betreden. Volgens hem kwam zijn angst niet voort uit zijn voorafgaande drugsgebruik. De rechtbank constateert echter dat verdachte, ook na herhaaldelijk doorvragen, in het geheel geen concrete feiten of omstandigheden heeft benoemd die er volgens verdachte voor hebben gezorgd dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij ogenblikkelijk wederrechtelijk werd aangerand dan wel dat hiertoe een onmiddellijk dreigend gevaar bestond. Het beroep op putatief noodweer is daarmee onvoldoende onderbouwd.. Het wordt door de rechtbank om die reden verworpen, nog daargelaten dat een deugdelijk onderbouwd verweer zou stranden op ‘culpa in causa’ van verdachte zelf. Gedragsdeskundige drs. D.J. Burck, GZ-psycholoog, heeft in haar rapportage immers geconcludeerd dat verdachte op de hoogte was van het feit dat een combinatie van alcohol en cannabis tot paranoïde angsten en paniekreacties kunnen leiden, omdat verdachte een dergelijke beleving al vier keer eerder heeft gehad.

Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

De psycholoog is in het rapport van 19 april 2019 tot de conclusie gekomen dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar kan worden geacht. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare. Nu ook overigens geen aanwijzingen zijn voor enige strafuitsluitingsgrond, acht de rechtbank verdachte strafbaar voor zijn handelen.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. De officier van justitie heeft naast de richtlijnen van het openbaar ministerie en vergelijkbare jurisprudentie, rekening gehouden met het feit dat het door verdachte gepleegde feit tot veel onrust heeft geleid binnen het AZC te Delfzijl.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, bepleit de op te leggen straf te beperken tot de tijd die verdachte op het moment van de terechtzitting reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering d.d. 8 april 2019 en van de psycholoog d.d. 19 april 2019, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 5 juni 2019, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door een mes in het been te steken van een kennis die bij hem op bezoek was in het AZC te Delfzijl. Door aldus te handelen heeft verdachte verwijtbaar een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever [slachtoffer] en heeft hij voor gevoelens van angst en onrust gezorgd in het AZC te Delfzijl. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie van verdachte waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Uit het eerdergenoemde rapport van de reclassering blijkt dat verdachte oorspronkelijk uit Irak komt en op een zeker moment naar Duitsland is gevlucht, waar hij ook geregistreerd staat. Verdachte verblijft sinds oktober 2018 in Nederland. De reclassering heeft aangegeven dat een volledig onderzoek vanwege dit korte verblijf niet mogelijk is. Ook is er geen informatie over het functioneren van verdachte van voor die tijd beschikbaar. De kans op recidive wordt door de reclassering als gemiddeld ingeschat, nu verdachte geen dagbesteding heeft, een laag inkomen, middelenproblematiek en weinig sociale contacten. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Verdachte beheerst de Nederlandse en Engelse taal niet. Ook is bekend geworden dat verdachte zal worden uitgezet naar Duitsland. De reclassering heeft daarom geadviseerd om een onvoorwaardelijke straf op te leggen.

Bij de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Gelet hierop is in tegenstelling tot de eis van de officier van justitie in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden op zijn plaats. De rechtbank zal echter rekening houden met de omstandigheden van verdachte, in die zin dat hij zo spoedig mogelijk middels vreemdelingenbewaring zal worden uitgezet naar Duitsland.

De rechtbank heeft terechtzitting van 2 juli 2019 reeds de voorlopige hechtenis van verdachte opgeheven.

De rechtbank zal derhalve een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, die gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur 183 dagen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. R. Baluah, rechters, bijgestaan door mr. A.M.J. Flach, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juli 2019.

Mr. J.V. Nolta is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.