Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:2280

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-05-2019
Datum publicatie
05-07-2019
Zaaknummer
C/17/151998 / HA ZA 16-305
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Testament nietig vanwege geeestelijke stoornis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/210
ERF-Updates.nl 2019-0156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/151998 / HA ZA 16-305

Vonnis van 22 mei 2019

in de zaak van

1 [eiseres sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [eiseres sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. A. Arslan te [woonplaats] ,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. H. Siesling-Vellinga te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna [eisers c.s.] en [gedaagden c.s.] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 28 februari 2018

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 3 september 2018

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting getuigenverhoor van 17 januari 2019

  • -

    de mededeling van de zijde van [gedaagden c.s.] dat wordt afgezien van contra-enquête

  • -

    de conclusie na getuigenverhoor van de zijde van [eisers c.s.]

  • -

    de antwoordconclusie na getuigenverhoor van de zijde van [gedaagden c.s.]

1.2.

Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling van het geschil

in conventie en in reconventie

2.1.

De rechtbank handhaaft hetgeen in het tussenvonnis van 28 februari 2018 is overwogen en beslist.

2.2.

Bij tussenvonnis van 28 februari 2018 is [eisers c.s.] opgedragen te bewijzen dat erflaatster ten tijde van het ondertekenen van het in geschil zijnde (laatste) testament, niet, althans onvoldoende, begreep wat zij deed en het vermogen miste haar wil - zoals neergelegd in dit testament - te bepalen en te verklaren.

2.3.

Op 3 september 2018 heeft [eisers c.s.] in enquête de volgende getuigen voorgebracht:

- [eiseres sub 4] , dochter van de broer van erflaatster;

- [Naam X] , verpleegkundige.

Vervolgens heeft [eisers c.s.] op 17 januari 2019 in enquête de volgende getuige voorgebracht:

- [spec. ouderengeneeskunde] , specialist ouderengeneeskunde.

Voor de afgelegde verklaringen wordt verwezen naar de van de verhoren opgemaakte processen-verbaal, die hier als herhaald en ingelast dienen te gelden.

2.4.

In het tussenvonnis van 28 februari 2018 is (met name in rechtsoverweging 5.5. en verder) - kort samengevat - overwogen, dat de inhoud van het rapport van 3 februari 2016 van [spec. ouderengeneeskunde] (mede namens de psychologen [psycholoog 1] en

[pryscholoog 2] ) evenals alle overige in het geding gebrachte stukken in de procedure uit 2014 en in de onderhavige procedure, onvoldoende is om tot het oordeel te komen dat erflaatster ten tijde van het ondertekenen van het in geschil zijnde (laatste) testament, niet, althans onvoldoende, begreep wat zij deed en het vermogen miste haar wil - zoals neergelegd in dit testament - te bepalen en te verklaren. Wat betreft het rapport van

[spec. ouderengeneeskunde] heeft de rechtbank geoordeeld dat uit zijn rapport blijkt dat hij (en de psychologen [psycholoog 1] en [pryscholoog 2] ) eenzijdig is geïnformeerd (conform het standpunt van [eisers c.s.] ) en dat er geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. Dit heeft er in geresulteerd dat hij omstandigheden in zijn oordeel heeft betrokken die door [eisers c.s.] zijn gesteld, maar die door [gedaagden c.s.] zijn weersproken, althans ten aanzien waarvan door [gedaagden c.s.] andere omstandigheden zijn gesteld en die niet in het oordeel van [spec. ouderengeneeskunde] en de hiervoor bedoelde psychologen zijn betrokken.

2.5.

De rechtbank acht [eisers c.s.] na het horen van [spec. ouderengeneeskunde] als getuige evenwel geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat erflaatster ten tijde van het ondertekenen van het in geschil zijnde (laatste) testament, niet, althans onvoldoende, begreep wat zij deed en het vermogen miste haar wil - zoals neergelegd in dit testament - te bepalen en te verklaren. Daartoe wordt het navolgende overwogen.

2.6.

[spec. ouderengeneeskunde] heeft als getuige verklaard dat hij op basis van (enkel) de zuiver medische gegevens zoals die bijvoorbeeld blijken uit het dossier van de huisarts, en de zorggerelateerde gegevens, zoals de dagrapportage van de hulpverlening en de CIZ-indicaties tot hetzelfde advies was gekomen als in zijn rapport is vermeld. Hij heeft er daarbij op gewezen dat er in het medisch dossier van erflaatster is vermeld dat er reeds op 14 februari 2006 sprake was van beginnende dementie. Hij heeft vervolgens zijn advies nader onderbouwd aan de hand van een door hem opgestelde en aan het proces-verbaal van zijn verhoor gevoegde tijdslijn. Hij heeft vervolgens aangegeven dat hij geen twijfel heeft aan de diagnose progressieve dementie, hetgeen hij baseert op het dossier van de huisarts, de dagrapportages die hij heeft bestudeerd van 2009 tot eind 2010, en de CIZ-indicaties.

[spec. ouderengeneeskunde] heeft voorts aangegeven dat hij in zijn advies heeft geconcludeerd dat hij de sterke overtuiging heeft dat erflaatster ten tijde van de laatste wijziging van haar testament op 2 maart 2009 wilsonbekwaam was ten aanzien van die beslissing. Hij heeft als getuige daaraan toegevoegd dat die kwalificatie voor hem min of meer de hoogste kwalificatie is die hij zou kunnen geven, omdat hij niet ter plekke aanwezig was en hij zich op stukken heeft gebaseerd. Volgens hem hangt veel af van de vraag hoe de vragen aan erflaatster zijn gesteld, te weten of er sprake was van open of gesloten vragen en of er sturing is geweest in de vraagstelling. Hij heeft verklaard dat mensen met dementie erg gevoelig zijn voor cue-ing en sturing door hun omgeving. Juist daarom zijn ze zo kwetsbaar. Naar aanleiding van de vraag of de beslissing tot wijziging van een testament als eenvoudig of als complex wordt bestempeld, heeft [spec. ouderengeneeskunde] geantwoord dat dit niet alleen afhankelijk is van de keuze die moet worden gemaakt, maar ook van de vraag of de betrokkene in staat is de afweging te maken en daarbij oog heeft voor de gevolgen van die keuze voor eerdere beslissingen uit het verleden en voor de toekomst. Uit onderzoek blijkt volgens hem dat het wijzigen van een testament over het algemeen een beladen beslissing is. Volgens hem is het ook een complexe beslissing, omdat het niet alleen maar gaat om de keuze zelf en of de betrokkene kan uitleggen wat daarvan de gevolgen zijn, maar ook of de betrokkene zich voldoende rekenschap kan geven van de wijzigingen die zo'n keuze met zich brengen.

2.7.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank voldoende bewezen dat erflaatster ten tijde van het opmaken van de uiterste wilsbeschikking aan een geestelijke stoornis leed, te weten progressieve dementie.

2.8.

De vraag is thans of de wilsverklaring onder invloed van deze geestelijke stoornis is gedaan, te weten in hoeverre de stoornis toen een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsbeschikking betrokken belangen belette. Voor een dergelijke "redelijke waardering" is vereist dat erflaatster ten tijde van het maken van haar uiterste wil inzicht heeft in haar (voor het erfrecht relevante) situatie en in staat is op het gebied van het erfrecht in vrijheid keuzes te onderscheiden en te maken en beslissingen te nemen, de gevolgen van die keuzes en beslissingen in rationeel en emotioneel opzicht te overzien en dit kenbaar te maken. Verder is vereist dat zij de informatie of voorlichting die zij voor het maken van de uiterste wilsbeschikking van de notaris of van anderen krijgt zodanig begrijpt dat zij deze bij het onderscheiden en maken van haar keuzes en beslissingen kan betrekken. In hoeverre sprake is of kan zijn van "een redelijke waardering" hangt niet alleen af van de aard en de zwaarte van de geestesstoornis maar ook van de aard en de ingrijpendheid van de uiterste wilsbeschikking en de aard en de zwaarte van de daarbij betrokken belangen. Tussen deze drie elementen bestaat een wisselwerking. Hoe zwaarder de geestesstoornis, hoe ingrijpender de beslissing en hoe zwaarder de belangen, des te hoger zijn telkens de eisen die aan een redelijke waardering mogen worden gesteld (zie: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 juli 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:5626). Gelet op de ingrijpende wijziging van haar beslissing ten opzichte van het voorlaatste testament en de omstandigheid dat sprake was van progressieve dementie, dienden in het onderhavige geval naar het oordeel van de rechtbank hoge eisen te worden gesteld aan de hiervoor bedoelde redelijke waardering.

2.9.

De notaris heeft blijkens punt 6.2. van de uitspraak in de klachtprocedure aangegeven dat erflaatster op de vraag waar zij haar mee van dienst kon zijn, heeft geantwoord dat zij haar testament wilde wijzigen en wat de reden voor deze wijziging was. Volgens de notaris is erflaatster in de beide gesprekken die zij met erflaatster heeft gevoerd, consistent geweest in wat zij wilde. Erflaatster heeft duidelijk gemotiveerd waarom zij het testament wilde aanpassen en realiseerde zich wat de gevolgen daarvan waren, aldus de notaris. De rechtbank overweegt echter dat de notaris niet op de hoogte was van de inhoud van het voorlaatste testament en erflaatster dus ook niet heeft kunnen wijzen op de consequenties van haar beslissing in het licht van dit voorlaatste testament. Weliswaar kan het zo zijn dat erflaatster bij de notaris heeft aangegeven dat zij [gedaagden c.s.] tot haar erfgenamen wenste te benoemen, maar gelet op de getuigenverklaring van [spec. ouderengeneeskunde] acht de rechtbank niet aannemelijk dat zij daarbij ook heeft kunnen overzien dat [eisers c.s.] als gevolg hiervan niet van haar zou erven. Gesteld noch gebleken is dat dit expliciet bij de notaris - die zoals gezegd niet van de inhoud van het voorlaatste testament op de hoogte was - aan de orde is geweest, zodat de rechtbank er van zal uitgaan dat dit niet is geschied. De stoornis belette dan ook naar het oordeel van de rechtbank een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsbeschikking betrokken belangen.

2.10.

Het kan zo zijn dat de betrokken notaris (alsmede de op enig moment tevens betrokken getuigen) geen twijfel hebben gehad over de geestesgesteldheid van erflaatster en dat in de klachtprocedure is geoordeeld dat zij ter zake niet onjuist heeft gehandeld, maar dit impliceert niet dat van wilsonbekwaamheid bij erflaatster geen sprake is geweest. De notaris is geen medisch deskundige. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat bewezen is dat daarvan nu juist wél sprake is geweest.

2.11.

De overige (getuige)verklaringen kunnen aan het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende toe- of afdoen.

Voorts in conventie

2.12.

Gelet op omstandigheid dat de rechtbank [eisers c.s.] geslaagd acht in het opgedragen bewijs, is de rechtbank - onder verwijzing naar hetgeen hieromtrent in rechtsoverweging 5.4. van het tussenvonnis is overwogen - van oordeel dat het laatste testament nietig is. Ten overvloede merkt de rechtbank in dit verband nog op dat gelet op de omstandigheid dat sprake is van nietigheid van het testament en dat het beroep door [eisers c.s.] op de vernietigbaarheid van het testament niet aan de orde komt, niet toegekomen wordt aan de verweren die [gedaagden c.s.] heeft gevoerd ten aanzien van de vernietigbaarheid van het testament (met name een beroep op verjaring).

De vorderingen van [eisers c.s.] - die ertoe strekken dat voor recht wordt verklaard dat het laatste testament nietig is en dat de nalatenschap (kort samengevat) moet worden afgewikkeld conform het voorlaatste testament - acht de rechtbank toewijsbaar.

Ook de gevorderde oplegging van dwangsommen acht de rechtbank in dat verband toewijsbaar, zoals in het dictum te vermelden.

Tegen de door [eisers c.s.] gevorderde hoofdelijkheid van de veroordelingen van [gedaagden c.s.] is geen verweer gevoerd, zodat ook deze zal worden toegewezen.

2.13.

[gedaagden c.s.] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De kosten aan de zijde van [eisers c.s.] worden vastgesteld op:

- dagvaardingskosten € 79,81

- griffierecht € 597,00

- getuigentaxen € 1.235,00 (€ 235,00 + € 1.000,00)

- salaris voor de advocaat € 2.715,00 (5 punten x tarief € 543,00)

Totaal € 4.626,81.

2.14.

Ook de gevorderde beslagkosten ter hoogte van € 1.501,38 acht de rechtbank toewijsbaar. Tegen toewijzing hiervan is geen zelfstandig verweer gevoerd.

2.15.

De door [eisers c.s.] gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten thans al kunnen worden begroot. Deze nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing te melden.

2.16.

Ook de over de (na)kosten gevorderde wettelijke rente acht de rechtbank toewijsbaar.

Voorts in reconventie

2.17.

Gelet op het voorgaande zal de reconventionele vordering strekkende tot opheffing van de door [eisers c.s.] ten laste van [gedaagden c.s.] gelegde conservatoire beslagen worden afgewezen.

2.18.

[gedaagden c.s.] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De kosten aan de zijde van [eisers c.s.] zullen worden vastgesteld op:

- salaris voor de advocaat € 1.357,50 (0,5 x 5 punten x tarief € 543,00).

