Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:2029

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-05-2019
Datum publicatie
13-05-2019
Zaaknummer
18/730241-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord Nederland, locatie Leeuwarden heeft op 9 mei 2019 een man veroordeeld voor aanranding en schennis van de eerbaarheid. Verdachte heeft op 27 mei 2017 een destijds 82-jarige buurvrouw in haar tuin zijn ontblote geslachtsdeel laten zien. Op 1 juni 2017 heeft hij een andere buurvrouw bij de schouders gepakt en meermalen op de wang gezoend. Een dag later heeft hij haar zijn stijve geslachtsdeel getoond. Door zo te handelen heeft verdachte een groot gevoel van onveiligheid bij beide aangeefsters gecreëerd. Als feit van algemene bekendheid geldt dat slachtoffers van dit soort delicten vaak nog langere tijd nadelige psychische gevolgen ondervinden van hetgeen hen is overkomen.

De rechtbank neemt in aanmerking dat de feiten weliswaar al in 2017 zijn gepleegd, maar dat op 24 augustus 2018 en 28 augustus 2018 twee meldingen bij de politie Sneek zijn binnengekomen. Verdachte heeft bij zowel de politie, als ter zitting er geen blijk van gegeven dat hij inziet dat hij met zijn gedrag moet stoppen. Gelet op deze omstandigheden en het feit dat verdachte zorg mijdend is bestaat bij de rechtbank de vrees voor herhaling van seksueel grensoverschrijdend gedrag door verdachte. De rechtbank heeft daarom aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd met daaraan gekoppeld behalve de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en reclasseringscontact, ook de bijzondere voorwaarde om mee te werken aan een ambulante behandeling door het Forensisch Fact-team. Op die manier hoopt de rechtbank dat hulpverlening een zekere grip kan krijgen op het gedrag van verdachte.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 239
Wetboek van Strafrecht 246
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730241-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 mei 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 april 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.A. de Boer, advocaat te Sneek. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.J. van der Heide.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 mei 2017 te Koudum, in de gemeente Súdwest-Fryslân, de eerbaarheid heeft geschonden op een niet openbare plaats, te weten op het erf van een woning, gelegen aan of bij de [straatnaam] , aldaar, terwijl een ander, te weten [slachtoffer 1] , daarbij haars ondanks tegenwoordig was, door zich aldaar met ontbloot geslachtsdeel te bevinden;

2. primair

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2017 tot en met 2 juni 2017 te Koudum, in de gemeente Súdwest-Fryslân, meermalen, althans eenmaal, door geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het meermalen zoenen op de wangen van die [slachtoffer 2] en/of het tonen van zijn ontblote geslachtsdeel aan die [slachtoffer 2] en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid hieruit dat verdachte, terwijl die [slachtoffer 2] in haar tuin aanwezig was,

- naar die [slachtoffer 2] is gelopen en haar plotseling bij de schouders heeft vastgepakt en op de mond heeft geprobeerd te zoenen en/of haar (vervolgens) meermalen op de wangen heeft gezoend en/of

- in zijn (eigen) tuin is gaan staan en enige tijd is blijven staan en (daarbij) zijn ontblote geslachtsdeel aan die [slachtoffer 2] getoond waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer 2] (telkens) bleef aankijken

en/of/aldus voormelde ontuchtige handeling(en) zodanig plotseling en/of

onverhoeds en/of tegen de wil van die [slachtoffer 2] heeft gepleegd/uitgevoerd;

subsidiair

hij op of omstreeks 2 juni 2017 te Koudum, in de gemeente Súdwest-Fryslân, de eerbaarheid heeft geschonden op een niet openbare plaats, te weten in de tuin van een/zijn woning, gelegen aan of bij de [straatnaam] , aldaar, terwijl een ander, te weten [slachtoffer 2] , daarbij haars ondanks tegenwoordig was, door zich aldaar met ontbloot geslachtsdeel te bevinden.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1. en 2. primair.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak betoogd van zowel feit 1. als feit 2. primair en 2. subsidiair. De raadsman heeft hiertoe ten aanzien van beide feiten aangevoerd dat bij verdachte het opzet op het tonen van zijn geslachtsdeel ontbrak. Ook heeft verdachte tijdens de terechtzitting beide feiten ontkend. Nu er onvoldoende wettig bewijs is, dient verdachte te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Voorts heeft hij aangevoerd dat de tenlastelegging van feit 2. zo geconstrueerd is dat wanneer een bewezenverklaring voor de eerste dag mocht volgen, de tweede dag niet besproken hoeft te worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

feit 1.

