Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:2681

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-06-2019
Datum publicatie
21-06-2019
Zaaknummer
C18/191664 / KG ZA 19-90
Rechtsgebieden
Aanbestedingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Mondelinge uitspraak
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Aanbesteding installatie Feringa Building;

Terzijdelegging van de inschrijving op grond van onaanvaardbaarheid niet terecht;

Niet op goede gronden gebruik gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder aankondiging, waarbij de opdracht inmiddels aan een derde is gegund; verbod de overeenkomst met die derde uit te voeren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2019/1214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/191664 / KG ZA 19-90

Vonnis in kort geding van 21 juni 2019

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CROONWOLTER&DROS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UNICA INSTALLATIETECHNIEK,

gevestigd te Hoevelaken,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ENGIE SERVICES NOORD B.V.,

gevestigd te Roden,

eiseressen,

advocaat mr. M.R. Lim te Leiden,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

RIJKSUNIVERSITEIT GRONINGEN,

zetelend te Groningen,

gedaagde,

advocaat mr. P.P.R. Hoekstra te Groningen.

Partijen zullen hierna UEC en de RUG genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de mondelinge behandeling op 28 mei 2019;

  • -

    de pleitnota van UEC;

  • -

    de pleitnota van de RUG;

  • -

    de voortzetting van de mondelinge behandeling op 3 juni 2019;

  • -

    de pleitnota van UEC;

  • -

    de pleitnota van de RUG.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Het complex Nijenborgh 4 te Groningen waarin de faculteit Science and Engineering is gevestigd, voldoet niet meer aan de daaraan te stellen eisen. In verband daarmee heeft de RUG enige jaren geleden besloten dat het complex zal worden vervangen door een nieuw gebouw, genaamd de Feringa Building.

Het nieuwe gebouw krijgt een oppervlakte van ongeveer 62.000 vierkante meter en moet ongeveer 1400 studenten en 850 medewerkers huisvesten. Naast kantoor- en collegeruimtes is in het gebouw een groot scala bijzondere laboratoria voorzien, zoals fysische, (bio)chemisch en trillingsvrije laboratoria.

2.2.

Ten behoeve van de realisering van de Feringa Building is de RUG in 2016 een aanbestedingsprocedure gestart. Deze aanbestedingsprocedure is medio 2017 door de RUG voortijdig beëindigd, aangezien de verwachte inschrijfsommen het projectbudget van de RUG ruimschoots zouden overschrijden.

2.3.

In 2018 is de RUG terzake een nieuwe aanbestedingsprocedure begonnen. Daarvoor is het project in 4 percelen onderverdeeld:

• perceel 1 betreft de bouwkundige uitvoeringswerkzaamheden;

• perceel 2 de installatietechnische advies- en uitvoeringswerkzaamheden

(werktuigbouwkundige en elektrotechnische);

• perceel 3 de levering en gebruiksgerede installatie van laboratoriuminrichting; en

• perceel 4 de werkzaamheden met betrekking tot de cleanrooms.

2.4.

Voor zover van belang in dit kort geding is ten aanzien van de aanbesteding van perceel 2 gekozen voor een Europese mededingingsprocedure met onderhandeling conform het Europese deel van hoofdstuk 5 van het ARW 2016. Ten behoeve daarvan is de lnschrijvingsleidraad installatietechnische werkzaamheden - perceel 2 d.d. 22-05-2018 (documentcode RNN17O5ROO3) opgesteld. Het daarin vermelde gunningscriterium betreft de beste-prijs-kwaliteitsverhouding.

2.5.

UEC heeft zich aangemeld voor de selectiefase. De aanmelding is door de

beoordelingscommissie beoordeeld en gebleken is dat UEC de enige geselecteerde gegadigde was. Nadat de RUG had besloten de aanbesteding door te zetten, is de inschrijvings- en onderhandelingsfase begonnen.

2.6.

Op grond van de inschrijvingsleidraad diende UEC in eerste instantie een quickscan te maken. Doel daarvan is om de integrale prijs van het werk in relatie tot het beschikbare budget inzichtelijk te maken. In onderdeel 3.3 van de Leidraad is het budgettaire kader in dezen gesteld op € 56.200.000,00 (excl. BTW).

