Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3060

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-07-2019
Datum publicatie
15-07-2019
Zaaknummer
18/050859-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Artikelen 300 en 302 Sr. Poging zware mishandeling en mishandeling tijdens het uitgaan. Minderjarige. Verdachte heeft, samen de andere medeverdachten, gevochten met een groep jongens naar aanleiding van een eerder incident op de avond. Verdachte heeft eerst een kopstoot uitgedeeld aan het ene slachtoffer. Vervolgens heeft verdachte het andere slachtoffer, terwijl deze op de grond lag, meerdere malen geslagen en hard tegen het hoofd getrapt. De rechtbank legt een voorwaardelijke jeugddetentie op voor de duur van één maand en een werkstraf voor de duur van tachtig uren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77i
Wetboek van Strafrecht 77m
Wetboek van Strafrecht 77n
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77z
Wetboek van Strafrecht 77gg
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/050859-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 juli 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de besloten terechtzitting van 21 juni 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.R.H. Baas, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. Hertogs.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 januari 2019 te Winsum, gemeente Het Hogeland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of in het gezicht, in ieder geval tegen het lichaam heeft geschopt/getrapt/geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 januari 2019 te Winsum, gemeente Het Hogeland, openlijk, te weten, aan of bij de Onderdendamsterweg, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of in het gezicht, in ieder geval tegen het lichaam te schoppen/trappen/slaan;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 13 januari 2019 te Winsum, gemeente Het Hogeland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of in het gezicht, in ieder geval tegen het lichaam te trappen/schoppen/te slaan;


2.
hij op of omstreeks 13 januari 2019 te Winsum, gemeente Het Hogeland [slachtoffer 2] (meermalen) heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] een kopstoot te geven en/of tegen het hoofd, in ieder geval tegen het lichaam te slaan/stompen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van de stukken in het dossier veroordeling gevorderd van het onder 1 primair ten laste gelegde en het onder 2 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat op grond van de aangifte van [slachtoffer 2] en de bekennende verklaring van verdachte het ten laste gelegde slaan door verdachte bewezen kan worden. Volgens de officier van justitie komt verdachte ten aanzien van het slaan geen beroep op noodweer toe nu verdachte zich aan de situatie had kunnen en moeten onttrekken toen die mogelijkheid zich voordeed.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat over de aanleiding en het gebruik van het geweld door getuigen tegenstrijdig en wisselend is verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat op grond van het dossier niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten. Ook kan niet worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met het vereiste (voorwaardelijk) opzet. Verdachte dient van het onder 1 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de aangifte van [slachtoffer 2] - waaruit volgt dat verdachte hem een kopstoot zou hebben gegeven - onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier, nu de getuigen wisselende en onduidelijke verklaringen hebben afgelegd. Er kan dan ook niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte aangever [slachtoffer 2] een kopstoot heeft gegeven. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte eveneens van het ten laste gelegde 'slaan' dient te worden vrijgesproken, nu hij uit noodweer heeft gehandeld. Verdachte heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zijn lijf. Hij heeft geprobeerd [medeverdachte 1] en aangever [slachtoffer 2] uit elkaar te halen. Daarop werd verdachte geslagen door aangever en heeft verdachte zich verdedigd door aangever een klap te geven.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 januari 2019, opgenomen op pagina 50 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019012221 d.d. 28 maart 2019, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

Op 13 januari 2019 zijn we naar de pub gegaan te Winsum. [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben ons achtervolgd. [medeverdachte 1] heeft mij op de grond geduwd. Ik lag op mijn zij, met mijn rug tegen de muur aan. [medeverdachte 1] trapte tegen mijn hoofd aan, daarna kwam [verdachte] erbij. Ik probeerde de schoppen af te weren met mijn handen. Ik was erg bang want bij iedere schop zag ik een soort flits. Ik voelde de schoppen. Ik zag dat [verdachte] deze gerichte schoppen tegen mijn hoofd deed. Ik ben minstens 13 maal tegen mijn hoofd geschopt. Ik voelde een hevige pijn aan mijn hoofd. Ik hoorde dat gezegd werd: 'Zo is het genoeg geweest'. Ze gingen beiden door en ik voelde dat de trappen harder werden. Ik weet niet hoe ik in het [café] ben gekomen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 januari 2019, opgenomen op pagina 81 e.v. van voornoemd dossier van Politie Noord-Nederland d.d. 28 maart 2019, inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

