Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:260

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
6911235 \ CV EXPL 18-2757
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg vaststellingsovereenkomst en finale kwijting; Haviltex-norm. Eenzijdig wijzigingsbeding, ook in de pensioenregeling. Aanpassen pensioenregeling aan fiscale kaders vormt een zwaarwegend belang. Niet gebleken dat eiser hierdoor schade lijdt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0126
PJ 2019/29
PR-Updates.nl PR-2019-0013
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 6911235 \ CV EXPL 18-2757

vonnis van de kantonrechter van 29 januari 2019

in de zaak van

[eiser] ,

hierna te noemen: [eiser] ,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,

eisende partij,

gemachtigde: Stichting Univé Rechtshulp (eKanton),

tegen

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Halliburton B.V.,

hierna te noemen: Halliburton,

gevestigd te 7825 VP Emmen, Columbusstraat 19,

gedaagde partij,

gemachtigde: A.A. de Jong.

De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 juli 2018;

- het proces-verbaal van de comparitie na antwoord, gehouden op 16 november 2018. Bij gelegenheid van deze comparitie heeft [eiser] een brief met bijlagen van 1 november 2018 overgelegd en ook Halliburton heeft een brief met bijlagen van 1 november 2018 overgelegd.

1.2

Vervolgens is in overleg met partijen bepaald dat de kantonrechter vonnis zal wijzen. De datum daarvan is nader bepaald op vandaag.

De vaststaande feiten

2.1

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties.

2.2

Halliburton is gespecialiseerd in dienstverlening en toelevering aan de gas- en olie

industrie. De Halliburton-groep is wereldwijd actief. Halliburton heeft een vestiging te

Emmen, vanwaar zogenaamde Business-to-Businessdienstverlening plaatsvindt.

Halliburton heeft verder kantoren te Amsterdam, Klundert en Rijswijk.

2.3

[eiser] (geboren op [geboortedatum] ) is op 1 augustus 2006 in dienst getreden bij Halliburton. Hij was laatstelijk werkzaam op de vestiging te IJmuiden in de functie van Service Supervisor III-cementing. [eiser] verdiende laatstelijk € 4.732,88 bruto per maand exclusief

8 % vakantiegeld en emolumenten. Tevens ontving [eiser] op grond van de Benefits Sheet een rigbonus (ook wel jobbonus genoemd) van € 70,00 bruto voor iedere dag die [eiser] op een boor- of productielocatie was, zowel off- als onshore. De rigbonus werd in de salarisperiode van een maand later uitbetaald en had een terugkerend karakter dat paste binnen de werkzaamheden van [eiser] .

2.4

[eiser] heeft vanaf de datum van zijn indiensttreding deelgenomen aan de collectieve

pensioenregeling van Halliburton die destijds bij Zwitserleven was ondergebracht. Per

1 januari 2012 heeft Halliburton de pensioenregeling gewijzigd en ondergebracht bij de pensioenuitvoerder ASR Verzekeringen. Deze pensioenregeling betreft een beschikbare premieregeling. [eiser] betaalt geen werknemersbijdrage voor zijn pensioenopbouw. Het pensioenreglement is per 1 januari 2015 gewijzigd.

2.5

[eiser] heeft zich op 26 juni 2015 ziekgemeld en ontvangt sinds 23 juni 2017 een

WIA-uitkering. Vanaf deze datum vindt een premievrije pensioenopbouw plaats conform artikel 9 van het pensioenreglement. Aan Halliburton is een loonsanctie opgelegd tot doorbetaling van loon in het derde ziektejaar, maar deze loonsanctie is naderhand herroepen. [eiser] is momenteel nog in dienst van Halliburton, waarbij hij een WIA-uitkering ontvangt op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 63,12%.

