Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:2238

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-05-2019
Datum publicatie
27-05-2019
Zaaknummer
C/18/184845 / HA ZA 18-129
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk / uitleg overeenkomsten / oplevering / contractsovername (6:159 BW) / nakoming of vervangende schadevergoeding (6:87 BW)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/184845 / HA ZA 18-129

Vonnis van 22 mei 2019

in de zaak van

1 [voornaam] [eiser 1] ,

wonende te Oudeschans,

2. [voornaam] [eiseres 2],

wonende te Oudeschans,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. P.C. Schutte te Winschoten,

tegen

1 [voornaam] [gedaagde 1] ,

wonende te Musselkanaal,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. J.M. Suurmeijer te Stadskanaal,

2. [voornaam] [gedaagde 2],

wonende te Bellingwolde,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. F.R.C. Olsman te Amsterdam.

Eisers in conventie (tevens verweerders in reconventie) zullen hierna (in meervoud) [eisers] worden genoemd. Afzonderlijk zullen [eisers] als [eiser 1] respectievelijk [eiseres 2] worden aangeduid. Gedaagden in conventie worden hierna afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd, ofwel gezamenlijk [gedaagden]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 oktober 2018,

  • -

    de akte houdende een productie van mr. Suurmeijer van 18 februari 2019,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 4 maart 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde 1] heeft een eenmanszaak geëxploiteerd onder de naam OVW Geveltechniek (hierna OVW te noemen). In verband met haar pensionering zijn de activiteiten van OVW beëindigd. Op 2 november 2016 is OVW uitgeschreven uit het handelsregister. [gedaagde 2] - zoon van [gedaagde 1] - was tot dat moment in loondienst bij OVW.

2.2.

[gedaagde 2] exploiteert een eenmanszaak met de naam Voeg- en Renovatie Noord (hierna VRN te noemen).

2.3.

Op 10 juni 2015 heeft OVW een offerte (met kenmerk 20150403) aan [eisers] gezonden voor een verbouwing van de aan hen in eigendom toebehorende woonboerderij staande en gelegen aan de [adres] te Oudeschans. In de offerte zijn de uit te voeren werkzaamheden genoemd onder vermelding van het uurtarief van € 30,00 (exclusief btw). Voorts is bepaald (voor zover hier van belang):

(…)

Uren en onderaannemers € 76.030,00

Materiaal € 19.655,60

Totaal € 95.685,60

Btw 21% € 20.093,98

Totaal € 115.779,58

De volgende materialen worden geleverd door u of in onderling overleg:

Medicijnen kastjes

Tegel vloer en wand, wc en douche

Designradiator

Natuursteen voor buiten trap

Vloeren kamers; hout of laminaat inclusief groene platen

Wastafel douche, boven

Voordeur

WC onder

Douche bak 2x

Meerwerk in onderling overleg

(…)

2.4.

Reeds voor het uitbrengen van de offerte heeft OVW werkzaamheden verricht in de boerderij van [eisers] In het kader van deze werkzaamheden hebben [eisers] enkele facturen van OVW ontvangen en voldaan.

2.5.

Na het uitbrengen van de offerte heeft OVW verbouwingswerkzaamheden in de woonboerderij van [eisers] opgestart. Door OVW gefactureerde bedragen zijn door [eisers] voldaan. Het feitelijke werk werd verricht door [gedaagde 2] ofwel door ingeschakelde onderaannemers.

2.6.

Op 11 september 2015 heeft OVW een offerte (ten bedrage van € 39.065,42, inclusief materiaal en btw) aan [eisers] gezonden voor het leggen van nieuwe pannen op het dak van de schuur.

2.7.

Vanaf 25 november 2016 heeft VRN facturen aan [eisers] gezonden betreffende werkzaamheden in de woonboerderij. In de facturen worden de gewerkte uren en het gebruikte materiaal gespecificeerd.

2.8.

Partijen zijn op overeengekomen dat door VRN maandelijks maximaal een bedrag van € 10.000 zou worden gefactureerd (uren en materiaal).

2.9.

Op basis van een door VRN uitgebrachte offerte van 21 februari 2017 (met nummer 20170201) hebben [eisers] als opdrachtgevers en VRN als opdrachtnemer een overeenkomst gesloten voor het uitvoeren van (buiten)schilderwerkzaamheden. In de offerte is (voor zover hier van belang) het volgende bepaald:

(…)

  • -

    Schilderen (inclusief alle voorbereidende werkzaamheden) van alle betonornamenten, deuren, ramen, kozijnen en goten van het voorhuis van het pand aan de [adres] te [woonplaats] .

  • -

    Bewerkingen bestaan (niet uitputtend) uit: het schuren/schoonbranden, grondverven, kitten, voorlakken en aflakken van de woning.

  • -

    Verwachte doorlooptijd ca 5 weken.

  • -

    Offerteprijs inclusief alle benodigde materialen en hoogwaardige verfkeuze (Sikkens of Sigma) bedraagt EUR 14.750,00 excl BTW, EUR 15.635,00 incl BTW.

  • -

    Eventueel tussentijds binnen(schilders)werk staat los van deze offerte en wordt separaat belast tegen EUR 34,00 per uur ex 6% btw en 36,04 inclusief 6% btw. (excl. materiaalkosten).

Facturatie: 15% bij aanvaarding offerte; 25% na 2 weken aanvang werkzaamheden; 35% na 4 weken aanvang werkzaamheden; 25% na oplevering buiten schilderwerk. (…)

2.10.

Op 6 juli 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eisers] en [gedaagde 2] waarbij de voortgang van de werkzaamheden aan de orde is geweest. In het door [eisers] opgemaakte en niet door partijen ondertekende gespreksverslag is het volgende geschreven:

1. De door [gedaagde 2] [rechtbank: [gedaagde 2] ] opgestelde begroting/offerte ad 116000 euro wordt doorgelopen om te bepalen wat er wel of niet is afgerond of waar inmiddels aan begonnen is. We stellen vast dat van de totale werkzaamheden er met het overgrote deel nog niet is begonnen.

2. In de offerte is een bedrag van 76000 euro aan arbeidskosten opgenomen. Bij het

afgesproken uurtarief is dat ongeveer 2533 uur. Er is inmiddels, exclusief het meerwerk,

1000 uur gefactureerd en betaalt. Blijft over ongeveer 1533 uur voor de resterende

werkzaamheden. [gedaagde 2] verzekert dat de resterende werkzaamheden beschreven in de

offerte binnen de daarvoor begrote uren te voltooien zijn.

3. Het is wenselijk dat er meer structuur wordt aangebracht in de werkzaamheden, het

duidelijk is waaraan gewerkt wordt en dat eerst wat wordt afgemaakt voordat met iets

nieuws begonnen wordt. [gedaagde 2] geeft aan dit te zullen gaan doen en ook duidelijk aan te

geven waar hij mee bezig is.

4. Het is voor een ieder beter dat er een duidelijke tijdsplanning komt, met duidelijke termijnen

waarop iets klaar is. Bijvoorbeeld wanneer de tegelvloer beneden wordt gelegd. [gedaagde 2]

wordt verzocht op korte termijn een planning op te stellen.

5. Er blijken kleine scheurtjes in het verfwerk te zitten. Dit is een aangenomen klus. Ook dienen

er nog een aantal kozijnen te worden gemaakt, dit wordt conform afspraak door [gedaagde 2]

gedaan en valt binnen de offerte verfwerk. Tevens is het verfwerk nog niet af. [gedaagde 2] geeft

aan dit zelf te zullen doen, maar aangezien dit ten koste van de uren gaat en aangezien het

een professionele klus is, is dit niet wenselijk. Het verfwerk dient te worden afgemaakt door

het ingehuurde bedrijf en schilders.

6. [eiseres 2] ontvangt af en toe berichten van installateur [installateur] . [installateur] wordt ingehuurd door

[gedaagde 2] . [gedaagde 2] geeft aan een conflict met [installateur] te hebben over de hoogte van de facturen.