Tegen de gevel van mijn kroeg zag ik [verdachte]. Ik zag dat hij zeer agressief en doelbewust ergens tegen aan het trappen was. Ik pikte dat niet en ging snel naar buiten. Ik zag dat een persoon in de foetus houding tegen de gevel op de grond lag. Ik zag dat de persoon zijn hoofd beschermde met zijn handen en armen. Ik besefte dat [verdachte] niet tegen een fiets maar tegen een persoon op de grond aan het trappen was. Ik ontfermde mij over deze persoon. Het was [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] kon moeizaam lopen. Ik zag bloed om de mond van [slachtoffer 1]. Ik zag een forse zwelling op het voorhoofd. Het was een flinke bult. Ik zag meerdere schaafplekken op zijn gezicht. Ik zag een dikke lip. Daar zat ook bloed omheen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 6 februari 2019 opgenomen op pagina 83 e.v. van voornoemd dossier van Politie Noord-Nederland d.d. 28 maart 2019, inhoudende als verklaring van [getuige 2]:

Ik zag vier jongens rennen. Zij renden in de richting van [café]. Ik kreeg de indruk dat de voorste jongen op de vlucht was voor de anderen drie. Ik zag dat de voorste jongen ten val kwam nabij de gevel van het café. Ik zag dat de jongen door zijn drie achtervolgers werd getrapt. Ik heb gezien dat de jongen door alle drie de jongens werd geschopt. Ik zag dat de jongen trappen kreeg over zijn hele lichaam. Ik zag dat het slachtoffer zijn hoofd beschermde met zijn armen. Ik riep luid tegen de groep dat zij moesten stoppen met schoppen en trappen. Ik zag dat het geweld gewoon doorging. Ik zag dat er hard werd getrapt. Ik denk dat er meer dan tien keer tegen het lichaam van de jongen is getrapt. Ik zag dat zijn gezicht bebloed was. Ik zag bloed bij het oog van die jongen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 19 februari 2019, opgenomen op pagina 111 e.v. van voornoemd dossier van Politie Noord-Nederland d.d. 28 maart 2019, inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1]:

Ik was die avond op stap met [medeverdachte 2] en [verdachte]. We kwamen [naam 2], [slachtoffer 1] en [getuige 3] tegen. Het klopt dat we toen alle drie één persoon van de groep hebben gepakt. We zijn er met z'n drieën tegelijk op afgelopen en we zijn met z'n drieën gaan vechten. Het klopt dat [slachtoffer 1] op de grond lag en door mij werd geslagen. Het klopt ook dat [slachtoffer 1] werd getrapt. Ik heb gezien dat hij in het gezicht getrapt werd, dit was waarschijnlijk door één van de andere jongens die erbij waren. Die trap raakte [slachtoffer 1] vol het gezicht. Na die schop had [slachtoffer 1] bloed in het gezicht. Ik heb [slachtoffer 1] ook nog twee à drie keer geslagen met de vuist toen hij op de grond lag.