2.6

In het vonnis van de kantonrechter te Haarlem van 26 april 2017 is o.a. tussen partijen

geoordeeld dat de jobbonus (rigbonus) deel uitmaakt van het “lastly earned salary” zoals

bedoeld in artikel 6.2. van de arbeidsovereenkomst. In deze tussen partijen gevoerde procedure (zaaknr/rolnr. 5446396/ CV EXPL 16-9476 en 6178584 \ CV EXPL 17-6578) hebben partijen op 13 oktober 2017 een schikking bereikt die is vastgelegd in een proces-verbaal. Dit proces-verbaal luidt, voor zover hier van belang:

"(…) Partijen komen ter beëindiging van hun geschil het volgende overeen:

1. Halliburton zal aan [eiser] betalen een bedrag van € 25.000,00 bruto.

2. Dit bedrag dient vóór 30 november 2017 te zijn bijgeschreven op het bekende

rekeningnummer van [eiser] .

3. [eiser] wordt geacht tot aan het einde van zijn dienstverband met Halliburton zijn

opgebouwde vakantiedagen te hebben genoten.

4. Partijen komen overeen dat zij ieder hun eigen proceskosten dragen.

5. Partijen komen overeen dat zij na uitvoering van het bovenstaande ter zake van alle

onderwerpen van deze geschillen niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar

finale kwijting verlenen, met uitzondering van de discussie over pensioenaanspraken en

de uitbetaling van een bedrag gelijk aan het maximum dagloon gedurende de

loonsanctie.

6. Partijen vragen om doorhaling van de zaak op de rol. (…)".

2.7

In een e-mail van 27 juli 2017 schrijft de gemachtigde van [eiser] aan de gemachtigde van Halliburton:

"Twee procedures in Haarlem

Een procedure bij de rechtbank in Assen scheelt mij behoorlijk wat reistijd. Een gezamenlijke behandeling in Haarlem lijkt me praktischer en ook mogelijk. Ik heb niet aangegeven dat de rechtbank Haarlem onbevoegd is. Nu we onderling niet uitkomen, ligt een procedure voor de hand. De tweede procedure bij de rechtbank Haarlem ga ik dan ook niet liquideren/royeren. Ik heb er overigens alle vertrouwen in dat een rechter in Assen tot dezelfde conclusie komt als de rechtbank in Haarlem.

Pensioenregeling

De werkgeversbijdrage is per april 2017 maandelijks omlaag gegaan van € 917,13 naar

€ 552,38. Zou u deze aanzienlijke daling willen toelichten?

Hoogte loondoorbetaling tijdens vakantie

Het ligt de hand om artikel 7:639 lid 1 BW zo uit te leggen, in het licht van Europese regelgeving en jurisprudentie en het belang dat daarin wordt gehecht aan het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon, om tijdens ziekte — ook in het derde ziektejaar — uit te gaan van het tussen partijen ter zake van de bedongen arbeid overeengekomen loon (zoals ook de arbeidsovereenkomst bepaalt) en niet van de daarvan afgeleide aanspraak

van 70% van het loon als bedoeld in art. 7:629 BW.".

In een e-mail van 28 november 2017 schrijft de gemachtigde van [eiser] aan de gemachtigde van Halliburton:

"Na de zitting van 13 oktober rest in elk geval nog de vraag over de pensioenbijdrage van

cliënt die we in de zomer hebben aangekaart. Na de mail van mevrouw [B] van

7 augustus zijn we zestien weken verder. De bezettingsproblematiek van de zomervakantie

zal inmiddels niet meer spelen.

De werkgeversbijdrage is per april 2017 maandelijks omlaag gegaan van € 917,13 naar

€ 552,38. Zou u deze aanzienlijke daling willen toelichten?".

2.8

Het pensioenreglement definieert de rigbonus als volgt:

“Rigbonus Het bedrag per dag dat een deelnemer, werkzaam voor de afdelingen Sperry of Baroid, ontvangt voor het verrichten van werkzaamheden op een boorlocatie.”.

Verder luidt de reglementaire definitie van de pensioengrondslag in artikel 4 als volgt:

Voor de berekening van de beschikbare premie, het partnerpensioen op risicobasis en het

wezenpensioen op risicobasis wordt uitgegaan van de pensioengrondslag.