Het is niet wenselijk dat er nog weer een nieuwe installateur ingehuurd wordt. [eiseres 2] geeft

aan [installateur] aan dat hij bij [gedaagde 2] moet zijn.

2.11.

Op 27 oktober 2017 heeft een gesprek tussen [eisers] en [gedaagde 2] plaatsgevonden waarbij (blijkens het niet ondertekende gespreksverslag dat is opgemaakt) de voortgang, de kwaliteit van de werkzaamheden en ten onrechte in rekening gebrachte uren door [eisers] aan de orde zijn gesteld.

2.12.

Bij schrijven van 6 november 2017 heeft [financieel adviseur] , financieel adviseur, namens [gedaagde 2] aan [eisers] geschreven (voor zover hier van belang):

In aansluiting op onze email van 1 november 2017, beantwoord ik, in opdracht van de heer [gedaagde 2] , op uw ingebrekestelling/gespreksverslag van 27 oktober 2017. (…)

U geeft in het verslag aan dat het werk feitelijk medio juni/juli van dit jaar klaar had moeten zijn. Dit heeft u gebaseerd op offerte 20150403 en de reeds gewerkte uren in 2015 en 2016. Dit maakt direct inzichtelijk wat het grootste probleem is in deze situatie. De omschreven werkzaamheden, zoals genoemd in de betreffende offerte, worden reeds vanaf aanvang project niet gevolgd door steeds meer uitbreidingen, wijzigingen en toevoegingen in en aan het werk. Deze meerwerken zijn continu in opdracht gegeven door mevrouw [eiseres 2] en, in overleg met mevrouw, uitgevoerd. Hier wordt in uw verslag en in alle andere gesprekken met u volledig aan voorbij gegaan. Conform de rapportages van de heer [gedaagde 2] kan ik u melden dat er reeds 1.008 uren aan meerwerk in uitvoering zijn gebracht. Er zijn 927 uren aan de werkzaamheden uit de originele offerte besteedt. (…)

De heer [gedaagde 2] wil u eraan herinneren dat reeds in maart 2017, op uw aangeven, de intensiteit van het werk naar beneden is bijgesteld. Er is toen afgesproken dat er wekelijks voor maximaal 48 uren verbruikt mocht worden. Dit om het kostenplaatsje behapbaar te houden. (…)

2.13.

Op 11 januari 2018 hebben [eisers] (bijgestaan door hun advocaat) en [gedaagde 2] (bijgestaan door [financieel adviseur] ) een rondgang door de woonboerderij gemaakt waarbij [eisers] hebben geklaagd over de kwaliteit van de werkzaamheden. Van deze bijeenkomst is een niet ondertekend gespreksverslag opgemaakt. In de bijlage bij dit verslag hebben [eisers] de volgende kanttekeningen geplaatst bij de kwaliteit van de werkzaamheden:

a. De kozijnen die vervangen zijn, zijn qua vorm afwijkend en niet conform het origineel. De met [eiseres 2] en [eiser 1] in juni 2017 afgesproken houtsoort (hardhout) is niet gebruikt, in plaats daarvan is vurenhout gebruikt.

b. De vloer in de rechter voorkamer is verzakt en hangt door. De geoffreerde zwaluwplaten zijn niet gebruikt.

c. De vloertegels liggen op diverse plaatsen niet vlak.

d. De wandtegels in de douche zijn niet vlak en lopen niet evenwijdig en op gelijke afstand van elkaar.

e. Het stucwerk door het hele huis is niet vlak, heeft gaten, bulten en andere oneffenheden.

f. Eind augustus 2017 is VRN er op gewezen dat er scheuren in het buitenschilderwerk zitten.

g. In april 2017 is VRN er op gewezen dat de verf die gebruikt is voor het buitenschilderwerk niet conform de offerte is.

2.14.

In opdracht van [eisers] heeft installateur [installateur] de werkzaamheden aan de badkamer geïnspecteerd. In zijn brief van 11 januari 2018 heeft [installateur] geschreven:

Onlangs ben ik bij u thuis geweest om de uitgevoerde werkzaamheden te beoordelen.

Hieronder mijn bevindingen:

De tegelvloeren liggen niet vlak/rond, de afwerking is teleurstellend, cement sluier resten etc.

Het tegelwerk aan de wanden van de badkamer is slecht uitgevoerd.

Niet vlak aan de muur en ook de voegen lopen niet netjes door.

De wanden zijn uitgevoerd in houtskelet, niet uitgevlakt en niet of niet voldoende voorgestreken.

Hierdoor lopen de wanden rond, wat een slechte basis is voor dit formaat wandtegels.

Dit had voorkomen kunnen worden door de wanden op te trekken met kalkzandsteenblokken en

deze uit vlakken met LG mortel.

Mijn advies in deze is dan ook om de uitgevoerde werkzaamheden ongedaan te maken.

Oftewel; slopen en opnieuw beginnen.

2.15.

In opdracht van [eisers] heeft bouwbedrijf C.P. Notebomer Oldekerk B.V. (hierna te noemen Notebomer) op 22 februari 2018 onderzoek gedaan naar de werkzaamheden die in de woonboerderij van [eisers] zijn verricht. De kosten voor deugdelijk herstel van uitgevoerde werkzaamheden, verbetering en afronding ervan zijn door Notebomer begroot op € 71.320,00 (inclusief BTW).

2.16.

In opdracht van [eisers] heeft Rinsema Architectuur en Bouwtechniek (hierna Rinsema te noemen) op 22 februari 2018 onderzoek gedaan naar door [gedaagde 2] verrichte werkzaamheden. Rinsema heeft een kostenraming gemaakt in manuren en materiaal van de door VRN verrichte werkzaamheden in het jaar 2017. Rinsema komt op een kostenraming van € 50.855,00 (inclusief BTW). Rinsema heeft vastgesteld dat een deel van de werkzaamheden gebrekkig is uitgevoerd.

2.17.

Bij brieven van 23 en 27 maart 2018 heeft (de advocaat van) [eisers] [gedaagde 2] en [gedaagde 1] gesommeerd over te gaan tot het verrichten van herstelwerkzaamheden en voortzetting van de uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden.

2.18.

Bij brief van 23 maart 2018 heeft [gedaagde 2] (bij monde van rechtshulpverlener mr. R. [rechtshulpverlener] ) aan [eisers] geschreven (voor zover hier van belang):

(…) De offertes waar over gesproken wordt, betreffen de offertes van OVW. Na de zomer in 2016 zijn alle werkzaamheden opgeschort in opdracht van uw cliënte en partner, dit in verband met

financiële problemen. Ondertussen is het bedrijf OVW per 1 november 2016 beëindigd (pensioen ouders cliënt) en is cliënt een eigen bedrijf gestart op 1 december 2016. In december 2016 heeft uw cliënte contact opgenomen met de heer [gedaagde 2] en hebben zij hem gevraagd werkzaamheden aan het pand op urenbasis uit te voeren.

Op 21 februari 2017 heeft cliënt een offerte aan de familie [eiser 1] uitgebracht voor het

buitenschilderwerk voor een bedrag van € 15.635,- inclusief BTW. Met ontvangen opdrachten tot

meerwerk heeft cliënt een bedrag van € 20.295,07 gefactureerd zoals u kunt zien op bijgaand

overzicht. Helaas zijn deze facturen tot op heden nog niet betaald.

In de bijlage van uw brief van 18 januari zit een overzicht met de door uw cliënt geconstateerde

gebreken. De meeste door u genoemde gebreken hebben betrekking op het werk dat is uitgevoerd

door het bedrijf OVW en niet door cliënt. Er worden tevens wanden genoemd die niet door cliënt

zijn gestuukt. De gebreken aan het schilderwerk hebben partijen besproken waarbij is afgesproken dat deze zullen worden verholpen in het voorjaar wanneer de weersomstandigheden gunstig zijn.