5. Een schriftelijk bescheid d.d. 18 januari 2019 opgemaakt door, [naam 4], doktersassistente, voor zover inhoudend, als haar verklaring:

14-01-2019 Conclusie röntgen onderzoek: 17-jarige man status na mishandeling met geïsoleerd trauma van het hoofd, geen intracranieel letsel, dd licht traumatisch schedelhersenletsel.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

1. De door verdachte op de terechtzitting van 21 juni 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

U houdt mij de verklaring voor van aangever [slachtoffer 2] waarin hij onder andere heeft verklaard dat hij rond 03:45 uur met zijn vrienden is terug gelopen naar de fietsen bij [café], dat [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hen achterna zijn gelopen en dat [verdachte] hem vervolgens met de vuist in het gezicht heeft geslagen. U vraagt mij of ik het slaan van [naam 2] eveneens ontken. Nee, dat ontken ik niet. Ik heb [naam 2] inderdaad één klap gegeven.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 januari 2019, opgenomen op pagina 68 e.v. van voornoemd dossier van Politie Noord-Nederland d.d. 28 maart 2019, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:

Op 13 januari 2019 was ik op stap in Winsum. [medeverdachte 1] kwam met [verdachte] op mij af lopen. Ik voelde plotseling een enorme dreun tegen mijn hoofd aan. Ik voelde een harde kracht tegen mijn voorhoofd. Ik had een kopstoot van [verdachte] gehad. Ik schrok enorm hiervan en ik voelde pijn aan mijn hoofd.

Ik, [getuige 3] en [slachtoffer 1] liepen omstreeks 03:45 uur naar onze fietsen. Deze hadden we geparkeerd bij [café]. Toen we halverwege de straat liepen zag ik meerdere jongens achter ons aan lopen. Dit waren [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Ik zag dat [verdachte] tegenover mij stond. Ik voelde vervolgens een harde stoot tegen mijn kaak. Ik zag dat [verdachte] mij met een vuist vol op mijn kaak sloeg. Ik voelde pijn.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 januari 2019, opgenomen op pagina 72 e.v. van voornoemd dossier van Politie Noord-Nederland d.d. 28 maart 2019, inhoudende als verklaring van [getuige 3]:

Ik zag dat [naam 2] een kopstoot kreeg van [verdachte]. Ik zag dat [verdachte] met zijn beide handen het hoofd van [naam 2] vastpakte en hem van voren een kopstoot gaf.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Ten aanzien van onder 1 ten laste gelegde

Betrouwbaarheid getuigenverklaringen

Op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de groep waar verdachte deel van uitmaakte, geweld heeft gebruikt tegen aangever waarbij verdachte aangever meerdere malen onder meer tegen het hoofd heeft geschopt. Voor zover de raadsvrouw heeft aangevoerd dat door getuigen wisselend is verklaard, overweegt de rechtbank dat zij geen aanleiding heeft om te twijfelen aan deze verklaringen, nu de getuigen in hoofdlijnen gelijkluidend hebben verklaard over het gebruikte geweld en over de personen die daarbij betrokken zijn geweest. Bovendien worden de verklaringen op essentiële punten ondersteund door de verklaring van een medeverdachte. Dat de verklaringen op detailniveau wellicht iets van elkaar afwijken, kan worden verklaard uit het feit dat de getuigen vanuit verschillende invalshoeken en op verschillende momenten het geweld jegens aangever hebben waargenomen.

Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten. Verdachte heeft ruzie gekregen met aangever en zijn vrienden. Hierop zijn verdachte en de twee medeverdachten met zijn drieën achter aangever en zijn vrienden aan gegaan, waarna een gevecht is gevolgd. Tijdens dit gevecht hebben verdachte en een van de medeverdachten aangever meermalen geschopt en getrapt, terwijl hij op de grond lag. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten, die ook heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering.

