Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:193

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
23-01-2019
Zaaknummer
18/950023-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, voor het verkopen, vervoeren en aanwezig hebben van cocaïne en MDMA en het aanwezig hebben van hennep.

Bewijsminimum. Steunbewijs. Betrouwbaarheid verklaringen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/950023-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 januari 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats],

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 december 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Helmantel, advocaat te Sappemeer. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de

periode van 1 januari 2014 tot en met 18 september 2015, in de gemeente

Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer

anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt,

verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft

gehad,

- een hoeveelheid cocaïne en/of

- een hoeveelheid MDMA en/of

- een hoeveelheid heroïne,

zijnde cocaïne, MDMA en/of heroïne (telkens) (een) middel(en) in de zin van

artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 08 augustus 2017 te Groningen

opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 109 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram

hennep, zijnde hennep

een middel in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde

lid van die wet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde gevorderd. Hij acht ten aanzien van feit 1 het medeplegen van het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben van cocaïne en MDMA in de periode van 1 januari 2014 tot en met 18 september 2015 bewezen. Hij acht het wettig en overtuigend bewijs geleverd op grond van de betrouwbare belastende verklaringen van [getuige], in combinatie met het zogenoemde kasboek en de opgenomen (OVC)gesprekken. De officier van justitie verwijst met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige] naar het door deze rechtbank op 1 augustus 2017 in de zaak tegen hoofdverdachte [medeverdachte 1] gewezen vonnis. In dit vonnis heeft de rechtbank die verklaringen (grotendeels) betrouwbaar geacht. Daarnaast heeft verdachte bekend op 8 augustus 2017 opzettelijk 109 gram hennep aanwezig te hebben gehad (feit 2).

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, nu behoudens een verklaring van [getuige] en vage OVC-gesprekken, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is. De raadsvrouw heeft ter ondersteuning van haar standpunt dat verdachte niet de [naam] is die in het kasboek voorkomt, een jaarplan 2015 van de (toenmalige) werkgever van verdachte (Defensie) overgelegd. Uit het jaarplan van de B-"COYOTE "-cie zou namelijk blijken dat verdachte op data genoemd in het kasboek veelal van huis was. Ten aanzien van feit 2 kan volgens de raadsvrouw een veroordeling volgen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde onder 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 1

Over het bewijs in deze zaak merkt de rechtbank het volgende op.

Kasboek

Verdachte kwam onder de aandacht van de politie naar aanleiding van de resultaten van een onderzoek, uitgevoerd in 2015, waarbij grootschalige invoer en (internationale) handel in drugs door vijf verdachten is onderzocht, het zogenoemde Maggiora I-onderzoek. Bij de huiszoekingen in dat onderzoek heeft de politie op 18 september 2015 in de woning van [medeverdachte 1], hoofdverdachte in het Maggiora I-onderzoek, een laptop in beslag genomen, die eigendom was van [getuige], medeverdachte in dit Maggiora I-onderzoek. In die laptop is een digitaal bestand aangetroffen dat in het onderzoek "het kasboek" is gaan heten en dat de rechtbank hierna ook met die term zal aanduiden. [getuige] heeft daarover verklaard dat het kasboek de - uitsluitend door hem bijgehouden - administratie bevat van de handel in drugs in Nederland van [medeverdachte 1]. De personen die daarin zijn opgenomen namen grotendeels in dealerhoeveelheden drugs af van [medeverdachte 1]. Het ging daarbij voornamelijk om cocaïne. In gevallen waarin deze personen het verschuldigde bedrag voor de afgenomen drugs niet direct betaalden, maar dit op krediet kochten, werden zij door [getuige] opgenomen in dit "kasboek", zodat er een overzicht was van welke personen nog bedragen schuldig waren aan [medeverdachte 1].

[getuige] heeft in 38 verklaringen een toelichting gegeven over de drugshandel.

Op 1 augustus 2017 is [getuige] veroordeeld voor zijn aandeel in de drugshandel.

Bewijs

Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring is de verklaring van één getuige onvoldoende. Er zal minimaal nog één ander bewijsmiddel beschikbaar moeten zijn. De getuigenverklaring en dat andere bewijsmiddel moeten afkomstig zijn van verschillende bronnen. Als het gaat om verklaringen wordt als bron beschouwd de persoon die de verklaring heeft afgelegd. Het kasboek werd uitsluitend door [getuige] bijgehouden. Het kasboek en de verklaringen van [getuige] waarin hij het gebruik van dit kasboek toelicht, moeten daarom worden beschouwd als zijnde afkomstig van dezelfde bron.

In dit geval bestaat er naast het kasboek en de verklaringen van [getuige] aanvullend bewijs in de vorm van drugs gerelateerde (OVC)gesprekken met en over verdachte (over afspraken maken) en veelvuldige telefonische contacten tussen verdachte en de hoofdverdachten [getuige], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Daarnaast had verdachte lijflijke contacten met onder andere [getuige] en [medeverdachte 1]. In een OVC-gesprek1 verklaart gespreksdeelnemer [naam] zelf dat hij al 3 jaar voor defensie werkt en te boek staat als hardwerkende jongen en niet als drugskoerier. De rechtbank acht dan ook - in samenhang met de overige bewijsmiddelen- aangetoond dat verdachte de [naam] is die voorkomt in het dossier en die in het kasboek wordt aangeduid met [naam]. De rechtbank overweegt in dit verband dat het door de raadsvrouw toegezonden defensiejaarplan 2015 niet aantoont dat de inhoud van het kasboek niet kan kloppen. In de aan de rechtbank toegestuurde versie van een jaarplan van de daarin genoemde eenheid van Defensie staat niet of verdachte daarvan deel uitmaakte, staan weliswaar geplande bezigheden (onder andere oefeningen) in 2015 genoemd, maar er blijkt niet uit of die bezigheden daadwerkelijk doorgang hebben gevonden en of verdachte daaraan heeft meegedaan. Het ingebrachte jaarplan verschaft verdachte derhalve anders dan de raadsvrouw meent, geen alibi.

Gezien genoemd steunbewijs komt de rechtbank toe aan de vraag of de verklaringen van [getuige] waarin het gaat over het kasboek, betrouwbaar zijn.

De verdediging heeft onder andere aangevoerd dat de verklaringen van [getuige] niet op de betrouwbaarheid kunnen worden getoetst en dat er te weinig wettig bewijs in het dossier aanwezig is.

De officier van justitie heeft betoogd dat het kasboek en de verklaringen van [getuige] wel betrouwbaar zijn. Hij heeft daartoe verwezen naar het vonnis van deze rechtbank gewezen in de zaak van de hoofdverdachte [medeverdachte 1] van 1 augustus 2017 (ECLI:NL:RBNNL:2017:2946). De officier van justitie heeft hierbij gewezen op het feit dat de rechtbank in dit vonnis de vraag of de verklaringen van [getuige] betrouwbaar zijn, grotendeels bevestigend heeft beantwoord.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank moet thans over de zaak van deze verdachte oordelen en beschikt daarbij niet over de door de rechtbank in het vonnis van [medeverdachte 1] genoemde bewijsmiddelen die voor de "betrouwbaarheidstoetsing" zijn gebruikt, aangezien het dossier Maggiora I niet is gevoegd bij het dossier van verdachte [verdachte]. Ten aanzien van verdachte is een specifiek op deze verdachte toegesneden dossier samengesteld. In dit dossier bevindt zich slechts een beperkt deel van het dossier Maggiora I. Ook de veroordelende vonnissen die zijn gewezen in Maggiora I vormen geen onderdeel van het dossier van verdachte. Vanzelfsprekend kan de rechtbank in de zaak van verdachte slechts tot een oordeel komen op basis van de zich in het dossier van deze verdachte bevindende stukken. De rechtbank moet zich per verdachte een zelfstandig oordeel vormen over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige] in deze zaak en daarmee over het kasboek. Een enkele verwijzing naar het vonnis van [medeverdachte 1], zoals de officier van justitie doet in zijn requisitoir, is niet voldoende om te oordelen dat de verklaringen betrouwbaar zijn. De betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige] is immers vastgesteld in een andere kamer, bij een andere verdachte en op basis van een ander (veel omvangrijker) dossier. Nog daargelaten dat het betreffende vonnis niet aan het dossier is toegevoegd, en evenmin zoals de officier van justitie van mening lijkt te zijn een feit van algemene bekendheid is, is een vonnis op zichzelf geen bewijsmiddel waar het gaat om het rechterlijk oordeel dat daarin is vervat.

De betrouwbaarheid moet dus separaat in deze zaak worden beoordeeld.

Voor zover het de opmerkingen in het kasboek en de verklaringen over deze verdachte betreft gaat de rechtbank uit van de betrouwbaarheid van het kasboek en de verklaringen van [getuige]. De inhoud is namelijk te verifiëren en wel door de volgende omstandigheden. Het kasboek beschrijft drie cocaïne-afnames van rond de 400 gram door verdachte. In een OVC-gesprek van 4 mei 2015 tussen [medeverdachte 1] en [getuige] wordt benoemd dat [naam] de vorige keer 400 heeft meegenomen. Dit strookt met het kasboek.
Het kasboek beschrijft ook dat verdachte 160 [gram] x 34 [euro] heeft teruggebracht, waarbij is vermeld "eraf". Dit komt overeen met de opmerking in hetzelfde OVC-gesprek op 4 mei 2015 tussen [medeverdachte 1] en [getuige] waarin de een tegen de ander zegt dat [naam] 160 heeft teruggebracht. Daarnaast staat in het kasboek 200 M vermeld, waarover [getuige] heeft verklaard dat het MDMA betreft.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte meermalen cocaïne en een keer MDMA bij [getuige] en [medeverdachte 1] heeft gekocht en de cocaïne ook heeft doorverkocht (gedeald), gelet op de behoorlijke hoeveelheden cocaïne -gemiddeld ruim 100 gram per week (dealersindicatie) gedurende de periode 17 april 2015 tot 7 september 2015 vermeld in het kasboek en de verklaringen van [getuige] waarin hij vermeldt dat verdachte een afzetmarkt in Groningen had. De rechtbank zal de pleegperiode beperken van 1 april 2015 tot en met 18 september 2015, nu voor de ruimere tenlastegelegde periode onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is. Daarnaast acht de rechtbank geen bewijs met betrekking tot de ten laste gelegde heroïne en voor medeplegen in het dossier aanwezig.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring onder 1 redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Uit het naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland met nummer 03DRW14013-MAGGIORA d.d 09 juni 2016 (PV1), blijkt het volgende.

Op 18 september 2015 is tijdens een zoeking van team Maggiora in de woning van een verdachte aan het [straatnaam] te Meppel een laptop van het merk Lenovo, type G50-70 in beslag genomen. Deze laptop is onderzocht door het Team Digitale Expertise Noord Nederland. Op de digitale bestanden zijn lijsten met getallen, hoeveelheden, bedragen, namen en initialen aangetroffen. Deze bestanden zijn door de verbalisanten aangeduid als ‘het kasboek’.2 Door de belastingdienst/FIOD is een analyse gemaakt van de bestanden.3 In het kasboek staan, over een periode van 5 maanden, onder de naam [naam] 8 verschuldigde bedragen, totaal 2.732 gram afgenomen product, 13 betalingen/verrekeningen, totaal verschuldigd € 73.399, totaal betaald € 61.760, nog verschuldigd € 11.579.

Een verdachte in het onderzoek, [getuige], is over het kasboek gehoord door de verbalisanten en heeft -zakelijk weergegeven- verklaard dat het zijn laptop betreft en dat hij het kasboek beheerde. Hij heeft uitleg gegeven over de getallen, namen en afkortingen die in het kasboek zijn opgenomen. Het betreft de administratie, aldus [getuige], waarbij het gaat om afnemers van drugs, vooral cocaïne, die het verschuldigde bedrag voor de door verdachte geleverde drugs niet gelijk betaalden. In het kasboek staan de bedragen opgenomen die de verschillende afnemers van drugs nog aan verdachte verschuldigd zijn voor de leveringen door verdachte. [getuige] heeft ten aanzien van een aantal in het kasboek vermelde afnemers aangegeven welke drugs, in welke hoeveelheden en met welke frequentie door ieder van hen werden gekocht en afgenomen.4 [getuige] verklaart over verdachte [verdachte] dat aan hem een halve kilo coke is geleverd en dat deze betaling in het kasboek staat.5 [naam] staat voor [verdachte] en hij staat voor 73.339 euro in het kasboek.6

[getuige] heeft verder in zijn verklaring7 aangegeven dat verdachte [verdachte] uit Groningen een andere verdachte, [medeverdachte 1], had benaderd en hem had verteld dat hij wel coke kwijt kon en ook MDMA. Het contact is ongeveer een jaar geleden - oktober 2014 - ontstaan. Verdachte kwam bijna dagelijks langs in Meppel en kocht coke bij [medeverdachte 1], dat varieerde van 100 gram tot een halve kilo coke. Hij betaalde achteraf, als hij de coke verkocht heeft. Hij zet de coke uit in Groningen en heeft zijn eigen afzetmarkt voor de coke. Verdachte heeft ook wel MDMA gekocht bij [medeverdachte 1] volgens [getuige]. [getuige] herkent verdachte [verdachte] van een getoonde foto.8

In 2015 zijn er in het kader van het opsporingsonderzoek onder meer telefoons getapt en OVC-gesprekken opgenomen tussen onder andere eerdergenoemde verdachten [medeverdachte 1] en [getuige].9 In deze gesprekken worden hoeveelheden en bedragen genoemd en termen gebruikt als ‘ik kan zo op de computer kijken’.10

In het OVC-gesprek op 4 mei 201511wordt door [medeverdachte 1] aan [getuige] gevraagd hoeveel [naam] de vorige keer heeft meegenomen: "400 nog wat." luidt daarop het antwoord van [medeverdachte 1]. Uit het kasboek blijkt dat de persoon aangeduid met "[naam]" in het kasboek een hoeveelheid van 400 gram, 461 gram en 490 gram heeft afgenomen. In het zelfde gesprek vraagt [medeverdachte 1] aan [getuige]: "Hoeveel krijg ik van hem nog dan, wel veel toch?" waarop [getuige] antwoord: "24". Waarbij [getuige] uitlegt dat hij ook spul heeft teruggebracht. In het kasboek staat bij de persoon aangeduid met "[naam]" vermeld dat er op 29 april 2015 "160 x 34 terug gebracht, eraf'. Dit komt overeen met het in het OVC gesprek genoemde aantal van 160.

In een OVC-gesprek12 van 12 mei 2015 verklaart gespreksdeelnemer [naam] zelf dat hij al 3 jaar voor defensie werkt en te boek staat als hardwerkende jongen en niet als drugskoerier.

In het OVC-gesprek op 12 mei 201513 is er een gesprek tussen een '[naam]' en [medeverdachte 1]. De stem van "[naam]" wordt door verbalisant herkend als die van [verdachte] in zijn verhoor.

In het OVC-gesprek op 28 mei 201514 tussen [getuige] en [medeverdachte 1] wordt gesproken over [naam]. Er wordt verstaan dat [naam] 5 keer heeft betaald. In het kasboek staat bij de persoon aangeduid met "[naam]" een aantal bedragen in rood vermeld.

In het OVC-gesprek op 29 mei 201515 tussen [getuige] en [medeverdachte 1] vraagt [medeverdachte 1]: "hoeveel staat [naam] ongeveer min laatste dinges?". Waarop [getuige] antwoordt: "12 of zo?" Hierop zegt [medeverdachte 1]: "Min die laatste dingen, die laatste dingen eraf gehaald heb"' Waarop [getuige] zegt: "Ja van 17 dan is er ongeveer 12."

In het OVC-gesprek op 30 mei 201516 tussen [getuige] en [medeverdachte 1] wordt over [naam] en bedragen gesproken.

Uit onderzoek is gebleken dat met het telefoonnummer welke bij verdachte in gebruik was in de periode van 18 februari 2015 tot en met 16 juli 2015, 34 maal contact is geweest met een getapt telefoonnummer in het onderzoek in gebruik bij verdachten [medeverdachte 1], [getuige] en [medeverdachte 2].17

Verdachte [verdachte] verklaart in zijn verhoor [getuige] en [medeverdachte 1] te kennen18.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 04 december 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017209932, opgenomen op pagina 5 e.v. het relaas van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 11 oktober 2017 en opgenomen op pagina 9 e.v. verklaring van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] d.d. 8 augustus 2017.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 18 september 2015, in Nederland, telkens opzettelijk heeft verkocht en vervoerd en aanwezig heeft

gehad,

- een hoeveelheid cocaïne en

- een hoeveelheid MDMA,

zijnde cocaïne en MDMA middelen in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I.

2.

hij op 08 augustus 2017 te Groningen opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel C van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

De officier van justitie heeft bij de formulering van zijn strafeis rekening gehouden met het tijdsverloop tussen plegen van de feiten en de berechting.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit om verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde, conform de LOVS-oriëntatiepunten voor het bezit van hennep tot 100 gram te veroordelen tot een geldboete van € 200,00.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft aangevoerd.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het dealen en aanwezig hebben van cocaïne in niet geringe hoeveelheden en MDMA. Deze harddrugs vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving, niet in de laatste plaats vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit. Daarnaast heeft verdachte een relatief grote hoeveelheid hennep in een auto opzettelijk aanwezig gehad.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder terzake van overtreding van de Opiumwet is veroordeeld en met de lange duur tussen het plegen van de feiten en de uiteindelijke berechting.

Vanwege voormelde ernst van de bewezen verklaarde delicten is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte -aansluiting zoekend met oriëntatiepunten voor de straftoemeting- een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Het voorwaardelijke strafdeel dient als waarschuwing aan de verdachte, teneinde te voorkomen dat de verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Mede gelet op de beperktere periode die de rechtbank bewezen acht en de lange duur die inmiddels verstreken is komt de rechtbank uit op een kortere straf dan door de officier van justitie werd gevorderd.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Läkamp, voorzitter, mr. B.I. Klaassens en mr. M. van den Steenhoven, rechters, bijgestaan door J. Hoogeveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 januari 2019.

1 pag. 224 van PV1

2 pag. 53 e.v. en 56 e.v.

3 pag. 91 e.v.

4 pag. 68 e.v.

5 pag. 71

6 pag. 73

7 pag. 193 e.v.

8 pag. 199

9 pag. 115 e.v.

10 pag. 116.

11 pag. 216

12 pag. 224 v

13 pag. 223

14 pag. 217

15 pag. 218

16 pag. 219

17 pag. 207

18 pag. 387 /388