Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:192

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
23-01-2019
Zaaknummer
18/930209-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf voor het verkopen, afleveren, vervoeren en aanwezig hebben van cocaïne. Bewijsminimum. Betrouwbaarheid verklaringen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930209-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 januari 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 december 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.P. Eckert, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de
periode van 1 januari 2014 tot en met 18 september 2015, in de gemeente
Oldambt, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer
anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld, bereid,
bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd en/of
aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid cocaïne,
zijnde cocaïne (telkens) een middel in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en
als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens
artikel 3a, vijfde lid van die wet;
art 2 ahf/ond B Opiumwet
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
art 10 lid 4 Opiumwet

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde gevorderd. Hij acht het medeplegen van het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben van cocaïne in de periode van 1 januari 2014 tot en met 18 september 2015 bewezen. Hij acht het wettig en overtuigend bewijs geleverd op grond van de belastende betrouwbare verklaringen van [getuige] , in combinatie met het zogenoemde “kasboek” en de opgenomen (OVC)gesprekken en observaties. De officier van justitie verwijst met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige] naar het door deze rechtbank op 1 augustus 2017 in de zaak tegen hoofdverdachte [medeverdachte] gewezen vonnis. In dat vonnis heeft de rechtbank die verklaringen (grotendeels) betrouwbaar geacht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte heeft aangegeven niet te hebben gedeald, maar cocaïne te hebben gekocht voor eigen en gezamenlijk gebruik met anderen. Het betroffen dan ook, volgens verdachte, gebruikershoeveelheden.

Indien, anders dan de raadsman primair heeft betoogd, toch van de verklaring van [getuige] wordt uitgegaan, dan bestaan er aanwijzingen dat de hoeveelheid cocaïne en bedragen voorkomende in het kasboek door [getuige] zijn vermeerderd en verhoogd. Dit in verband met de schulden die verdachte aan [medeverdachte] had, vermeerderd met de door [medeverdachte] vastgestelde rente over die schulden, een en ander voortvloeiend uit de aan verdachte te wijten verdwijning van een halve kilo coke. Er is mogelijk ook misbruik van verdachte gemaakt, doordat hij werd opgelicht of afgeperst, of doordat er dwang op hem werd uitgeoefend. Er dient daarom volgens dit scenario dan ook te worden uitgegaan van een kleinere hoeveelheid cocaïne en van een kortere periode dan is tenlastegelegd.

Oordeel van de rechtbank

Over het bewijs in deze zaak merkt de rechtbank het volgende op.

Kasboek

Verdachte kwam onder de aandacht van de politie naar aanleiding van de resultaten van een onderzoek, uitgevoerd in 2015, waarbij grootschalige invoer en (internationale) handel in drugs door vijf verdachten is onderzocht, het zogenoemde Maggiora I-onderzoek. Bij de huiszoekingen in dat onderzoek heeft de politie op 18 september 2015 in de woning van [medeverdachte] , hoofdverdachte in het Maggiora I-onderzoek, een laptop in beslag genomen, die eigendom was van [getuige] , medeverdachte in dit Maggiora I-onderzoek. In die laptop is een digitaal bestand aangetroffen dat in het onderzoek "het kasboek" is gaan heten en dat de rechtbank hierna ook met die term zal aanduiden. [getuige] heeft daarover verklaard dat het kasboek de - uitsluitend door hem bijgehouden - administratie bevat van de handel in drugs in Nederland van [medeverdachte] . De personen die daarin zijn opgenomen namen grotendeels in dealerhoeveelheden drugs af van [medeverdachte] . Het ging daarbij voornamelijk om cocaïne. In gevallen waarin deze personen het verschuldigde bedrag voor de afgenomen drugs niet direct betaalden, maar dit op krediet kochten, werden zij door [getuige] opgenomen in dit "kasboek", zodat er een overzicht was van welke personen nog bedragen schuldig waren aan [medeverdachte] .