Opzet

Op grond van de aard van het letsel en de eerdergenoemde verklaringen concludeert de rechtbank dat verdachte en de medeverdachten aangever met geschoeide voet meermalen krachtig hebben getrapt tegen het hoofd, terwijl aangever op de grond lag. Nu het een feit van algemene bekendheid is dat het hoofd een zeer kwetsbaar deel van het lichaam vormt, en grof geweld tegen het hoofd daarom tot zeer ernstig letsel kan leiden, is het handelen van de verdachten naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachten daar het opzet op hadden. De conclusie moet dan ook zijn dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Voor het aannemen van een noodweersituatie is noodzakelijk dat aannemelijk wordt dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding jegens het lijf, van verdachte, waartegen verdachte zich moest verdedigen. De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op het agressieve gedrag van verdachte gedurende de avond, waarbij hij samen met de andere medeverdachten aangever en diens vrienden heeft opgezocht om verhaal te halen en aangever al eerder een kopstoot heeft gegeven, niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door aangever [slachtoffer 2]. De rechtbank volgt de lezing van verdachte hierin niet, ook omdat deze lezing op geen enkele wijze wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen. De rechtbank verwerpt aldus het beroep op noodweer.

De rechtbank is, anders dan de verdediging heeft aangevoerd, van oordeel dat zowel de onder 2 ten laste gelegde kopstoot als het slaan wettig en overtuigend bewezen kan worden, gelet op de in de bewijsmiddelen aangehaalde verklaringen van aangever, getuige [getuige 3] en de bekennende verklaring van verdachte.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. Primair:

hij op 13 januari 2019 te Winsum tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, tegen het hoofd en in het gezicht heeft geschopt/getrapt/geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 13 januari 2019 te Winsum, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] een kopstoot te geven en tegen het hoofd te slaan/stompen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Primair: medeplegen van poging tot zware mishandeling;

2. Mishandeling, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarde dat verdachte op geen enkele wijze, direct of indirect, contact opneemt of heeft met aangever [slachtoffer 1]. De officier van justitie heeft naast de richtlijnen van het openbaar ministerie en de strafverzwarende omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, te weten in vereniging en tijdens het uitgaan, rekening gehouden met het feit dat verdachte first offender is en uit het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad) niet gebleken is van enige zorgen omtrent verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat rekening gehouden dient te worden met het feit dat verdachte first offender is en dat uit het advies van de Raad niet is gebleken van enige zorgen omtrent verdachte. Nu uit het advies van de Raad is gebleken dat de kans op recidive laag is, acht de raadsvrouw oplegging van een contactverbod met aangever [slachtoffer 1] niet op zijn plaats.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage door de Raad, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling ten aanzien van aangever [slachtoffer 1], alsmede de mishandeling van aangever [slachtoffer 2]. Na een eerder incident tussen aangever [slachtoffer 2] en medeverdachte [medeverdachte 1] hebben verdachte en de andere medeverdachten tijdens een avond uitgaan de slachtoffers opgezocht om verhaal te halen. Eerst heeft verdachte in een uitgaansgelegenheid aangever [slachtoffer 2] een kopstoot gegeven. Nadat aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en zijn vrienden zijn vertrokken, zijn verdachte en zijn medeverdachten achter hen aangegaan en is het even verderop, voor de ingang van een andere uitgaansgelegenheid tot een vechtpartij gekomen. Aangever [slachtoffer 2] is buiten door verdachte geslagen en aangever [slachtoffer 1] is onder meer meermalen hard tegen het hoofd getrapt, terwijl hij op de grond lag. Het geweld tegen aangever [slachtoffer 1] is pas gestopt toen omstanders ingrepen. Dat aangever [slachtoffer 1] niet meer letsel heeft opgelopen dan nu het geval is, is een geluk en zal vooral te danken zijn geweest aan de beschermende houding die hij, gelegen op de grond, heeft aangenomen. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat verdachte zeer agressief en doelgericht op aangever [slachtoffer 1] heeft ingeschopt. Hij heeft door zijn gedrag aangever [slachtoffer 1] letsel toegebracht en daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever [slachtoffer 1]. Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard tijdens het schoppen doodsangsten te hebben uitgestaan.

Dit alles heeft plaatsgevonden tijdens een stapavond en meerdere mensen hebben dit ernstige geweld moeten waarnemen. Uit het procesdossier blijkt ook van de verontwaardiging van de omstanders/getuigen over het schoppen tegen het hoofd.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie van verdachte waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 26 april 2019. De Raad heeft gesproken met verdachte, zijn ouders en een mentor van verdachte op het Noorderpoort College. Volgens de Raad zijn er ten aanzien van de ontwikkeling van verdachte geen zorgen naar voren gekomen.

