Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:2964

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-07-2019
Datum publicatie
26-08-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3658
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terecht belastingrente in rekening gebracht na vergissing bij het doen van aangifte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 26-08-2019
V-N Vandaag 2019/1952
FutD 2019-2258
V-N 2019/49.27.19
NTFR 2019/2242
NLF 2019/2011 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 18/3658

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Almelo, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Het beroep is gericht tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 4 oktober 2018 op het bezwaarschrift van eiseres tegen de aan haar bij de naheffingsaanslag omzetbelasting met het aanslagnummer [aanslagnummer] gegeven belastingrentebeschikking.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam] .

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en onmiddellijk daarna de mondelinge

uitspraak verdaagd voor de duur van twee weken.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Een kantoorgenoot van eiseres’ gemachtigde heeft bij het indienen van de kwartaalaangiften omzetbelasting voor het eerste kwartaal van 2016 het aangiftebiljet van eiseres en die van de fiscale eenheid [naam fiscale eenheid] (de fiscale eenheid [naam fiscale eenheid] ) per abuis met elkaar verwisseld.

3. Het aangiftebiljet dat op eiseres’ naam stond gesteld, leidde aldus tot een terug te ontvangen bedrag aan omzetbelasting van € 48. Het aangiftebiljet dat op de naam van fiscale eenheid [naam fiscale eenheid] stond gesteld, leidde tot een te betalen bedrag aan omzetbelasting van € 9.586.

4. Naar aanleiding van de door eiseres’ gemachtigde ingediende suppletieaangiften over het jaar 2016, heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 12 mei 2018 aan de fiscale eenheid [naam fiscale eenheid] een teruggaaf van omzetbelasting verleend van € 8.690. Hierover heeft verweerder geen belastingrente vergoed.

5. Daarnaast heeft verweerder aan eiseres met dagtekening 26 april 2018 een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 opgelegd van € 9.784. Hierbij heeft verweerder bij beschikking aan eiser een bedrag van € 532 aan belastingrente in rekening gebracht.

6. In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder terecht een bedrag van € 532 aan belastingrente aan eiseres in rekening heeft gebracht.

7. Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend. Zij stelt dat zij tijdig heeft voldaan aan de aangifte- en betaalverplichting, ondanks het feit dat de aangiftebiljetten zijn verwisseld.

8. Verweerder beantwoordt deze vraag bevestigend. De vaststelling en de berekening van de belastingrente berust volgens verweerder op de daarvoor geldende wettelijke bepaling.

9. Artikel 30h van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bepaalt dat met betrekking tot naheffingsaanslagen ter zake van omzetbelasting aan degene ten name van wie de naheffingsaanslag is gesteld, rente — belastingrente — in rekening wordt gebracht, ingeval de naheffingsaanslag is vastgesteld na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft.

10. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 26 april 2018 ten name van eiseres een naheffingsaanslag heeft vastgesteld en dat deze naheffingsaanslag betrekking heeft op het jaar 2016. Eiseres heeft de juistheid van deze naheffingsaanslag niet bestreden. Aangezien deze naheffingsaanslag na het einde van het kalenderjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft, is vastgesteld, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank daarbij overeenkomstig het bepaalde in artikel 30h van de AWR terecht aan eiseres belastingrente in rekening gebracht.

11. De stelling van eiseres dat verweerder, gelet op het causale verband tussen de aangifte van de fiscale eenheid [naam fiscale eenheid] en die van eiseres, feitelijk geen, dan wel nauwelijks, rente-nadeel heeft gehad, kan haar naar het oordeel van de rechtbank niet baten. Ten eerste niet omdat eiseres daarbij uitgaat van een (economische) versmelting tussen de twee genoemde belastingplichtigen, waarvoor geen steun in het recht is te vinden. Ten tweede niet omdat de belastingrenteregeling een vorm van een verzuimrenteregeling is en het feitelijk geleden rente-nadeel daarbij voor de wetgever geen uitgangspunt is geweest. De rechtbank wijst eiseres er hierbij op dat, hoewel zij de in rekening gebrachte belastingrente als een sanctie ervaart, daarvan in de visie van de wetgever geen sprake is.

12. De rechtbank passeert de stelling van eiseres dat dient te worden afgeweken van de door haar in dit geval als onredelijk ervaren wettelijke bepaling. De rechter moet namelijk volgens de wet rechtspreken en mag in geen geval de innerlijke waarde en billijkheid van de wet beoordelen (zie artikel 11 van de Wet Algemene bepalingen).

13. Eiseres’ beroep op het gelijkheidsbeginsel, waarbij zij heeft gerefereerd aan de zogenoemde schrijf- en tikfoutenleer, biedt haar evenmin soelaas. De rechtbank acht onvoldoende begrijpelijk hoe deze beroepsgrond dient te worden geïnterpreteerd. De rechtbank is van oordeel dat eiseres in ieder geval niet aannemelijk heeft gemaakt dat in haar geval sprake is van een situatie die rechtens en feitelijk gelijk is aan situaties waarin de Belastingdienst een gemaakte vergissing kan navorderen.

14. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het beroep van eiseres ongegrond verklaard.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is op 22 juli 2019 gedaan door mr. M. van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Hiemstra, griffier. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt. De beslissing is op voormelde datum in het openbaar uitgesproken, evenals de rechtsmiddelenverwijzing.

w.g. griffier

w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.