Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1921

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
07-05-2019
Zaaknummer
18.950079-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 36e Wetboek van Strafrecht; Geerlings-jurisprudentie in onderhavige zaak niet van toepassing; er is evenmin sprake van misbruik van procesrecht; overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18.950079-16 (ontnemingsvordering)

Uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 7 mei 2019 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

hierna ook: veroordeelde.

1 Procesverloop

De officier van justitie heeft een ontnemingsvordering ingediend die ertoe strekt dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, lid 5 van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat aan veroordeelde de verplichting wordt opgelegd aan de Staat het geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 219.296,00 te betalen.

De officier van justitie heeft bij requisitoir haar vordering verminderd met het (schikkings)bedrag dat veroordeelde inmiddels aan [benadeelde partij] heeft betaald, te weten

€ 8.364,00.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken van de strafzaak tegen veroordeelde, waaronder het op 6 december 2018 in de strafzaak gewezen vonnis, het in het dossier opgenomen rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, en de schriftelijke conclusiewisseling tussen de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie, mr. A. van 't Oever-Grootkarzijn en de veroordeelde en zijn raadsman, mr. M.G. Cantarella, advocaat te ‘s-Gravenhage, zijn gehoord ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 maart 2019.

2 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in haar conclusie van repliek en ter zitting aangegeven dat de ontnemingsvordering is gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij d.d. 1 oktober 2017. In dit rapport heeft de politie berekend dat het wederrechtelijk verkregen voordeel € 1.177.509,74 bedraagt, waarbij is uitgegaan van 11 oogsten met een opbrengst van 53 gram hennep per plant. Het Openbaar Ministerie gaat thans uit van 4 oogsten en een opbrengst van 28,2 gram hennep per plant en heeft het ontnemingsbedrag teruggebracht tot € 219.296,00.

De berekening die ten grondslag ligt aan de ontnemingsvordering ziet er dan als volgt uit.

Opbrengst per oogst:

28,2 gram x 517 planten = 14,57 kg hennep

14,57 kg hennep x € 4.070,00 opbrengst per kg = € 59.299,90

Kosten per oogst: € 4.475,73

Wederrechtelijk verkregen voordeel per oogst: € 54.824,17

Wederrechtelijk verkregen voordeel voor 4 oogsten = € 219.296,68

De officier van justitie heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat ook feiten waarvoor geen veroordeling is gevolgd in een ontnemingsmaatregel kunnen worden betrokken, indien deze zich laten kwalificeren als feiten in de zin van art. 36e lid 2 of lid 3 Sr, en er ook wordt voldaan aan de terzake geldende (bewijs)criteria van ‘voldoende aanwijzingen’ (lid 2) of ‘aannemelijkheid’ (lid 3). De Geerings-jurisprudentie, op grond waarvan feiten waarvan een veroordeelde is vrijgesproken niet als ander feit kunnen worden betrokken in de ontnemingsprocedure, is in onderhavige zaak niet van toepassing nu veroordeelde [veroordeelde] niet (partieel) is vrijgesproken. [veroordeelde] is (na wijziging van de tenlastelegging) veroordeeld voor het telen van hennep in de periode van 1 juni 2016 tot en met 9 november 2016. Dit alles maakt, aldus de officier van justitie, dat bij de veroordeling die is gevolgd, nog steeds een ontneming voor de gehele periode mogelijk is mits er voldoende aanwijzingen zijn dat veroordeelde de feiten heeft begaan.

Uit de door de politie genoemde indicatoren en op grond van de verklaring van veroordeelde zelf volgt dat er minimaal sprake is geweest van één eerdere oogst. Veroordeelde heeft immers verklaard dat hij in september één keer heeft geoogst en dat hij deze oogst heeft verkocht.

Genoemde indicatoren vormen niet de enige aanwijzingen voor meerdere oogsten en daarmee voor meerdere opbrengsten. Er is onderzoek verricht naar de bankrekeningen van [veroordeelde] en daaruit is gebleken dat gedurende een langere periode vele contante stortingen zijn gedaan op zijn rekeningen. Aan [veroordeelde] wordt door de politie voorgehouden dat in de periode januari 2015 tot en met oktober 2016 € 128.400,- aan contante geldbedragen zijn gestort op verschillende rekeningen van de heer [veroordeelde] . [veroordeelde] heeft daarover niet willen verklaren. Ook op vragen van de politie waar hij zijn boodschappen, kleding en schilderijen van betaalt (nu hiervan niets is terug te vinden op de betaalrekeningen), wil hij geen antwoord geven. Bovendien duidt de wijze van opzetten van de hennepkwekerij op een professionele aanpak, gericht op het doelbewust verkrijgen van omvangrijk financieel gewin. Alles wijst erop dat [veroordeelde] met hennepteelt veel geld heeft verdiend gedurende een lange periode. Zijn verklaring dat hij één oogst heeft gehad van 2,2 kg, die hij heeft verkocht voor € 3.000 per kg acht het Openbaar Ministerie niet aannemelijk. Gelet op voornoemde omstandigheden gaat het Openbaar Ministerie ervan uit dat er gedurende een langere periode minimaal 4 keer is geoogst.

Met betrekking tot de elektriciteitskosten heeft de officier van justitie opgemerkt dat deze in het ontnemingsrapport nog niet zijn verrekend maar dat de werkelijk door veroordeelde betaalde kosten in mindering kunnen worden gebracht.

De officier van justitie ziet geen aanleiding om het ontnemingsbedrag te verminderen in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Zij verzoekt de rechtbank te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, gelet op alle in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden waaronder de minimale overschrijding (twee maanden) van de redelijke termijn en het feit dat de inhoudelijke behandeling van de ontneming op 22 november 2018 tijdig had kunnen plaatsvinden als de raadsman niet om een schriftelijke voorbereiding had verzocht.

3 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat de vordering van de officier van justitie tot

vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen en subsidiair dat het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil wordt gesteld. Hij heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd.

Met betrekking tot de ontnemingsperiode heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat in de onderhavige ontnemingsprocedure in de lijn van de Geerings-jurisprudentie geen ruimte is om te ontnemen ter zake van de periode tussen 1 november 2015 en 31 mei 2016, nu [veroordeelde] daarvoor niet is veroordeeld. Voor zover het Openbaar Ministerie meent dat in deze periode sprake is van een situatie als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr, is dat een misvatting. De in artikel 36e, tweede lid, Sr genoemde categorieën ‘soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd’ zien op feiten waarvoor de betrokkene niet is vervolgd. Nu uit zowel het strafdossier als uit de dagvaarding blijkt dat [veroordeelde] wel degelijk werd vervolgd ter zake van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod in de periode 1 november 2015 tot en met 31 mei 2016 doch daarvoor niet is veroordeeld, kan geen toepassing worden gegeven aan artikel 36e, tweede lid, Sr. De ontnemingsvordering dient op grond hiervan te worden afgewezen. Voor zover de rechtbank hier anders over oordeelt, meent de raadsman dat sprake is van misbruik van procesrecht door de officier van justitie en dient de ontnemingsvordering op deze grond te worden afgewezen.

Met betrekking tot de opbrengst per plant dient te worden uitgegaan van de standaard opbrengst per plant, te weten 28,2 gram per plant.

Met betrekking tot eerdere oogsten kan op basis van de in de ontnemingsrapportage gehanteerde indicatoren niet geconcludeerd worden dat sprake is geweest van 4 oogsten. Er is slechts sprake geweest van één oogst van 2,2 kg. Deze is verkocht voor € 3.000,00 per kilo.

Met betrekking tot de elektriciteitskosten heeft de raadsman aangevoerd dat deze in mindering dienen te worden gebracht op het verkregen voordeel. De raadsman heeft daartoe verwezen naar de vaststellingsovereenkomst tussen zijn cliënt en [benadeelde partij] en heeft ten bewijze van betaling een bankafschrift overgelegd. Het betreft een bedrag van € 8.364,00.

Tot slot heeft de raadsman, meer subsidiair, verzocht dat de rechtbank bij een eventuele vaststelling van enig bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel, rekening houdt met de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat ook bij een beperkte overschrijding van de redelijke termijn zoals hier aan de orde, niet kan worden volstaan met de enkele vaststelling zonder daar aan gevolgen te verbinden voor de hoogte van de ontneming. De overschrijding van de redelijke termijn is niet aan zijn cliënt te wijten. De betalingsverplichting dient te worden gematigd met een bedrag van ten minste € 10.000,00.

4 Beoordeling van de vordering

Grondslag van de te beoordelen vordering

De rechtbank heeft bij vonnis van 6 december 2018 [veroordeelde] veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voor (onder meer) het - in de periode van 1 juni 2016 tot en met 9 november 2016 - opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Op grond van voormelde veroordeling kan aan veroordeelde in beginsel de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde door middel van of uit de baten van de bewezen verklaarde feiten heeft genoten.

Bewijsmiddelen

De rechtbank heeft bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- de inhoud van voornoemd vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank van

6 december 2018, inhoudende een bewezenverklaring en bewijsmotivering onder bovenvermeld parketnummer tegen verdachte gewezen;

- het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel met nummer 2016005309 opgemaakt op 1 oktober 2017 door verbalisant [verbalisant] .

Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank neemt het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel bij de beoordeling van de ontnemingsvordering tot uitgangspunt. In deze ontnemingsrapportage is primair uitgegaan van de concrete bevindingen van het onderzoek. Waar gegevens over de werkelijke gang van zaken ontbreken is gebruikgemaakt van de standaardberekening ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerijen bij binnenteelt onder kunstlicht’ van het Functioneel Parket Afpakken (voorheen BOOM) van 1 juni 2016.

De rechtbank neemt voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel voorts

- voor wat betreft de omvang van de kwekerij - tot uitgangspunt dat de veroordeelde betrokken is geweest, zoals door de rechtbank bewezen is verklaard, bij de hennepplantage die is aangetroffen aan de [straatnaam] te [pleegplaats] . In deze kwekerij zijn 517 hennepplanten aangetroffen van ongeveer 8 weken oud.

Ontnemingsperiode

Met betrekking tot de ontnemingsperiode heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat in de onderhavige ontnemingsprocedure, gelet op de Geerings-jurisprudentie, geen ruimte is om te ontnemen ter zake van de periode tussen 1 november 2015 en 31 mei 2016 nu [veroordeelde] daarvoor niet is veroordeeld. Daarbij is tevens aangevoerd dat sprake is van een schending van procesrecht door de officier van justitie nu in de hoofdzaak ‘slechts’ voor een kortere periode is gedagvaard met als kennelijk doel de Geerings-jurisprudentie te omzeilen in geval zou worden vrijgesproken van een deel van de periode.

De rechtbank volgt dit standpunt niet.

Op grond van de Geerings-jurisprudentie kunnen feiten waarvan veroordeelde is vrijgesproken niet als ander feit worden betrokken in de ontnemingsprocedure. In de onderhavige zaak is veroordeelde echter niet (partieel) vrijgesproken, maar (na wijziging van de tenlastelegging) veroordeeld voor het telen van hennep in de periode van 1 juni 2016 tot en met 9 november 2016. Dit maakt dat bij de veroordeling die is gevolgd, nog steeds een ontneming voor de gehele periode mogelijk is mits er voldoende aanwijzingen zijn dat de veroordeelde de feiten heeft begaan.

Op basis van hierna te noemen indicatoren - in samenhang met de bewijsmiddelen in de strafzaak - is de rechtbank van oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de bij veroordeelde aangetroffen hennepkwekerij al langere tijd in gebruik was en zij stelt op grond hiervan vast dat sprake is van strafbaar handelen gedurende een langere periode dan de in de strafzaak bewezen verklaarde periode. Naar het oordeel van de rechtbank staat ook vast dat daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel is genoten door veroordeelde.

Met betrekking tot het door de raadsman gevoerde verweer dat sprake is geweest van misbruik van procesrecht overweegt de rechtbank dat het het Openbaar Ministerie vrijstaat de tenlastelegging in te richten op de wijze waarop het dat wenst, ook indien dit eventueel ten nadele is van een verdachte of veroordeelde. De enkele omstandigheid dat een wijziging van de tenlastegelegde periode in het nadeel van een verdachte of veroordeelde is, is op zichzelf geen reden om te oordelen dat sprake is van een ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van veroordeelde aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. In dit geval bestaat het nadeel slechts uit het gebruikmaken van de wettelijk gegeven mogelijkheid om eventueel wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen op basis van een ander wettelijk bewijscriterium dan geldt voor de beoordeling in de strafzaak.

In het onderhavige geval is ook overigens niet van een schending als hiervoor genoemd gebleken. De rechtbank verwerpt dit verweer.

Eerdere oogsten

Met betrekking tot de vaststelling van het aantal eerdere oogsten overweegt de rechtbank het volgende.

In het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de politie ervan uit dat in de aangetroffen hennepkwekerij gedurende een periode van 118 weken (van 13 augustus 2014 tot 21 september 2016) meerdere oogsten zijn gerealiseerd. De eerdere oogsten blijken volgens de politie uit de volgende indicatoren1: de aangetroffen verdroogde hennepresten op de grond en op droognetten; het aangetroffen hennepafval in de groencontainer; de mate van vervuiling van het filterdoek van de koolstoffilters; de mate van vervuiling met stof van voorwerpen in de kweekruimte; de verkleuring van het hout van de latten in de hennepkwekerij; het aantreffen van een knipschaar met hennepresten; het aantreffen van droogrekken en een grote kachel in de garage; het aantreffen van een hennepstekkerij in een kast in de garage; het aantreffen van kleine bakken waarin hennepstekken worden vervoerd; de productiedatum vermeld op in de kwekerij gebruikte gipsplaten en een gasslang. Uit het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij blijkt dat sprake was van een professioneel aangelegde hennepkwekerij waarbij onder meer gebruikgemaakt werd van computers om de PH-waarde van het water, de temperatuur en het CO2-gehalte in de kweekruimte te regelen.

Uit het proces-verbaal van bevindingen inhoudende het relaas financieel onderzoek naar de bankrekeningen van veroordeelde2 blijkt voorts dat in de periode vanaf juni 2013 tot en met 16 november 2016 op de rekeningen van [veroordeelde] meer dan € 197.000,- contant geld is gestort. Veroordeelde is hierover op 16 november 2016 en 9 januari 2017 door de politie gehoord3. Veroordeelde heeft verklaard dat hij met zijn bedrijf [naam bedrijf] ongeveer

€ 4.000,00 per maand verdient. Op vragen van de politie over de contante stortingen en over waar hij zijn boodschappen, kleding en schilderijen van heeft betaald, nu hiervan niets is terug te vinden op de bankafschriften, wilde veroordeelde niet antwoorden.

De rechtbank acht de verklaring van veroordeelde dat hij slechts eenmaal, in september 2016, heeft geoogst, dat de opbrengst 2,2 kilogram bedroeg en dat hij deze hennep heeft verkocht voor € 3.000,00 per kilogram, niet aannemelijk, gelet op de financiële omstandigheden zoals hiervoor weergegeven, waarover veroordeelde geen verifieerbare verklaring wenst af te leggen, en de wijze waarop de hennepkwekerij was opgezet, in samenhang met de overige hiervoor genoemde indicatoren.

De officier van justitie is bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van het voorgaande uitgegaan van een viertal eerdere oogsten. De rechtbank acht dit ook aannemelijk en neemt dit over.

Opbrengst hennep

Uit de ontnemingsrapportage blijkt dat van de in beslag genomen 517 planten, 5 hennepplanten door het onderzoeksteam zijn geknipt en gedroogd. De opbrengst aan hennep van deze 5 planten was 53 gram. De politie is in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel vervolgens uitgegaan van 53 gram hennep per plant. De officier van justitie heeft aangegeven dat uit het proces-verbaal van de politie niet duidelijk wordt of deze 53 gram ziet op de hoeveelheid hennep van 5 planten of van 1 plant. Gelet hierop heeft zij aansluiting gezocht bij standaardberekening van 28,2 gram hennep per hennepplant.

De rechtbank sluit zich hierbij aan en zal voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van de in het rapport van het Functioneel Parket Afpakken gegeven norm van 28,2 gram hennep per hennepplant en een cyclus van tien weken voor het realiseren van één oogst.

Tevens gaat de rechtbank er, op basis van de bevindingen in het rapport, van uit dat de gemiddelde verkoopprijs per kilogram hennep € 4.070,00 bedroeg. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de verdediging hiertegen geen verweer heeft gevoerd.

Kosten

De rechtbank stelt, in aanmerking nemende dat de verdediging hiertegen geen bezwaren heeft geuit, conform het rapport van het Functioneel Parket Afpakken, de inkoopprijs per stek vast op € 3,81 en de variabele kosten per hennepplant op € 3,88. Voorts houdt de rechtbank rekening met afschrijvingskosten van € 350,00 per oogst. Deze kosten zullen op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering worden gebracht.

Met betrekking tot de elektriciteitskosten is door [benadeelde partij] een schikkingsvoorstel aan veroordeelde gedaan welke veroordeelde heeft geaccepteerd en, zoals uit de ter terechtzitting overgelegde stukken is gebleken, inmiddels heeft voldaan. Ook de elektriciteitskosten zullen derhalve op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering worden gebracht.

Dit leidt tot de volgende berekening

Bruto opbrengst per oogst:

517 planten x 28,2 gram = 14,57 kg hennep

14,57 kg x € 4.070,00 opbrengst per kg = € 59.299,90

Kosten per oogst:

517 hennepstekken x € 3,81 kosten per stek = € 1.969,77

517 planten x € 3,88 variabele kosten = € 2.005,96

Afschrijvingskosten = € 350,00

Totaal per oogst: € 1.969,77 + € 2.005,96 + € 350,00 = € 4.325.73 -

Wederrechtelijk verkregen voordeel per oogst: € 54.974,17

Wederrechtelijk verkregen voordeel voor 4 oogsten: € 219.896,68

Kosten elektriciteit (vaststellingsovereenkomst met [benadeelde partij] ): € 8.364,00 -

Netto opbrengst 4 oogsten: € 211.532,68

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op € 211.532,68.

Redelijke termijn

Een veroordeelde heeft recht op berechting van zijn ontnemingszaak binnen een redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat op een ontnemingsvordering binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn in eerste aanleg moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de veroordeelde en/of zijn advocaat op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank is van oordeel dat de redelijk termijn in deze zaak is aangevangen op 16 november 2016, het moment van de inval in de hennepkwekerij. Vanaf die datum kon veroordeelde in redelijkheid verwachten dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zou worden gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn inzake het recht op een beslissing op de ontnemingsvordering is overschreden en zal de betalingsverplichting - in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad daarover - met € 5.000,00 verminderen.

Conclusie

De rechtbank zal de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van € 206.532,68

(€ 211.532,68 minus € 5.000,00) aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bij deze beslissing zijn in aanmerking genomen de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde. De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat dient te betalen. Er zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Het toepasselijk wetsartikel

De op te leggen maatregel berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5 Beslissing

De rechtbank stelt het bedrag waarop het door veroordeelde, door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde feit, wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 206.532,68 en legt aan veroordeelde de verplichting op dat bedrag aan de Staat te betalen ter ontneming van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel.

Aldus gegeven door mr. G. Eelsing, voorzitter, mrs. M.A.A. van Capelle en A.A.J. Smelt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 mei 2019.

1 Pag. 4 e.v. van het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij met rapportnummer 2016005309 d.d. 1 oktober 2017.

2 Bijlage 2 bij voornoemd Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij, inhoudende het proces-verbaal van bevindingen [naam 1] , [veroordeelde] en [naam 2] met nummer PL0100-2016005309 d.d. 28 februari 2017.

3 Bijlagen 4 en 5 bij voornoemd Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij, inhoudende de processen-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 november 2016 en d.d. 10 januari 2017.