De pensioengrondslag wordt voor de eerste maal berekend bij opname van de (aspirant)

deelnemer in de pensioenregeling van de werkgever en vervolgens ieder jaar:

- voor de berekening van het partnerpensioen en wezenpensioen op risicobasis: op 1 april;

- voor de berekening van de beschikbare premie voor deelnemers met een rigbonus: op

1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober.

- voor de berekening van de beschikbare premie voor deelnemers zonder een rigbonus:

op 1 april;

en bij wijziging van de deeltijdfactor.

Voor deelnemers met een rigbonus is de pensioengrondslag gelijk aan het pensioengevend

salaris, verhoogd met de rigbonus en verminderd met de franchise.”.

De gemachtigde van Halliburton heeft in haar e-mailbericht van 5 maart 2018 aan [eiser] bericht dat [eiser] niet voor de genoemde afdelingen Sperry of Baroid werkzaam is en dat daarom de rigbonus niet meetelt voor de pensioengrondslag.

2.9

De gemachtigde van [eiser] heeft bij e-mailbericht van 8 maart 2018 aangegeven dat de rigbonus deel uitmaakt van het salaris van [eiser] . Tevens is het standpunt ingenomen dat uitsluiting van de rigbonus als het gaat om pensioengevendheid neerkomt op het maken van ongerechtvaardigd onderscheid tussen werknemers die werkzaam zijn binnen de afdelingen Sperry of Baroid en zij die dat niet zijn. Bij e-mailbericht van 8 maart 2018 heeft de gemachtigde van Halliburton het standpunt ingenomen dat er geen sprake is van ongerechtvaardigd onderscheid.

2.10

Verdere correspondentie tussen (de gemachtigden van) partijen heeft niet tot een oplossing geleid.

De vordering en het verweer, samengevat en zakelijk weergegeven

3.1

[eiser] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. Halliburton te veroordelen tot het pensioengevend maken van de rig- c.q. jobonus met

ingang van 1 augustus 2006, althans een datum door de kantonrechter in goede justitie te

bepalen, tot het moment waarop de pensioenopbouw stopt, onder inhouding van de

verschuldigde werknemersbijdrage tot het moment waarop de premievrije voortzetting is

ingegaan, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor

iedere dag die Halliburton hiermee, na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, in

gebreke blijft;

II. voor recht te verklaren dat Halliburton gehouden is de pensioenschade die [eiser] jaarlijks

zal lijden bij een pensionering die eerder ingaat dan de op dat moment geldende

pensioenrichtleeftijd en die het gevolg is van de verlaagde opbouwpercentages in voege

als voormeld, te vergoeden;

III. Halliburton te veroordelen tot het voldoen van een bedrag van € 125,00 aan

buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van de procedure, daaronder begrepen het

salaris van de gemachtigde.

3.2

[eiser] beroept zich voor zijn vorderingen op de vaststaande feiten en stelt daartoe nog het volgende. In het proces-verbaal van 13 oktober 2017 hebben partijen elkaar finale kwijting verleend met uitsluiting van pensioenaanspraken. Alle toekomstige pensioen-aanspraken die [eiser] nog heeft op Halliburton vallen daarmee buiten de finale kwijting. Op de arbeidsovereenkomst is de Halliburton Arbeidsvoorwaardenregeling uit 2002 van toepassing. De Arbeidsvoorwaardenregeling is gewijzigd per 1 januari 2014. [eiser] is niet gebonden aan de wijzigingen die hierin zijn opgenomen. [eiser] stelt zich op het standpunt dat er geen objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat voor het directe onderscheid dat Halliburton maakt tussen werknemers van Halliburton en werknemers afkomstig van Sperry of Baroid. Het doel dat met het maken van het onderscheid wordt nagestreefd, is niet legitiem. [eiser] betwist dat zijn basissalaris, althans het gemiddelde basissalaris van de groep werknemers waartoe [eiser] behoort, hoger ligt dan dat van de collega’s die destijds ten gevolge van een overgang van onderneming op de betreffende afdelingen bij Halliburton tewerk zijn gesteld. Verder betwist [eiser] dat er een looncompensatieregeling voor de betreffende werknemers is afgesproken, althans dat het pensioengevend maken van de rigbonus voor deze werknemers expliciet deel uitmaakt van deze compensatieregeling. Subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat het middel dat wordt gebruikt om een op zich legitiem doel te bereiken, niet passend en noodzakelijk is. Immers, ook de collega’s die al op de afdelingen Sperry of Baroid werkzaam waren voordat de betreffende groep werknemers ten gevolge van de overgang van onderneming op de afdelingen kwamen, profiteren van de pensioengevendheid van de rigbonus. Verder is het pensioengevend maken van de rigbonus een ongeschikt middel om loonongelijkheid tegen te gaan. Omdat een objectieve rechtvaardigingsgrond ontbreekt, levert het pensioengevend maken van de rigbonus voor alleen werknemers van de afdelingen Sperry of Baroid een

ongerechtvaardigd onderscheid op en dient de rigbonus ook voor [eiser] met terugwerkende kracht pensioengevend te worden gemaakt.

Door de verhoging van de pensioenrichtleeftijd heeft Halliburton logischerwijs de jaarlijkse

opbouwpercentages moeten verlagen. [eiser] betwist niet de fiscale noodzaak om de pensioenleeftijd te verhogen. De sanctie op een onzuivere pensioenregeling is immers vrijval van het gehele pensioenkapitaal waarbij meteen met de fiscus moet worden afgerekend tegen 52%. Ook [eiser] wil dit uiteraard niet. Echter, de fiscale kaders waaraan een pensioen-regeling moet voldoen, zijn niet dwingendrechtelijk van aard en leveren op zichzelf dus geen zwaarwegend bedrijfsbelang op. Verder is Halliburton een financieel gezond bedrijf waardoor het compenseren van [eiser] voor de schade die optreedt bij pensionering op de oorspronkelijke pensioenrichtleeflijd van 65 jaar geen gevaar zal vormen voor de financiële continuïteit van Halliburton. De belangen van [eiser] bij compensatie dienen dus zwaarder te wegen dan de belangen van Halliburton om zonder het bieden van compensatie de pensioenrichtleeflijd te verhogen.

3.3

Halliburton heeft verweer gevoerd met als conclusie afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure. Zij voert daartoe het volgende verweer.

3.4

Op 13 oktober 2017 is een schikking tussen partijen overeengekomen waarbij een finale kwijting over en weer is afgesproken. De door [eiser] in onderhavige procedure aanhangig gemaakte pensioengerelateerde vorderingen maakten toen geen deel uit van de nog openstaande "discussie over pensioenaanspraken" die door partijen op 13 oktober 2017 is bedoeld van deze finale kwijting uit te sluiten. Ter onderbouwing verwijst Halliburton naar de e-mail correspondentie tussen partijen, zoals aangehaald in punt 2.7 van de vaststaande feiten. Ten onrechte haalt [eiser] nu allerlei nieuwe onderwerpen voor geschillen aan die hij deel wil laten uitmaken van de ‘pensioendiscussie’ terwijl hij die voor of op 13 oktober 2017 niet aan Halliburton kenbaar heeft gemaakt. Dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de vorderingen. Halliburton voert - subsidiair - aan dat voor geen enkele werknemer van Halliburton, met uitzondering van vier werknemers die afkomstig zijn van de overgenomen bedrijfsonderdelen Sperry Sun Drilling en Baroid, de jobbonus wordt meegenomen in het pensioengevend salaris. De Arbeidsvoorwaardenregeling (versie 2002) die [eiser] bij dagvaarding heeft overgelegd, is gewijzigd in 2014 in overleg met de Ondernemingsraad van Halliburton. Halliburton betwist de stelling van [eiser] dat hij niet gebonden is aan de wijzigingen van de Arbeidsvoorwaardenregeling uit 2014. Het Pensioenreglement dat per

1 januari 2012 voor alle werknemers van Halliburton in werking is getreden, maakt (nog steeds) een duidelijk onderscheid wat betreft het meenemen van de rigbonus in de pensioengrondslag tussen deelnemers werkzaam voor de afdelingen Sperry en Baroid (voor deze deelnemers is de rigbonus pensioengevend) en de overige deelnemers, zoals [eiser] (waarvoor de rigbonus niet pensioengevend is). De werknemers afkomstig van Sperry en Baroid hadden bij overgang van de bedrijfsonderdelen lagere arbeidsvoorwaarden dan de werknemers van Halliburton. Deze lagere arbeidsvoorwaarden zijn door Halliburton voortgezet na de overgang. In 2005 hadden deze werknemers ook een andere pensioen-regeling waarbij de rigbonus werd meegenomen om de lagere arbeidsvoorwaarden wat te kunnen compenseren. Het was in 2005 op grond van artikel 2 lid 2 Pensioen -en spaarfondsenwet toegestaan om onderscheid te maken tussen groepen deelnemers in de pensioenregeling als daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. Bovendien heeft [eiser] zich tot op 12 januari 2018 nooit beklaagd bij Halliburton over het niet meenemen van de jobbonus bij de vaststelling van zijn pensioengrondslag. Halliburton heeft de pensioenovereenkomst met [eiser] en de ter uitvoering daarvan bij ASR ondergebrachte pensioenregeling per 1 januari 2015 gewijzigd door de pensioenrichtleeftijd voor de opbouw vanaf 1 januari 2015 te verhogen van 65 jaar naar 67 jaar en de beschikbare premies aan te passen aan de per 1 januari 2015 geldende premiestaffels om te voldoen aan de vereisten van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd en Wet Witteveen 2015. Voor Halliburton was sprake van een zwaarwichtig belang om aan de wet te voldoen en ook de deelnemers te behoeden tegen fiscale boetes en belasting van de reeds opgebouwde pensioenaanspraken.

De beoordeling

4.1

De kantonrechter zal allereerst het meest verstrekkende verweer van Halliburton bespreken, te weten de niet-ontvankelijkheid van de vorderingen vanwege de overeengekomen finale kwijting.

4.2

De kantonrechter stelt voorop dat de vraag hoe de afspraken tussen partijen in een vaststellingsovereenkomst moet worden geduid of uitgelegd, op grond van de zogeheten Haviltex-norm niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de schriftelijke weergave in de vaststellingsovereenkomst. Voor de beantwoording van die vraag komt het (namelijk) aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze afspraken mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Daarbij spelen alle omstandigheden van het geval een rol. Indien, zoals hier, sprake is van een vaststellingsovereenkomst die is gesloten tussen partijen die zich hebben bediend van juridisch advies, terwijl de vaststellingsovereenkomst ertoe strekt de wederzijdse rechten en verplichtingen van partijen nauwkeurig vast te leggen, komt bij de uitleg daarvan aan de tekst van de overeenkomst groot gewicht toe.

4.3

Het proces-verbaal noemt twee zaak/rolnummers. Ter comparitie hebben partijen gezegd dat er maar één procedure is gevoerd.

Mr. M.J.W. Kruyskamp, de gemachtigde van [eiser] , heeft ter comparitie gezegd dat de zaak bij de kantonrechter in Haarlem betrekking had op de jobbonus en de leaseauto: "Een pensioenvordering zat daar niet bij en ook is er tijdens de procedure in Haarlem niet gesproken over de gevolgen van de wijziging van de pensioenrichtleeftijd(…).".

[eiser] heeft ter comparitie gezegd: "Ik had met Halliburton een geschil over het bedrag dat ik aan jobbonus zou moeten krijgen en over de leaseauto. Ik heb aan de rechter in Haarlem gevraagd om de discussie over het pensioen buiten de afspraak te houden. Wat er precies wordt verstaan onder 'de discussie' in de schikking is niet gedefinieerd. Het was mijn bedoeling dat onder de discussie van het pensioen alles zou vallen wat met pensioen te maken zou hebben. In het tussenvonnis had de kantonrechter te Haarlem al aangegeven dat de bonus een gedeelte van het loon is. Nadat ik met Halliburton in oktober 2017 de schikking had bereikt ben ik dieper in de materie gedoken. Toen ben ik erachter gekomen dat de jobbonus die ik kreeg niet werd meegeteld voor de pensioengrondslag. (…)".

