Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1582

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-04-2019
Datum publicatie
23-04-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1362
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

rijnvarend, artikel 13 Verordening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-04-2019
V-N Vandaag 2019/976
FutD 2019-1147 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2019/1275 met annotatie van mr. E. van Waaijen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 18/1362

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 18 april 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde eiser] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Eindhoven, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2015 met dagtekening 27 oktober 2017 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.527. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 66 aan belastingrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar van 3 april 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

De rechtbank heeft deze zaak en de zaak van eiser met zaaknummer 16/3972 (over het jaar 2013) aanvankelijk gevoegd, maar deze later procesrechtelijk weer gesplitst.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door zijn collega’s [bijstand] en door [bijstand] van de Sociale Verzekeringsbank (Svb).

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde het gehele jaar 2015 in Nederland.

1.2.

Eiser werkte gedurende heel 2015 in loondienst voor [werkgever] te Liechtenstein ( [werkgever] ).

1.3.

Eiser heeft in het jaar 2015 in het internationale vervoer over de Europese binnenwateren gewerkt en heeft zijn werkzaamheden uitgevoerd op het binnenvaartschip [schip] , dat hoofdzakelijk heeft gevaren in het stroomgebied van de Rijn.

1.4.

Op [datum] is door de Liechtensteinse autoriteiten aan eiser een A1-verklaring afgegeven, waarin staat dat gedurende de periode van 1 augustus 2013 tot en met 31 juli 2015 het Liechtensteinse sociale verzekeringsrecht op hem van toepassing is. Er is geen A1-verklaring afgegeven door de Svb voor wat betreft het jaar 2015.

1.5.

Eiser heeft aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 gedaan naar een belastbaar inkomen van € 33.701. In deze aangifte heeft eiser aangegeven dat hij het gehele jaar niet verplicht verzekerd is voor de Nederlandse volksverzekeringen.

1.6.

Verweerder heeft met dagtekening 27 oktober 2017 een definitieve aanslag IB/PVV 2015 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.527 en een premie-inkomen van € 9.519, uitgaande van verzekeringsplicht in Nederland in de periode 1 augustus 2015 tot en met 31 december 2015. Bij brief met dagtekening 22 oktober 2017, door verweerder ontvangen op 25 oktober 2017, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2015.

Geschil en beoordeling

2. In geschil is het antwoord op de vraag of eiser voor de periode van 1 augustus tot en met 31 december 2015 verplicht verzekerd en dus premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen.

3. Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend, verweerder bevestigend.

4. Niet in geschil is dat eiser in de periode waarop de Liechtensteinse A1-verklaring ziet (1 januari 2015 tot en met 31 juli 2015, zie 1.4), niet is verzekerd en dus ook niet premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen. Nu voor de in geschil zijn de periode van 1 augustus tot en met 31 december 2015 geen A1-verklaring is afgegeven (door de Svb, noch door de Liechtensteinse autoriteiten), dient middels een materiële beoordeling op grond van artikel 13 van de Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van socialezekerheidsstelsels (de Verordening) vastgesteld te worden of eiser in Nederland is verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Ter zitting hebben partijen desgevraagd bevestigd dat het geschil aldus moet worden beslecht.

5. Ter zitting hebben partijen desgevraagd eveneens bevestigd dat als feitelijk uitgangspunt heeft te gelden dat eiser (ook) in de in geschil zijnde periode 21,87 % van zijn werkzaamheden heeft verricht in Nederland. Dit percentage heeft verweerder vastgesteld op grond van een analyse van het vaartijdenboek van de [schip] .

6. Tenslotte is door partijen ter zitting desgevraagd bevestigd dat niet in geschil is dat de zetel van de werkgever (ook) voor wat betreft de beoordeling op grond van de Verordening in Liechtenstein is gelegen.

7. Het geschil is dus beperkt tot alleen het antwoord op de vraag of eiser in de periode 1 augustus tot en met 31 december 2015 een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden heeft verricht in woonland Nederland. Luidt het antwoord bevestigend, dan wijst artikel 13, eerste lid, sub a van de Verordening de Nederlandse wetgeving als toepasselijk aan, zodat eiser dan verzekerd en premieplichtig is in Nederland. Luidt het antwoord ontkennend, dan wijst artikel 13, eerste lid, sub b van de Verordening de Liechtensteinse wetgeving als toepasselijk aan, zodat eiser dan verzekerd en premieplichtig is in Liechtenstein.

Vooraf: omtrent de ontvankelijkheid van het bezwaar

8. De rechtbank ziet zich gelet op de vaststaande feiten allereerst voor de vraag gesteld of het bezwaar terecht ontvankelijk is geacht.

9. Ingevolge de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die van de dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van de dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking.

10. De aanslag IB/PVV 2015 is gedagtekend 27 oktober 2017. Het met dagtekening 22 oktober 2017 ingediende bezwaarschrift is al op 25 oktober 2017 door verweerder ontvangen, dus voor aanvang van de bezwaartermijn. Een dergelijk prematuur bezwaar is in beginsel niet-ontvankelijk. Naar het oordeel van de rechtbank kon in dit geval de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar echter achterwege blijven. De rechtbank komt tot dit oordeel nu aannemelijk is geworden dat de aanslag IB/PVV 2015 al vóór 22 oktober 2015 was vastgesteld en dus tot stand was gekomen. Zoals de gemachtigde van eiser in het bezwaarschrift heeft geschreven, had eiser het aanslagbiljet op dat moment niet alleen reeds ontvangen, maar ook al ter hand gesteld aan de gemachtigde. Als bijlage bij het bezwaarschrift heeft de gemachtigde bovendien een afschrift van dat aanslagbiljet gevoegd, iets wat onmogelijk zou zijn als het nog niet tot stand was gekomen. Daarmee is sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 6:10, eerste lid, onderdeel a van de Awb. Het bezwaar is terecht ontvankelijk geacht.

Verzekerings- en premieplicht

11. De toepasselijke wetgeving dient vastgesteld te worden op grond van artikel 13, eerste lid, van de Verordening (zie 4 en 7).

12. Artikel 13 van de Verordening luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

1. Op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, is van toepassing:

a. a) de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, indien hij aldaar een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht, of

b) indien hij niet een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont:

i. i) de wetgeving van de lidstaat waar de zetel of het domicilie van de onderneming of de werkgever zich bevindt, indien hij in dienst is van één onderneming of werkgever, (…)”.

13. In artikel 14, achtste en tiende lid, van Verordening (EG) nr. 987/2009 is verduidelijkt wat voor de toepassing van artikel 13 van de Verordening moet worden verstaan onder een ‘substantieel gedeelte van de werkzaamheden’. Op grond van die bepalingen geldt in het kader van een algemene beoordeling een aandeel van minder dan 25 % van de werkzame uren of van de verdiensten als indicatie dat een substantieel gedeelte van de werkzaamheden niet in de betrokken lidstaat wordt verricht, waarbij rekening wordt gehouden met de verwachte situatie in de volgende twaalf kalendermaanden (zie ook Centrale Raad van Beroep 28 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:852, r.o. 4.2).

14. De rechtbank volgt het oordeel van de Centrale Raad van Beroep dat het Unierecht niet voorziet in een absolute 25 %-maatstaf voor de toepassing van artikel 13 van de Verordening en dat de situatie van een werknemer in beginsel in zijn geheel moet worden beoordeeld aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden, indien een werknemer rond de 25 % van zijn tijd werkzaam is in zijn woonstaat. Evenals de Centrale Raad van Beroep acht de rechtbank het in beginsel ook aanvaardbaar dat ten aanzien van werknemers in de binnenvaart wordt uitgegaan van een bandbreedte van 5 procentpunten. Het uitgangspunt is daarom dat wanneer de werknemer minder dan 20 % van zijn arbeidstijd werkzaam is in zijn woonland, hij niet geacht wordt aldaar een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden te verrichten. De werknemer die minder dan 25% (maar meer dan 20 %) in zijn woonland werkzaam is, kan worden geacht een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden te verrichten in zijn woonland, indien er voldoende overige omstandigheden zijn die daarop duiden. Naarmate een werknemer minder werkt in zijn woonland, zullen hiervoor meer of zwaarwegender overige omstandigheden aannemelijk moeten zijn (zie Centrale Raad van Beroep 28 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:852, r.o. 4.2.5.2 en 4.3.2.2).

15. Vast staat dat eiser in de in geschil zijnde periode voor 21,87 % zijn werkzaamheden in Nederland heeft verricht (zie 5). De rechtbank overweegt dat verweerder geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, die in dit geval zouden moeten leiden tot het invullen van de onder 14 genoemde bandbreedte van 5 procentpunten naar beneden. Verweerder, op wie in deze de bewijslast rust, heeft immers geen overige, laat staan zwaarwegender, omstandigheden aangevoerd die erop zouden duiden dat een substantieel gedeelte van de werkzaamheden in Nederland is verricht. Er is daarom in dit geval geen reden om af te wijken van de hoofdregel, die inhoudt dat een aandeel van minder dan 25 % een indicatie vormt dat een substantieel gedeelte van de werkzaamheden niet in de woonstaat wordt verricht (zie 13).

16. Op grond van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat eiser in de in geschil zijnde periode geen substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland heeft verricht. Dat betekent dat hij niet is verzekerd voor de Nederlandse premies volksverzekeringen in de periode 1 augustus tot en met 31 december 2015. Het premie-inkomen van eiser moet worden verminderd tot nihil, aangezien eiser het gehele jaar 2015 niet is verzekerd in Nederland.

17. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Nu de met de beschikking belastingrente samenhangende aanslag zal worden verminderd, verstaat de rechtbank dat verweerder het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig zal verminderen.

18. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep gegrond.

19. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.278 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een premie-inkomen van nihil en rekening houdend met de omstandigheid dat eiser het gehele jaar 2015 niet premieplichtig is in Nederland;

- vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.278.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, voorzitter, en mr. M. van den Bosch en mr. M. Pelinck, leden, in aanwezigheid van mr. M.F.A. Blaauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2019.

w.g. griffier w.g. voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.