Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:256

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
31-01-2019
Zaaknummer
C/17/164402 / HA RK 18-110
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopig getuigenverhoor, betreft onderzoek naar vraag of Gedeputeerde Staten informatie hebben achtergehouden bij totstandkoming besluit Provinciale Staten tot vaststelling Provinciaal inpassingsplan voor windpark Nij-Hiddum Houw. Taakverdeling bestuursrechter en burgerlijke rechter. Formele rechtskracht. Niet voldoende uiteengezet dat het achterhouden van de informatie grondslag kan zijn voor vordering uit hoofde van onrechtmatige daad. Verhoor heeft geen betrekking op feiten ten behoeve van geding voor burgerlijke rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rekestnummer: C/17/164402 / HA RK 18-110

Beschikking van 29 januari 2019

in de zaak van

1. de stichting

STICHTING HOU FRIESLAND MOOI,

statutair zetelende in de gemeente Súdwest-Fryslân, kantoorhoudende te Schettens,

2. [verzoeker 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [verzoeker 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [verzoeker 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [verzoeker 5],

wonende te [woonplaats] ,

6. [verzoeker 6],

wonende te [woonplaats] ,

7. [verzoeker 7],

wonende te [woonplaats] ,

8. [verzoeker 8],

wonende te [woonplaats] ,

9. [verzoeker 9],

wonende te [woonplaats] ,

verzoekers,

advocaat mr. W.A. Verbeek te Groningen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE FRYSLÂN,

zetelend te Leeuwarden,

verweerster,

hierna ook te noemen: Provincie Fryslân,

advocaat mr. E.E. van der Kamp te Leeuwarden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoek, ingekomen ter griffie op 5 december 2018;

  • -

    het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 9 januari 2019;

  • -

    de brief van 10 januari 2019 zijdens de Provincie Fryslân met aanvullende productie;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 17 januari 2019;

- de ter zitting overgelegde zittingsaantekeningen namens verzoekers;

- de ter zitting overgelegde zittingsaantekeningen namens Provincie Fryslân.

1.2.

Beschikking is vervolgens bepaald op heden.

2 Feiten

2.1.

In september 2013 is in het zogenoemde Energieakkoord een landelijke opgave voor het realiseren van windenergie op land in 2020 vastgelegd. Tussen de provincies is afgesproken dat Provincie Fryslân daarvan 530,5 MW voor haar rekening neemt. Provinciale Staten van Provincie Fryslân (hierna: PS) hebben op 17 december 2014 onder meer Nij Hiddum-Houw (hierna: NHH) en een deel van het IJsselmeer (Windpark Fryslân, hierna: WPF) als locaties voor extra windenergie aangewezen. Voor NHH is uitgegaan van een (extra) vermogen van 36 MW. Het toekomstige vermogen van WPF was onzeker, maar in het kader van de planvorming is (vooralsnog) aangenomen dat het vermogen 316 MW zou worden. WPF wordt gerealiseerd door Windpark Fryslân B.V. (hierna: WPF BV).

2.2.

PS hebben in hun vergadering van 18 juli 2018 een Provinciaal inpassingsplan (hierna: PIP) vastgesteld met het oog op het realiseren van NHH.

2.3.

WPF BV heeft op 3 augustus 2018 bekendgemaakt dat het toekomstige vermogen van WPF naar verwachting 382,7 MW zou worden.

3 Het verzoek

3.1.

Het verzoek van verzoekers strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen, met veroordeling van Provincie Fryslân in de proceskosten. Verzoekers wensen een voorlopig getuigenverhoor, verkort weergegeven, om te onderzoeken of Provincie Fryslân op onrechtmatige wijze bij de besluitvorming over NHH informatie heeft achtergehouden over de productiecapaciteit van het te realiseren WPF.

3.2.

Provincie Fryslân voert verweer.

3.3.

De rechtbank zal de stellingen van partijen hierna bespreken, voor zover die van belang zijn voor de beslissing op het verzoek.

4 De beoordeling

4.1.

Bij de beoordeling van het geschil stelt de rechtbank het volgende voorop.

De doelstelling van een voorlopig getuigenverhoor is (onder meer) om een partij de mogelijkheid te verschaffen aan de hand van een voorlopig getuigenverhoor zekerheid te verkrijgen over de voor de beslissing van een geschil relevante feiten en omstandigheden. Zij kan aldus beter te kunnen beoordelen of het raadzaam is een procedure te beginnen of voort te zetten. Ingevolge artikel 186 Rv kan in alle gevallen waarin bij de wet het bewijs door getuigen is toegelaten, voordat een zaak aanhangig is, op verzoek van de belanghebbende een voorlopig getuigenverhoor worden bevolen. Aan de rechter die heeft te oordelen over een dergelijk verzoek, komt geen discretionaire bevoegdheid toe. Hij dient het verhoor in beginsel te bevelen, mits het daartoe strekkende verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het voorlopig getuigenverhoor bewezen kunnen worden. Dit is echter anders indien de rechter op grond van in zijn beslissing te vermelden feiten en omstandigheden van oordeel is dat het verzoek in strijd is met een goede procesorde, of dat van de bevoegdheid toepassing van dit middel te verlangen, misbruik wordt gemaakt, bijvoorbeeld omdat verzoekers wegens onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot het uitoefenen van die bevoegdheid kan worden toegelaten, of dat het verzoek moet afstuiten op een andere door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar.

