Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1876

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-03-2019
Datum publicatie
03-05-2019
Zaaknummer
C19/125587 KG RK 19-7
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Rekestprocedure
Wraking
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

wraking, verzoek ontijdig gedaan, verzoeker is niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Assen

Wrakingskamer

Zaaknummer: C19/125587/KG RK 19/7

Beslissing van 14 maart 2019

van de meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen,

inzake het door

[naam] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: verzoeker,

advocaat mr. H.J. Griede.

ingediende verzoek strekkende tot wraking van

mr. L.G. Groefsema,

rechter bij deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

1 De procedure

1.1.

[verzoeker] is gedaagde in de zaak aanhangig gemaakt bij deze rechtbank met zaaknummer C/19/121772 HA ZA 18-027. In deze zaak heeft op 14 september 2018 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben destijds ter zitting een regeling getroffen, welke is vastgelegd in een door beide partijen ondertekend proces-verbaal van de zitting. De zaak is aangehouden voor twee maanden en partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich bij akte op de rolzitting van 14 november 2018 uit te laten. De wederpartij van verzoeker heeft de rechter op die datum bericht dat verzoeker geen uitvoering aan de getroffen regeling had gegeven en verzocht vonnis te wijzen. Verzoeker heeft op diezelfde datum aan de rechter verzocht om aan hem uitstel te verlenen voor het indienen van een nadere akte, met als reden dat trieste persoonlijke omstandigheden tot een voor hem onuitvoerbare minnelijke regeling hebben geleid. Dat uitstel is verleend, in eerste instantie tot 11 december 2018 en daarna - in verband met ziekte - tot 23 januari 2019. Op de rolzitting van 23 januari 2019 heeft [verzoeker] een antwoordakte, tevens verzoek tot wraking, ingediend.

1.2.

De rechter heeft bij brief van 1 februari 2019, binnengekomen ter griffie op 1 februari 2019, gereageerd. De rechter heeft aangegeven niet in het wrakingsverzoek te berusten.

1.3.

Het wrakingsverzoek is ter zitting van de wrakingskamer van 7 maart 2019 behandeld. Verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, is ter zitting verschenen en heeft het verzoek toegelicht. De rechter is - met kennisgeving - niet verschenen.

2 Het wrakingsverzoek en het standpunt van de rechter

2.1.

Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn verzoek aangevoerd dat zijn advocaat tijdens de mondelinge behandeling onvoldoende ruimte van de rechter heeft gekregen om zijn kant van het verhaal te doen. Zijn advocaat mocht slechts kort het woord voeren en werd midden in zijn verhaal door de rechter afgekapt. De rechter had zijn oordeel al klaarliggen. Daardoor leek het sluiten van een vaststellingsovereenkomst - die voor verzoeker op zichzelf niet ongunstig was - de beste optie. Naderhand bleek dit niet zo te zijn omdat [verzoeker] er door verschillende omstandigheden, waaronder de gezondheid van hemzelf en zijn echtgenote, niet in slaagde om de getroffen regeling uit te voeren. Daarnaast heeft verzoeker na de mondelinge behandeling nadere informatie gekregen die zijn twijfel over de eerlijkheid en oprechtheid van zijn wederpartij min of meer bevestigt. Nu [verzoeker] de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen, zal de rechter vonnis wijzen in de zaak. [verzoeker] heeft stellig de indruk dat er geen sprake is van onpartijdigheid van de rechter. Hij heeft daardoor geen vertrouwen meer in de rechter.

2.2.

De rechter heeft zich op het standpunt gesteld dat [verzoeker] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek nu hij het wrakingsverzoek pas vijf maanden na de mondelinge behandeling heeft ingediend. Voor zover [verzoeker] wel ontvankelijk wordt verklaard, is de rechter van mening dat er - kort gezegd - geen sprake is van (schijn van) partijdigheid aan zijn zijde. De rechter geeft aan dat hij partijen slechts heeft meegedeeld dat er sprake is van een bod dat een aantal maanden heeft stilgelegen en vervolgens door de wederpartij van verzoeker is aanvaard en daarna heeft gevraagd of de zitting moest worden geschorst om over een onderlinge regeling te spreken, wat zij hebben gedaan.

3 Beoordeling

3.1.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.

3.2.

Artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat het wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de omstandigheden die tot het verzoek aanleiding hebben gegeven, zich hebben voorgedaan. Dit laatstbedoelde artikellid borgt daarmee dat het ernstige gebrek dat aan de behandeling van een zaak kleeft wanneer de onpartijdigheid van een rechter in twijfel wordt getrokken, direct kenbaar wordt gemaakt. In de wetsgeschiedenis van artikel 37, eerste lid, Rv (MvT, Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 66) staat dienaangaande dat een wrakingsverzoek kan worden ingediend in elke stand van het geding, dus ook nog na afloop van de behandeling omdat het zeer wel mogelijk is dat dan pas feiten of omstandigheden blijken waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.3.

Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de grond voor het wrakingsverzoek is gelegen in hetgeen zich tijdens de mondelinge behandeling in de procedure met nummer C/19/121772/ HA ZA 18/27, op 14 september 2018, heeft voorgedaan. Met het sluiten van een vaststellingsovereenkomst ter zitting leek het erop dat de zaak tussen partijen was beƫindigd. Onder deze omstandigheid acht de wrakingskamer het begrijpelijk en gerechtvaardigd dat [verzoeker], ondanks zijn bezwaren tegen de wijze waarop de zaak door de rechter ter zitting werd behandeld, niet tijdens of kort na de zitting een wrakingsverzoek heeft ingediend zoals artikel 37

Rv vereist. Echter, op de rolzitting van 14 november 2018 heeft de wederpartij van verzoeker de rechter verzocht om alsnog vonnis te wijzen. Verzoeker was er vanaf dat moment van op de hoogte dat de rechter de behandeling van de zaak zou voortzetten. Eerst op 23 januari 2019, ruim twee maanden na het verzoek van de wederpartij om vonnis te wijzen en zijn eigen verzoek aan de rechter om een nadere akte te mogen nemen, heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek ingediend. Dat is naar het oordeel van de wrakingskamer wel (veel) te laat. De door verzoeker aangevoerde persoonlijke omstandigheden en de door zijn advocaat aangevoerde redenen brengen niet mee dat de te late indiening van het wrakingsverzoek verschoonbaar is.

3.4.

Het voorgaande leidt ertoe dat verzoeker niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn wrakingsverzoek. Aan een inhoudelijke beoordeling van de wrakingsgronden komt de rechtbank niet toe.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek;

4.2.

bepaalt dat de procedure met nummer C/19/121772/HA ZA 18/27 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;

4.3.

beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan partijen.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.E. van Rossum, voorzitter, mr.. J.S. Bartstra en mr. E.W. van Weringh, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2019.

coll: md

de griffier de voorzitter