Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1870

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
09-05-2019
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2665
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2020:6639, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV 2011. Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag IB/PVV de afschrijving op een drietal erfpachtrechten gecorrigeerd. De rechtbank is van oordeel dat eiser het recht op te komen tegen deze correcties niet heeft prijsgegeven. Naar het oordeel van de rechtbank maakt eiser voor twee van de drie erfpachtrechten niet aannemelijk dat deze aan het einde van de looptijd geen waarde meer hebben. Verweerder heeft daarom op goede grond de afschrijving van deze erfpachtrechten gecorrigeerd. Voor het derde erfpachtrecht is tussen partijen in beroep niet meer in geschil dat eiser op dit erfpachtrecht kan afschrijven. De rechtbank ziet geen aanleiding partijen hierin niet te volgen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-05-2019
FutD 2019-1301
V-N Vandaag 2019/1118
NTFR 2019/1482 met annotatie van R.S. Bekker
V-N 2019/34.2.1
NLF 2019/1187 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/2665

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 mei 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde eiser] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Emmen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister.

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2011 met dagtekening 11 december 2015 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 110.691. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 2.198 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar van 26 mei 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [echtgenote] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam] . Ter zitting zijn gelijktijdig met de onderhavige zaken de zaken van [echtgenote] met zaaknummers 16/2666 en 16/2667 behandeld. Eiser en verweerder hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan aan elkaar en aan de rechtbank overgelegd. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen een taxatierapport dat ziet op het erfpachtrecht van 21 december 1995 te overleggen en onderling af te stemmen waarop het belastbaar inkomen uit werk en woning dient te worden vastgesteld bij de verschillende, ter zitting besproken mogelijke uitkomsten.

Bij op 23 april 2019 ontvangen brief heeft verweerder aan de rechtbank medegedeeld dat partijen overleg hebben gevoerd over de berekeningen van het verzamelinkomen indien de erfpachtenrechten afschrijfbaar zouden zijn. Daarbij heeft verweerder de verschillende berekeningen overgelegd en tevens onder meer medegedeeld dat tussen partijen niet meer in geschil is dat:

- het erfpachtrecht van [B] afschrijfbaar is,

- dat erfpachtrecht van [B] in 2011 is geëindigd, en

- dat de (resterende) boekwaarde in dat jaar tot het resultaat moet worden gerekend.

Eiser heeft per faxbericht met dagtekening 29 april 2019 aan de rechtbank laten weten in te stemmen met de door verweerder overgelegde berekeningen van het verzamelinkomen. Daarnaast heeft eiser in dit faxbericht aangegeven zijn standpunt met betrekking tot de inhaalafschrijvingen over eerdere jaren in te trekken.

De rechtbank heeft daarop, zoals met partijen op 5 februari 2019 was afgesproken, het onderzoek gesloten en uitspraak bepaald op heden.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser drijft een landbouwonderneming in de vorm van een maatschap samen met zijn echtgenote (verder: [de maatschap] ). De activiteiten bestaan uit de verbouw van akkerbouwgewassen. De winstverdeling is 50/50.

1.2.

Op 6 januari 1994 heeft eiser van zijn vader een op 7 december 1990 gevestigd erfpachtrecht, gekocht voor ƒ 131.603 (zijnde circa € 59.718, verder: het [A] -erfpachtrecht). Dit erfpachtrecht eindigde op 30 november 2016. In artikel 22 van de erfpachtakte was opgenomen dat de pachter het recht had om de grond aan het einde van erfpachtperiode te kopen tegen 85 % van de dan geldende vrije marktwaarde.

1.3.

Op 21 december 2015 heeft eiser van zijn vader twee in juni 1962 gevestigde erfpachtrechten gekocht voor een bedrag van ƒ 59.500 (zijnde circa € 27.000, verder: het [B] -erfpachtrecht).

1.4.

Op 2 december 2008 heeft eiser een erfpachtrecht met een looptijd van 30 jaar verkregen voor € 104.679 (verder: het [C] -erfpachtrecht). De verkrijgingsprijs van dit erfpachtrecht bedroeg 18 % van de waarde vrij te aanvaarden ten tijde van de vestiging. In artikel 23 van de erfpachtakte is opgenomen dat eiser het recht heeft om de grond aan het einde van de erfpachtperiode te kopen tegen 85 % van de dan geldende vrije marktwaarde.

1.5.

Eiser heeft aangifte IB/PVV over 2011 ingediend naar uitsluitend een inkomen uit werk en woning van € 78.208. Bij de berekening van de winst uit onderneming uit [de maatschap] heeft eiser rekening gehouden met een afschrijving op de in 1.2. en 1.3. genoemde erfpachtrechten van € 1.063. Op het in 1.4. genoemde erfpachtrecht heeft eiser € 1.744 afgeschreven.

1.6.

Verweerder is bij het opleggen van de aanslag afgeweken van de aangifte van eiser en heeft de aanslag IB/PVV 2011 opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 110.691. Verweerder heeft hierbij de afschrijving van de erfpachtrechten volledig gecorrigeerd.

1.7.

Verweerder heeft bij de vaststelling van het belastbaar inkomen over 2008, 2009 en 2010 de afschrijving op het erfpachtrecht dat is gevestigd op 2 december 2008 (zie 1.4.) gecorrigeerd. In 2010 heeft verweerder tevens de afschrijving op de in 1.2. en 1.3. genoemde erfpachtrechten gecorrigeerd.

Geschil en beoordeling

2. Tussen partijen was tot het op 23 april 2019 ontvangen schrijven van verweerder in geschil het antwoord op de vraag of verweerder op goede grond de afschrijving van de erfpachtrechten heeft gecorrigeerd.

2.1.

Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend. Daarnaast verzoekt eiser om toekenning van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en om vergoeding van de proceskosten.

2.2.

Verweerder beantwoorde deze vraag daarentegen tot de op 23 april 2019 ontvangen brief voor alle erfpachtrechten bevestigend en stelde voorts dat sprake is van rechtsverwerking.

Rechtsverwerking:

3. De meest vergaande stelling van verweerder is dat eiser het recht om op te komen tegen de correctie van de afschrijving van de erfpachtrechten heeft prijsgegeven. Eiser stelt dat hiervan geen sprake is. De rechtbank is van oordeel dat niet voor juist kan worden gehouden dat eiser het recht om op te komen tegen deze correcties heeft prijsgegeven. Concrete feiten en omstandigheden waaruit dit eenduidig en onvoorwaardelijk zou volgen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet gesteld of gebleken. Zo is in de brief van 18 februari 2016 waar verweerder zich in dit verband op beroept, door eiser expliciet aangegeven dat vooralsnog akkoord wordt gegaan met de correctie met betrekking tot de afschrijving erfpachtrecht. Uit het feit dat eiser vervolgens niet heeft gereageerd op de daarop volgende brief van verweerder van april 2016, houdende de voorgenomen afhandeling van het bezwaar, kan voorts niet worden afgeleid dat eiser dat voorbehoud heeft laten vallen. Dit te meer nu daarbij niet aan alle bezwaren volledig tegemoet is gekomen. Uit het ingestelde beroep blijkt ook het tegendeel. Uit het feit dat eiser zijn beroep betreffende de aanslag IB/PVV 2010 heeft ingetrokken kan evenmin zonder meer worden afgeleid dat eiser akkoord is gegaan met de correctie van de afschrijving van de erfpachtrechten. Voor die intrekking kunnen diverse redenen zijn geweest en gesteld, noch gebleken is dat dit is geschied omdat eiser zich -bij nader inzien- kon verenigen met de correctie van de afschrijving van de erfpachtrechten.

Afschrijving op de erfpachtrechten:

4. Uit vaste rechtspraak volgt dat op een erfpachtrecht kan worden afgeschreven gedurende de looptijd van dit erfpachtrecht, tenzij het erfpachtrecht eeuwigdurend is (zie Hof Arnhem 28 februari 1979, ECLI:NL:GHARN:1979:AX0188) en daarom niet in waarde vermindert. Daarnaast kan op een erfpachtrecht waarbij een terugkooprecht aan het einde van de looptijd is overeengekomen, niet worden afgeschreven, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is van een waardedaling van het erfpachtrecht met het terugkooprecht. Dit, omdat het opgeofferde bedrag zowel op de waarde van het erfpachtrecht als op dat van het terugkooprecht ziet (zie Hoge Raad 10 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:BI5514). Nu eiser op de erfpachtrechten wenst af te schrijven, dient hij de waardedaling en de juistheid van de daarop afgestemde afschrijvingen aannemelijk te maken.

5. Over het [B] -erfpachtrecht dat op 21 december 1995 door eiser is gekocht (zie 1.3.) overweegt de rechtbank als volgt. Door verweerder is in de op 23 april 2019 ontvangen brief aangegeven dat niet meer in geschil is dat eiser op dit erfpachtrecht kan afschrijven. De rechtbank ziet geen aanleiding om partijen daar niet in te volgen. Daarbij betrekt de rechtbank dat ter zitting is gebleken dat de looptijd van dit erfpachtrecht op 1 januari 2012 was verlopen, waarna het tot 30 april 2015 stilzwijgend is doorgelopen en eiser het bloot eigendom op 30 april 2015 heeft gekocht tegen 100% van de vrije verkoopwaarde. Gelet op het voorgaande heeft verweerder derhalve de afschrijving op dit erfpachtrecht ten onrechte gecorrigeerd.

6. Over het [C] -erfpachtrecht dat op 2 december 2008 is gevestigd (zie 1.4.) overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd om aannemelijk te maken dat dat erfpachtrecht aan het einde van de looptijd geen waarde meer heeft. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser aan het einde van de looptijd het recht heeft om de grond te kopen tegen 85% van de dan geldende vrije marktwaarde. Hij krijgt derhalve in verband met het erfpachtrecht een korting van 15% op die waarde. Dat, zoals eiser stelt, het niet zeker is dat het erfpachtrecht aan het einde van de looptijd nog dezelfde waarde heeft als bij het vestigen van het erfpachtrecht maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Zoals hiervoor is overwogen (zie 4.) dient eiser aannemelijk te maken dat het erfpachtrecht, mede gelet op het verkregen terugkooprecht, aan het einde van de looptijd geen waarde meer heeft en dat de voorgestane afschrijving is gerechtvaardigd. Dat volgt echter niet uit voormelde stelling van eiser (zie ook Hof Leeuwarden 12 augustus 1994, ECLI:NL:GHLEE:1994:AW1678). Gelet op het voorgaande heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank de afschrijving op dit erfpachtrecht dan ook niet aannemelijk gemaakt. Dat brengt met zich dat verweerder op goede grond de afschrijving van dit erfpachtrecht heeft gecorrigeerd.

7. Over het [A] -erfpachtrecht dat eiser op 6 januari 1994 heeft verkregen (ro. 1.2.) overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft dit erfpachtrecht gekocht voor ƒ 131.603, zijnde circa € 59.718. Dat erfpachtrecht had een looptijd tot 30 november 2016. In de erfpachtakte was opgenomen dat eiser het recht had om de grond aan het einde van erfpachtperiode te kopen tegen 85% van de dan geldende vrije marktwaarde (zie ook 1.2.). Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij geen gebruik heeft gemaakt van dit terugkooprecht. De grond is in 2016 door hem echter wel opnieuw in erfpacht genomen waarbij de heruitgifteprijs is berekend op 15% van de vrije waarde van de grond. De waarde van het blote eigendom van de grond is vastgesteld op 70% van de waarde vrij te aanvaarden (te weten € 54.000 per hectare, zijnde € 612.216 voor het geheel). De jaarlijkse canon is gesteld op 2,6% van de waarde van het blote eigendom en zal jaarlijks worden geïndexeerd. Aan eiser is voorts de mogelijkheid gegeven om het blote eigendom te kopen aan het eind van de looptijd tegen een waarde van 100/2,6 x de dan geldende jaarlijkse canon, maar niet meer dan de vrije waarde. De waarde van het erfpachtrecht is in de akte vastgesteld op € 91.824 (zijnde derhalve circa 15 % van de vrije waarde) en eiser heeft ter zitting ook verteld dat hij daarvoor € 8.100 per hectare heeft betaald. Gelet hierop heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van het door hem in 1994 gekochte erfpachtrecht is verminderd en dat hierop kan worden afgeschreven. Zo volgt uit voormelde gegevens dat de waarde van de grond in 2016 hoger was dan in 1994. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht de afschrijving op dit erfpachtrecht gecorrigeerd.

Conclusie:

8. Uit hetgeen hiervoor is overwogen en beslist volgt dat het beroep gegrond is omdat verweerder ten onrechte de afschrijving van het [B] -erfpachtrecht (zie 1.3. en 5.) heeft gecorrigeerd. Tussen partijen is, zo blijkt uit de op 23 april 2019 ontvangen brief van verweerder en het op 29 april ontvangen faxbericht van eiser, voor die situatie niet in geschil dat het belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen dient te worden vastgesteld op € 98.678.

9. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu de met de beschikking heffingsrente samenhangende aanslag zal worden verminderd, verstaat de rechtbank dat verweerder het bedrag van de heffingsrente dienovereenkomstig zal verminderen.

Immateriële schadevergoeding:

10. Eiser heeft verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert dat in deze zaak de redelijke termijn is overschreden. Het tijdsverloop tussen de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder (11 januari 2016) en de uitspraak van de rechtbank bedraagt drie jaar en circa 4 maanden. Uitgaande van dit tijdsverloop, is de redelijke termijn voor geschilbeslechting van twee jaar dus met één jaar en vier maanden overschreden. Dat leidt tot een immateriële schadevergoeding van € 1.500 (3 maal een half jaar à € 500). De termijnoverschrijding is in zijn geheel aan de rechtbank toe te rekenen. Aldus ziet de rechtbank aanleiding om de Minister te veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.500. Omdat het bedrag van de schadevergoeding minder dan € 5.000 beloopt, behoeft de Minister, gelet op de beleidsregel van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, nr. 20210, alsmede de regeling van 27 oktober 2017, Stcrt. 2017, nr. 62751, niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop schriftelijk of mondeling verweer te voeren.

Griffierecht:

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Proceskosten:

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 98.678;

- vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt de Minister tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.500;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.A.M. Kager, rechter, in aanwezigheid van L.S. Langius, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2019.

w.g. griffier

w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.