Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3031

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-07-2019
Datum publicatie
29-07-2019
Zaaknummer
LEE 18/3321
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:2205, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zonnepark, beroepstermijn, belanghebbende 1:2 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 18/3321

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser 1] ,

[eiser 2] ,

[eiser 3] ,

allen te Oldeberkoop, eisers

(gemachtigde: F. Wuijts),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ooststellingwerf, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Mathey).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] , te [vestigingsplaats] ,

(gemachtigde: [eigenaar derde belanghebbende] ).

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan [derde belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een zonnepark.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft [derde belanghebbende] in de gelegenheid gesteld om aan het geding deel te nemen. Zij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2019, waarbij eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Namens verweerder is verschenen zijn gemachtigde, vergezeld door [naam] . Namens de derde-partij is verschenen zijn gemachtigde.

Nadat het onderzoek is gesloten hebben eisers op 25 mei 2019 een brief aan de rechtbank gezonden. Deze brief heeft geen aanleiding gegeven om het onderzoek te heropenen en is daarom aan eisers retour gezonden. De rechtbank zal voornoemde brief dan ook niet betrekken bij haar beslissing.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat F. Wuijts niet heeft bedoeld namens zichzelf beroep in te stellen, maar enkel namens eisers.

2. De rechtbank oordeelt ambtshalve dat het beroep, voor zover dat is ingediend namens [eiser 3] , niet-ontvankelijk is. Reden hiervoor is dat [eiser 3] eerst bij brief van 9 november 2018 - en daarmee na het einde van de beroepstermijn - door gemachtigde Wuijts als mede-indiener van het beroepschrift is aangemerkt. De rechtbank verwijst in dit kader naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) van 16 maart 2016, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder ECLI:NL:RVS:2016:681, waaruit blijkt dat de identiteit van degene(n) namens wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn. In dit geval is daarvan geen sprake, waardoor de rechtbank [eiser 3] niet kan ontvangen in haar beroep.

3. Gemachtigde Wuijts heeft de rechtbank bij brief van 4 mei 2019 schriftelijke machtigingen toegezonden waaruit valt af te leiden dat hij namens [eiser 1] en [eiser 2] beroep in heeft mogen stellen, hetgeen hij door middel van het beroepschrift van 1 november 2018 (binnen de daarvoor geldende beroepstermijn) heeft gedaan. Het beroep van [eiser 1] en [eiser 2] is daarmee - in tegenstelling tot dat van [eiser 3] - tijdig ingediend.

4. Het betreffende zonnepark zal gerealiseerd worden op de percelen ten noorden van [locatie] . De percelen staan kadastraal bekend als [kadastrale percelen] en hebben een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer vier hectare. Het park zal bestaan uit een panelenveld van circa 2,4 hectare en zal 30 jaar worden geëxploiteerd.

5. Eisers hebben een zienswijze ingediend tegen de ontwerp-omgevingsvergunning.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van [naam zonnepark] . Verweerder heeft dit besluit voorbereid met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft daarbij toestemming verleend voor de activiteiten "bouwen" en "planologisch strijdig gebruik".

7. Volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zoals de uitspraak van 28 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1066, is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

Indien bepaalde milieugevolgen zijn genormeerd door een afstandseis, een contour of een grenswaarde, is deze norm niet bepalend voor de vraag of de betrokkene belanghebbende is bij het besluit. Indien het besluit en de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, komt de vraag of aan die norm wordt voldaan aan de orde bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep.

De kring van belanghebbenden kan verschillen naar gelang de aard van het besluit. Zo hoeft de kring van belanghebbenden bij een handhavingsbesluit niet altijd samen te vallen met de kring van belanghebbenden bij een besluit tot vergunningverlening.