De rechtbank stelt vast dat in het onderzoek van de Raad de ontkennende houding van verdachte het uitgangspunt is geweest. Ook ouders zijn ervan overtuigd dat verdachte geen strafbare feiten heeft gepleegd. Zij wijzen als oorzaak voor de strafzaak naar de ouders van aangever [slachtoffer 1] en de geschiedenis die zij met elkaar hebben.

De rechtbank komt echter tot bewijs van ernstige geweldsdelicten en maakt zich om die reden ernstig zorgen over de agressiviteit en ook over de houding van verdachte, nu hij geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag. Hierin ziet de rechtbank risicofactoren, waarin gevaar schuilt voor recidive. Voorgaande sluit meer aan bij de resultaten van de in het raadsonderzoek ingevulde vragenlijsten, dan bij de integrale conclusies en adviezen van de Raad. Het advies om aan verdachte alleen een werkstraf op te leggen, zal de rechtbank gelet op het voorgaande alsook op hetgeen hierna wordt overwogen, niet volgen.

Bij de op te leggen straf houdt de rechtbank allereerst rekening met de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Gelet hierop is in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats.

De rechtbank zal echter ten gunste van verdachte rekening houden met het feit dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en zal hem gelet hierop geen onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen. De rechtbank zal een lagere werkstraf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd, maar daarnaast ook een voorwaardelijke jeugddetentie als stevige stok achter de deur voor verdachte.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een contactverbod op te leggen, nu een dergelijk verbod alleen al gelet op de leeftijd van verdachte en slachtoffer, hun beider woonplaats en de sociale kringen waarin zij zich bewegen, moeilijk dan wel niet te handhaven is.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1], tot een bedrag van € 112,- ter zake van materiële schade en € 1.375,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 3], tot een bedrag van € 326,88 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
3. [slachtoffer 4], tot een bedrag van € 369,63 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

4. [slachtoffer 2], tot een bedrag van € 540,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

5. [slachtoffer 5], tot een bedrag van € 29,98 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de door de benadeelde partijen gevorderde bedragen voor toewijzing in aanmerking komen, met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vervangende jeugddetentie dient daarbij vanwege de jonge leeftijd van verdachte op nihil te worden gesteld.

Standpunt van de verdediging

Vordering [slachtoffer 1]

De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat, nu het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard, de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij ter zake van de immateriële schade dient te worden gematigd. De gevorderde schadevergoeding in de aangehaalde, vergelijkbare jurisprudentie is aan de forse kant.

Vordering [slachtoffer 3]

De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat, nu het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard, de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden gematigd. De gevorderde kosten voor het opgenomen zorgverlof zijn aan de forse kant en het is niet duidelijk of het betaald of onbetaald zorgverlof betreft.

Vordering [slachtoffer 4]

De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij ter zake van de materiële kosten voor de jas en broek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde geen rechtstreekse schade is toegebracht. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij ter zake van de gevorderde reiskosten dient te worden gematigd, omdat deze aan de forse kant zijn.

Vordering [slachtoffer 2]

De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat, nu het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard, de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Vordering [slachtoffer 5]

De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat, nu het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard subsidiair verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Vordering [slachtoffer 1]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële en immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte ter zake van de immateriële schade onvoldoende concreet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 januari 2019.

Vordering [slachtoffer 3]

Met de inwerkingtreding van de wet 'Affectieschade en verplaatste schade' kan per 1 januari 2019 een derde zelfstandig een vordering benadeelde partij indienen, als de derde kosten heeft gemaakt ten behoeve van het slachtoffer van het strafbare feit. Benadeelde partij is de vader van het slachtoffer. Het slachtoffer is twee weken volledig aangewezen geweest op de zorg van zijn vader. De benadeelde partij was daardoor genoodzaakt om verlofuren op te nemen.

