Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:2073

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-05-2019
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4032
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor kosten bewindvoering vanwege de mogelijkheid van beschermingsbewind door de Groningse Kredietbank, dat als een passende en toereikende voorliggende voorziening wordt gezien. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 18/4032

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W.B. Brusse),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder

(gemachtigde: K. Polman).

Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen.

Bij besluit van 19 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2019. Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Tevens was zijn bewindvoerder, [naam bewindvoerder] , aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en I.M. Zandberg.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

2. Bij beschikking van de kantonrechter van 11 april 2018 is eiser onder bewind gesteld en is [naam bewindvoerder] h.o.d.n. [naam kantoor] tot bewindvoerder benoemd. Op 4 juli 2018 heeft eiser bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van bewindvoering.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen omdat beschermingsbewind bij de gemeente Groningen, afdeling Groningse Kredietbank (GKB), als een passende en toereikende voorliggende voorziening kan worden gezien. Hieraan zijn voor eiser op grond van zijn huidige inkomen geen kosten verbonden. Volgens verweerder is niet gebleken van ernstige onbillijkheid of onredelijkheid op grond waarvan niettemin bijzondere bijstand zou moeten worden verstrekt en is ook geen sprake van zeer dringende redenen.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder acht het in het kader van de bezwaarprocedure niet relevant op grond waarvan de bewindvoering kosteloos voor eiser gedaan kan worden, omdat zijn belangen (hierdoor) op geen enkele wijze worden geschaad. Verweerder benadrukt verder dat eiser niet verplicht is om het bewind te laten uitvoeren door de GKB. Eiser kan het bewind nog steeds laten uitvoeren door de bewindvoerder die is benoemd, maar de kosten die dit met zich meebrengt moet hij dan wel zelf betalen. Verweerder geeft voorts aan dat de bewindvoerders van de GKB voldoen aan alle wettelijke kwaliteitseisen. Volgens verweerder hoeft derhalve niet getwijfeld te worden aan de kwaliteit van de bewindvoering uitgevoerd door de GKB. Tevens heeft verweerder eisers persoonlijke omstandigheden onderzocht en is volgens verweerder geen sprake van een dermate bijzondere omstandigheid dat bewindvoering door de GKB geen passende en toereikende voorliggende voorziening voor eiser is. Wanneer eiser kiest voor de GKB dan verwacht verweerder dat de huidige bewindvoerder en de nieuwe bewindvoerder van de GKB voor een soepele overdracht zorgen, zodat hij zo min mogelijk met deze verandering wordt geconfronteerd.

5. Eiser brengt naar voren dat aan het gewijzigd beleid waarvan het bestreden besluit het gevolg is ten grondslag ligt dat de gemeente Groningen stelt dat zij beschermingsbewind aanzienlijk goedkoper kan uitvoeren dan externe bewindvoerders en dat zij de vereiste kwaliteit kunnen bieden. Volgens eiser ontbreekt voor de stelling van de gemeente Groningen dat zij beschermingsbewind aanzienlijk goedkoper kan uitvoeren een financiële onderbouwing en kan de GKB de vereiste kwaliteit niet bieden. Naar de mening van eiser is het feitelijk niet mogelijk om iedereen met een externe bewindvoerder binnen de gemeente Groningen bij de GKB onder te brengen. Eiser stelt tevens dat de gemeente Groningen arme mensen discrimineert omdat zij een externe bewindvoerder niet kunnen betalen en feitelijk gedwongen worden om de GKB als bewindvoerder te accepteren, zodat feitelijk geen sprake is van keuzevrijheid. Eiser geeft aan dat een ieder in Nederland in principe de vrijheid behoort te hebben om zijn eigen (wettelijke) vertegenwoordiger te kiezen. Eiser heeft hierbij gewezen op jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie en brengt naar voren dat verweerder hierop in het bestreden besluit niet is ingegaan. Eiser stelt voorts dat verweerder zich door iemand te dwingen een andere bewindvoerder te accepteren dan de bewindvoerder van zijn keuze, een bevoegdheid toe-eigent (van de kantonrechter) die zij niet heeft. Naar de mening van eiser is er geen goede en deugdelijk onderbouwde reden aangevoerd op grond waarvan geconcludeerd zou kunnen worden dat er aanleiding is om af te wijken van zijn wens om zijn bewindvoerder te behouden. Eiser voert voorts aan dat de aanvraag van 22 februari 2018 tot benoeming van zijn bewindvoerder dateert van voor de datum - 1 maart 2018 - waarop het gewijzigde beleid in werking is getreden. Volgens eiser meet verweerder met twee maten en is sprake van willekeur doordat het van de ondertekening van een overeenkomst door de bewindvoerder afhangt of een voorliggende voorziening wordt aangenomen. Eiser voert aan dat een verandering van bewindvoerder vrijwel zeker een (zeer) negatieve uitwerking op zijn persoonlijk welbevinden zal hebben. Eiser is in september 2016 gediagnostiseerd met ADHD en er zijn vermoedens van autisme. Van een verandering in bewindvoerder kan eiser zelfs in paniek raken. Volgens eiser heeft verweerder geen onderzoek ingesteld naar zijn persoonlijke situatie en omstandigheden. In het bijzonder stelt eiser dat verweerder niet nader onderzocht heeft in hoeverre zijn geestelijke gesteldheid met zich zou kunnen brengen dat een (gedwongen) overstap naar een andere bewindvoerder niet in zijn belang is en of een grote organisatie, zoals de GKB, voor hem wel geschikt is als bewindvoerder. Eiser brengt verder naar voren dat niet duidelijk is hoe verweerder tot de conclusie is kunnen komen dat er geen dringende redenen zijn om toch bijzondere bijstand aan hem toe te kennen. Eiser geeft tevens aan dat verweerder dient af te wegen of het beleid in het concrete geval tot onevenredige gevolgen lijdt.

6. Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder e, van de Participatiewet (PW) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder voorliggende voorziening: elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de PW bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de PW kan het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de PW heeft de alleenstaande of het gezin onverminderd paragraaf 2.2, recht op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

Volgens artikel 2 van de op 1 maart 2018 in werking getreden Beleidsregels bijzondere bijstand beschermingsbewind van de gemeente Groningen (Beleidsregels) wordt voor de kosten van beschermingsbewind geen bijzondere bijstand verstrekt. Kosten van beschermingsbewind worden uitsluitend vergoed in de in artikel 4 tot en met 7 bedoelde gevallen.

Volgens artikel 7 van de Beleidsregels (hardheidsclausule) kan het college in zeer bijzondere gevallen, al dan niet tijdelijk, bijzondere bijstand voor de kosten van beschermingsbewind verstrekken indien toepassing van deze beleidsregels leidt tot ernstige onbillijkheid of onredelijkheid.

Voor belanghebbenden aan wie reeds bijzondere bijstand voor de kosten van een bewindvoerder was toegekend, of die vóór 1 maart 2018 een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van beschermingsbewind hadden ingediend, is in artikel 8 van de Beleidsregels een overgangsregeling getroffen.

Volgens de algemene toelichting bij de Beleidsregels verleent de gemeente de dienst beschermingsbewind. De gemeente brengt bij inwoners met een inkomen dat niet hoger is dan 120 procent van de van toepassing zijnde bijstandsnorm zonder in aanmerking te nemen vermogen geen kosten in rekening voor de dienst beschermingsbewind. Het beleid ten aanzien van aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van beschermingsbewind is hierop afgestemd.

Volgens de toelichting bij artikel 2 van de Beleidsregels is de hoofdregel is dat geen bijzondere bijstand voor de kosten van beschermingsbewind wordt verstrekt. De reden hiervoor is dat de gemeente Groningen deze dienst “gratis” verleent. Dat wordt gezien als een passende en toereikende voorliggende voorziening omdat de doelgroep overeenkomt met de doelgroep van het draagkrachtbeleid in dezen.

7. De rechtbank stelt vast dat volgens het door verweerder per 1 maart 2018 gehanteerde beleid en de daarbij gegeven toelichting, zoals hierboven weergegeven, geen bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de kosten van beschermingsbewind omdat (de GKB via) de gemeente Groningen deze voorziening kosteloos verstrekt en dit als een passende en toereikende voorliggende voorziening wordt gezien.

8. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft in de uitspraak van 22 januari 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:279 - voor zover hier van belang - het volgende geoordeeld. ‘Kosteloze’ bewindvoering door de GKB via de gemeente Groningen kan op zich een gelijkwaardig alternatief zijn voor bewindvoering door betrokkenes bewindvoerder. Het feit dat de kantonrechter onderbewindstelling voor betrokkene noodzakelijk heeft geacht en daarbij een bewindvoerder heeft benoemd, maakt niet dat bewindvoering door de GKB niet als een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening kan worden aangemerkt voor betrokkene. Dat volgens het door verweerder gehanteerde beleid, zoals neergelegd in artikel 2 van de Beleidsregels, voor de kosten van beschermingsbewind geen bijzondere bijstand wordt verstrekt, wordt niet kennelijk onredelijk geacht. Het standpunt van verweerder dat de omstandigheid dat door de kantonrechter in het verleden een bewindvoerder is benoemd niet maakt dat op een later moment de GKB niet als bewindvoerder kan worden benoemd, is navolgbaar. Eveneens navolgbaar is het standpunt van verweerder dat op grond van artikel 15, eerste lid, van de PW aan eiser geen bijzondere bijstand toegekend hoeft te worden voor de kosten van bewindvoering door de bewindvoerder die door de kantonrechter is benoemd, indien de voorliggende voorziening, in dit geval kosteloze bewindvoering door de GBK, gezien haar aard en doel, toereikend en passend is.

9. In hetgeen eiser ter onderbouwing van het onderhavige beroep naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Niet valt in te zien welk belang van eiser gediend zou kunnen zijn met de door hem verlangde financiële onderbouwing van de stelling van de gemeente Groningen dat zij beschermingsbewind aanzienlijk goedkoper kan uitvoeren. Hetzelfde geldt voor eisers stelling dat het feitelijk niet mogelijk is om iedereen met een externe bewindvoerder binnen de gemeente Groningen bij de GKB onder te brengen. Vast staat immers dat eiser in aanmerking komt voor beschermingsbewind door de GKB en dat deze voorziening voor hem kosteloos is. Verder ontbreekt ieder concreet aanknopingspunt voor eisers stelling dat de GKB de vereiste kwaliteit in zijn algemeenheid niet zou kunnen bieden. Eisers stellingen dat het gehanteerde beleid een ongerechtvaardigde inperking van de vrijheid om te kiezen voor een externe bewindvoerder met zich brengt en discriminatie oplevert van mensen die geen externe bewindvoerder kunnen betalen, kunnen evenmin leiden tot het door hem gewenste resultaat. Ook eisers verwijzing naar rechtspraak van het Europese Hof van Justitie gaat niet op. De voorliggende voorziening, dat wil zeggen “gratis” dienstverlening door de GKB is enkel toegankelijk voor inwoners van de gemeente met een inkomen dat niet hoger is dan 120 procent van de bijstandsnorm. Niet aannemelijk is geworden dat eiser anders behandeld wordt dan andere inwoners van de gemeente die in aanmerking komen voor deze voorliggende voorziening. Daarnaast kan eiser ervoor kiezen om de kosten voor de bewindvoerder van zijn keuze zelf te dragen of er voor kiezen gebruik te maken van de “gratis” bewindvoering door de GKB. In die zin beschikt hij nog over keuzevrijheid. Verder volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat verweerder door de weigering van bijzondere bijstand voor de kosten van een bewindvoerder die door de kantonrechter is benoemd, zich een bevoegdheid toe-eigent die verweerder niet heeft. Weliswaar volgt uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat verweerder is gebonden aan de beschikking van de kantonrechter in die zin dat de noodzaak tot onderbewindstelling voor verweerder uitgangspunt dient te zijn (vergelijk de uitspraak van 18 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2483), maar daarmee is nog niet gegeven dat voldaan is aan de voorwaarden voor het recht op bijzondere bijstand op grond van de PW. De beoordeling of daaraan is voldaan, is een bevoegdheid die toekomt aan verweerder.

10. De rechtbank stelt vast dat de Beleidsregels en daarmee het gewijzigd beleid per 1 maart 2018 in werking zijn getreden en dat eiser nadien op 11 april 2018 onder bewind is gesteld en zijn aanvraag om bijzondere bijstand heeft ingediend op 4 juli 2018. Gelet hierop heeft verweerder in eisers geval terecht toepassing gegeven aan dit beleid. De omstandigheid, waarop eiser heeft gewezen, dat de aanvraag tot benoeming van zijn bewindvoerder dateert van 22 februari 2018, dus vóór de datum van inwerkingtreding van het gewijzigd beleid, doet hier niet aan af. Eiser had tijdens de procedure bij de kantonrechter om bewindvoering door de GKB kunnen verzoeken.

11. De rechtbank stelt vast dat verweerder voor belanghebbenden die bij de inwerkingtreding van de Beleidsregels reeds in aanmerking kwamen voor bijzondere bijstand voor de kosten van een bewindvoerder, of die vóór 1 maart 2018 een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van beschermingsbewind hadden ingediend, een overgangsregeling heeft getroffen. Op grond van deze regeling was voor deze groep belanghebbenden vanaf 1 maart 2018 voortzetting van de bijzondere bijstand gedurende enige tijd mogelijk. Hierbij gold als voorwaarde dat de betrokken bewindvoerder door ondertekening van de daartoe door de gemeente Groningen opgestelde overeenkomst er blijk van gaf in te stemmen met de daarvoor geldende afspraken. Nu eiser niet behoort tot voormelde groep, is deze overgangsregeling niet op hem van toepassing. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat verweerder hierdoor blijk heeft gegeven van willekeur dan wel van het maken van een ongerechtvaardigd onderscheid.

12. Zoals deze rechtbank heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 22 januari 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:224, ligt het volgens vaste rechtspraak van de CRvB op de weg van de aanvrager van bijzondere bijstand om aannemelijk te maken dat een voorliggende voorziening niet passend of toereikend is. In het onderhavige geval is het dus aan eiser om aannemelijk te maken dat bewindvoering door de GKB voor hem niet passend of toereikend is.

13. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser zijn stelling dat een verandering van bewindvoerder vrijwel zeker een (zeer) negatieve uitwerking op zijn persoonlijk welbevinden zal hebben dat hij daarvan zelfs in paniek kan raken niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd heeft. De omstandigheid dat eiser bekend is met ADHD problematiek en dat er daarnaast vermoedens zijn van autisme, zoals blijkt uit de informatie van de GGZ-psychiater van 20 en 22 september 2016, maakt voormelde stelling van eiser nog niet aannemelijk. Overigens heeft verweerder er op gewezen dat verwacht mag worden dat de huidige bewindvoerder en de nieuwe bewindvoerder van de GKB voor een soepele overdracht zorgen, zodat eiser zo min mogelijk met deze verandering wordt geconfronteerd. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft aangegeven dat vanuit de GKB gecommuniceerd is dat per persoon wordt afgestemd wat de beste vorm van dienstverlening is en dat eiser ook een vaste contactpersoon kan krijgen.

14. Naar het oordeel van de rechtbank valt gelet op het voorgaande en met inachtneming van de bewijslast die op eiser als aanvrager rust niet in te zien dat verweerder, zoals eiser betoogt, nader onderzoek had moeten doen naar zijn persoonlijke situatie en omstandigheden.

15. Het standpunt van verweerder dat eiser een beroep kan doen op een toereikend en passend te achten voorliggende voorziening, zodat de uitsluitingsgrond van artikel 15, eerste lid, van de PW van toepassing is, berust dan ook op een toereikende grondslag.

16. Voor het aannemen van een zeer dringende reden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW dient volgens vaste rechtspraak vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eiser naar voren heeft gebracht hiervan geen blijk geeft en dat verweerder dus terecht het standpunt inneemt dat eiser op grond van artikel 16, eerste lid, van de PW evenmin in aanmerking komt voor de verlangde bijzondere bijstand.

17. Het beroep is ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Boerlage-van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.A. Schoenmakers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

15 mei 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.