Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:2516

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-06-2019
Datum publicatie
13-06-2019
Zaaknummer
C/18/186992 / FA RK 18-2864
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. doorgaans wordt kinderalimentatie betaald aan de ouder bij wie het kind de hoofdverblijfplaats heeft. Uitgangspunt hierbij is dat de ouder waar het kind hoofdverblijfplaats heeft, alle verblijfsoverstijgende kosten van het kind betaalt en dat de andere ouder de kosten die samenhangen met het verblijf bij die ouder, de zogenoemde zorgkosten, voor zijn rekening neemt. De vrouw bij wie de kinderen geen hoofdverblijf hebben, heeft ter zitting aangevoerd dat zij te weinig draagkracht heeft om in haar zorgkosten te voorzien. De rechtbank berekent daarom of de man gelet op zijn draagkracht in staat is om het tekort van de vrouw in de zorgkosten te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-/rekestnummer: C/18/186992 / FA RK 18-2864

beschikking van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2019

in de zaak van

[verzoeker]

die woont in [woonplaats],

en die hierna ook "de man" wordt genoemd,

advocaat mr. L.G. Mellens-Schrage, die kantoor houdt in Hoogezand,

en

[verweerster],

die woont in [woonplaats],

en die hierna ook "de vrouw" wordt genoemd,

advocaat mr. P.B. Rietberg, die kantoor houdt in Groningen.

De procedure

De procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de man, dat door de rechtbank is ontvangen op 14 september 2018. Daarin verzoekt de man, verkort weergegeven, de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en om nevenvoorzieningen te geven.

De vrouw heeft een verweerschrift tevens zelfstandig verzoek ingediend, dat door de rechtbank is ontvangen op 7 december 2018. Daarin verzoekt de vrouw, verkort weergegeven, ook om de echtscheiding uit te spreken en om nevenvoorzieningen te geven.

De man heeft een verweerschrift op zelfstandig verzoek tevens akte aanvullende verzoeken ingediend, dat door de rechtbank is ontvangen op 3 januari 2019.

Op 9 mei 2019 heeft de rechtbank een akte van de vrouw ontvangen.

Op 21 mei 2019 heeft de rechtbank een brief met bijlagen van de man ontvangen.

Op 29 mei 2019 heeft de rechtbank nog een akte van de vrouw ontvangen.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld met gesloten deuren op 6 juni 2019. Verschenen en gehoord zijn partijen en hun advocaten. De minderjarige [minderjarige 1] is voorafgaand aan de zitting apart door de kinderrechter gehoord.

Ter zitting van 6 juni 2019 heeft de rechtbank een proces-verbaal opgemaakt, met daarin een weergave van wat partijen ter zitting zijn overeengekomen over de verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap. Partijen hebben dit proces-verbaal ter zitting van 6 juni 2019 ondertekend.

De feiten

De rechtbank kan bij de beoordeling van de verzoeken uitgaan van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.

Partijen zijn op 27 juli 2012 met elkaar getrouwd.

Het huwelijk van partijen is duurzaam ontwricht.

Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 2004 geboren [minderjarige 1] (hierna [minderjarige 1]) en op [geboortedatum] 2012 [minderjarige 2] (hierna [minderjarige 2]).

Partijen oefenen samen het gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen sinds 22 maart 2019 bij de man.

De geschilpunten

Partijen hebben ieder verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. In dit verband is tussen partijen nog in geschil waar het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet worden bepaald, hoe vervolgens de verdeling van de zorg en opvoedingstaken van de kinderen eruit moet zien en welk bedrag betaald moet worden in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

De beoordeling

Het verzoek van partijen de echtscheiding uit te spreken zal, omdat dit verzoek op de wet is gegrond gelet op de over en weer gestelde ontwrichting van het huwelijk, worden toegewezen.

Partijen zijn het niet eens over het hoofdverblijf en de zorgregeling en zij kunnen evenmin overeenstemming bereiken over de verdeling van de kosten van de kinderen. Over het hoofdverblijf en de zorgregeling zijn partijen ook ter zitting niet tot een vergelijk gekomen. De rechtbank zal daarom op de voet van art. 1:253a BW een beslissing nemen die haar in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wenselijk voorkomt. De rechtbank zal bovendien een beslissing nemen ter verdeling van de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Ten aanzien van de over deze onderwerpen tussen partijen opgekomen geschilpunten wordt als volgt overwogen.

De rechtbank zal ten aanzien van het hoofdverblijf aansluiting zoeken bij de feitelijke situatie zoals die na 22 maart 2019 is ontstaan. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen daarom hun hoofdverblijf krijgen bij hun vader.

De rechtbank neemt verder in overweging dat de verstandhouding en communicatie tussen partijen moeizaam verloopt en dat de strijd die zij met elkaar voeren met zich brengt dat zij niet steeds de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] centraal stellen.

Dit heeft onder meer met zich gebracht dat de vrouw en [minderjarige 1] op 22 maart 2019 ruzie hebben gekregen. De vrouw ervoer dat [minderjarige 1] partij trok en het geschil dat zij met de man heeft. [minderjarige 1] voelt zich daardoor afgewezen en heeft het contact met zijn moeder verbroken. [minderjarige 1] wil natuurlijk niets liever dan dat dit contact wordt hersteld. Het mag van de vrouw worden gevergd dat zij zich inzet om tot dit contactherstel te komen. Het sturen van enkel WhatsApp berichten zoals de vrouw wel heeft gedaan, hoe goed bedoeld ook, is daarvoor niet toereikend. Van partijen mag verder worden gevergd dat zij zich inzetten om tot een verbetering van hun verstandhouding en communicatie te komen, bijvoorbeeld door hulp te vragen. Partijen kunnen bijvoorbeeld, zoals ter zitting ook ter sprake is gebracht, via een huisarts een verwijzing vragen voor het door Elker verzorgde traject "Ouderschap Na Scheiding".

Omdat partijen het niet eens zijn over een zorgregeling, zal de rechtbank een zorgregeling vaststellen die zoveel mogelijk aansluit op de afspraken die partijen daarover wel hebben gemaakt. Daarvan wijkt de rechtbank af ten aanzien van [minderjarige 1], die wel graag weer het contact met zijn moeder hersteld wil hebben, maar niet bij haar wil slapen. [minderjarige 1] wil het liefst zelf bepalen wanneer hij naar zijn moeder gaat. Dat is gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] begrijpelijk en moet ook mogelijk, zijn gelet op het gegeven dat partijen vlak bij elkaar in de buurt wonen. De rechtbank zal toch twee dagen vaststellen dat [minderjarige 1] in ieder geval naar zijn moeder zal gaan. De rechtbank verwacht dat de vrouw het initiatief zal nemen om met [minderjarige 1] in gesprek te komen.

De zorgregeling die ten aanzien van [minderjarige 2] door partijen is afgesproken, verloopt goed. De rechtbank zal die regeling daarom vaststellen.

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank zal bepalen dat [minderjarige 1] in ieder geval iedere woensdagmiddag en zaterdag bij de vrouw zal verblijven. Het staat [minderjarige 1] vrij om in overleg met zijn beide ouders vaker naar zijn moeder te gaan als hij dat wil. De rechtbank zal verder bepalen dat [minderjarige 2] iedere woensdagmiddag na schooltijd bij de vrouw zal verblijven, alsmede iedere vrijdagmiddag na schooltijd tot zaterdag en om de week ook van de vrijdag tot en met de zondag.

Rest tussen partijen het geschil over de verdeling van de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Ten aanzien van de in dit verband tussen partijen opgekomen geschilpunten worden als volgt overwogen.

De rechtbank zal de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tussen partijen verdelen aan de hand van de aanbevelingen die daarover worden gedaan in het rapport alimentatienormen (Tremarapport), zoals dit wordt gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De rechtbank zal, gelet op eerder gegeven beschikking voorlopige voorziening, de door haar vast te stellen regeling laten ingaan op de dag dat deze beschikking wordt gegeven.

Partijen hebben ter zitting eensluidend verklaard dat de rechtbank kan uitgaan van een netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding van € 3.886,00.

In aanmerking genomen dat partijen in 2018 uiteen zijn gegaan en het verzoekschrift door de rechtbank is ontvangen in 2018, zal de behoefte van de kinderen worden vastgesteld aan de hand van de behoeftetabel 2018 en daarom op € 880,-- voor beide kinderen samen. Geïndexeerd naar 2019 bedraagt de behoefte van de kinderen dan € 898,00.

Gelet op de zorgregeling die de rechtbank zal vaststellen en de aanbevelingen in het Tremarapport uitgaan van een zorgkortingspercentage van 25 %. De zorgkorting bedraagt dan (25 % van € 898,00) € 224,00.

De rechtbank heeft de draagkracht van de man berekend en is daarbij uitgegaan van de tarieven van 2019-I. De berekening is aan deze beschikking gehecht.

Ter zitting hebben partijen eensluidend verklaard dat voor het berekenen van de draagkracht van de man kan worden uitgegaan van een bruto jaarinkomen van
€ 31.739,00. De aangehechte berekening leert dat dit resulteert in een netto besteedbaar inkomen (hierna NBI) van € 2.538,00 per maand.