Ook de hierover gevorderde wettelijke rente acht de rechtbank toewijsbaar.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie:

3.1.

verklaart voor recht dat het op 2 maart 2009 verleden testament van erflaatster ( [erflaatster] ) door notaris mr. [naam notaris] nietig is, waardoor [gedaagden c.s.] niet de erfgenamen zijn van erflaatster;

3.2.

verklaart voor recht dat de nalatenschap van erflaatster afgewikkeld dient te worden conform de uiterste wil van erflaatster zoals vastgelegd in het testament van

18 december 2006 en dat door middel van plaatsvervulling (zoals genoemd in dat testament) eisers sub 1, 2 en 3 erfgenamen zijn van erflaatster en dat eiseres sub 4 legataris is in de nalatenschap van erflaatster;

3.3.

veroordeelt [gedaagden c.s.] om binnen dertig dagen na dit vonnis aan [eisers c.s.] inlichtingen te verschaffen met verificatoire bescheiden omtrent de (omvang van de) nalatenschap van erflaatster, waaronder een kopie van de aangifte erfbelasting en de daaropvolgende aanslag, kopieën van bankafschriften van de op naam van erflaatster gestelde bankrekeningen ten tijde van haar overlijden waaruit de saldi per die datum blijken en aan eisers sub 1, 2 en 3 afdracht te doen van alle goederen en zaken die thans nog tot de nalatenschap van erflaatster behoren;

3.4.

bepaalt dat [gedaagden c.s.] een dwangsom verbeurt aan [eisers c.s.] van € 1.000,00 voor iedere dag (een gedeelte daaronder begrepen) dat [gedaagden c.s.] niet voldoet aan de onder 3.3. bedoelde veroordeling vanaf de eenendertigste dag na de eerste schriftelijke oproep daartoe van [eisers c.s.] ,

3.5.

verbindt aan de aldus onder 3.4. te verbeuren dwangsommen een maximum van

€ 20.000,00;

3.6.

veroordeelt [gedaagden c.s.] hoofdelijk om aan eisers sub 1, 2 en 3 te vergoeden c.q. te betalen een nog nader te bepalen geldsom gelijk aan de waarde per 8 december 2013 van de nalatenschap van erflaatster, verminderd met de waarde van alle goederen en zaken die thans nog tot de nalatenschap van erflaatster behoren en voor zover die ingevolge de onder 3.3. bedoelde veroordeling aan eisers 1, 2 en 3 worden afgedragen, en vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 december 2013 (de dag van overlijden van erflaatster);

3.7.

bepaalt dat [gedaagden c.s.] een dwangsom verbeurt aan eisers sub 1, 2 en 3 van

€ 1.00,00 voor iedere dag (een gedeelte daaronder begrepen) dat [gedaagden c.s.] niet voldoet aan de onder 3.6. bedoelde veroordeling vanaf de eenendertigste dag na de eerste schriftelijke oproep daartoe van eisers sub 1, 2 en 3.,

3.8.

verbindt aan de aldus onder 3.7. te verbeuren dwangsommen een maximum van

€ 20.000,00;

3.9.

veroordeelt [gedaagden c.s.] hoofdelijk, zodanig dat door betaling van de één de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van een bedrag van € 1.501,38 ter zake van de beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de achtste dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.10.

veroordeelt [gedaagden c.s.] hoofdelijk, zodanig dat door betaling van de één de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eisers c.s.] vastgesteld op een bedrag van € 4.626,81, één en ander te voldoen binnen zeven dagen na dagtekening van dit vonnis, en - voor het geval voldoening hiervan niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW hierover met ingang van de achtste dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.11.

veroordeelt [gedaagden c.s.] hoofdelijk, zodanig dat door betaling van de één de ander zal zijn bevrijd, in de kosten die na dit vonnis ontstaan, aan de zijde van [eisers c.s.] begroot op € 246,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagden c.s.] niet binnen veertien dagen na dagtekening aan dit vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de betekeningskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.12.

verklaart dit vonnis - behoudens de verklaringen voor recht - uitvoerbaar bij voorraad;

3.13.

wijst af het anders of meer gevorderde;

in reconventie:

3.14.

wijst de vordering af;

3.15.

veroordeelt [gedaagden c.s.] hoofdelijk, zodanig dat door betaling van de één de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van het geding, aan de zijde van [eisers c.s.] vastgesteld op een bedrag van € 1.357,50, één en ander te voldoen binnen zeven dagen na dagtekening van dit vonnis, en - voor het geval voldoening hiervan niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW hierover met ingang van de achtste dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.Th.M. Zwart-Sneek en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2019.1

1 82.