1. De door verdachte ter zitting van 25 april 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Op 27 mei 2017 ben ik bij mevrouw [slachtoffer 1] in haar tuin geweest.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 juni 2017, opgenomen op pagina 26 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017142688 d.d. 27 juni 2017, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik was op zaterdag 27 mei, omstreeks 10.30 uur in mijn woning. Ik ben een oudere vrouw van 82 jaar en ik woon alleen op het adres [straatnaam] . Ik zag dat een mij bekend manspersoon, een Eritreeër, bij mij op het erf kwam. Ik ken de naam van die persoon niet, maar hij woont tegenover mij, op het adres [straatnaam] .

Ik zag dat hij naar mijn achterdeur liep. Ik ben daarop ook naar de achterdeur gelopen. Ik heb de deur geopend. Ik zag dat hij zijn hand naar mij uit stak. Ik heb hem een hand gegeven. Vervolgens wilde hij mij omhelzen. Dat wilde ik niet, dus ik heb hem met twee handen van mij af geduwd. Toen ik hem wegduwde, is hij bij mij achter de woning op een bankje gaan zitten. Ik heb een lounge set achter het huis staan en daar nam hij op plaats. Wat mij op viel was dat hij wel vriendelijk was en een glimlach had. Ik ben toen ook daar gaan zitten, zo ver mogelijk van hem vandaan. Toen ging hij echter naast mij zitten. Toen hij naast mij zat, ben ik weer naar een andere plek op de loungeset gegaan. Vervolgens zag ik, terwijl ik op een afstand van ongeveer anderhalve meter van hem vandaan zat, dat hij zijn broek deels naar beneden deed. Ik zag vervolgens dat hij zijn stijve piemel aan mij liet zien. Ik zag tevens nog een deel van zijn buik. Ik schrok zo, dat ik direct naar binnen ben gegaan. Ik schrok van het ongepaste en schaamteloze gedrag wat hij hier vertoonde. Ik voelde me gekwetst en bedreigd daardoor.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 2 juni 2017, opgenomen op pagina 32 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

Dit is een oudere vrouw. Toen is ook mijn geslachtsdeel naar buiten gekomen. Buiten mijn broek. Ik heb mijn piemel van de linker kant naar de rechterkant verplaatst. Dat zal ze dan per ongeluk hebben gezien. Ik was achter haar huis buiten. In de tuin van die mevrouw. Ik zag haar toevallig toen ben ik gaan zitten en ik zag dat mevrouw het niet leuk vond toen zij mijn geslachtsdeel zag.

Ik ben fout geweest omdat ik haar geprobeerd heb te omhelzen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte tijdens de behandeling ter zitting heeft verklaard dat hij bij aangeefster in de tuin is geweest. Hoewel verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij niets oneerbaars heeft gedaan, heeft hij op 2 juni 2017 bij de politie onder meer verklaard dat toen hij bij aangeefster in de tuin zat, zijn geslachtsdeel naar buiten was gekomen en dat aangeefster dat heeft gezien. De rechtbank houdt hem aan die verklaring. Het verweer van verdachte dat dit per ongeluk zou zijn gegaan, wordt door de rechtbank verworpen, omdat een dergelijke beweging naar haar uiterlijke verschijningsvorm -verdachte droeg een broek en een onderbroek- niet kan worden aangemerkt als 'per ongeluk'. Ook gelet op de situatie, waarin verdachte bij een buurvrouw op een bankje gaat zitten, probeert naast haar te gaan zitten en probeert haar te omhelzen, acht de rechtbank het volstrekt onaannemelijk dat daarbij per ongeluk het geslachtsdeel van verdachte uit zijn broek is gekomen. Gelet op het voorgaande en de hierboven genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

feit 2. primair en subsidiair

1. De door verdachte ter zitting van 25 april 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Op 1 juni 2017 was ik bij mevrouw [slachtoffer 2] in de tuin. We hebben met elkaar gesproken. Ik heb haar begroet door haar hand te schudden. Ik heb haar op de wang gezoend. Dat vond ze niet fijn. De volgende dag stond ik in mijn eigen tuin. Mijn broek zakte af en ze heeft per ongeluk mijn geslachtsdeel gezien. Zij riep dat ze de politie ging bellen. De politie heeft me meegenomen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 juni 2017, opgenomen op pagina 43 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik doe aangifte wegens het plegen van openbare schennis der eerbaarheid, gepleegd door mijn buurman, vanmiddag 2 juni 2018. Deze buurman woont op de [straatnaam] . Ik woon naast deze man op [straatnaam] . Ik weet niet precies hoe deze man heet. Ik meende iets van [verdachte] . Deze man komt uit Eritrea.

Gister, op 1 juni 2017 omstreeks 14:00 uur was ik in de tuin. Ik zag toen dat [verdachte] naar me toe kwam. Ik zag dat hij bij me kwam staan. Ik zat toen te lezen. Ik stond op met de bedoeling om hem weg te sturen. Ik zag en voelde toen hoe hij mij beetpakte bij mijn schouder. Ik voelde toen dat hij mij probeerde te zoenen op mijn mond. Dit lukte niet maar hij zoende wel een stuk of vijf keer mijn wangen. Ik was hier uiteraard niet van gediend en stuurde hem weg.

Vanmiddag 2 juni 2017 omstreeks 13.45 uur was ik in de tuin achter mijn woning. In het begin van de middag zag ik dat [verdachte] bij mij de tuin binnen kwam lopen. Ik zag dat hij heel snel keek of hij mijn vriend ook zag. Mijn vriend is af en toe bij mij.

[verdachte] begon op dat moment een praatje. Dat vond ik ook prima. Ik zag dat hij zich wel weer door mij liet weg sturen. Ik zag dat hij in zijn tuin probeerde wat onkruid weg te halen. Ik zag toen dat hij zijn piemel uit zijn broek haalde over de broeksband heen. Ik zag dat hij een erectie had. Ik zag dat hij mij alleen maar aankeek. Ik zei toen tegen hem, dat het niet normaal was dat hij met zijn piemel uit zijn broek stond. Ik zag vervolgens dat [verdachte] gewoon staan bleef met zijn piemel uit zijn broek. Ik draaide me vervolgens om en ben weggelopen mijn huis in.

Ik voelde me ongemakkelijk en niet veilig meer in mijn eigen huis.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 3 juni 2017, opgenomen op pagina 57 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :

V: Kun je ons vertellen hoe jij het noemt waarvan je deze aanvullende aangifte doet? Dan hebben we het dus over wat er donderdag is gebeurd?

A: Ik dacht in eerste instantie niet aan aanranding, maar wel aan lastigvallen. Hij liet zich die keer niet zo makkelijk wegsturen, daar had ik wel wat dwang bij nodig.

V: Tegen wie is deze aangifte gericht?

A: Tegen [verdachte] of [verdachte] . Ik weet niet precies hoe hij heet. Het is mijn buurman, hij woont op [straatnaam] in Koudum.

V: Wanneer is het precies gebeurd?

A: Dat was 's middags.

V: Waar is het gebeurd?

A: In mijn achtertuin. Aan de [straatnaam] in Koudum.

V: Wat is er gebeurd?

A: Het was lekker weer. Ik zit in de tuin. Hij komt ook zijn tuin in. Ik groette hem gewoon en maakte een praatje, de tuinen zijn gewoon open en je ziet elkaar, je bent immers buren. Daarop loopt hij bij mij de tuin in. Hij vroeg of mijn vriend er was en keek wat half mijn huis binnen om te kijken of hij mijn vriend zag.

Toen pakte hij mij bij mijn schouders en wilde mij gelijk op mijn mond zoenen. Ik draaide mijn hoofd weg. Ik was "flabbergasted", verbaasd. Nadat hij mij een paar keer op mijn wang gezoend had, heb ik heb weggestuurd.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 2 juni 2017, opgenomen op pagina 46 ev. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

De buurvrouw is tussen de 30 en 40 jaar. Ze woont daar met een man. De man was vanmiddag niet thuis.

Ik was vanmiddag bezig met het maaien van het gras. De buurvrouw die zat aan de

andere kant op haar stoel. De buurvrouw die zei tegen mij ga maar even je geslachtsdeel naar binnen doen. Ze heeft toen gelijk de politie gebeld en ik werd vervolgens in de boeien geslagen en afgevoerd.

Ik was bezig met het gras en de onkruid in de tuin. Mijn geslachtsdeel ging naar buiten. Toen zei ik dat ik het niet gezien had en toen heb ik mijn geslachtsdeel met mijn handen recht getrokken. Ik droeg een lichtblauwe spijkerbroek. Een licht shirt en een geblokt overhemd. Ik heb ondergoed aan.