In reactie op deze klachten geeft cliënt aan dat uw cliënte het stucwerk van de slaapkamer en hal

allemaal zelf geschuurd, gestoken en gesausd heeft. Tevens geeft cliënt aan dat de deuken in het

kelderraam er nog niet zaten toen hij daar aan het werk was. Uw cliënte heeft het stucwerk van

de kamer rechtsvoor, de kleine kamer en keuken goedgekeurd. Er is minimaal tweemaal per week

overleg met uw cliënte geweest over de voortgang.

Nu de vele facturen voor reeds uitgevoerd werk door uw cliënt nog steeds niet zijn betaald is het

begrijpelijk dat cliënt zijn werkzaamheden heeft opgeschort. Zoals u uit onderstaande reactie

kunt opmaken is cliënt bereid zijn werkzaamheden voort te zetten en de klachten te onderzoeken

indien er eerst een bedrag van 70% wordt betaald. Cliënt is bereid het werk af te ronden na

ontvangst van een betaling van uw cliënt van € 14.000,-. Na ontvangst van de betaling worden de werkzaamheden hervat en afgerond. Een planning wordt in gezamenlijk overleg besproken en

vastgelegd. Na afronding van de hervatte werkzaamheden zal het resterende bedrag van

€ 6.295,07 dan moeten worden overgemaakt door uw cliënte.

Aan het slot van deze brief is een aan zijn rechtshulpverlener gerichte verklaring van [gedaagde 2] geciteerd. Deze luidt als volgt:

Geachte heer [rechtshulpverlener] ,

2 muren in de badkamer zijn niet uitgevoerd door de tegel zetter tevens de tegels van de kamer rechtsvoor en slaapkamer, dit erken ik ook en zal moeten worden hersteld. De dorpels

buiten moesten nog op maat afgezaagd worden, dit erken ik ook. Maar bij de venster banken,

geeft meneer aan dat dit nu hardhout moet worden en mevrouw heeft in die tijd aangegeven

dat het vuren moet worden ivm de kosten.

Vind ook dat ze een bedrag over moeten maken wat reëel is, 70%?.

Heel veel wat ze opsommen is niet reëel. Of we hebben het niet gedaan of er is nooit over

gesproken of mevrouw heeft het aangegeven.

vb. - boven is niet afgewerkt met gips maar met vlies behang, dit heeft mevrouw zelf

afgesproken met de binnen schilder.

- Het stucwerk beneden hebben ze allemaal al zelf gesaust en lopen schuren en gestoken. En de twee muren waar meneer nog meer over praat hebben we niet eens gestukt.

- Deuken in kelderraam, die zaten er nog niet in in de tijd dat wij er waren.

Ik denk, weet ik wel zeker, wat wij daar ook nog herstellen of maken toch nooit goed doen en

dat meneer de andere kant op wit en niet wil betalen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisers] vorderen bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. te verklaren voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk (dan wel [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] ) toerekenbaar tekort zijn gekomen in de nakoming uit hoofde van de offerte met nummer 20150403, d.d. 10 juni 2015,

II. te verklaren voor recht dat [gedaagde 2] toerekenbaar tekort is gekomen in de nakoming uit hoofde van de offerte met nummer 20170201, d.d. 21 februari 2017,

III. te verklaren voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk (dan wel [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] ) aansprakelijk zijn voor alle schade die [eisers] hebben geleden en nog zullen lijden door het feit dat [gedaagde 1] c.q. [gedaagde 2] hun verplichtingen uit hoofde van de offerte met nummer 20150403, d.d. 10 juni 2015, niet (tijdig) is nagekomen,

IV. te verklaren voor recht dat [gedaagde 2] aansprakelijk is voor alle schade die [eisers] hebben geleden en nog zullen lijden door het feit dat [gedaagde 2] zijn verplichtingen uit hoofde van de offerte met nummer 20170201, d.d. 21 februari 2017, niet (tijdig) is nagekomen,

primair: nakoming / herstelwerkzaamheden

V. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen, des dat de een presterende de ander zal zijn bevrijd, (dan wel [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] ) om ten aanzien van de offerte 20150403, d.d. 10 juni 2015, over te gaan tot het (laten) verrichten van herstelwerkzaamheden conform de deskundigenrapporten van Bouwbedrijf C.P. Noteboom Oldekerk B.V., d.d. 5 maart 2018, en Rinsema Architektuur en Bouwtechniek, d.d. 5 maart 2018, en wel binnen 14 dagen na betekening vonnis,

VI. (ten aanzien van punt V.) [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen, des dat de een presterende de ander zal zijn bevrijd, (dan wel [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] ) om de herstelwerkzaamheden binnen 2 maanden na betekening vonnis op te leveren,

VII. [gedaagde 2] te veroordelen om ten aanzien van de offerte met nummer 20170201 van

21 februari 2017, over te gaan tot het (laten) verrichten van herstelwerkzaamheden conform de deskundigenrapporten van Bouwbedrijf C.P. Noteboom Oldekerk B.V., d.d. 5 maart 2018, en Rinsema Architektuur en Bouwtechniek, d.d. 5 maart 2018, en wel binnen 14 dagen na betekening vonnis,

VIII. (ten aanzien van punt VII.) [gedaagde 2] te veroordelen om de herstelwerkzaamheden binnen 2 maanden na betekening vonnis op te leveren,

primair: nakoming / hervatten werkzaamheden

IX. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen, des dat de een presterende de ander zal zijn bevrijd, (dan wel [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] ) om ten aanzien van de offerte met nummer 20150403, d.d. 10 juni 2015, de werkzaamheden te hervatten, en wel binnen 14 dagen na betekening vonnis,

X. (ten aanzien van punt IX.) [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen, des dat de een presterende de ander zal zijn bevrijd, (dan wel [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] ) om de werkzaamheden binnen 2 maanden na betekening vonnis op te leveren,

XI. [gedaagde 2] te veroordelen om ten aanzien van de offerte met nummer 20170201, d.d. 21 februari 2017, de werkzaamheden te hervatten, en wel binnen 14 dagen na betekening vonnis,

XII. (ten aanzien van punt XI.) [gedaagde 2] te veroordelen om de werkzaamheden binnen 2 maanden na betekening vonnis op te leveren,

subsidiair: schadevergoeding

XIII. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen, des dat de een presterende de ander zal zijn bevrijd, (dan wel [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] ) om aan eisers te voldoen een bedrag van € 71.320,00, bij wijze van een voorschot op de geleden en nog te lijden schade, conform het deskundigenrapport van Bouwbedrijf C.P. Noteboom Oldekerk B.V., d.d. 5 maart 2018, en wel binnen 14 dagen na betekening vonnis,

XIV. voor de vaststelling van de omvang van de overige schade, de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure,

overig

XV. althans zodanig te bepalen als door uw rechtbank in goede justitie zal vermenen te

behoren,

XVI. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

[eisers] hebben het volgende aan het gevorderde ten grondslag gelegd.

3.2.1.

Op basis van de offerte van 10 juni 2015 is tussen [eisers] enerzijds en [gedaagde 1] anderzijds een overeenkomst van aanneming van werk tot stand gekomen. Aan de hand van die offerte zijn werkzaamheden door OVW verricht. Ter zake door OVW verzonden facturen zijn door [eisers] aan haar voldaan. Vanaf november 2016 zijn de werkzaamheden op basis van deze overeenkomst voortgezet en gefactureerd door VRN. Reeds voor het uitbrengen van de offerte van 10 juni 2015 heeft OVW enkele werkzaamheden in opdracht van [eisers] verricht. Die werkzaamheden zijn destijds gefactureerd en betaald. Dat doet niet af aan het feit dat de voorliggende overeenkomst aan de hand van genoemde offerte tot stand is gekomen, in welke offerte een vaste aanneemsom is bepaald. [eisers] hebben de offerte met een vaste aanneemsom voor akkoord getekend en aan [gedaagde 2] gezonden. Er is nog één wijziging aangebracht. Vloeren moesten worden betegeld. Dat is handgeschreven aangepast in aanwezigheid van [gedaagde 2] .

3.2.2.

[eisers] betwisten dat het werk op regiebasis is uitgevoerd. Er zijn geen algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing verklaard waaruit dat volgt. In de facturen is geen winstpercentage berekend. Dat zou het geval zijn geweest indien op regiebasis was gewerkt. In beide offertes die zijn overgelegd wordt een vaste aanneemsom genoemd en in verschillende facturen wordt meerwerk gedeclareerd. Met [gedaagde 2] is overeengekomen dat hij maandelijks maximaal een bedrag van € 10.000,00 zou factureren. Dat is de reden waarom gewerkte uren en de kosten van materiaal op de facturen staan omschreven. Rekening houdende met een maandelijkse factuur van ongeveer € 10.000,00 zou de opdracht - gezien de in de offerte vastgestelde aanneemsom van € 115.779,58 - binnen één jaar kunnen worden afgerond. Tijdens de met [gedaagde 2] in 2017 gevoerde gesprekken zijn zorgen geuit over de voortgang en de kwaliteit van de werkzaamheden. [gedaagde 2] heeft [eisers] verzekerd dat de werkzaamheden conform de offertes zouden worden afgerond. Dit volgt uit de verschillende in het geding gebrachte gespreksverslagen die [gedaagde 2] zonder commentaar heeft behouden.

3.2.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verzuimd de op hen rustende verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst na te komen. Zij zijn aansprakelijk voor dientengevolge door [eisers] geleden schade.

3.2.4.

[eisers] zijn gehouden de overeengekomen werkzaamheden af te ronden en tot herstel van die werkzaamheden over te gaan die - zo volgt uit rapporten van [installateur] , Notebomer en Rinsema - ondeugdelijk zijn uitgevoerd. [gedaagde 2] heeft erkend dat een deel van de werkzaamheden ondeugdelijk is uitgevoerd.

3.2.5.

[gedaagde 2] is gehouden de op hem rustende verplichtingen uit hoofde van de buitenschilderovereenkomst die op 21 februari 2017 tot stand is gekomen (vervat in de offerte van 21 februari 2017) na te komen.

3.2.6.

[eisers] vorderen subsidiair vergoeding van schade die zij hebben geleden en zullen lijden vanwege de toerekenbare tekortkomingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

3.2.7.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] kunnen zich niet op opschorting beroepen omdat [eisers] een deel van aan hen gefactureerde bedragen onbetaald zouden hebben gelaten. [gedaagde 2] heeft ten onrechte een bedrag van € 2.448,00 gefactureerd in verband met wachttijd voor binnen schilderwerk. Hierover zijn geen afspraken tussen partijen gemaakt. Voorts heeft [gedaagde 2] een bedrag van € 7.444,00 voor plamuren/houtrot reparatie van kozijnen in rekening gebracht terwijl deze kosten in de offerte zijn meegenomen.

3.3.

[gedaagde 1] heeft het volgende verweer gevoerd.

3.3.1.

[gedaagde 1] betwist dat de overeenkomst tussen haar en [eisers] op basis van de offerte van 10 juni 2015 tot stand is gekomen. Zij betwist voorts een door [eisers] getekend exemplaar van deze offerte te hebben ontvangen. De werkzaamheden zijn op regiebasis uitgevoerd. Dat volgt uit de facturen. De eerste (op naam van OVW gestelde) factuur is reeds vóór de datum van de offerte aan [eisers] gezonden. Er zijn werkzaamheden gedeclareerd (bouw kippenhok) die niet in de offerte zijn opgenomen. Dit wijst er op dat niet op basis van de offerte is gewerkt maar op regiebasis.

3.3.2.

In september 2016 hebben [eisers] de overeenkomst met [gedaagde 1] beëindigd om financiële redenen. Op 1 november 2016 heeft [gedaagde 1] haar laatste factuur aan [eisers] gezonden. Vervolgens zijn de werkzaamheden op basis van een tussen [eisers] en [gedaagde 2] tot stand gekomen overeenkomst voortgezet.

3.3.3.

Ingevolge artikel 7:758 lid 1 BW moet worden aangenomen dat het werk is opgeleverd en [eisers] het werk stilzwijgend hebben aanvaard. Het had op de weg van [eisers] gelegen om het opgeleverde werk binnen redelijke termijn te keuren. Eerst op 6 juli 2017 is geklaagd over de werkzaamheden. [gedaagde 1] is niet op de hoogte gesteld van de inhoud van tussen [eisers] en [gedaagde 2] gevoerde gesprekken over de voortgang en de kwaliteit van de werkzaamheden. Voor zover daarin nieuwe verplichtingen worden aangegaan is [gedaagde 1] daaraan niet gebonden.

3.3.4.

In de periode tot 1 november 2016 is nimmer geklaagd over de kwaliteit van de werkzaamheden. De facturen zijn zonder protest door [eisers] voldaan. [gedaagde 1] betwist de door [eisers] gestelde tekortkomingen. Indien sprake is van tekortkomingen in de nakoming van de werkzaamheden die na 1 november 2016 door [gedaagde 2] zijn uitgevoerd dienen [eisers] zich tot hem te richten.

3.3.5.

[gedaagde 2] was verantwoordelijk voor de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden binnen OVW. Indien sprake is van enige tekortkoming in de uitvoering van de werkzaamheden dan dienen de gevolgen daarvan op grond van de redelijkheid en billijkheid niet voor rekening van [gedaagde 1] te komen.

3.4.

[gedaagde 2] heeft het volgende verweer gevoerd.

3.4.1.

Tussen [eisers] en [gedaagde 2] is een overeenkomst van aanneming van werk tot stand gekomen op grond waarvan [gedaagde 2] op regiebasis werkzaamheden in de woonboerderij van [eisers] heeft verricht. Per kamer ontving [gedaagde 2] instructies over de uit te voeren werkzaamheden. Gewerkte uren werden vervolgens gedeclareerd.

3.4.2.

[gedaagde 2] betwist dat op basis van de offerte van 10 juni 2015 is gewerkt. [gedaagde 2] heeft geen ondertekend exemplaar van de offerte van [eisers] ontvangen. Evenmin is sprake van contractovername op grond waarvan [gedaagde 2] , na beëindiging van de activiteiten door [gedaagde 1] , gebonden is aan de offerte. Daarvoor is een akte vereist en die is niet opgemaakt.

De tot nakoming strekkende vordering dient derhalve te worden afgewezen.

3.4.3.

Op 11 september 2015 is een offerte uitgebracht voor het vernieuwen van de dakpannen van de schuur van de woning. [eisers] zijn mondeling akkoord gegaan met die overeenkomst. In de offerte van 10 juni 2015 was al opgenomen dat dakpannen van de schuur zouden worden bekeken of vernieuwd. Het bestaan van deze nieuwe offerte wijst er op dat partijen geen uitvoering hebben gegeven aan de eerdere offerte van 10 juni 2015.

3.4.4.

De weergave van de gesprekken in de als productie 5, 6 en 7 in het geding gebrachte verslagen is onjuist. Bij brief van 6 november 2017 hebben [eisers] zich tegen de inhoud ervan verzet. Tijdens het eerste gesprek is niet gesproken over het verdere verloop van de werkzaamheden in de woning. Tijdens het gesprek van 11 januari 2018 heeft [gedaagde 2] verklaard bereid te zijn om na betaling van de openstaande facturen de werkzaamheden te hervatten. [gedaagde 2] heeft 927 uren arbeidsuren gedeclareerd die zien op werk dat vergelijkbaar is met de in de offerte omschreven werkzaamheden. Daarnaast zien 1.008 gewerkte uren op andere werkzaamheden. Dat betekent dat er nog (2.543,33 - 927) 1.607,33 arbeidsuren beschikbaar zijn voor de uitvoering van de werkzaamheden die in de offerte staan omschreven. [gedaagde 2] dient een redelijke termijn van acht maanden te worden gegund voor afronding van deze werkzaamheden. De gevorderde termijn van 2 maanden voor afronding is onredelijk.