4.2.

Het is vanuit het oogpunt van verzoekers te begrijpen dat zij het opmerkelijk vinden dat ten tijde van het nemen van het besluit tot vaststelling van het PIP is verklaard dat onzekerheid bestond over het toekomstige vermogen van WPF en dat kort na het besluit daarover wel zekerheid is gegeven. Daarmee is niet gezegd dat informatie is achtergehouden en verzoekers beweren dit ook niet. Zij willen wel dat wordt opgehelderd over welke informatie Provincie Fryslân beschikte ten tijde van het nemen van het besluit.

Het is echter de vraag of zij door middel van een voorlopig getuigenverhoor bij de burgerlijke rechter daarover opheldering kunnen verkrijgen.

4.3.

Een voorlopig getuigenverhoor is uitsluitend toelaatbaar met het oog op een geding voor de burgerlijke rechter. Indien dat verhoor wordt verzocht om feiten te doen ophelderen of vaststellen ten behoeve van een procedure bij een andere rechter, is het niet toewijsbaar (HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433).

4.4.

Het gaat verzoekers in dit geval erom of GS van Provincie Fryslân (hierna: GS) ten tijde van het vaststellen van het PIP al wisten dat het vermogen van WPF aanzienlijk hoger zou zijn dan 316 MW. Die informatie is volgens verzoekers van belang, omdat die de besluitvorming van PS had kunnen beïnvloeden, indien PS daarvan hadden geweten.

Zij menen dat PS mogelijk een ander besluit zouden hebben genomen, met name in die zin dat NHH een kleinere opzet met minder vermogen had kunnen krijgen. Het feitelijk gebeuren dat verzoekers willen ophelderen, betreft dus informatie vanuit GS aan PS, in het kader van de voorbereiding van het besluit tot vaststelling van het PIP.

4.5.

Het voorbereiden van het besluit tot vaststelling van het PIP maakt deel uit van de wijze van totstandkoming van het besluit. De wijze waarop het besluit tot stand is gekomen, valt onder de toetsing van de bestuursrechter, in het kader van het beroep tegen dat besluit. Verzoekers kunnen hun vragen en vermoedens over de volledigheid en juistheid van de informatie waarop het besluit is gebaseerd, in die procedure naar voren brengen. Dat hebben zij ook gedaan. De burgerlijke rechter heeft geen taak bij het toetsen van het besluit.

4.6.

Indien de bestuursrechter in het beroep het besluit tot vaststelling van het PIP vernietigt, zullen PS bij het nemen van een nieuw besluit beschikken over de informatie over het toekomstige vermogen van WPF.

4.7.

Indien de bestuursrechter na het wegen van argumenten tot het oordeel komt dat het besluit in stand blijft, heeft dat oordeel formele rechtskracht. Dat wil zeggen dat in een geding voor de burgerlijke rechter moet worden aangenomen dat het besluit rechtmatig is wat betreft de wijze van totstandkoming en de inhoud. Voor zover inderdaad in het kader van de totstandkoming van het besluit onvolledige of onjuiste informatie over het toekomstige vermogen van WPF is verstrekt, is dit in dat geval 'gedekt' door de formele rechtskracht van het besluit. Het gaat namelijk om informatie die GS met het oog op een door PS te nemen besluit (niet) hebben verstrekt, en die zozeer samenhangt met het beoogde besluit, dat zij ten opzichte daarvan een onzelfstandig karakter draagt (vergelijk

HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7774 en HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR: 2012:BU9920).

4.8.

Hoewel verzoekers aanvoeren dat zij opheldering verlangen over de wetenschap van GS ten behoeve van een mogelijke procedure bij de burgerlijke rechter, heeft het onder deze omstandigheden op hun weg gelegen om uiteen te zetten waarom het achterhouden van de desbetreffende informatie, als daarvan sprake is, nog een grondslag zou kunnen zijn voor een vordering uit hoofde van een onrechtmatig handelen van Provincie Fryslân. Dat hebben zij in het verzoekschrift en de daarop gegeven toelichting ter zitting niet of niet voldoende gedaan.

4.9.

Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet aannemen dat het gewenste verhoor betrekking heeft op feiten ten behoeve van een geding voor de burgerlijke rechter. Het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor zal de rechtbank om die reden afwijzen.

4.10.

Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, hoeft de rechtbank bij deze stand van zaken niet meer te bespreken.

4.11.

Verzoekers behoren de proceskosten te dragen, omdat zij in het ongelijk zijn gesteld. De kosten aan de zijde van Provincie Fryslân worden tot op heden vastgesteld op:

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat € 1.086,00 (2 punten x tarief € 543,00)

€ 1.725,00.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het verzoek af;

5.2.

veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, verzoekers in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Provincie Fryslân begroot op € 1.725,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van deze beschikking tot de dag van betaling.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J.J. Los en in het openbaar uitgesproken op

29 januari 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.1

1 type: 780 coll: