Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1944

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-05-2019
Datum publicatie
16-05-2019
Zaaknummer
C/19/126226 / FA RK 19-587
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag moeder over baby binnen de termijn van zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Assen

zaakgegevens : C/19/126226 / FA RK 19-587

datum uitspraak: 15 mei 2019

beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag

in de zaak van

Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad,

Regio Noord Nederland, locatie Groningen.

betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

De rechtbank merkt voorts als belanghebbenden aan:

[moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats 1] ,

Pleegouders van [minderjarige] , hierna te noemen de pleegouders,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen, hierna te noemen JBN,

gevestigd te Assen.

De rechtbank merkt als informant aan:

[de vader] , hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats 2] .

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de Raad van 15 maart 2019, ingekomen bij de griffie op

18 maart 2019.

Op 18 april 2019 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. E.J.P. Cats en vergezeld door [naam 1]

, persoonlijk begeleider vanuit Cosis;

- [naam 2] , namens de Raad,

- [naam 3] , namens JBN;

- de vader.

Opgeroepen en niet verschenen zijn:

- de pleegouders.


De feiten


Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.

Bij beschikking van de kinderrechter van 21 december 2018 is de ondertoezichtstelling van (de toen nog ongeboren) [minderjarige] uitgesproken.

Sinds 31 januari 2019 is [minderjarige] met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst.

Sinds februari 2019 verblijft [minderjarige] in het huidige, perspectief biedende pleeggezin.

Deze maatregelen duren nog steeds voort.

JBN heeft zich schriftelijk bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

Het verzoek


De Raad heeft verzocht het gezag van de moeder te beëindigen en Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen tot voogd over [minderjarige] te benoemen.

Het standpunt van verzoeker

De Raad verwijst ter onderbouwing van zijn verzoek tot beëindiging van het gezag naar het raadsrapport van 14 maart 2019, waarin wordt geconcludeerd dat een plaatsing binnen een perspectiefbiedend pleeggezin voor [minderjarige] noodzakelijk is om haar veiligheid en ontwikkeling binnen een toereikende opvoedingsomgeving te waarborgen. Het is voor [minderjarige] van belang dat haar woonperspectief zo snel mogelijk, doch uiterlijk binnen zes maanden duidelijk wordt, in het belang van een veilige hechtingsontwikkeling.

[minderjarige] is na haar geboorte direct uit huis geplaatst middels een spoedmachtiging uithuisplaatsing en verblijft inmiddels in een perspectiefbiedend netwerkpleeggezin.

De Raad is van mening dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd, wanneer zij zou opgroeien bij moeder/ouders. [minderjarige] is een pasgeboren baby die vanaf haar geboorte volledig afhankelijk is van haar opvoeder(s). De grote zorgen over en de risico's met betrekking tot het gedrag en de vaardigheden van ouders hebben hiermee direct effect op haar veiligheid en ontwikkeling. De bedreiging van de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige] is dan ook gelegen in ernstige risico's en zorgpunten in de opvoedingsomgeving en niet zozeer in kindfactoren.

De Raad heeft grote zorgen over het functioneren van moeder en de invloed van haar psychiatrische problematiek op haar rol als opvoeder. Bij moeder is sprake van een paranoïde persoonlijkheidsstoornis, een ongespecificeerde bipolaire stemmingsstoornis met angstige spanning/hypomanie, en van partner-relatieproblematiek. Volgens de heer Coutinho, psychiater, is bij moeder sprake van psychotische kwetsbaarheid die bij toegenomen stress kan uitmonden in een psychose. De heer Coutinho heeft zijn zorg uitgesproken ten aanzien van de prognose en de veiligheid van [minderjarige] en moeder zelf. Uit

een moeder-kind observatie in 2016 bleek dat moeder zich onder invloed van haar prikkelgevoeligheid onvoldoende kon richten op en niet adequaat reageerde op [naam 4] , het broertje van [minderjarige] , wat onveiligheid met zich meebrengt.

Moeder heeft geen ziekte-inzicht en probleembesef, waardoor haar problematiek reeds jarenlang onbehandelbaar is. Zo ontkende moeder dat er tijdens haar zwangerschap sprake was van zwangerschapsdiabetes en nam zij daarom niet de benodigde medicatie in, waarmee zij [minderjarige] onnodig in gevaar heeft gebracht.

Het is moeilijk om contact met moeder te krijgen en zij is weinig begeleidbaar ten aanzien van haar vaardigheden en functioneren als opvoeder/verzorger van haar kinderen. Eerder is al gebleken dat moeder, mede door haar psychiatrische problematiek, niet in staat is haar kinderen rust, veiligheid en structuur te bieden en dat zij moeite heeft om bij hen aan te sluiten.

Er zijn ook zorgen over de opvoedvaardigheden van vader. Bij vader is sprake van psychiatrische problematiek (schizofrenie) waarvoor hij medicatie voorgeschreven krijgt en begeleiding ontvangt. Vader is echter, volgens moeder, medicatieontrouw. Uit de observatie van vader door de raadsonderzoekers komt naar voren dat de psychiatrische problematiek van vader duidelijk op de voorgrond staat en vader onvoldoende meekrijgt van wat hem verteld wordt. Vader is niet voornemens om de volledige zorg voor [minderjarige] op zich te nemen, maar wil wel graag een rol spelen in het leven van [minderjarige] . Het is de vraag of vader hier een realistisch beeld van heeft.

De relatie tussen ouders kenmerkt zich door huiselijk geweld, waarbij zowel verbaal als fysiek geweld speelt. Dit heeft gedurende de zwangerschap voor onveilige situaties gezorgd. Moeder ziet deze problematiek in, maar is niet in staat vader te weren in het belang van haar eigen veiligheid en de veiligheid van (de toen nog ongeboren) [minderjarige] .

Ouders hebben beiden een beperkt netwerk en geen mensen in hun omgeving op wie zij duurzaam kunnen terugvallen.

De Raad acht het voor [minderjarige] van belang dat haar woonperspectief zo snel mogelijk, doch uiterlijk binnen zes maanden duidelijk wordt, in het belang van een veilige hechtings-ontwikkeling.

Standpunt van moeder

Moeder heeft bij de Raad, naar aanleiding van het advies, aangegeven dat zij zich niet kan vinden in het besluit van de Raad.

Ter zitting heeft moeder volhard in haar standpunt dat zij geen psychische problemen heeft, Volgens moeder was er in het verleden wel sprake van overbelasting, maar niet van psychische klachten of psychoses. Moeder ontkent dat zij [minderjarige] tijdens de zwangerschap in gevaar zou hebben gebracht door het ontkennen van zwangerschapsdiabetes.

Moeder wil wel aan zichzelf werken en hulp accepteren. Ze is van mening dat zij zelf voor [minderjarige] kan zorgen en haar de veiligheid en structuur kan bieden die zij nodig heeft. Dat kan volgens moeder ook binnen de aanvaardbare termijn, zeker als zij daarbij begeleiding krijgt van Cosis.

Een gezagsbeëindiging is volgens moeder nu niet aan de orde.

Standpunt van JBN

[naam 3] heeft namens JBN ter zitting meegedeeld dat [minderjarige] kort na haar geboorte is geplaatst in het perspectiefbiedende pleeggezin, waar zij nog steeds verblijft en

zich positief ontwikkelt. Er vinden begeleide bezoeken met [minderjarige] plaats. Dat gaat redelijk, maar de relatie tussen de ouders is niet goed, waardoor er spanningen optreden.

JBN acht de ouders niet in staat om voor [minderjarige] te zorgen.

De beoordeling


De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op de in het kader van deze procedure overgelegde stukken, in de onderhavige zaak niet is gebleken van misbruik van gezag. Beoordeeld dient dan ook enkel te worden of voldaan is aan het bepaalde in artikel 1:266, aanhef en sub a, BW.

De rechtbank overweegt dat in deze zaak sprake is van een zeer kort tijdsverloop tussen de uithuisplaatsing van [minderjarige] op 31 januari 2019 en het door de Raad bij de rechtbank op

18 maart 2019 ingediende verzoek om een gezagsbeëindigende maatregel, dat is ongeveer zo’n zes weken. De Raad heeft ter zitting verklaard dat op het moment van het gereedkomen van het rapport van de Raad op 15 maart 2019 de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] nog niet was verstreken. De Raad heeft ter zitting voorts verklaard dat de Raad van mening is dat niet de verwachting bestaat dat de moeder/ouders binnen een half jaar na het gereedkomen van het raadsrapport alsnog in staat zullen zijn om de verantwoordelijkheid voor de zorg en opvoeding van [minderjarige] te dragen, hetgeen voor de Raad vervolgens de aanleiding vormde om reeds op 18 maart 2019 bij de rechtbank een primair verzoek om een gezagsbeëindigende maatregel in te dienen (subsidiair is verzocht om een ondertoezichtstelling en een machtiging uithuisplaatsing).

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat de moeder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een aanvaardbaar te achten termijn op zich te nemen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Bij beide ouders is sprake van psychiatrische problematiek. Moeder is tijdens een eerdere zwangerschap in 2016 opgenomen op de PAAZ afdeling van het Gelre Ziekenhuis. Uit de conclusie van het psychologisch onderzoek van moeder blijkt dat moeder toen was opgenomen vanwege een psychiatrisch beeld, waarbij er sprake was van een verhoogde stemming en psychotische overschrijdingen. Tijdens het verblijf op de Moeder Baby Unit bleek er sprake te zijn van een beeld wat het beste gediagnosticeerd kan worden als een schizo-affectieve stoornis. Ondanks pogingen om dit te bespreken met moeder en haar te motiveren voor medicatie, is dit binnen deze setting niet gelukt. Het ziektebesef en inzicht ontbreken geheel.