De raadsvrouw heeft het verweer gevoerd dat onduidelijk blijft of sprake is van onbezoldigd dan wel bezoldigd verlof. De rechtbank leidt hieruit maar af dat de raadsvrouw daarmee stelt dat in dat laatste geval geen sprake zou zijn van schade en overweegt het volgende.

Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de benadeelde partij 48 verlofuren heeft gebruikt en deze niet heeft kunnen besteden op het moment van zijn keuze en niet kunnen besteden zoals hij wil. Voor de hoogte van de tegemoetkoming is vervolgens aansluiting gezocht bij het Besluit tarieven in Strafzaken. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank afdoende dat geen schade wordt gevorderd voor gederfd loon ten gevolge van onbezoldigd opgenomen verlof, maar voor verlies van verlofuren. Daaromtrent is verder geen verweer gevoerd.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende concreet door de verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 januari 2019.

Vordering [slachtoffer 4]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De gevorderde schade betreft geen verplaatste schade, maar is rechtstreekse schade van het slachtoffer [slachtoffer 1]. De rechtbank is echter van oordeel dat voldoende onderbouwd is gesteld dat de benadeelde partij de kleding van het slachtoffer heeft aangeschaft en betaald. Het slachtoffer is immers nog minderjarig en woont nog in gezinsverband. De rechtbank zal de door de benadeelde partij gevorderde schade dan ook toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 januari 2019.

Vordering [slachtoffer 2]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 januari 2019.

Vordering [slachtoffer 5]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De gevorderde schade betreft geen verplaatste schade, maar is rechtstreekse schade van het slachtoffer [slachtoffer 2]. De rechtbank is echter van oordeel dat voldoende onderbouwd is gesteld dat de benadeelde partij het slachtoffer naar het politiebureau en het kantoor van Slachtofferhulp heeft gereden en (reis)kosten heeft gemaakt. Het slachtoffer is immers nog minderjarig en woont in gezinsverband. De rechtbank zal de door de benadeelde partij gevorderde schade dan ook toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 januari 2019.

De rechtbank overweegt ten aanzien alle bovenstaande vorderingen als volgt.

Nu vast staat dat verdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 1 maand.

Bepaalt dat deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een werkstraf voor de duur van 80 uren. De werkstraf moet binnen 12 maanden zijn verricht.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast.

Ten aanzien van 18/050859-19, feit 1 primair:

Vordering [slachtoffer 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.487,- (zegge: duizendvierhonderdzevenentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2019.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 1.487,- (zegge: duizendvierhonderdzevenentachtig euro). Dit bedrag bestaat uit € 112,- aan materiële schade en € 1.375,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Vordering [slachtoffer 3]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 326, 88 (zegge: driehonderdzesentwintig euro en achtentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2019.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] te betalen een bedrag van € 326, 88 (zegge: driehonderdzesentwintig euro en achtentachtig cent). Dit bedrag bestaat uit € 326, 88 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Vordering [slachtoffer 4]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 369, 63 (zegge: driehonderdnegenenzestig euro en drieënzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2019.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] te betalen een bedrag van € 369, 63 (zegge: driehonderdnegenenzestig euro en drieënzestig cent). Dit bedrag bestaat uit € 369, 63 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/050859-19, feit 2:

Vordering [slachtoffer 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 540,- (zegge: vijfhonderdveertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2019.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 540,- (zegge: vijfhonderdveertig euro). Dit bedrag bestaat uit € 540,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Vordering [slachtoffer 5]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 29, 98 (zegge: negenentwintig euro en achtennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2019. Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] te betalen een bedrag van € 29, 98 (zegge: negenentwintig euro en achtennegentig cent). Dit bedrag bestaat uit € 29, 98 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Baluah, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. J. van Bruggen en mr. B.F. Hammerle, rechters, bijgestaan door mr. A.M.J. Flach, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 juli 2019.