[K] , directeur van Halliburton, heeft ter comparitie het volgende gezegd:

"In de procedure bij de kantonrechter in Haarlem hebben wij in oktober 2017 een schikking getroffen over de jobbonus. Wat betreft de jobbonus, zijnde een onderdeel van het salaris, zijn partijen finale kwijting overeengekomen en daarmee was de zaak afgehandeld. Over de hoogte van de werkgeversbijdrage was nog onduidelijkheid. Dit had ook te maken met de ziekte van [eiser] waardoor het pensioengevend salaris lager lag. Vanwege de onduidelijkheid is deze discussie buiten de schikking gebleven.".

In een verklaring van 21 juni 2018 schrijft de heer [K] :

"De heer [eiser] maakt de ‘pensioendiscussie over de pensioenaanspraken’ groter dan ik namens Halliburton met zijn gemachtigde de heer Koopmans op 13 oktober 2017 heb besproken en mij voor ogen stond. Tijdens de schikkingsonderhandelingen van 13 oktober 2017 stond nog de vraag van de gemachtigde van [eiser] open over de verlaging van de pensioenpremie-inleg in zijn tweede ziektejaar. Hierover bestond nog discussie en daarom hebben we dit punt uitgesloten van de schikking. De gemachtigde van [eiser] heeft toen geen vraag gesteld over het meenemen van de job bonus voor de vaststelling van de pensioenpremie en opbouw van pensioenaanspraken. Deze vraag lag ook niet voor de hand omdat partijen een schikking hebben getroffen waarbij een afkoopsom is betaald

onder meer ter zake van het niet toekennen van de Job bonus over de ziekteperiode van de heer [eiser] .".

4.4

Uit de aangehaalde e-mails in punt 2.7 van de vaststaande feiten blijkt dat partijen voorafgaand aan de comparitie bij de kantonrechter (naast kennelijk de jobbonus en de leaseauto) discussie hadden over twee onderwerpen: 1) de pensioenregeling c.q. de werkgeversbijdrage en 2) de hoogte van de loondoorbetaling tijdens vakantie bij ziekte. De kantonrechter overweegt in dit verband dat partijen overeen zijn gekomen dat zij "na uitvoering van het bovenstaande ter zake van alle onderwerpen van deze geschillen (onderstreping door ktr.) niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar finale kwijting verlenen, met uitzondering van de discussie over pensioenaanspraken (onderstreping door ktr.) en de uitbetaling van een bedrag gelijk aan het maximum dagloon gedurende de loonsanctie.".

Met 'deze geschillen' moet dan zijn gedoeld op de jobbonus en de leaseauto want partijen zijn het erover eens dat in die procedure die geschillen aan de orde waren. Ter zake van de jobbonus en de leaseauto hebben partijen elkaar dan over 'alle onderwerpen' finale kwijting verleend. [eiser] heeft gezegd dat hij pas later dieper in de materie is gedoken en dat hem toen pas duidelijk werd dat de jobbonus niet pensioengevend was. Dit onderwerp kan dan op het moment van de finale kwijting niet kenbaar zijn geweest voor Halliburton. Daarbij speelt mee dat de jobbonus voor [eiser] nooit pensioengevend is geweest en hij daar nooit over had geklaagd. Halliburton hoefde er op dat moment geen rekening mee te houden dat dit voor [eiser] nog een onderwerp zou worden.

De uitzondering van de finale kwijting ziet op 'de discussie over de pensioenaanspraken'. Dat kan dan alleen betrekking hebben gehad op de hierboven genoemde twee onderwerpen en dus niet ook op de pensioengevendheid van de jobbonus. Daarover liep immers op dat moment geen discussie. Opgemerkt wordt dat [eiser] was voorzien van juridische bijstand.

Een vaststellingsovereenkomst strekt ertoe partijen over en weer zekerheid te bieden dat de geschillen definitief zijn beëindigd waarbij goede en kwade kansen tegen elkaar worden afgewogen. Gelet op het een en ander, in onderlinge samenhang bezien, is de kantonrechter van oordeel dat Halliburton er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat met betrekking tot de jobbonus ter zake van alle onderwerpen, en dus ook de pensioengevendheid, finale kwijting is verleend. Dat betekent dat de kantonrechter de vordering van [eiser] ter zake van de jobbonus zal afwijzen.

4.5

Het voorgaande geldt niet voor de vordering van [eiser] uit hoofde van de verhoging van de pensioenleeftijd. Dat onderwerp vormde geen geschil tussen partijen in het kader van de vaststellingsovereenkomst waarvoor finale kwijting is verleend. Ten overvloede merkt de kantonrechter op, dat geen finale kwijting is verleend voor alle onderwerpen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter overweegt het volgende.

4.6

De General Labor Conditions, die onderdeel uitmaken van de arbeidsovereenkomst, bevatten een eenzijdig wijzigingsbeding op p. 6/8: "The employer reserves the right to add, alter, modify or cancel these General Labor Conditions or any section thereof. You will be advised in writing of any change, which can, of course, have no retroactive effect.".

Ook artikel 21 van het Pensioenreglement bevat een eenzijdig wijzigingsbeding waaraan partijen gebonden zijn. Deze luidt:

"Voorbehoud van de werkgever

De werkgever kan deze pensioenregeling zonder instemming van de werknemer wijzigen indien dit recht onderdeel is van de schriftelijke afspraken die de werkgever en de werknemer met betrekking tot pensioen hebben gemaakt (de pensioenovereenkomst).

De werkgever kan de pensioenregeling alleen wijzigen als er sprake is van een zodanig zwaarwegend belang van de werkgever dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. De pensioenregeling zal in dat geval dienovereenkomstig worden aangepast.".

4.7

Halliburton heeft de pensioenovereenkomst met [eiser] en de uitvoering ervan gewijzigd door de pensioenrichtleeftijd voor de opbouw vanaf 1 januari 2015 te verhogen van 65 jaar naar 67 jaar en de beschikbare premies aan te passen aan de per 1 januari 2015 geldende

premiestaffels om te voldoen aan de vereisten van de Wet verhoging AOW- en

pensioenrichtleeftijd en Wet Witteveen 2015. Halliburton voert daartoe aan, dat sprake was van een zwaarwichtig belang om aan de wet te voldoen en ook de deelnemers te behoeden

tegen fiscale boetes en belasting van de reeds opgebouwde pensioenaanspraken. [eiser] betwist niet de fiscale noodzaak om de pensioenleeftijd te verhogen (randnummer 26 dagvaarding). De sanctie op een onzuivere pensioenregeling is immers vrijval van het gehele pensioenkapitaal waarbij meteen met de fiscus moet worden afgerekend tegen 52%. Dit wil [eiser] uiteraard ook niet. Over de noodzaak zijn partijen het dus eens en daarmee is het zwaarwegend belang voor Halliburton gegeven.

4.8

[eiser] stelt zich evenwel op het standpunt dat de fiscale kaders waaraan een pensioenregeling moet voldoen, niet dwingendrechtelijk van aard zijn en deze leveren op zichzelf dus geen zwaarwegend bedrijfsbelang op. Verder is Halliburton een financieel gezond bedrijf waardoor het compenseren van [eiser] voor de schade die optreedt bij pensionering op de oorspronkelijke pensioenrichtleeflijd van 65 jaar geen gevaar zal vormen voor de financiële continuïteit van Halliburton. De belangen van [eiser] bij compensatie dienen dus zwaarder te wegen dan de belangen van Halliburton om zonder het bieden van compensatie de pensioenrichtleeflijd te verhogen, aldus [eiser] . Halliburton heeft in dit verband - onder meer ter comparitie - aangevoerd dat de pensioengrondslag is verhoogd door een verlaging van de franchise; het salaris waarover pensioen wordt opgebouwd is daarmee vergroot (zie productie 9 Halliburton). Verder heeft [eiser] nooit premie betaald voor zijn pensioen en hoeft hij dat ook niet bij de aangepaste regeling. Voor Halliburton is het uitgangspunt geweest om de noodzakelijke aanpassing van de pensioenregeling budgetneutraal en binnen de maximale fiscale kaders uit te voeren. Halliburton heeft de kosten om van de bruto beschikbare premies naar netto te gaan zelf bijgelegd en hierdoor heeft Halliburton extra kosten gemaakt en deze kwamen niet uit de werknemersbijdrage.