Op 14 juli 2017 is er op verzoek van moeder nieuw psychologisch onderzoek bij moeder gedaan door psychotherapeut L. Eektimmerman, omdat moeder het niet eens was met de eerder gestelde diagnose. De voorlopige diagnose was een somatische-symptoomstoornis HB. Daarnaast is het IQ vastgesteld op 51-60. Hoewel er een behandeladvies is gegeven, is behandeling niet van de grond gekomen omdat moeder het niet eens was met het vastgestelde IQ.

Op 20 december 2018 heeft dr. Coutinho, psychiater en (voormalig) behandelaar van moeder, laten weten dat er volgens de DSM-5 bij moeder sprake is van een

paranoïde persoonlijkheidsstoornis, ongespecificeerde bipolaire stemmingsstoornis met angstige spanning/hypomanie en partner-relatie-problematiek. De psychiater heeft daarbij aangegeven "dat dit een zorgelijke prognose weergeeft. Er zijn zorgen over de veiligheid van haar (ongeboren) kind en over haar persoonlijke veiligheid. Moeder wil graag laten zien dat ze een goede en volwaardige moeder is. Dat is ook begrijpelijk. Daarbij verliest ze uit het oog dat vanuit diverse instanties men zich ernstig zorgen maakt over de kwaliteit van leven van haar toekomstig kind".

Op grond van voorgaande informatie komt de rechtbank tot de conclusie dat er al jarenlang zorgen worden geuit over het psychisch welbevinden van moeder, en dat daar nog nooit een behandeling voor heeft plaatsgevonden, omdat het ziekte-inzicht en probleembesef bij moeder volledig ontbreken. De problematiek is daardoor onbehandelbaar. Gelet op de uitspraken van moeder ter zitting, waarbij zij wederom heeft ontkend dat zij psychische problemen heeft, verwacht de rechtbank niet dat moeder nu alsnog op korte termijn bereid zal zijn een behandeling te ondergaan.

Daar komt nog bij dat het eerste kind van moeder op zevenjarige leeftijd uit huis is geplaatst, omdat moeder haar belastte met volwassenproblematiek en moeder haar dochter geen rust, veiligheid en structuur kon bieden en moeite had om bij haar aan te sluiten. Ook in deze zaak speelde de psychische problematiek van moeder een grote rol. Het gezag van moeder over deze dochter is in mei 2017 beëindigd.

De vader is door zijn psychiatrische problematiek (schizofrenie) ook niet in staat de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen. Hoewel hij onder behandeling is van het FACT-team van de GGZ, maakte vader bij het gesprek met de Raad en ook ter zitting een erg verwarde indruk, waarbij hij allerlei religieuze uitspraken doet. Dit zou verklaard kunnen worden door het feit dat moeder heeft gezegd dat zij vader nog nooit zijn medicatie heeft zien innemen.

Daarnaast is er sprake van huiselijk geweld tussen ouders, wat tijdens de zwangerschap maar ook nog recent tot onveilige situaties heeft geleid. Hoewel moeder de zorgen die er zijn omtrent haar relatie met vader erkent, lijkt zij niet in staat om de relatie met vader te verbreken. Moeder benadrukt telkens dat vader ook goede kanten heeft. Ter zitting heeft moeder wel aangegeven dat vader niet meer zo vaak langs kan komen als [minderjarige] weer bij moeder zou worden geplaatst, maar dit geeft naar het oordeel van de rechtbank nog geen blijk van besef welke impact de relatie tussen ouders op [minderjarige] heeft.

De rechtbank overweegt dat, nu het gaat om een kwetsbare baby die direct na haar geboorte uit huis is geplaatst, het woonperspectief zo snel mogelijk duidelijk moet worden (uiterlijk binnen zes maanden) in verband met een veilige hechtingsontwikkeling. Het perspectief van [minderjarige] ligt gelet op het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank in het perspectiefbiedende netwerkpleeggezin, waar zij sinds haar geboorte verblijft.

Een gezagsbeëindigende maatregel is in het belang van [minderjarige] noodzakelijk, zodat er duidelijkheid komt over haar perspectief en haar ontwikkeling in het pleeggezin ongestoord doorgang kan vinden.

De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen.

Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden, dat een gezags-voorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275,

eerste lid, BW een voogd over haar te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat JBN dient te worden belast met de voogdij over [minderjarige] . De voogd kan als neutraal persoon de belangen van [minderjarige] voorop stellen en de ouders begeleiden bij hoe zij invulling kunnen geven aan hun rol als ouders op afstand.

De voorgestelde voogd (JBN) heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat JBN moet worden belast met de voogdij.

De beslissing


De rechtbank:

- beëindigt het ouderlijk gezag van [moeder], geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] ;

- benoemt tot voogd over genoemde minderjarige Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen, gevestigd te Assen;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.R. Eising, voorzitter, mrs. J.S. Bartstra en W.P. Claus, rechters, in tegenwoordigheid van E. Koops als griffier en in het openbaar uitgesproken op

15 mei 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden