Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:2438

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
05-06-2019
Zaaknummer
18/730030-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden voor poging tot zware mishandeling van zijn (ex-)partner. Het geweld heeft plaats gevonden in de woning van aangeefster. Als gevolg van de mishandeling heeft aangeefster enige tijd het bewustzijn verloren en heeft zij onder meer een neusfractuur opgelopen. De rekent de rechtbank het verdachte zwaar aan dat het geweld tegen zijn (ex-)partner plaats heeft gevonden in de aanwezigheid van hun vier minderjarige kinderen. Het oudste kind, de 11-jarige zoon, is in de vroege ochtend van 3 februari 2019, in zijn pyjama en op blote voeten, overstuur de woning uit gevlucht om via de buren de politie te waarschuwen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730030-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 mei 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire inrichting te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 mei 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr G.J.P.M. Grijmans, advocaat te Bolsward. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 3 februari 2019 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (zijn ex-partner) [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, - (met geschoeide voet) in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geschopt en/of getrapt en/of (vervolgens) - met de vuist(en) in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen en/of gestompt en/of (vervolgens) terwijl die [slachtoffer] op de grond lag is blijven schoppen en/of trappen

en/of slaan en/of stompen tegen het hoofd van die [slachtoffer] , tengevolge

waarvan die [slachtoffer] enige tijd buiten bewustzijn is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 3 februari 2019 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, aan (zijn ex-partner) [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) een gebroken neus (voor de geneeskundige behandeling waarvan een operatie noodzakelijk was), heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) - tegen het lichaam te duwen en/of - aan de haren (de trap af) te trekken en/of - met de vuist(en) in het gezicht, althans tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of - (met geschoeide voet) tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen en/of (vervolgens) terwijl die [slachtoffer] op de grond lag is blijven schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] , tengevolge waarvan die [slachtoffer] enige tijd het bewustzijn is verloren;

Meer Subsidiair

hij op of omstreeks 3 februari 2019 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn ex-partner, althans een persoon, (te weten [slachtoffer] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) - tegen het lichaam heeft geduwd en/of - aan de haren (de trap af) getrokken en/of - met de vuist(en) in het gezicht, althans tegen het hoofd en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of - (met geschoeide voet) tegen het hoofd en/of tegen het lichaam heeft geschopt en/of heeft getrapt en/of (vervolgens) terwijl die [slachtoffer] op de grond lag is blijven schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] , tengevolge waarvan die [slachtoffer] enige tijd het bewustzijn is verloren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat de aangifte voldoende ondersteuning vindt in het proces-verbaal van bevindingen van de politie met betrekking tot de aangetroffen situatie na de melding. Gelet ook op de letselverklaring en de verklaring die het zoontje van verdachte en aangeefster die ochtend heeft afgelegd acht hij wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster heeft geslagen, gestompt en geschopt tegen het hoofd, als gevolg waarvan zij bewusteloos is geraakt.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde heeft de raadsman het volgende aangevoerd. De door aangeefster en de kinderen afgelegde verklaringen zijn tegenstrijdig. Aangeefster zegt in eerste instantie tegen de politie dat zij is geslagen. Ook [getuige] zegt in eerste instantie alleen te hebben gezien dat zijn vader zijn moeder sloeg. In haar aangifte zegt aangeefster pas dat zij ook zou zijn geschopt. De raadsman is van mening dat aangeefster later het schoppen tegen het hoofd heeft bedacht en met de kinderen besproken. De raadsman acht de verklaringen van de kinderen dan ook onbetrouwbaar. De raadsman acht onvoldoende bewijs aanwezig voor schoppen tegen het hoofd. Verdachte erkent dat hij aangeefster heeft geslagen, maar dit is over en weer geweest. Subsidiair, indien de rechtbank schoppen tegen het hoofd wel bewezen acht, heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangeefster, nu er geen enkele duidelijkheid bestaat over de factoren die daarvoor van belang zijn.

Gelet op het voorgaande acht de raadsman ook ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde het schoppen tegen het hoofd niet wettig en overtuigend bewezen. Voorts heeft de raadsman ten aanzien van het subsidiair ten laste aangevoerd dat het criterium bij zware mishandeling is dat er sprake moet zijn van zwaar lichamelijk letsel. De raadsman meent dat een gebroken neus niet zonder meer is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat de geschatte genezingsduur twee weken bedroeg en, voor zover bekend, is het letsel ook volledig hersteld. De raadsman acht het subsidiair ten laste gelegde dan ook niet wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat uit de gedragingen van verdachte niet blijkt dat hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn gedraging zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster zou kunnen ontstaan. De verklaring van aangeefster dat haar hoofd als een boksbal zou zijn gebruikt past niet bij het geconstateerde letsel en de raadsman verzoekt verdachte ook van dit feit vrij te spreken.

Oordeel van de rechtbank

vrijspraak primair en subsidiair

Ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Primair is verdachte poging doodslag ten laste gelegd. Volgens aangeefster is zij op

3 februari 2019 door verdachte onder andere tegen haar hoofd geslagen en geschopt. Verdachte erkent aangeefster te hebben geslagen, maar ontkent haar tegen haar hoofd te hebben geschopt. Uit het dossier blijkt dat de verbalisanten, die na de melding ter plaatse komen, zien dat aangeefster overstuur is en horen haar zeggen dat zij door verdachte is geslagen. Pas later in haar aangifte zegt zij ook tegen het hoofd te zijn geschopt. Ook het zoontje van aangeefster, [getuige] , verklaart in eerste instantie alleen te hebben gezien dat zijn moeder door zijn vader is geslagen. Uit de letselverklaring blijkt dat aangeefster als gevolg van het geweld door verdachte een gebroken neus had en bloeduitstortingen in haar gezicht.

Zowel de verklaringen van aangeefster als de verklaringen van [getuige] zijn op het punt van schoppen tegen het hoofd niet consistent. Daarnaast vindt de rechtbank in de letselverklaring geen specifieke aanwijzing voor schoppen tegen het hoofd. Om die reden is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs dat aangeefster tegen haar hoofd is geschopt. De rechtbank zal verdachte om die reden vrij spreken van het primair ten laste gelegde.

Subsidiair is verdachte zware mishandeling ten laste gelegd. Het criterium bij zware mishandeling is dat er sprake moet zijn van zwaar lichamelijk letsel.

Onder zwaar lichamelijk letsel wordt op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht onder meer begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Bij de beantwoording van de vraag of zeker letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is van belang of het oordeel van de rechter iets inhoudt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.

Vast staat dat de aangeefster een neusfractuur heeft opgelopen en dat de scheefstand van de neus operatief is gerepositioneerd. De verwachte genezingsduur bedroeg twee weken.

De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het door de verdachte toegebrachte letsel, te weten een neusfractuur, zwaar lichamelijk letsel oplevert.

Daartoe overweegt de rechtbank dat weliswaar is gebleken dat sprake is geweest van enig lichamelijk letsel bij het slachtoffer, maar dat uit de letselverklaring blijkt dat de verwachting was dat het slachtoffer binnen twee weken weer volledig zou zijn hersteld. De rechtbank heeft geen informatie over hoe het herstel daadwerkelijk is verlopen en of aangeefster nog restklachten heeft. De rechtbank zal verdachte om die reden vrij spreken van het subsidiair ten laste gelegde.

Het voorgaande betekent dat de verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van het meer subsidiair tenlastegelegde redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 16 mei 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Het klopt dat ik op 3 februari 2019 te Leeuwaren mijn ex-partner [slachtoffer] aan haar haren heb getrokken. Ook klopt het dat ik haar éénmaal in haar gezicht heb geslagen en één keer tegen de zijkant van haar heup heb getrapt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte (met fotobijlage) d.d. 4 februari 2019, opgenomen op pagina 68 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019029193 d.d. 12 maart 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :

Op 3 februari 2019 te Leeuwarden ben ik door mijn ex-partner [verdachte] mishandeld. [verdachte] begon mij te duwen. Hij heeft mij aan mijn haren de trap afgetrokken. Ook heeft hij mij meermalen met zijn vuist in mijn gezicht en tegen mijn hoofd gestompt. Als gevolg van de vuistslagen tegen mijn hoofd ben ik het bewustzijn verloren en op de grond terecht gekomen. Het geweld dat op mij werd uitgeoefend veroorzaakte pijn en letsel, bestaande uit: een gebroken neus, forse zwelling met hematoom op het rechter jukbeen, forse zwelling links boven het hoofd, zwelling met hematoom achter het linkeroor en beschadiging van de huid op het linkeroor en de buik. Hij heeft mij ook geraakt op mijn schouders en tegen mijn rug. De door verbalisant gemaakte foto's van mijn letsel zijn bij mijn aangifte gevoegd.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 februari 2019, opgenomen op pagina 62 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Op 3 februari 2019 kregen wij een melding om te gaan naar de [straatnaam] in Leeuwarden in verband met huiselijk geweld. Wij zagen dat [slachtoffer] een dikke bult op haar rechter jukbeen en op haar neus had. Ik verbalisant [verbalisant 2] hoorde [slachtoffer] zeggen dat de verdachte haar geslagen had.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 februari 2019, opgenomen op pagina 67 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Ik hoorde [getuige] zeggen dat zijn vader zijn moeder bij de haren pakte en haar sloeg.

5. Een geneeskundige verklaring d.d. 18 februari 2019, opgenomen op pagina 173 van voornoemd dossier, opgemaakt en ondertekend door

S. Okkema, arts, voor zover inhoudend als zijn/haar geneeskundige verklaring:

Op 3 februari 2019 werd [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1981, onderzocht.

Uitwendig waargenomen letsel: bloeduitstorting neusbrug en wang recht. Overige van belang zijnde informatie: neusbreuk, waarvan repositie op de operatiekamer via de KNO. Geschatte duur van genezing: twee weken.

6. Een letselverklaring d.d. 18 februari 2019, opgenomen op pagina 175 e.v. van voornoemd dossier, opgemaakt en ondertekend door B. Roescher, forensisch arts, voor zover inhoudend, als zijn/haar geneeskundige verklaring:

Op 4 februari 2019 werd onderzocht [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1981.

Letselbeschrijving: Op de spoedeisende hulp van het Medisch Centrum Leeuwarden werd een neusfractuur met een scheefstand van de neus (25%) geconstateerd, waarvoor zij binnenkort door de KNO arts wordt gezien, voor repositie van deze neusscheefstand. Rondom het rechteroog een paarsblauwe verkleuring van een bloeduitstorting, naar beneden uitlopend op het rechterjukbeen en tevens met wat lichte zwelling over de rechter wang. Tevens rondom het linkeroog op het boven - en onderooglid wat paarsige verkleuring van een lichte bloeduitstorting. Achter het linkeroor, over het linker rotsbeen en linker nek, een paarsblauwe verkleuring van een bloeduitstorting van ongeveer 5 bij 5 centimeter. Verticaal verlopend in de rechterflank, een langwerpige schaafplek van ongeveer 6 centimeter lang en ongeveer 1 centimeter breed, met daarin centraal een wat onderbroken scherp krasspoor met wat donkere korstvorming. Er is geen blijvend letsel te verwachten.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank leidt uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen af dat verdachte aangeefster op 3 februari 2019 tegen het lichaam heeft geduwd, aan de haren de trap af heeft getrokken, met de vuist tegen het hoofd heeft geslagen en gestompt, tegen het lichaam heeft geschopt en tegen het hoofd is blijven stompen, ten gevolge waarvan aangeefster het bewustzijn is verloren. De vraag ligt voor of dat een poging tot zware mishandeling oplevert.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Uit de verklaring van verdachte kan niet worden afgeleid dat hij de bedoeling had om aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De vraag is dan of het (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster kan worden afgeleid uit de uiterlijke verschijningsvorm van verdachtes handelen.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte, namelijk het meermalen met kracht met de vuist stompen tegen het hoofd van aangeefster en tegen het hoofd blijven stompen waardoor zij het bewustzijn is verloren, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is de rechtbank niet gebleken.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 3 februari 2019 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn ex-partner, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met kracht

- tegen het lichaam heeft geduwd en

- aan de haren de trap af getrokken en

- met de vuist tegen het hoofd heeft geslagen en gestompt en

- tegen het lichaam heeft geschopt en vervolgens is blijven stompen tegen het hoofd van die [slachtoffer] , tengevolge waarvan die [slachtoffer] enige tijd het bewustzijn is verloren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

meer subsidiair: poging tot zware mishandeling

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van

30 maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft algehele vrijspraak bepleit. Hij heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van een eventueel op te leggen straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich, onder invloed van alcohol, schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van zijn (ex-)partner. Hij heeft aangeefster daarbij geduwd, aan haar haren de trap af getrokken, haar meermalen met zijn vuist in haar gezicht geslagen en gestompt, tegen het lichaam geschopt en is blijven stompen tegen het hoofd, ten gevolge waarvan aangeefster enige tijd het bewustzijn is verloren. Als gevolg van de mishandeling heeft aangeefster onder meer een neusfractuur opgelopen. Door op deze manier te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Bovendien neemt verdachte geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen en lijkt hij het geweld te bagatelliseren. Het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden in de woning van aangeefster, de plek waar zij zich bij uitstek veilig hoort te voelen. Daarbij rekent de rechtbank het verdachte zwaar aan dat het geweld tegen zijn (ex-)partner plaats heeft gevonden in de aanwezigheid van hun vier minderjarige kinderen. Het is algemeen bekend dat kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld vaak psychische schade oplopen waar zij langdurig, en soms zelfs hun hele leven, last van blijven houden. Het oudste kind, de 11-jarige zoon, is in de vroege ochtend van 3 februari 2019, in zijn pyjama en op blote voeten, overstuur de woning uit gevlucht om via de buren de politie te waarschuwen.

Verdachte heeft geweigerd medewerking te verlenen aan het psychologisch onderzoek. Hij heeft de rapporteur niet te woord willen staan, zodat de rechtbank geen informatie heeft over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het plegen van het strafbare feit. De rechtbank zal het feit dan ook volledig aan verdachte toe rekenen.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de ernst van het feit oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Nu de rechtbank uitgaat van een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie, zal de rechtbank een lagere gevangenisstraf opleggen dan geëist.

Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden passend en oplegging daarvan geboden. De rechtbank zal bepalen dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, hiervan zal worden afgetrokken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.C. Koelman, voorzitter, mr. M. Brinksma en mr. N.A. Vlietstra, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 mei 2019.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.