3.4.5.

[gedaagde 2] erkent dat het tegelwerk aan één wand in de badkamer niet goed is aangebracht maar betwist dat overige de werkzaamheden gebrekkig zijn uitgevoerd. In de bijlage bij het gespreksverslag van 11 januari 2018 worden overigens gestelde gebreken onvoldoende onderbouwd. Uit de overgelegde rapporten volgt niet dat het werk gebrekkig is uitgevoerd. De rapporten zijn eenzijdig opgesteld en [gedaagde 2] is niet bij de totstandkoming ervan betrokken. Uit het rapport volgt niet welke werkzaamheden zien op herstel en welke op afronding van het werk. Voor zover de vordering strekt tot herstel van reeds uitgevoerde werkzaamheden dient deze te worden afgewezen. De verzakking aan de vloer is het gevolg van de keuze van [eisers] deze te betegelen. [gedaagde 2] heeft gewaarschuwd voor verzakking. Om de kosten te drukken zijn op verzoek van [eisers] vervangen kozijnen in vurenhout uitgevoerd in plaats van hardhout. [gedaagde 2] is bereid de betegeling aan één wand van de badkamer te herstellen. [gedaagde 2] erkent dat de in de offerte genoemde werkzaamheden niet zijn afgerond. [gedaagde 2] is niet gehouden deze af te ronden omdat op regiebasis is gewerkt.

3.4.6.

Indien wordt geoordeeld dat sprake is van enig gebrek dan hebben [eisers] nagelaten daarover tijdig te klagen. Partijen werkten op regiebasis. Met het sturen van de factuur en het afronden van het werk (op één van de kamers in de woonboerderij) had het op de weg van [eisers] gelegen het opgeleverde werk binnen redelijke termijn te keuren. De facturen zijn door [eisers] voldaan terwijl niet is geklaagd over de kwaliteit van het geleverde werk. Uit de WhatsAppberichten volgt dat [eiseres 2] tevreden was over het geleverde werk. Aangenomen moet worden dat [eisers] het werk hebben aanvaard.

3.4.7.

De vorderingen die strekken tot herstel van de werkzaamheden moeten worden afgewezen omdat [eisers] niet tijdig (eerst op 27 oktober 2017) hebben geklaagd. De schending van de klachtplicht ligt voorts besloten in het feit dat het werk inmiddels was opgeleverd. De klachten zien onder meer op de ondeugdelijkheid van vloeren en wanden. Die werkzaamheden zijn in juli 2015 verricht. Indien tijdig was geklaagd had [gedaagde 2] voor herstel kunnen zorgdragen. Door laat te klagen wordt [gedaagde 2] in zijn bewijspositie geschaad. Nadien verricht werk zal ongedaan moeten worden gemaakt om de vermeende gebreken te kunnen onderzoeken.

3.4.8.

Aan de hand van de offerte van 21 februari 2017 is een overeenkomst tot stand gekomen op basis waarvan [gedaagde 2] schilderwerk aan de buitenzijde van de woonboerderij heeft verricht. Deze werkzaamheden zijn op basis van een vaste aanneemsom uitgevoerd (€ 14.750,00 exclusief btw). Bij de uitvoering van het schilderwerk werd houtrot aangetroffen. [gedaagde 2] heeft dit mondeling aan [eiseres 2] medegedeeld en aangegeven dat reparatie ervan extra kosten met zich brengt. [eiseres 2] heeft ingestemd met de uitvoering van dit meerwerk. De kosten ervan bedroegen € 4.423,55 (exclusief btw). [eisers] hebben de facturen voor dit herstel voldaan. De factuur voor het schilderwerk met kenmerk 2017055, een bedrag van € 2.345,25, is onbetaald gelaten. In afwachting van betaling van de openstaande factuur heeft [gedaagde 2] de nakoming van de op hem rustende verplichtingen (het afronden van het schilderwerk) opgeschort. [gedaagde 2] is bereid het schilderwerk af te ronden indien deze factuur wordt voldaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagde 2] heeft het volgende aan de vordering in reconventie ten grondslag gelegd.

Ingevolge de op regiebasis tot stand gekomen overeenkomst zijn [eisers] gehouden de onbetaald gelaten facturen ten belope van in totaal € 17.949,82 (genoemd in productie 11 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, aan de zijde van [gedaagde 2] ) te voldoen. Voorts zijn zij gehouden factuur 2017055 (€ 2.345,25) betreffende het schilderwerk te voldoen. [gedaagde 2] vordert betaling van een bedrag van € 20.297,07 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de respectievelijke facturen).

3.6.

[eisers] hebben daartegen het volgende verweer gevoerd.

[eisers] zijn niet gehouden tot betaling omdat de werkzaamheden niet of ondeugdelijk zijn verricht. De renovatie van kozijnen en het herstel vanwege houtrot zijn werkzaamheden die binnen de offerte vallen. [eisers] betwisten dat sprake is van meerwerk. De gevorderde bedragen zijn bovendien niet opeisbaar omdat geen (fatale) betalingstermijn is overeengekomen. [eisers] zijn niet door [gedaagde 2] in gebreke gesteld en verkeren niet in verzuim.

4. De beoordeling

in conventie

Plan van aanpak

4.1.

De rechtbank zal eerst ingaan op de overeenkomsten van aanneming van werk die [eisers] met [gedaagde 1] en (later) met [gedaagde 2] heeft gesloten, op de uitleg van die overeenkomsten en op de onder IX en X van het petitum primair gevorderde nakoming. Vervolgens gaat de rechtbank in op de onder XI en XII primair gevorderde nakoming van de overeenkomst die [eisers] met [gedaagde 2] heeft gesloten strekkende tot buitenschilderwerkzaamheden. Daarna zal de rechtbank ingaan op de onder I, II, III en IV primair gevorderde verklaringen van recht. Ten slotte zal worden beoordeeld of [gedaagde 2] en [gedaagde 1] gehouden zijn herstelwerkzaamheden te verrichten op de wijze als onder V tot en met VIII van het petitum eveneens primair is gevorderd en zal worden beslist over de kosten van deze procedure.

De aanneemovereenkomst tussen [gedaagde 1] en [eisers] (vorderingen IX en X)

4.2.

Vast staat dat tussen [gedaagde 1] (althans OVW) en [eisers] een overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen op basis waarvan werkzaamheden in de woonboerderij van [eisers] zijn verricht. Ter discussie staat of partijen de in de offerte van 10 juni 2015 genoemde vaste aanneemsom zijn overeengekomen (standpunt [eisers] ) ofwel dat de werkzaamheden op regiebasis zijn uitgevoerd (standpunt [gedaagde 1] ). Voorts houdt hen verdeeld of de overeenkomst die tussen [eisers] en [gedaagde 1] is gesloten medio november 2016 op initiatief van [eisers] is geëindigd.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de in het geding gebrachte correspondentie tussen partijen dat de offerte van OVW van 10 juni 2015 aan de overeenkomst tussen [eisers] en [gedaagde 1] ten grondslag heeft gelegen. In de aan [gedaagde 2] gezonden gespreksverslagen wordt deze offerte door [eisers] consequent als basis aangehaald. Niet gebleken is dat [gedaagde 2] of [gedaagde 1] de inhoud van de gespreksverslagen op dit punt hebben betwist nadat deze aan [gedaagde 2] zijn gezonden. In de brief van [financieel adviseur] van

6 november 2017 wordt namens [gedaagde 2] ook gerefereerd aan deze offerte. Deze reactie van [gedaagde 2] is van zwaarwegend belang voor de beoordeling van de rechtsverhouding tussen [eisers] en [gedaagde 1] omdat [gedaagde 2] als medewerker van OVW de offerte voor [gedaagde 1] (OVW) heeft opgesteld en de feitelijke werkzaamheden voor haar heeft verricht.