De draagkracht van de man wordt heeft de rechtbank vastgesteld aan de hand van de daarvoor ontwikkelde formule 70% x [NBI - (30% x NBI + 950)]. De man beschikt dan over een draagkracht van € 579,00 voor beide kinderen samen.

Voor het bepalen van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van het bruto jaarinkomen uit 2018 van € 19.597,00. Uitgaande van de tarieven van 2019-I resulteert dit in een NBI van € 1.492,00. Gelet op de hoogte van dit inkomen kan haar draagkracht forfaitair worden vastgesteld op € 106,00 per maand voor beide kinderen samen.

De totale draagkracht van partijen bedraagt € 685,00 en is ontoereikend om in de volledige behoefte van de kinderen te voorzien. Het tekort aan gezamenlijke draagkracht is
(€ 898 - € 685) € 213,00.

De vrouw heeft ter zitting aangevoerd dat zij te weinig draagkracht heeft om in de zorgkosten te voorzien en dat ook als de kinderen bij de man hun hoofdverblijf krijgen, zij recht heeft op en belang heeft bij een door de man aan haar te betalen bijdrage.

De rechtbank neemt in dit verband in overweging dat doorgaans kinderalimentatie wordt betaald aan de ouder bij wie het kind de hoofdverblijfplaats heeft. Uitgangspunt hierbij is dat de ouder waar het kind de hoofdverblijfplaats heeft, alle verblijfsoverstijgende kosten van het kind betaalt en dat de andere ouder de kosten die samenhangen met het verblijf bij die ouder, de zogenoemde zorgkosten, voor zijn rekening neemt.

In deze zaak is sprake van een zorgregeling met een ouder - de vrouw - die een minimale draagkracht heeft, terwijl de ouder waar de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben - de man - een relatief ruime draagkracht heeft.

De rechtbank is van oordeel dat er onder zodanige omstandigheden aanleiding bestaat om te onderzoeken of de ouder waar de kinderen verblijven, in staat is een bijdrage te betalen in de zorgkosten van de andere ouder die daar niet zelf volledig in kan voorzien. In dat verband wordt als volgt overwogen.

De rechtbank neemt in overweging dat de zorgkosten voor de vrouw, gelijk zijn aan het bedrag van de voor haar berekende zorgkorting en daarom kunnen worden gesteld op het hiervoor berekende bedrag van € 224,--.

Op dit bedrag komt in mindering de eigen draagkracht van de vrouw, die hiervoor is berekend op € 106,--. De vrouw kan daarom voor een bedrag ter grootte van (€ 224 - € 106) € 118,-- niet zelf voorzien in haar zorgkosten.

De draagkracht van de man bedraagt, zoals hiervoor berekend, € 579,--. De man draagt zorgkosten in natura voor beide kinderen die bij hem wonen. Die kosten kunnen als volgt worden berekend. De totale kosten van de kinderen bedragen € 898,--. De zorgkosten van de man in natura kunnen vervolgens worden vastgesteld op 75% van die kosten, gelet op de zorgregeling die met zich brengt dat 25% van de zorgkosten door de vrouw worden gemaakt.

Dit betekent dat de zorgkosten in natura, dat wil zeggen de kosten die de man maakt in de tijd dat de kinderen bij hem verblijven, kunnen worden vastgesteld op 75% van € 898,--, ofwel, afgerond, € 674,--.

Dit bedrag heeft de man gelet op zijn draagkracht ter grootte van € 579,-- niet beschikbaar. De man kan daarom niet een bijdrage in de zorgkosten van de vrouw betalen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie daarom afwijzen.

Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank de echtscheiding uitspreken, het hoofdverblijf van de kinderen bij de man bepalen en een zorgregeling vaststellen. Mede in aanmerking genomen dat partijen ter zitting overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap, zullen alle andere verzoeken worden afgewezen.

De beslissing

De rechtbank

spreekt tussen partijen de echtscheiding uit,

bepaalt het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de man,

bepaalt dat er een zorgregeling voor [minderjarige 1] wordt vastgesteld, waarbij [minderjarige 1] iedere woensdagmiddag na schooltijd bij de vrouw verblijft, alsmede iedere zaterdag,

bepaalt dat er een zorgregeling voor [minderjarige 2] wordt vastgesteld, waarbij [minderjarige 2] iedere woensdagmiddag na schooltijd bij de vrouw verblijft, alsmede iedere vrijdagmiddag na schooltijd tot zaterdag en om de week op zondag, met een overnachting van zaterdag op zondag,

verklaart deze beschikking voor wat betreft de beslissingen over het hoofdverblijf en de zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven te Groningen door mr. B.R. Tromp, lid van de kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op dinsdag 11 juni 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat. worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden

fvb