De quickscan van UEC sloot op een bedrag van € 85.348.226,64 (excl. BTW).

Omtrent het verschil van ongeveer € 30.000.000,00 tussen het budgettaire kader van de RUG en de quickscan van UEC hebben partijen uitvoerig met elkaar gesproken.

2.7.

Bij brief d.d. 18 oktober 2018 heeft de RUG UEC uitgenodigd tot het doen van een eerste inschrijving. Die eerste inschrijving sloot uiteindelijk op € 90.700.000,00 (excl. BTW). zijnde de prijs voor bestek/TO. Daarnaast hebben er diverse aanpassingen plaatsgevonden, waarmee de prijs voor bestek/TO uit op € 89.138.550,00 (excl. BTW). Ook is daarbij vermeld dat na verschillende optimalisaties, die niets afdoen aan de functionaliteit, een prijs van € 82.664.530,00 (excl. BTW) gerealiseerd zou kunnen worden.

2.8.

Vervolgens heeft UEC bij brief d.d. 28 december 2018 verzocht om uitgenodigd te worden voor de onderhandelingsfase. Naar aanleiding daarvan hebben partijen op 10 januari 2019 een bespreking gevoerd, waarbij is afgesproken dat de onderhandelingsfase zou worden vormgegeven door het houden van meerdere workshops.

2.9.

Na de onderhandelingsfase heeft UEC op 1 maart 2019 haar definitieve inschrijving ingediend. De daarbij genoemde prijs bedraagt € 90.655.000,00. Daarbij is vermeld dat waar eerder het prijspeil juli 2018 werd gehanteerd, voor de definitieve inschrijving het prijspeil februari 2019 is aangehouden.

2.10.

Bij brief van 18 maart 2019 heeft de RUG de definitieve inschrijving van UEC

terzijde gelegd. Daarin is onder meer het volgende vermeld:

'In de inschrijvingsleidraad is een budgettair kader van (in totaal) € 56,2 mln, opgenomen. Uw inschrijvingssom van (afgerond) € 90,9 mln. ligt ver boven het budget van de RUG, waarmee sprake is van een onaanvaardbare en ongeschikte inschrijving. Deze zal derhalve terzijde worden gelegd. Aangezien uw inschrijving de enige inschrijving was, betekent deze terzijdelegging tevens dat de aanbestedingsprocedure daarmee eindigt.

Dat uw inschrijving van € 90,9 mln. ver boven het beschikbare budget ligt, is niet nieuw voor u. Terwijl in de inschrijvingsleidraad een budgettair kader van (in totaal) € 56,2 mln. was opgenomen, bedroeg uw eerste inschrijving namelijk (afgerond) € 94,4 mln. (excl. eigen bezuinigingen). Dat is later, als verduidelijkend antwoord op tijdens de toelichting op uw inschrijving d.d.10 december 2018 gestelde vragen, door de heer Sixma op 14 december 2018 per e-mail ook al bijgesteld tot (afgerond) € 90,9 mln.

Op 10 januari 2019 hebben partijen met elkaar gesproken over de ontstane situatie. Daarbij is uitgesproken of het wel zin zou hebben om verder te praten c.q. om de onderhandelingsfase in te gaan, gezien het feit dat de financiële discrepantie tussen uw (eerste) inschrijving en de (financiële) kaders van het project wel erg groot was. De RUG was evenwel bereid om haar budget enigszins op te rekken in verband met de ontwikkelingen op de markt en de RUG kreeg tijdens het gesprek het

idee dat u ook mogelijkheden zag om met een scherpere prijsstelling te komen. Om die reden is bij brief van 14 januari 2019 aangegeven dat het in elk geval de moeite waard was om te onderzoeken of partijen dichter bij elkaar zouden kunnen komen. In dat kader zijn vervolgens (zeven) dialoogsessies gehouden, waarin alle onderdelen van het werk kritisch tegen het licht zijn gehouden.

Nu blijkt dat uw definitieve inschrijving feitelijk niet anders is dan de eerste inschrijving, die ook
€ 90,9 mln, bedroeg. Daarmee heeft u een inschrijving gedaan, ter hoogte van een bedrag waarvan u al wist dat dit voor de RUG te hoog was. Daar komt bij dat de dialoogsessies de RUG niet hebben

overtuigd van het feit dat een scherpere prijsstelling niet mogelijk zou zijn. Dat is vervolgens bevestigd door de marktconsultatie die de RUG heeft gehouden en waar zij u destijds over heeft
geïnformeerd. De inschrijving van UEC zal derhalve terzijde worden gelegd. Zoals gezegd waren er verder geen inschrijvers, zodat binnen deze aanbestedingsprocedure geen gunning zal plaatsvinden. De RUG zal zich beraden op de door haar te nemen vervolgstappen.'

2.11.

Bij brief d.d. 22 maart 2019 heeft UEC haar bezwaren tegen die terzijdelegging naar voren gebracht.

2.12.

Vervolgens heeft correspondentie plaatsgevonden tussen de raadsman van UEC en de advocaat van de RUG. Die correspondentie kan - zakelijk weergegeven - als volgt worden samengevat:

- Volgens de RUG speelt de oorspronkelijke budgetraming van € 56,2 mln, geen rol

(meer) en vormt het volgens de RUG geen grond voor het onaanvaardbaar en

ongeschikt achten van de inschrijving van UEC;

- De RUG heeft gedurende de aanbestedingsprocedure een nieuwe kostenraming laten

opstellen op basis waarvan de RUG meent dat de definitieve inschrijving van UEC als

onaanvaardbaar terzijde gelegd kan worden;

- Op 24 april 2019 is door UEC een kostenraming van de RUG (ter hoogte van het

bedrag van circa € 78.000.000,00) ontvangen;

2.13.

Door de RUG is bij haar overgelegde akte van feiten van 28 mei 2019 aangegeven dat de RUG perceel 2 intussen heeft gegund aan een derde; die derde is de combinatie [naam] die een offerte heeft uitgebracht voor perceel 2 die sloot op

€ 80.589.000,00. De aannemingsovereenkomst voor perceel 2 is op 20 mei 2019 ondertekend.

3 Het geschil

3.1.

De vordering van de combinatie strekt er - na de wijziging van onderdeel III - toe:

I. de RUG te gebieden om tot intrekking van de beslissing, om de inschrijving van UEC terzijde te leggen wegens een onaanvaardbare en ongeschikte inschrijving, over te gaan en dit binnen 3 dagen na het verschijnen van het vonnis schriftelijk aan UEC te bevestigen op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000.000,00, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;

II. de RUG te gebieden om,

a. indien onderhavige aanbesteding niet door de RUG zelf wordt beëindigd al dan niet uit

hoofde van artikel 4 lid 1 behorende tot de Nadere bepalingen uit de Leidraad, de opdracht aan UEC te gunnen; of

b. indien onderhavige aanbesteding door de RUG zelf wordt beëindigd al dan niet uit hoofde van artikel 4 lid 1 behorende tot de Nadere bepalingen uit de Leidraad, een voorschot van
€ 500.000,00 ten aanzien van het totale op grond van artikel 4 lid 3 behorende tot de Nadere bepalingen uit de Leidraad aan UEC toekomende bedrag, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, binnen 7 dagen na beëindiging van de aanbesteding aan UEC te betalen op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 50.000,00 per dag of dagdeel dat de RUG haar verplichting niet nakomt;

III. de RUG te verbieden om, indien onderhavige aanbesteding door de RUG zelf wordt beëindigd al dan niet uit hoofde van artikel 4 lid 1 behorende tot de Nadere bepalingen uit de Leidraad, de opdracht door middel van een aanbesteding zonder wezenlijke wijziging, een onderhandelingsprocedure zonder aankondiging ex § 2.2.1.7 Aw (“uit de hand gunnen”), of een (in strijd met artikel 2.14 Aw) splitsen c.q. opknippen van de opdracht, opnieuw in de markt te zetten op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000.000,00, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;

IV. de RUG te verbieden om, indien door de RUG reeds door een onwettige onderhandse gunning een overeenkomst is gesloten met een andere partij dan UEC voor de uitvoering van de installatiewerkzaamheden (perceel 2) van het project Feringa Building, (verdere) uitvoering te geven aan deze overeenkomst op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000.000,00, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;

V. de RUG te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

3.2.

De RUG heeft verweer gevoerd.

4 De beoordeling

4.1.

Kernpunt van het onderhavige geschil betreft de vraag of de inschrijving van UEC op goede gronden terzijde is gelegd.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt bij de onderhavige beoordeling de ratio van elke aanbestedingsprocedure voorop. Die ratio is dat ondernemers met gelijke kansen in kunnen schrijven op overheidsopdrachten, opdat in vrije concurrentie een optimale prijs-kwaliteitverhouding voor de overheid tot stand komt. Alle vragen die rijzen dienen in het licht van deze ratio te worden beantwoord.

4.3.

Het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers beoogt de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging tussen de aan de procedure deelnemende ondernemingen te bevorderen en vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van hun voorstel en de beoordeling door de aanbestedende dienst dezelfde kansen krijgen. Het hiermee samenhangende transparantiebeginsel strekt ertoe te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbesteder wordt uitgebannen en impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten voor de inschrijvers op ondubbelzinnige wijze worden geformuleerd, opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier interpreteren, en, anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria welke op de betrokken opdracht van toepassing zijn. Een en ander brengt niet alleen mee dat alle aanbieders gelijk worden behandeld, maar ook dat zij in gelijke mate, mede met het oog op een goede controle achteraf, een duidelijk inzicht moeten hebben in de voorwaarden waaronder de aanbesteding plaats heeft.
Daarbij komt dat in het geval van een aanbesteding ook ongelijke behandeling van (potentiële) inschrijvers dient te worden voorkomen.

4.4.

Blijkens de brief van 18 maart 2019 waarbij de inschrijving van UEC ter zijde is gelegd, is als grond genoemd dat de inschrijving onaanvaardbaar en ongeschikt was. Die onaanvaardbaarheid en ongeschiktheid is in die brief gestoeld op de forse overschrijding van het in de inschrijvingsleidraad opgenomen budgettair kader van € 56.200.000,00, terwijl de inschrijvingssom van UEC (afgerond) € 90,6 miljoen bedroeg.

In die brief is verder het verloop kort geschetst van de onderhandelingsfase die tussen partijen heeft plaatsgevonden, waarbij is vermeld dat de RUG bereid was om haar budget enigszins op te rekken in verband met de ontwikkelingen op de markt.

Daarmee is komen vast te staan dat het in eerste instantie genoemde bedrag van 56 miljoen euro in de onderhandelingsfase is verlaten, doch voor welk - hoger - bedrag het budgettair kader vervolgens is begroot, is niet duidelijk geworden. Ook in de afwijzingsbrief is geen nader begroot bedrag vermeld.

4.5.

Uit die gang van zaken is gebleken dat de RUG enerzijds het budget van 56 miljoen euro als harde voorwaarde heeft willen stellen en anderzijds bereid was haar budget op te rekken, doch dat de RUG gedurende het verloop van de onderhavige aanbestedingsprocedure (tot de datum van de afwijzingsbrief) geen helderheid heeft verschaft over het nieuwe budgettair kader.

4.6.

Voor de onderhavige beoordeling is de formulering van artikel 2.28 lid 4 onder b Aanbestedingswet (Aw) van belang. Ingevolge dat artikelonderdeel is een onaanvaardbare inschrijving in ieder geval de inschrijving waarvan de prijs het door de aanbestedende dienst begrote bedrag, vastgesteld en gedocumenteerd vóór de aanvang van de aanbestedingsprocedure, overschrijdt.

In dit verband is verder van belang dat de aanbestedende dienst op verzoek van de meest gerede inschrijver gegevens omtrent het begrote bedrag zal moeten verstrekken, zodat de inschrijver in staat is de zorgvuldigheid van die raming te toetsen.