4.4.

De beantwoording van de vraag of op regiebasis is gewerkt ofwel een vaste aanneemsom is overeengekomen moet plaatsvinden aan de hand van de uitleg van de offerte en de aanvaarding ervan namens [eisers] Hierbij komt het niet alleen aan op de taalkundige uitleg van de in de offerte gekozen bewoordingen, maar tevens op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs daaraan en aan elkaars gedragingen en verklaringen over en weer mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.

4.5.

In de offerte wordt een totaal bedrag van € 115.779,58 vermeld. Daarin - zo volgt uit de offerte - is begrepen materieel, uren, de kosten van onderaannemers en BTW. Voorts wordt gespecificeerd welke materialen door [eisers] zouden worden geleverd. Daarnaast beschrijft de offerte dat meerwerk in onderling overleg zou plaatsvinden. Hoewel in de offerte een uurtarief van € 30 is opgenomen hebben [eisers] - zo oordeelt de rechtbank - daaruit redelijkerwijs mogen opmaken dat een vaste aanneemsom werd overeengekomen. Dat partijen de overeenkomst aldus hebben verstaan volgt ook uit de inhoud van de gespreksverslagen en de hiervoor aangehaalde brief van financieel adviseur [financieel adviseur] die op 6 november 2017 namens [gedaagde 2] aan [eisers] is gezonden. Daarin wordt bevestigd dat inmiddels 927 uren zijn besteed aan werkzaamheden uit de originele offerte en dat daarnaast 1.008 uren aan meerwerk zijn besteed. [financieel adviseur] schrijft in zijn brief: De omschreven werkzaamheden, zoals genoemd in de betreffende offerte, worden reeds vanaf aanvang project niet gevolgd door steeds meer uitbreidingen, wijzigingen en toevoegingen in en aan het werk. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze brief dat de uitgangspunten die zijn vastgelegd in de offerte van 10 juni 2015 - waaronder de vastgestelde vaste aanneemsom - aan de overeenkomst ten grondslag hebben gelegen. Dat vervolgens (mogelijk omvangrijke) aanvullende opdrachten aan [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] zijn verstrekt maakt dat niet anders.

4.6.

De rechtbank passeert het niet voldoende onderbouwde verweer van [gedaagde 1] dat de overeenkomst op initiatief van [eisers] is geëindigd. Dit door [eisers] betwiste verweer staat op gespannen voet met de onweersproken toelichting die [eisers] en [gedaagde 2] ter comparitie over en weer hebben gegeven. Daaruit volgt dat [gedaagde 2] op enig moment aan [eisers] heeft verzocht de te factureren bedragen aan VRN in plaats van OVW te voldoen, voorts dat [gedaagde 2] aan hen te verstaan heeft gegeven dat OVW haar activiteiten had gestaakt omdat zijn ouders de pensioengerechtigde leeftijd hadden bereikt en [gedaagde 2] senior niet langer in staat was werkzaamheden te verrichten. Een beëindiging van de overeenkomst op verzoek van [eisers] volgt daaruit geenszins.

4.7.

[gedaagde 1] heeft aangevoerd dat zij (in redelijkheid) niet tot nakoming kan worden gehouden omdat [gedaagde 2] de werkzaamheden heeft uitgevoerd en voortgezet. De rechtbank passeert dit verweer. Het enkele gegeven dat [gedaagde 1] de activiteiten van haar eenmansbedrijf OVW heeft gestaakt ontslaat haar niet van op haar rustende verplichtingen uit de overeenkomst met [eisers] Voor zover in het verweer van [gedaagde 1] ligt besloten dat haar verplichtingen uit de overeenkomst zijn overgegaan op [gedaagde 2] dient dit te worden gepasseerd. Artikel 6:159 BW bepaalt dat een partij bij een overeenkomst haar rechtsverhouding met medewerking van de wederpartij kan overdragen aan een derde bij een tussen haar en de derde opgemaakte akte. Gesteld noch gebleken is dat partijen de daartoe vereiste akte hebben opgemaakt.

4.8.

In rechte moet derhalve worden aangenomen dat op basis van de offerte van 10 juni 2015 een overeenkomst tussen [gedaagde 1] en [eisers] tot stand is gekomen waarin [gedaagde 1] zich heeft verplicht uitvoering te geven aan in die offerte vermelde werkzaamheden tegen een vaste aanneemsom.

4.9.

[gedaagde 1] heeft haar verweer dat het werk reeds is opgeleverd op geen enkele wijze onderbouwd. Dat had wel op haar weg gelegen. [eisers] hebben weersproken dat het werk feitelijk was opgeleverd en uit de stukken volgt niet dat het werk is opgeleverd, integendeel, daaruit volgt dat de werkzaamheden nog niet waren afgerond. [gedaagde 1] heeft verder ten verwere aangevoerd dat [eisers] , door het werk niet binnen redelijke tijd te keuren en te aanvaarden dan wel te weigeren, het werk stilzwijgend hebben aanvaard, zodat zij haar niet meer kunnen aanspreken voor gebreken. [gedaagde 1] heeft evenwel geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat [eisers] gehouden waren het werk te keuren of waaruit volgt dat zij het werk stilzwijgend zouden hebben aanvaard. Dat lag wel op haar weg, nu [eisers] ook die stellingen gemotiveerd hebben weersproken. Het betoog van [gedaagde 1] dat zij ontslagen is van aansprakelijkheid voor gebreken die [eisers] hadden moeten ontdekken ten tijde van de oplevering (artikel 7:758, derde lid, BW) slaagt dan ook niet.

4.10.

[gedaagde 1] heeft voorts het verweer gevoerd dat [eisers] na oplevering niet tijdig hebben geklaagd over de door hen gestelde gebreken en zij daar om die reden geen beroep meer op kunnen doen. Ook dit verweer slaagt niet. Artikel 7:758 lid 1 BW bepaalt dat, wanneer de aannemer aangeeft dat het werk klaar is om te worden opgeleverd, de opdrachtgever het werk binnen een redelijke termijn moet keuren. De opleveringsregeling wordt beschouwd als een nadere concretisering van de klachtplicht uit artikel 6:89 BW. Daarin is bepaald dat een partij die vindt dat zijn wederpartij gebrekkig heeft gepresteerd, binnen bekwame tijd nadat hij dat heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken bij zijn wederpartij moet protesteren. Doet hij dat niet, dan kan hij op de gebrekkige prestatie geen beroep meer doen. De termijn waarbinnen moet worden geprotesteerd, gaat in elk geval lopen als de gebrekkige prestatie daadwerkelijk is ontdekt. Bij de beoordeling van de tijdigheid van een klacht over een prestatie, worden diverse feiten en omstandigheden betrokken, onder meer of de schuldenaar door de lengte van de klachttermijn nadeel heeft geleden. Het enkele tijdsverloop is in de regel onvoldoende voor het oordeel dat niet tijdig is geklaagd. [gedaagde 1] heeft echter, behalve de stelling dat na oplevering van de werkzaamheden waarvan wordt gesteld dat deze gebrekkig zijn uitgevoerd en de klacht van [eisers] veel tijd is gelegen, in dit verband onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd. Van oplevering in de zin van artikel 7:758 BW is geen sprake geweest en uit het verweer volgt niet dat en waarom [eisers] in strijd met het bepaalde in artikel 6:89 BW hebben gehandeld.

4.11.

In de offerte van 10 juni 2015 - waarvan thans nakoming wordt gevorderd - is niet bepaald dat kozijnen in hardhout dienen te worden uitgevoerd. Aan het bestaan van een door [eisers] gestelde nadere afspraak omtrent de uitvoering van de kozijnen in hardhout (die door [gedaagde 2] wordt betwist) gaat de rechtbank voorbij nu de offerte van 10 juni 2015 onverkort aan de tot nakoming strekkende vordering ten grondslag is gelegd.

4.12.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen ligt de tot nakoming strekkende vordering gebaseerd op de offerte van 10 juni 2015 voor toewijzing gereed. [gedaagde 1] is derhalve gehouden de werkzaamheden binnen een redelijke termijn van één maand te hervatten en zorg te dragen voor deugdelijke uitvoering van de op 10 juni 2015 geoffreerde werkzaamheden. In de toewijzing van dit deel van het gevorderde ligt besloten dat voor zover inmiddels verrichte werkzaamheden gebrekkig zijn uitgevoerd, [gedaagde 1] voor herstel moet zorgdragen. De rechtbank geeft [gedaagde 1] een redelijk termijn van 8 maanden na betekening van dit vonnis om het werk strikt conform de offerte van 10 juni 2015 op te leveren.

De aanneemovereenkomst tussen [gedaagde 2] en [eisers] (de vorderingen onder IX en X)

4.13.

Uit het voorgaande volgt dat van contractsoverneming als bedoeld in artikel 6:159 BW geen sprake is. In rechte is gegeven dat [gedaagde 1] haar met [eisers] bestaande rechtsverhouding niet aan [gedaagde 2] heeft overgedragen. Evenwel staat tussen partijen niet ter discussie dat een overeenkomst tussen [eisers] en [gedaagde 2] tot stand is gekomen. [eisers] en [gedaagde 2] zijn verdeeld over de inhoud van deze overeenkomst.

4.14.

De rechtbank volgt [eisers] in het standpunt dat die overeenkomst eveneens op basis van de offerte van [gedaagde 1] (OVW) tot stand is gekomen en waarin een vaste aanneemsom is bepaald. Dat volgt met zoveel woorden uit de gespreksverslagen en de correspondentie die tussen partijen is gevoerd. De rechtbank herhaalt in dat kader hetgeen zij hiervoor onder 4.3. tot en met 4.5. heeft overwogen.

4.15.

Dat [gedaagde 2] (althans VRN) op 11 september 2015 een offerte ten bedrage van € 39.065,42 heeft uitgebracht voor het vervangen van de dakpannen van de (forse) schuur van [eisers] wijst er naar het oordeel van de rechtbank niet op dat partijen geen uitvoering aan de offerte van 10 juni 2015 hebben gegeven. Niet gebleken is dat die omvangrijke werkzaamheden reeds in de offerte van 10 juni 2015 waren opgenomen en begroot.

4.16.

In facturen die OVW en VRN aan [eisers] hebben gezonden worden de gewerkte uren en het gebruikte materiaal vermeld. In de overgelegde WhatsApp berichten tussen [gedaagde 2] en [eisers] wordt over een maximaal aantal te declareren uren gesproken. Naar het oordeel van de rechtbank kan daaruit evenmin worden afgeleid dat op regiebasis is gewerkt omdat niet tussen partijen ter discussie staat dat tussen hen is overeengekomen dat maximaal € 10.000 per maand zou worden gedeclareerd, zulks met het oog op de inkomenssituatie van [eisers] Bovendien staat niet ter discussie dat (omvangrijk) meerwerk is verricht en was het ook in dat opzicht van belang facturen voldoende te specificeren. Het meerwerk (en de omvang ervan) is niet in het gevorderde betrokken en zal derhalve onbesproken worden gelaten.

4.17.

Ten aanzien van het door [gedaagde 2] gevoerde verweer aangaande de oplevering en aanvaarding van het werk herhaalt en verwijst de rechtbank naar en herhaalt hier hetgeen zij heeft overwogen onder rechtsoverweging 4.9.

4.18.

Aangenomen moet worden dat de overeenkomst die tussen [gedaagde 2] en [eisers] tot stand is gekomen inhoudelijk niet afwijkt van de overeenkomst tussen [gedaagde 1] en [eisers] Voor zover na de totstandkoming van de overeenkomst door [eisers] gestelde en door [gedaagde 2] betwiste afwijkende afspraken zijn gemaakt verwijst de rechtbank naar en herhaalt hier hetgeen zij heeft overwogen onder 4.11. Het overeengekomen meerwerk staat niet aan de nakoming van de in de offerte van 10 juni 2015 genoemde werkzaamheden in de weg.

4.19.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen ligt de tot nakoming strekkende vordering gebaseerd op de offerte van 10 juni 2015 voor toewijzing gereed. [gedaagde 2] is derhalve gehouden de werkzaamheden binnen een redelijke termijn van één maand te hervatten en zorg te dragen voor deugdelijke uitvoering van de op 10 juni 2015 geoffreerde werkzaamheden. In de toewijzing van dit deel van het gevorderde ligt besloten dat waar inmiddels verrichte werkzaamheden gebrekkig zijn uitgevoerd, [gedaagde 2] voor herstel moet zorgdragen. De rechtbank geeft [gedaagde 2] een redelijk termijn van 8 maanden na betekening van dit vonnis om het werk strikt conform de offerte van 10 juni 2015 op te leveren.

Nakoming overeenkomst buitenschilderwerkzaamheden (de vorderingen XI en XII)

4.20.

Op basis van de door VRN uitgebrachte offerte van 21 februari 2017 (met nummer 20170201) hebben [eisers] [gedaagde 2] de opdracht gegeven tot het uitvoeren van (buiten)schilderwerkzaamheden. [eisers] hebben een deel van het gefactureerde schilderwerk voldaan. Partijen zijn verdeeld geraakt over gefactureerd meerwerk.

De factuur van 12 mei 2017 voor het schilderwerk met kenmerk 2017055, een bedrag van € 2.345,25, is door [eisers] onbetaald gelaten. In afwachting van betaling van deze openstaande factuur heeft [gedaagde 2] de nakoming van op hem rustende verplichtingen (het afronden van het schilderwerk) opgeschort.

4.21.

Niet ter discussie is gesteld dat [eisers] aan [gedaagde 2] de opdracht hebben gegeven om rotte delen van de kozijnen te vervangen. Partijen zijn er verdeeld over of die werkzaamheden in de offerte van 21 februari 2017 zijn opgenomen. [eisers] voeren aan dat dit het geval is en wijzen er op dat alle voorbereidende werkzaamheden daarin zijn verdisconteerd. [gedaagde 2] stelt dat de werkzaamheden buiten de offerte vallen en dat sprake is van meerwerk in de zin van artikel 7:755 BW.

4.22.

Bij de uitleg van de offerte die aan de overeenkomst ten grondslag ligt komt het niet alleen aan op de taalkundige uitleg van de daarin gekozen bewoordingen, maar tevens op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs daaraan en aan elkaars gedragingen en verklaringen over en weer mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In de offerte van 21 februari 2017 zijn de volgende werkzaamheden opgesomd:

Schilderen (inclusief alle voorbereidende werkzaamheden) van alle betonornamenten, deuren, ramen, kozijnen en goten van het voorhuis van het pand aan de [gedaagde 2] te [woonplaats] .

Bewerkingen bestaan (niet uitputtend) uit: het schuren/schoonbranden, grondverven, kitten, voorlakken en aflakken van de woning.

4.23.

Het vervangen van rotte delen van de kozijnen is niet met zoveel woorden in de offerte van 21 februari 2017 opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan het vervangen van delen van kozijnen vanwege houtrot bezwaarlijk als een aan schilderwerk inherent voorbereidend werk worden beschouwd. Het vervangen van rotte delen van de kozijnen behelst veel meer dan het schuren of egaal maken van hout opdat het geschikt is voor het lakwerk. [eisers] hebben er naar het oordeel van de rechtbank niet op mogen vertrouwen dat die werkzaamheden binnen de offerte vielen. Bovendien hadden [eisers] kunnen begrijpen dat vervanging van rotte delen van de kozijnen met kosten gepaard zou gaan. De kosten voor vervanging van het rotte houtwerk komen in beginsel als meerwerk voor rekening van [eisers] De rechtbank stelt vast dat tegen de hoogte van de ter zake gevorderde bedragen geen bezwaar is gemaakt.

4.24.

Naar het oordeel van de rechtbank stond het [gedaagde 2] evenwel niet vrij de op hem uit hoofde van de (buitenschilder)overeenkomst rustende verplichtingen op te schorten omdat de factuur met kenmerk 2017055 onbetaald werd gelaten. Uit de offerte van 21 februari 2017 volgt dat partijen zijn overeengekomen dat de betaling diende plaats te vinden in vier termijnen. [eisers] hebben drie van de vier termijnen voldaan. Betaling van de laatste termijn diende plaats te vinden ná oplevering van het buitenschilderwerk. Gesteld noch gebleken is dat partijen ten aanzien van het verschuldigde meerwerk daarvan afwijkende betalingsafspraken hebben gemaakt. Vast staat dat tenminste voor een deel van reeds verrichte (en betaalde) schilderwerkzaamheden herstelwerkzaamheden noodzakelijk was. Uit het gespreksverslag van 27 oktober 2017 volgt dat [gedaagde 2] eind augustus 2017 door [eisers] is gewezen op scheuren in het buitenschilderwerk en dat de gebruikte verf niet conform offerte is. In zijn reactie op dit verslag heeft [financieel adviseur] op 27 oktober 2017 namens [gedaagde 2] geschreven dat deze onder punt 2 van het gespreksverslag genoemde gebreken zouden worden opgelost.

Nu in rechte is gegeven dat reeds verricht schilderwerk herstel behoeft en niet gebleken is dat oplevering van het schilderwerk heeft plaatsgevonden, is factuur 2017055 niet opeisbaar geworden en zijn [eisers] ter zake niet in verzuim komen te verkeren. [gedaagde 2] heeft zich aldus niet op opschorting kunnen beroepen. [gedaagde 2] is derhalve gehouden de werkzaamheden binnen een redelijke termijn van één maand te hervatten en zorg te dragen voor deugdelijke uitvoering van de (buiten)schilderwerkzaamheden. In de toewijzing van dit deel van het gevorderde ligt besloten dat waar inmiddels verrichte werkzaamheden gebrekkig zijn uitgevoerd, [gedaagde 2] voor herstel moet zorgdragen. De rechtbank geeft [gedaagde 2] een redelijk termijn van 8 maanden na betekening van dit vonnis om het werk strikt conform de offerte van 10 juni 2015 op te leveren.

Verklaringen voor recht (de vorderingen I, II, III en IV)

4.25.

Naast de tot nakoming strekkende vorderingen hebben [eisers] eveneens primair gevorderd te verklaren voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de overeenkomsten die op basis van de offerte van 10 juni 2015 tot stand zijn gekomen en dat [gedaagde 2] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst betreffende het buitenschilderwerk. [eisers] vorderen voorts te verklaren voor recht (kort gezegd) dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aansprakelijk zijn voor dientengevolge geleden schade.

4.26.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Voor zover - als thans aan de orde - nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, wordt een verbintenis omgezet in één tot vervangende schadevergoeding, wanneer de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser hem schriftelijk meedeelt dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert. In het voorliggende geval hebben [eisers] nakoming van de verschillende overeenkomsten gevorderd. In dat geval - zo volgt uit artikel 6:87 BW - is geen grondslag aanwezig voor vervangende schadevergoeding. De gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden afgewezen.

Herstelwerkzaamheden (de vorderingen V, VI, VII en VIII)

4.27.

[eisers] vorderen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen tot uitvoering van herstelwerkzaamheden conform het (partij)deskundigen bericht van Notebomer en Rinsema.

In de brief van financieel adviseur [financieel adviseur] wordt namens [gedaagde 2] bevestigd dat kwaliteitsproblemen ter hand moeten worden genomen. Uit de niet gemotiveerd weersproken producties die in het geding zijn gebracht volgt eveneens dat ten minste een deel van het verrichte werk verbetering behoeft. De tot herstel strekkende vorderingen zijn gebaseerd op calculaties van Notebomer en Rinsema. De vordering strekt tot herstel van werkzaamheden die nog niet volledig zijn afgerond. De rechtbank volgt [gedaagden] in het verweer dat uit de rapporten niet volgt welke werkzaamheden zien op herstel en welke op afronding van het werk. Daarnaast volgt daaruit niet dat de deskundigen de offerte van 10 juni 2015 als vertrekpunt hebben genomen. Het op basis van deze rapporten gevorderde herstel van uitgevoerde werkzaamheden wordt derhalve afgewezen. Dit laat onverlet dat de overeengekomen werkzaamheden waarvan nakoming is gevorderd en toegewezen deugdelijk dienen te worden uitgevoerd.

Proceskosten

4.28.

Als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij worden [gedaagde 2] en [gedaagde 1] veroordeeld in de proceskosten in conventie, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op:

explootkosten 97,31

griffierecht 291,00

salaris 1.086,00 (2,0 punt x 543,00)

totaal € 1.474,31

in reconventie

4.29.

In reconventie heeft [gedaagde 2] betaling van de openstaande factuur 2017055 ad

€ 2.345,25 gevorderd. De rechtbank volgt [eisers] in het standpunt dat het gefactureerde bedrag thans niet opeisbaar is en verwijst en herhaalt hier naar hetgeen daartoe onder rechtsoverweging 4.24 is overwogen.

4.30.

Daarnaast heeft [gedaagde 2] betaling gevorderd van een bedrag van € 17.949,82 ter zake onbetaald gelaten facturen (in het kader van de overeenkomst die op 10 juni 2015 is gesloten). [eisers] hebben zich op opschorting beroepen.

4.31.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Uit de niet gemotiveerd weersproken verklaring van installateur [installateur] die in het geding is gebracht volgt dat werkzaamheden verricht in het kader van de overeenkomst van 10 juni 2015 (ten dele) ongedaan moeten worden gemaakt en herstel noodzakelijk is. Dat enig herstel noodzakelijk is heeft [gedaagde 2] ook erkend in de brief van [financieel adviseur] . Onder die omstandigheden - zo oordeelt de rechtbank - stond het [eisers] vrij haar betalingsverplichtingen op te schorten. De vorderingen in reconventie worden derhalve afgewezen.

Proceskosten

4.32.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [gedaagde 2] veroordeeld in de proceskosten in reconventie, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 543,00 aan salaris advocaat.

Ten overvloede

4.33.

Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] gehouden zijn de geoffreerde werkzaamheden deugdelijk af te ronden. Naast de werkzaamheden die op basis van verschillende offertes worden uitgevoerd is meerwerk overeengekomen en (al dan niet ten dele) uitgevoerd. De rechtbank wijst partijen op het aan hen gegeven advies van financieel adviseur [financieel adviseur] om dit meerwerk en daaraan verbonden financiële verplichtingen zorgvuldig in kaart te brengen en vast te leggen.

5 De beslissing

De rechtbank

In conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk, des dat de een presterende de ander zal zijn bevrijd, binnen 1 maand na betekening van dit vonnis de in de offerte van 10 juni 2015 (met kenmerk 2015043) genoemde werkzaamheden te hervatten en deze binnen 8 maanden na betekening strikt conform deze offerte deugdelijk af te ronden en op te leveren,

5.2.

veroordeelt [gedaagde 2] , binnen 1 maand na betekening van dit vonnis de in de offerte van 27 oktober 2017 (met kenmerk 20170201) genoemde werkzaamheden te hervatten en deze binnen 8 maanden na betekening strikt conform deze offerte deugdelijk af te ronden en op te leveren,

5.3.

veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 1] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 1.474,31,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde,

In reconventie

5.6.

wijst af het gevorderde,

5.7.

veroordeelt [gedaagde 2] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 543,00,

5.8.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2019.

rh/477