Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1878

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
03-05-2019
Zaaknummer
C/17/165161 KG RK 19-30
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Rekestprocedure
Wraking
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Wraking wegens procesbeslissing.

Verzoek afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

LOCATIE LEEUWARDEN

WRAKINGSKAMER

Procedurenummer: C/17/165161 / KG RK 19-30

Datum uitspraak: 13 februari 2019

Uitspraak op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, inzake het door:

[naam],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen [verzoeker],

ingediende verzoek tot wraking van mr. F. van der Meulen, rechter bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.

1 Procesverloop

1.1.

[verzoeker] heeft bij e-mailbericht van 29 januari 2019 mr. Van der Meulen gewraakt in de zaak met zaak-/rolnummer C/17/161093 /FA RK 18-632.

1.2.

Mr. Van der Meulen heeft bij brief, ingekomen ter griffie op 29 januari 2019, te kennen gegeven niet in de wraking te berusten.

1.3.

Bij e-mailbericht van 30 januari 2019 heeft [verzoeker] een nadere productie overgelegd.

1.4.

[verzoeker] heeft bij e-mailbericht van 5 februari 2019 nog een nadere toelichting gegeven op zijn wrakingsverzoek. Daarbij heeft hij tevens zijn ongenoegen geuit over het feit dat het tijdstip waarop de mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking zal plaatsvinden zonder overleg met hem tot stand is gekomen.

1.5.

Het wrakingsverzoek is aan de orde gesteld ter zitting van de meervoudige wrakingskamer van 11 februari 2019. [verzoeker] noch mr. Van der Meulen zijn - zoals tevoren door hen aangekondigd - ter zitting verschenen.

2 Overwegingen

2.1.

De wrakingskamer overweegt vooreerst dat er ingevolge het wrakingsprotocol van de rechtbank Noord-Nederland met betrekking tot het plannen van het tijdstip waarop de mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking plaatsvindt, geen rekening gehouden hoeft te worden met verhinderdata van partijen. Dit vanwege het feit dat de wrakingskamer de voortgang van de procedure dient te bewaken

2.2.

Ingevolge artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2.3.

[verzoeker] heeft ter onderbouwing van zijn wrakingsverzoek het navolgende gesteld.

Op 28 januari 2019 heeft zijn voormalige advocaat [verzoeker] laten weten hem niet langer bij te staan in de door zijn (thans nog) echtgenote aanhangig gemaakte verzoekschriftprocedure tot het uitspreken van een echtscheiding. Hierop is mr. Van der Meulen namens [verzoeker] verzocht de op 31 januari 2019 geplande mondelinge behandeling uit te stellen teneinde hem in de gelegenheid te stellen een nieuwe advocaat te benaderen. Mr. Van der Meulen heeft dit verzoek geweigerd, waardoor hem, aldus nog steeds [verzoeker], ten onrechte niet de mogelijkheid is geboden zich ter zitting te laten vertegenwoordigen door een advocaat. Dit, terwijl de advocaat van zijn echtgenote had aangeven het ook wenselijk te vinden dat de geplande behandeling niet door zou gaan.

2.4.

Mr. Van der Meulen heeft tot haar verweer aangevoerd dat er geen sprake is van een wrakingsgrond, daar het hier enkel een procedurele beslissing betreft die, aldus Van der Meulen, niet zodanig onbegrijpelijk is dat hieruit een zwaarwegende aanwijzing volgt voor partijdigheid. Van der Meulen stelt dat het haar van belang leek om in deze procedure, die al sinds mei 2018 loopt, de voortgang te bewaken door op de zitting op 31 januari 2019 een nadere toelichting van [verzoeker] te vragen ten aanzien van de reden waarom hij geen advocaat heeft. Mr. van der Meulen voert voorts aan dat als zij het uitstelverzoek zonder meer gehonoreerd had, dit ertoe zou leiden dat partijen nog langer zouden moeten wachten op een beslissing omtrent de echtscheiding. Zou tijdens de mondelinge behandeling blijken dat de reden voor de onttrekking en het procesbelang van [verzoeker] zodanig zijn dat aanhouding nodig is, dan had, zo stelt mr. Van der Meulen, zij de procedure aangehouden om hem in de gelegenheid te stellen een andere advocaat te zoeken. Er is dus geen sprake van dat [verzoeker] door de beslissing wordt geschaad in zijn procespositie.

2.5.

De wrakingskamer oordeelt als volgt. De aanleiding voor het wrakingsverzoek is de beslissing van de rechter om de geplande mondelinge behandeling van een echtscheidingsverzoek en een verdelingsverzoek niet op voorhand aan te houden. Die beslissing is een procesbeslissing. Een als negatief ervaren procesbeslissing is in het algemeen geen grond voor toewijzing van een verzoek tot wraking van de rechter die deze beslissing heeft genomen. Grond voor wraking bestaat alleen als in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval de rechter een beslissing heeft genomen die zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven, althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. De beslissing van de zittingsrechter om de geplande mondelinge behandeling niet op voorhand aan te houden kan naar het oordeel van de wrakingskamer niet als een dergelijke onbegrijpelijke beslissing als hiervoor genoemd worden aangemerkt, nu een mondelinge behandeling meerdere doeleinden kan hebben, waaronder het bespreken van de ontstane situatie. Het wrakingsverzoek tegen mr. Van der Meulen zal dan ook worden afgewezen.

3 De beslissing

De wrakingskamer:

3.1.

wijst het verzoek tot wraking af;

3.2.

bepaalt dat de procedure met zaaknummer C/17/159760/ FA RK 18-260 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;

3.3.

beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan partijen en aan de belanghebbende in de procedure.

Deze uitspraak is gewezen door mr. M. Jansen, voorzitter, mr. E.Th.M. Zwart-Sneek en

mr. C.W. Couperus-van Kooten, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2019, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Fokkens-Kelder als griffier.