[getuige] heeft in 38 verklaringen een toelichting gegeven over de drugshandel.

Op 1 augustus 2017 is [getuige] veroordeeld voor zijn aandeel in de drugshandel.

Bewijs

Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring is de verklaring van één getuige onvoldoende. Er zal minimaal nog één ander bewijsmiddel beschikbaar moeten zijn. De getuigenverklaring en dat andere bewijsmiddel moeten afkomstig zijn van verschillende bronnen. Als het gaat om verklaringen wordt als bron beschouwd de persoon die de verklaring heeft afgelegd. Het kasboek werd uitsluitend door [getuige] bijgehouden. Het kasboek en de verklaringen van [getuige] waarin hij het gebruik van dit kasboek toelicht, moeten daarom worden beschouwd als zijnde afkomstig van dezelfde bron.

Verdachte staat onder zijn eigen naam vermeld in het kasboek.

Naast het kasboek en de verklaringen van [getuige] is in het dossier aanvullend bewijs aanwezig in de vorm van drugsgerelateerde (OVC)gesprekken met of over verdachte. Tevens is er een observatieverslag waarbij verdachte samen met de hoofdverdachten [getuige] en [medeverdachte] in een personenauto zit.

Gezien dit steunbewijs komt de rechtbank toe aan de vraag of de verklaringen van [getuige] waarin het gaat over het kasboek, betrouwbaar zijn.

De verdediging heeft aangevoerd dat het kasboek en de verklaringen van [getuige] niet geheel betrouwbaar zijn. De raadsman heeft daartoe het hiervoor beschreven alternatief scenario geschetst, waarbij [getuige] -kort gezegd- de afgenomen hoeveelheid cocaïne heeft "opgeplust" in verband met een verdwijning van een halve kilo cocaïne waarvoor verdachte verantwoordelijk werd gehouden.

De officier van justitie heeft betoogd dat het kasboek en de verklaringen van [getuige] wel betrouwbaar zijn. Hij heeft daartoe verwezen naar het vonnis van deze rechtbank gewezen in de zaak van de hoofdverdachte [medeverdachte] van 1 augustus 2017 (ECLI:NL:RBNNL:2017:2946). De officier van justitie heeft hierbij gewezen op het feit dat de rechtbank in dit vonnis de vraag of de verklaringen van [getuige] betrouwbaar zijn, grotendeels bevestigend heeft beantwoord.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank moet thans over de zaak van deze verdachte oordelen en beschikt daarbij niet over de door de rechtbank in het vonnis van [medeverdachte] genoemde bewijsmiddelen die voor de "betrouwbaarheidstoetsing" zijn gebruikt, aangezien het dossier Maggiora I niet is gevoegd bij het dossier van verdachte [verdachte] . Ten aanzien van verdachte is een specifiek op deze verdachte toegesneden dossier samengesteld. In dit dossier bevindt zich een beperkt deel van het dossier Maggiora I. Ook de veroordelende vonnissen die zijn gewezen in Maggiora I vormen geen onderdeel van het dossier van verdachte. Vanzelfsprekend zal de rechtbank in de zaak van verdachte slechts tot een oordeel kunnen komen op basis van de zich in het dossier van deze verdachte bevindende stukken. De rechtbank moet zich per verdachte een zelfstandig oordeel vormen over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige] in deze zaak en daarmee over het kasboek. Een enkele verwijzing naar het vonnis van [medeverdachte] , zoals de officier van justitie doet in zijn requisitoir, is niet voldoende om te oordelen dat de verklaringen betrouwbaar zijn. De betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige] is immers vastgesteld in een andere kamer, bij een andere verdachte en op basis van een ander (veel omvangrijker) dossier. Nog daargelaten dat het betreffende vonnis niet aan het dossier is toegevoegd, en evenmin zoals de officier van justitie van mening lijkt te zijn een feit van algemene bekendheid is, is een vonnis op zichzelf geen bewijsmiddel waar het gaat om het rechterlijk oordeel dat daarin is vervat.