4.7.

Niet weersproken is dat ondanks verzoeken daartoe van de zijde van UEC door de RUG geen gegevens zijn overgelegd ter onderbouwing van het geraamde bedrag van 56 miljoen euro.

4.8.

Nu, gelet op het vorenstaande, is komen vast te staan dat het in eerste instantie genoemde bedrag van 56 miljoen euro in de onderhandelingsfase weliswaar is verlaten, doch dat dit bedrag bij de afwijzing van de inschrijving niettemin als harde voorwaarde is gehanteerd, is de terzijdelegging van de inschrijving van UEC niet op goede gronden gebeurd.

In dit verband overweegt de voorzieningenrechter dat het wellicht mogelijk is dat er andere redenen ten grondslag hebben gelegen aan de door de RUG gestelde onaanvaardbaarheid en ongeschiktheid van de inschrijving, zoals een hernieuwde raming van het budgettair kader, doch deze redenen zijn niet - voldoende onderbouwd - vermeld in de brief van 18 maart 2019. Volgens vaste jurisprudentie dienen in de afwijzingsbrief alle gronden voor afwijzing danwel terzijdelegging te worden opgenomen. Die mogelijke andere redenen kunnen bij de onderhavige beoordeling dan ook niet worden betrokken.

4.9.

Gelet op het vorenoverwogene dient de RUG haar beslissing tot het terzijde leggen van de inschrijving van UEC in te trekken. De vordering onder I ligt dan ook voor toewijzing gereed.

4.10.

Vanzelfsprekend is het vervolgens aan de RUG om te beslissen of zij de onderhavige opdracht alsnog aan UEC wenst te gunnen of dat zij de aanbesteding beëindigt.

Nu niet voldoende is onderbouwd door UEC onder welke voorwaarden de mogelijke gunning aan UEC moet plaatsvinden, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende grond voor ongeclausuleerde toewijzing van de vordering II onder a.

Ook voor toewijzing van de vordering II onder b is onvoldoende grond, nu deze vordering onvoldoende - met objectieve en verifieerbare stukken - is onderbouwd.

4.11.

De vraag of bij een nieuwe aanbesteding sprake zal zijn van een aanbesteding zonder wezenlijke wijziging, een onderhandelingsprocedure zonder aankondiging ex § 2.2.1.7 Aw (“uit de hand gunnen”), of een (in strijd met artikel 2.14 Aw) splitsen c.q. opknippen van de opdracht, kan en behoeft thans nog niet te worden beoordeeld, maar zal eerst in die nieuwe aanbestedingsprocedure aan de orde kunnen komen.

Thans is derhalve geen grond voor toewijzing van het onder III gevorderde.

4.12.

Een direct gevolg van de toewijzing van het onder I gevorderde is dat de RUG zal worden verboden om, indien door de RUG reeds door een onwettige onderhandse gunning een overeenkomst is gesloten met een andere partij dan UEC voor de uitvoering van de installatiewerkzaamheden (perceel 2) van het project Feringa Building, (verdere) uitvoering te geven aan deze overeenkomst.

In dit verband overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

4.12.1.

Door de RUG is aangegeven dat zij inmiddels de opdracht aan een derde heeft gegund. De RUG heeft dienaangaande onder meer gesteld dat zij zowel vanwege het feit dat de inschrijving van UEC onaanvaardbaar en ongeschikt is als vanwege de dwingende spoed gerechtigd is tot een dergelijke onderhandse gunning. Ten aanzien van de dwingende spoed heeft de RUG - kort weergegeven - aangevoerd dat perceel 1 (het bouwkundig realiseren van de Feringa Building) aan een bouwkundig aannemer is gegund en dat de installatietechnische werkzaamheden van perceel 2 op de bouwkundige werkzaamheden van perceel 1 moeten worden afgestemd; bij vertraging van de aanbesteding van perceel 2 zal mogelijk vertraging van de werkzaamheden van perceel 1 plaatsvinden en zal de RUG mogelijk door de bouwkundig aannemer aansprakelijk worden gesteld voor de kosten die deze door de vertraging zal lijden, aldus de RUG.