Het is fout wat gebeurd is. Wat vandaag is gebeurd is ook fout.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 juni 2017, opgenomen op pagina 67 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

O: Gisteren hebben wij hier een nader onderzoek naar gedaan en heeft jouw buurvrouw een uitgebreide verklaring afgelegd over wat er op donderdag l juni 2017 heeft plaatsgevonden. Daar willen wij jou nu over horen. Dan gaat het dus over donderdag l juni 2017.

V: Buurvrouw heeft aan ons verteld dat jij bij haar in de achtertuin kwam. Ze vertelde dat jij vroeg of haar vriend thuis was.

A: Ik heb haar gevraagd: "Waar is [naam]?" maar daar heeft zij geen antwoord op gegeven.

V: Nadat zij aan jou vertelde dat haar vriend er niet was, pakte jij haar met jouw beide handen bij haar schouders beet en probeerde haar op die manier naar jou toe te trekken.

A: Dat weet ik niet, maar ik heb met haar gesproken.

V: De buurvrouw zegt dat jij haar toen op haar mond probeerde te zoenen. Waarom was dat?

A: Ik zoende op de wang.

V: De buurvrouw vertelde ons dat ze zich op dat moment wegdraaide. Doordat jij haar schouders beethad lukte het alleen om haar gezicht van jouw weg te draaien. Jij hebt haar vervolgens meerdere keren op haar rechterwang gezoend. Klopt dat?

A: Ja, ik heb daar een fout gemaakt, sorry. V: De buurvrouw stelt dat je haar bij beide schouders vastpakte en haar toen kusjes gaf.

A: Dat heb ik fout gedaan.

De rechtbank stelt vast dat verdachte tijdens de behandeling ter zitting heeft bekend dat hij op 1 juni 2017 aangeefster op de wang heeft gezoend en dat zij dat niet fijn vond. Op grond van de aangifte en verdachtes verklaringen ter zitting en bij de politie, kan dat deel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Door aangeefster bij haar schouders vast te pakken en te proberen haar op de mond te zoenen, wat niet lukte omdat aangeefster haar hoofd wegdraaide zodat de zoenen op haar wang belanden, heeft verdachte gehandeld in strijd met de sociaal-ethische norm. Deze handeling merkt de rechtbank dan ook aan als ontuchtig.

Verder stelt de rechtbank het volgende vast. Aangeefster heeft op 2 juni 2017 vanuit haar tuin gezien dat verdachte, die in zijn aangrenzende tuin stond, zijn geslachtsdeel uit zijn broek haalde en een erectie had. Verdachte keek haar daarbij aan. Toen aangeefster vervolgens aangaf dat dat niet normaal was, bleef verdachte staan met zijn geslachtsdeel buiten zijn broek.

Naar het oordeel van de rechtbank kan dit niet worden aangemerkt als het plegen van ontuchtige handelingen als bedoeld in artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het primair cumulatief tenlastegelegde feit van 2 juni 2017. Wel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door zo te handelen zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde feit van 2 juni 2017, te weten het plegen van schennis van de eerbaarheid. Het verweer van verdachte dat dit per ongeluk zou zijn gegaan, wordt door de rechtbank verworpen, omdat een dergelijke beweging naar haar uiterlijke verschijningsvorm -verdachte droeg een broek en een onderbroek- niet kan worden aangemerkt als 'per ongeluk'. Ook beschouwd in samenhang met de overige bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank het volstrekt onaannemelijk dat het geslachtsdeel van verdachte per ongeluk uit zijn broek is gekomen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1. en 2. wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 27 mei 2017 te Koudum, de eerbaarheid heeft geschonden op een niet openbare plaats, te weten op het erf van een woning, gelegen aan de [straatnaam] , aldaar, terwijl [slachtoffer 1] , daarbij haars ondanks tegenwoordig was, door zich aldaar met ontbloot geslachtsdeel te bevinden;

2. primair

hij op 1 juni 2017 te Koudum, door een andere feitelijkheid, [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten het meermalen zoenen op de wangen van die [slachtoffer 2] en bestaande die andere feitelijkheid hieruit dat verdachte, terwijl die [slachtoffer 2] in haar tuin aanwezig was, naar die [slachtoffer 2] is gelopen en haar plotseling bij de schouders heeft vastgepakt en op de mond heeft geprobeerd te zoenen en haar vervolgens meermalen op de wangen heeft gezoend en aldus voormelde ontuchtige handelingen plotseling en

onverhoeds en tegen de wil van die [slachtoffer 2] heeft gepleegd;

en

2. subsidiair

hij op 2 juni 2017 te Koudum, de eerbaarheid heeft geschonden op een niet openbare plaats, te weten in de tuin van zijn woning, gelegen aan de [straatnaam] , aldaar, terwijl [slachtoffer 2] , daarbij haars ondanks tegenwoordig was, door zich aldaar met ontbloot geslachtsdeel te bevinden.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Schennis van de eerbaarheid op of aan een niet openbare plaats, terwijl een ander daarbij haars ondanks tegenwoordig is.

2. primair Feitelijke aanranding van de eerbaarheid

en

2. subsidiair Schennis van de eerbaarheid op of aan een niet openbare plaats, terwijl een ander daarbij haars ondanks tegenwoordig is.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1. en 2. primair wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis. Voorts heeft de officier van justitie oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken met een proeftijd van drie jaren gevorderd, zulks met de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht en een meldplicht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat oplegging van een voorwaardelijke geldboete passend is.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Reclassering Nederland, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding en schennis van de eerbaarheid. Verdachte heeft op 27 mei 2017 een destijds 82-jarige buurvrouw in haar tuin zijn ontblote geslachtsdeel laten zien. Op 1 juni 2017 heeft hij een andere buurvrouw bij de schouders gepakt en meermalen op de wang gezoend. Een dag later heeft hij haar zijn stijve geslachtsdeel getoond. Door zo te handelen heeft verdachte een groot gevoel van onveiligheid bij beide aangeefsters gecreëerd. Als feit van algemene bekendheid geldt dat slachtoffers van dit soort delicten vaak nog langere tijd nadelige psychische gevolgen ondervinden van hetgeen hen is overkomen.

Reclassering Nederland heeft geprobeerd omtrent verdachte te rapporteren, maar verdachte is niet op de uitnodiging verschenen. De reclassering heeft aangegeven dat uit informatie van het Veiligheidshuis een beeld wordt geschetst van een zorg mijdende man met wie de hulpverlening niet of nauwelijks contact krijgt.

Men spreekt over een sociaal isolement en wisselende stemmingen. De reclassering adviseert naast een onvoorwaardelijke straf, ter preventie ook een voorwaardelijke straf op te leggen, zulks gekoppeld aan algemene voorwaarden.

De rechtbank neemt in aanmerking dat de feiten weliswaar al in 2017 zijn gepleegd, maar dat op 24 augustus 2018 en 28 augustus 2018 twee meldingen bij de politie Sneek zijn binnengekomen. Deze meldingen houden in dat een overbuurvrouw van verdachte heeft gemeld dat verdachte naakt in zijn woning loopt en haar staat aan te staren. De andere melding betreft het feit dat verdachte langere tijd voor het raam van zijn woning naar haar staat te gluren met zijn hand in zijn broek. Wanneer de politie ter plaatse gaat, worden zij niet binnengelaten. Dit geeft aanleiding tot zorg. Bovendien heeft verdachte -door bij de politie te stellen dat zijn geslachtsdeel per ongeluk uit zijn broek is gegaan en ter zitting de gebeurtenissen grotendeels te ontkennen- er geen blijk van gegeven dat hij inziet dat hij met zijn gedrag moet stoppen.

Gelet op deze omstandigheden en het feit dat verdachte zorg mijdend is bestaat bij de rechtbank de vrees voor herhaling van seksueel grensoverschrijdend gedrag door verdachte. Daarom zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, met daaraan gekoppeld behalve de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en reclasseringscontact, ook de bijzondere voorwaarde om mee te werken aan een ambulante behandeling door het Forensisch Fact-team. Op die manier hoopt de rechtbank dat hulpverlening een zekere grip kan krijgen op het gedrag van verdachte.

Gelet op de ouderdom van de feiten vindt de rechtbank het niet langer passend om daarnaast -zoals door de officier van justitie is gevorderd- een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 239 en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2. primair, tweede gedachtestreepje is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. en 2. primair, eerste gedachtestreepje en 2. subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van vier weken.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als (algemene) voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij Reclassering Nederland, Zoutbranderij 1 te Leeuwarden en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de reclassering te bepalen tijdstippen dient te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang die instelling dat noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen van het forensisch FACT-team van GGZ Friesland of soortgelijke ambulante (forensische) zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.C. Koelman , voorzitter, mr. N.A. Vlietstra en mr C. Krijger, rechters, bijgestaan door D.P. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 mei 2019.

Mr. Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.