De betrouwbaarheid moet dus separaat in deze zaak worden beoordeeld.

Voor zover het opmerkingen in het kasboek en verklaringen over deze verdachte betreft gaat de rechtbank uit van de betrouwbaarheid van het kasboek en de verklaringen van [getuige] . De inhoud is namelijk te verifiëren aan de hand van de verklaringen van verdachte zelf over bijvoorbeeld de koop van de door hem genoemde tabletteermachine (in het kasboek vermeld als "apparaten") en de door verdachte afgenomen magnesium waarover hij eveneens in overeenstemming met het kasboek heeft verklaard.

Ter toelichting op hetgeen hierna volgt merkt de rechtbank op dat uit de verklaring van [getuige] van 2 december 2015 blijkt dat een bekende van verdachte er zonder te betalen vandoor is gegaan met ongeveer een halve kilo cocaïne, die verdachte nog had moeten betalen aan [medeverdachte] . Verdachte moest de waarde van deze halve kilo aan [medeverdachte] betalen, met daarbij nog een boete van 25% van de waarde van de cocaïne in verband met het verlies, aldus de verklaring van [getuige] .

Mede gezien deze gebeurtenis leest de rechtbank het kasboek als volgt. Het gedeelte van het kasboek dat over verdachte gaat start met de vermelding van 655 gram. Uit de verklaring van [getuige] van 29 oktober 2015 volgt dat met grammen altijd cocaïne wordt bedoeld. Deze hoeveelheid stemt nagenoeg overeen met de verloren 500 gram, vermeerderd met 25% daarvan (150 gram), zijnde de door [getuige] bedoelde boete. De rechtbank gaat ervan uit dat [getuige] dit bij verdachte in het kasboek heeft gezet als zogenoemde "startschuld", die niet is weergegeven in geld, maar in grammen cocaïne; de rechtbank gaat ervan uit dat de 655 gram cocaïne een bedrag vertegenwoordigt dat verdachte moest terugverdienen door cocaïne te verhandelen tot in ieder geval deze hoeveelheid.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte voor dat doel in totaal 793 gram cocaïne van [medeverdachte] afgenomen (verdeeld over zes afnames: 175, 65, 150, 386, 150 en 75 gram). Verdachte heeft, zo blijkt uit het kasboek, 208 gram teruggebracht, die niet is meegeteld. Uit de in het kasboek opgenomen bedragen die verdachte aan [medeverdachte] heeft betaald, blijkt dat verdachte daadwerkelijk (deze) drugs heeft verkocht. De rechtbank gaat bij de bewezenverklaring daarom uit van 793 gram cocaïne.

Dit alternatieve scenario vindt voldoende steun in het kasboek en in de OVC-gesprekken die zich in het dossier bevinden, zodat de rechtbank daarvan uitgaat.

De rechtbank acht het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte van het medeplegen vrijspreken, nu daar onvoldoende aanknopingspunten in het dossier aanwezig zijn.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Door verdachte is op de terechtzitting van 6 december 2018 verklaard dat hij weleens cocaïne heeft gekocht bij [getuige] en [medeverdachte] .

Uit het naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland met nummer 03DRW14013-MAGGIORA d.d. 14 juni 2016 (PV1), blijkt verder het volgende.

Op 18 september 2015 is tijdens een zoeking van team Maggiora in de woning van een verdachte aan het [straatnaam] te Meppel een laptop van het merk Lenovo, type G50-70 in beslag genomen. Deze laptop is onderzocht door het Team Digitale Expertise Noord Nederland. Op de digitale bestanden zijn lijsten met getallen, hoeveelheden, bedragen, namen en initialen aangetroffen. Deze bestanden zijn door de verbalisanten aangeduid als ‘het kasboek’.1 Door de belastingdienst/FIOD is een analyse gemaakt van de bestanden.2 In het kasboek staan onder de naam [verdachte] 13 verschuldigde bedragen, totaal 1.656 gram afgenomen product, 17 betalingen/verrekeningen, totaal verschuldigd € 55.162, totaal betaald € 53.162, nog verschuldigd € 2.000. Daarnaast staat verdachte [verdachte] nog in een ander tabblad van het kasboek voor € 9.500 verschuldigd.

Een verdachte in het onderzoek, [getuige] , is over het kasboek gehoord door de verbalisanten en heeft -zakelijk weergegeven- verklaard dat het zijn laptop betreft en dat hij het kasboek beheerde. Hij heeft uitleg gegeven over de getallen, namen en afkortingen die in het kasboek zijn opgenomen. Het betreft de administratie, aldus [getuige] , waarbij het gaat om afnemers van drugs, vooral cocaïne, die het verschuldigde bedrag voor de door verdachte geleverde drugs niet gelijk betaalden. In het kasboek staan de bedragen opgenomen die de verschillende afnemers van drugs nog aan verdachte verschuldigd zijn voor de leveringen door verdachte. [getuige] heeft ten aanzien van een aantal in het kasboek vermelde afnemers aangegeven welke drugs, in welke hoeveelheden en met welke frequentie door ieder van hen werden gekocht en afgenomen.3 [getuige] verklaart dat aan verdachte [verdachte]4 een hoeveelheid van een halve kilo coke is geleverd, waarvoor hij een bedrag van 29.000,- euro heeft betaald. Ook staat in het kasboek dat [verdachte] in Winschoten woont op de [straatnaam] . [verdachte] doet Winschoten, Groningen en meer in die hoek.

[getuige] heeft verder in zijn verklaring5 aangegeven dat verdachte 100 gram tot een kilo cocaïne afnam, 27 à 32 euro per gram.

[getuige] herkent de hem bekende [verdachte] van een getoonde foto van verdachte [verdachte] .6 [verdachte] kocht coke van [medeverdachte] ) voor de handel en hij heeft een groot netwerk.

In 2015 zijn er in het kader van het opsporingsonderzoek onder meer telefoons getapt en OVC-gesprekken opgenomen tussen onder andere eerdergenoemde verdachten [medeverdachte] en [getuige] .7 Uit de OVC en tapgesprekken en het kasboek zijn overeenkomsten te vinden met genoemde data, de eenheden en de naam [verdachte] .

In een tapgesprek op 28 augustus 20158wordt door [medeverdachte] tegen [getuige] gezegd

dat hij dacht dat hij 7000 euro kreeg van [verdachte] . [getuige] zegt dat het volgens hem zo is en dat hij morgen alles op de computer even gaat afmaken en dan bekijken ze het even weer goed. In een opgenomen gesprek op 9 mei 2015 in de auto zegt [medeverdachte]9 tegen [verdachte] (geritsel) "daar maak je me blij mee … hoeveel dit is." [verdachte] antwoordt met "duizend is genoeg" (geritsel). Later die dag zegt [medeverdachte] tegen zijn vriendin [naam 1] dat [verdachte] hem een envelop met geld (geritsel) heeft gegeven. In een gesprek op 23 mei 201510 zegt [medeverdachte] tegen [getuige] : ' [verdachte] 39

en een half, betaald, 27, hij krijgt nog drie van mij en die nieuwe dan. 52 honderd en moest nog dik 7'. In een gesprek op 3 juli 201711 met verdachte zegt [medeverdachte] dat [verdachte] naar [naam 2] moet gaan en 10 van die dingen moet pakken. [medeverdachte] heeft iemand die er helemaal gek op is. [verdachte] zal dat doen. Uit een gesprek op 8 augustus 201812 blijkt, dat [medeverdachte] met [naam 3] belt. [medeverdachte] is aan het tellen: '4 + 7 ... ongeveer 7 1/2 .... ongeveer 7 a 8 + 4 = 11 + [verdachte] '. [getuige] zegt dat het 16200 is. [medeverdachte] zegt dat het ieder 30.000 is. [medeverdachte] zegt dat hij geld uit de bar gaat pakken.

Verdachte verklaart in zijn verhoor [getuige] en [medeverdachte] te kennen13.

Hij heeft wel eens coke -2 of 3 keer- van [medeverdachte] gekocht in 2015. De laatste keer was in augustus 2015. Verdachte verklaart verder niet veel te "verkopen". De vrienden lapten geld en dan ging verdachte het ophalen.14

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op verschillende tijdstippen, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 18 september 2015, in Nederland, telkens opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd en vervoerd en
aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden. De officier van justitie heeft bij de formulering van zijn eis rekening gehouden met het tijdsverloop tussen plegen van de feiten en de berechting.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de redelijke termijn voor berechting is geschonden, en dat daar in de strafmaat rekening mee dient te worden gehouden. Daarbij komt volgens de raadsman dat de aantallen grammen cocaïne voorkomende in het kasboek niet juist zijn, maar zijn opgehoogd vanwege een schuld die verdachte moest afbetalen en dat er mogelijk misbruik is gemaakt van verdachte doordat hij is opgelicht of afgeperst.

Hij heeft gepleit voor het opleggen van een werkstraf en een eventuele voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en controle op middelengebruik.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft aangevoerd.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen verkopen, afleveren, vervoeren en het aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne. Het gaat daarbij om een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De verspreiding van en handel in cocaïne gaat veelal gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, terwijl ook het gebruik ervan vaak gepaard gaat met door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stoffen, hetgeen vaak overlast voor de samenleving met zich brengt. Het betreft in dit geval een zo grote hoeveelheid dat sprake is van een zogenaamde handelshoeveelheid.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, meermalen eerder terzake van overtreding van de Opiumwet is veroordeeld. De rechtbank betrekt tevens bij de strafbepaling dat het relatief oude feiten betreffen, deze kennelijk (gedeeltelijk) onder een bepaalde dwang zijn gepleegd en dat er een kleinere hoeveelheid is gedeald gedurende een kortere periode dan is ten laste gelegd. De rechtbank houdt bovendien rekening met de persoonlijkheid van verdachte, zoals die ter zitting en uit de reclasseringsrapportage is gebleken. Verdachte heeft in het verleden een hersenbeschadiging opgelopen en is daardoor arbeidsongeschikt geworden.

Rekening houdend met voormelde overwegingen is de rechtbank van oordeel dat -aansluiting zoekend met oriëntatiepunten voor de straftoemeting- een werkstraf voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, passend en geboden is. Het voorwaardelijke strafdeel dient als waarschuwing aan de verdachte, teneinde te voorkomen dat de verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten. Daarnaast zal aan dit strafdeel, ter voorkoming van recidive, als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de VNN-reclassering, worden verbonden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd dient te melden bij de reclassering-VNN, Canadalaan 1 te Groningen, telefoon [nummer] . Hij moet zich hier blijven melden op afspraken zo vaak en zolang de reclassering dit nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren.

een taakstraf voor de duur van 180 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf, bestaande uit onbetaalde arbeid, niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Läkamp, voorzitter, mr. B.I. Klaassens en mr. M. van den Steenhoven, rechters, bijgestaan door J. Hoogeveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 januari 2019.

1 pag. 52 e.v. en 56 e.v. van PV1

2 pag. 94 e.v.

3 pag. 71.e.v.

4 pag. 70 e.v.

5 pag. 137 e.v.

6 pag. 150

7 pag. 158 e.v.

8 pag. 159

9 pag. 303

10 pag. 222 e.v.

11 pag. 223

12 pag. 215

13 pag. 282 e.v.

14 pag. 289