4.12.2.

Artikel 2.32 lid 1 sub c Aw regelt de mogelijkheid van gebruikmaking van de onderhandelingsprocedure zonder aankondiging bij spoedgevallen waardoor een reguliere procedure, of de mededingingsprocedure met onderhandeling, te veel tijd in beslag neemt. Daartoe dient volgens vaste jurisprudentie te zijn voldaan aan drie cumulatieve voorwaarden: (1) dwingende spoed waardoor een reguliere procedure niet kan worden gevoerd; (2) onvoorziene gebeurtenissen, die niet aan de aanbestedende dienst te wijten zijn; en (3) een causaal verband: de dwingende spoed moet het gevolg zijn van de onvoorziene gebeurtenissen. Daaromtrent is in jurisprudentie van zowel het Hof van Justitie van de EU als Nederlandse rechters meermaals bevestigd dat de onderhandelingsprocedure zonder aankondiging een uitzonderingsprocedure is. Daarom moeten de voorwaarden voor de toepassing van die uitzonderingsgevallen restrictief worden uitgelegd, en moet de aanbestedende dienst, die zich op een van die uitzonderingsgevallen wil beroepen, bewijzen dat aan de betreffende voorwaarden wordt voldaan.

4.12.3.

Met betrekking tot de toepassing van artikel 2.32 lid 1 sub c Aw heeft de RUG naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter met de door haar betrokken stellingen onvoldoende onderbouwd dat sprake is van de hiervoor genoemde drie cumulatieve voorwaarden. Met name heeft de RUG niet voldoende - met objectieve en verifieerbare stukken - onderbouwd dat sprake is van onvoorziene gebeurtenissen, die niet aan de RUG te wijten zijn. Dat de werkzaamheden van perceel 1 en 2 'in elkaar moeten grijpen' moge juist zijn, doch dat dit gevaar loopt door de mogelijke vertraging van perceel 2 kan bezwaarlijk onvoorzien worden genoemd, nu daarmee vooral in een omvangrijk en ingewikkeld aanbestedingstraject als het onderhavige rekening moet worden gehouden. Bovendien is een en ander voor een belangrijk deel aan de RUG te wijten, omdat zij het tijdschema van de aanbestedingsprocedures voor percelen 1 en 2 heeft gemaakt en omdat zij de opdracht van perceel 1 heeft gegund terwijl niet duidelijk was of en wanneer de opdracht voor perceel 2 zou kunnen worden gegund. In dit verband heeft de RUG overigens ook niet gesteld dat het voeren van de versnelde procedure als bedoeld in artikel 2.74 Aw voor perceel 2 niet aan de orde kon zijn.

4.12.4.

Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de RUG niet op goede gronden gebruik heeft gemaakt van de onderhandelingsprocedure zonder aankondiging.

De vordering onder IV. zal dan ook worden toegewezen.

4.13.

De gevorderde dwangsommen zullen worden beperkt.

4.14.

Nu partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

gebiedt de RUG om na betekening van dit vonnis tot intrekking van de beslissing, om de inschrijving van UEC terzijde te leggen wegens een onaanvaardbare en ongeschikte inschrijving, over te gaan en dit binnen 3 dagen na die betekening schriftelijk aan UEC te bevestigen;

5.2.

veroordeelt de RUG om aan UEC een dwangsom te betalen van € 500.000,00 indien de RUG niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet;

5.3.

verbiedt de RUG om, indien door de RUG reeds door een onwettige onderhandse gunning een overeenkomst is gesloten met een andere partij dan UEC voor de uitvoering van de installatiewerkzaamheden (perceel 2) van het project Feringa Building, (verdere) uitvoering te geven aan deze overeenkomst;

5.4.

veroordeelt de RUG om aan UEC een dwangsom te betalen van € 500.000,00 indien de RUG niet aan de in 5.3. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann en in het openbaar uitgesproken door mr. M. Sanna op 21 juni 2019.1

1 coll: js