Als productie 10 heeft Halliburton ter comparitie een adviesrapport overgelegd van AON Hewitt (hierna: AON). Door AON is doorgerekend wat een wijziging van de pensioenregeling voor gevolgen heeft voor de medewerkers van Halliburton. Op pagina 9 van het adviesrapport van AON staan in de tweede kolom nummer 5112 en 5 may 1955 gearceerd en dat is respectievelijk het personeelsnummer en de geboortedatum van werknemer [eiser] . Er is een berekening gemaakt en daaruit volgt dat als [eiser] 66 jaar is hij op 107% uitkomt ten opzichte van de oude situatie. [eiser] gaat er door de nieuwe regeling dus op vooruit. De Ondernemingsraad heeft haar akkoord gegeven op het rapport van AON. De gemachtigde van [eiser] heeft hierover ter comparitie opgemerkt dat door Halliburton met onzekere factoren is gerekend, zodat hiervan niet kan worden uitgegaan voor de vraag of er schade is, ja of nee. Dit omdat de onzekere factoren kunnen wijzigen. Halliburton voert verder aan dat zij een pensioenadviseur in dienst heeft en aan alle medewerkers is aangeboden dat zij deze pensioenadviseur kunnen inschakelen om op kosten van Halliburton na te gaan hoe het zit met de wijziging van het pensioenreglement en de gevolgen voor de medewerkers. Van deze mogelijkheid heeft [eiser] geen gebruik gemaakt. Halliburton benadrukt dat [eiser] de gestelde compensatie c.q. pensioenschade die hij volgens hem jaarlijks zal lijden bij een eerdere pensionering als gevolg van de pensioenregelings-wijzigingen per 1 januari 2015 geldende pensioenrichtleeftijd van 67 jaar in het geheel niet heeft onderbouwd. Bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing dient de gevorderde verklaring voor recht te worden afgewezen.

4.9

De kantonrechter overweegt op grond van het voorgaande dat [eiser] niet heeft onderbouwd dat hij door de nieuwe pensioenregeling schade lijdt waarvoor hij moet worden gecompenseerd. [eiser] is vrijgesteld van premiebetaling en op basis van de nu beschikbare gegevens, die door [eiser] niet zijn betwist, gaat [eiser] er zelfs op vooruit, dit mede doordat de pensioengrondslag is verhoogd. Dat er onzekere factoren zijn is inherent aan elke pensioenregeling en [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de nieuwe regeling in dit opzicht ongunstiger is dan de oude regeling. In dit verband weegt de kantonrechter mee dat [eiser] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de gevolgen van de nieuwe pensioenregeling voor hem door te rekenen. [eiser] heeft dus de mogelijkheid gehad zijn vordering van een onderbouwing te voorzien, maar daarvan geen gebruik gemaakt. De conclusie is dat de kantonrechter ook deze vordering zal afwijzen.

5. De kantonrechter zal [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van deze procedure. Gelet op de complexiteit van de zaak rekent de kantonrechter € 600,00 per punt conform het liquidatietarief kanton, nu de zaak op 18 december 2018 voor vonnis stond.

De beslissing

De kantonrechter:

wijst af de vorderingen van [eiser] ;

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure aan de zijde van Halliburton gevallen, welke kosten tot op heden worden begroot op € 1.200,00 wegens het salaris van de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. G.J.J. Smits en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2019.

typ/conc: 552 / GJJS