Bij besluiten over activiteiten in het omgevingsrecht is het de taak van het bestuursorgaan om de kring van belanghebbenden vast te stellen aan de hand van (onderzoek naar) de feitelijke gevolgen van het besluit. Uiteindelijk is het aan de bestuursrechter om te oordelen over de vraag wie belanghebbende bij een besluit is. De betrokken rechtzoekende hoeft derhalve niet zelf aan te tonen dat hij belanghebbende bij een besluit is. Slechts indien tijdens de procedure de vraag aan de orde is of ‘gevolgen van enige betekenis’ ontbreken en dus de vraag of er aanleiding is de correctie toe te passen, kan en mag van de betrokkene worden gevraagd uit te leggen welke feitelijke gevolgen hij van de activiteit ondervindt of vreest te zullen ondervinden.

8. Gelet op hetgeen over en weer door partijen is gesteld ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of [eiser 1] en [eiser 2] zijn aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en meer specifiek of er sprake is van gevolgen van enige betekenis. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

9. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. Gesteld noch gebleken is dat [eiser 1] en [eiser 2] vanuit hun woningen zicht hebben op de planlocatie. De percelen van [eiser 1] en [eiser 2] grenzen niet aan het projectgebied. Tussen het projectgebied en de percelen van [eiser 1] en [eiser 2] liggen twee percelen van It Fryske Gea, met een gezamenlijke oppervlakte van 14.157 m2, welke in gebruik zijn als bos. De afstand van het projectgebied tot het perceel van [eiser 1] is 246 meter en tot dat van [eiser 2] 85 meter. De rechtbank is van oordeel dat de gevolgen van het besluit voor het zicht van [eiser 1] en [eiser 2] ontbreken, dan wel van dermate geringe betekenis zijn dat in zoverre een persoonlijk belang bij het bestreden besluit ontbreekt. Voorts moet worden geoordeeld dat van het project, gelet op de afstand van de percelen van [eiser 1] en [eiser 2] tot het zonnepark, de hoogte van de panelen (maximaal 2 meter), de landschappelijke inpassing en de coating van de zonnepanelen tegen schittering, evenmin een zodanige ruimtelijke uitstraling uitgaat op het perceel van [eiser 1] en [eiser 2] dat het van invloed is op hun woon- en leefklimaat.

10. Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat het zonnepark gevolgen van enige betekenis voor [eiser 1] en [eiser 2] heeft, bijvoorbeeld in de vorm van trillingen, geur, emissie, licht, geluid of bijzondere risico’s voor de omgeving. Eisers hebben wel gesteld dat er negatieve effecten zouden kunnen zijn van zonneparken in het algemeen, doch dat dit nog niet bekend is. De vrees voor een onzekere, toekomstige gebeurtenis is naar het oordeel van de rechtbank echter niet afdoende om aangemerkt te kunnen worden als belanghebbende bij het onderhavige besluit.

11. Voorts zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat - ondanks het bovenstaande - toch een objectief en persoonlijk belang van [eiser 1] en [eiser 2] kan worden aangenomen welk belang rechtstreeks door het besluit wordt geraakt. De omstandigheid dat zij regelmatig in het gebied en langs de locatie wandelen en de toegangswegen van het bos uitkomen op de betreffende locatie acht de rechtbank ontoereikend om te kunnen spreken van een bijzonder, individueel belang dat hen van anderen onderscheidt die zich ook in dit gebied (willen) begeven. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de AbRvS van 30 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ8917. Hetzelfde geldt voor het standpunt dat iedere burger direct belanghebbende is indien het ontwikkelingen op milieuterrein en duurzaamheid betreft. Ook hierin ligt, wat daar verder ook van zij, geen bijzonder individueel belang besloten dat hen ( [eiser 1] en [eiser 2] ) van anderen onderscheidt.

12. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat gevolgen van enige betekenis ontbreken en [eiser 1] en [eiser 2] niet zijn aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Dat betekent dat [eiser 1] en [eiser 2] niet kunnen worden ontvangen in hun beroep.

13. De rechtbank concludeert dat géén van eisers - zij het om verschillende redenen - ontvangen kan worden in beroep. Enerzijds wegens overschrijding van de beroepstermijn ( [eiser 3] ), anderzijds wegens het niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb ( [eiser 1] en [eiser 2] ). De rechtbank zal het beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak komt de rechtbank niet toe.

14. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, rechter, in aanwezigheid van

mr. D.C. van der Ven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

12 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.