Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1542

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-04-2019
Datum publicatie
23-04-2019
Zaaknummer
18/930179-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Volgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/172 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/930179-18

vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling met het v.i. zaaknummer 99-000037-51

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 april 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats],

thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 maart 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. van Stratum, advocaat te Nootdorp. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Tromp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

1.

verdachte op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of

omstreeks de periode van 1 juli 2018 tot en met 30 oktober 2018 te 1e

Exloërmond, gemeente Borger-Odoorn, en/of elders in Nederland, tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht,

afgeleverd, verstrekt, vervoerd en/of vervaardigd amfetamine en/of een of meer

andere middelen in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de

bij die wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde

lid van die wet;

2.

verdachte in of omstreeks de periode van 1 juli 2018 tot en met 30 oktober

2018 te 1e Exloërmond, gemeente Borger-Odoorn, en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of

buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of een of meer

andere middelen in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de

bij die wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde

lid van die wet,

voor te bereiden en/of te bevorderen

een of meer voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere

betaalmiddelen,

te weten chemicaliën, een of meer (kook)ketels en/of een (bestel-/vracht)auto,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of die mededader(s) wist(en) of

ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het

plegen van dat/die feit(en);

3.

verdachte op of omstreeks 30 oktober 2018 te 1e Exloërmond, gemeente

Borger-Odoorn, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of

meer anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid amfetamine, zijnde een middel

in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij die wet

behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die

wet;

4.

verdachte op of omstreeks 30 oktober 2018, in de/het arrondissement(en)

Noord-Nederland en/of Oost-Nederland en/of elders in Nederland, tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

al dan niet opzettelijk,

een of meer handelingen met afvalstoffen heeft verricht en/of nagelaten waarvan

verdachte en/of die mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs had(den)

kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden en/of

konden ontstaan,

en daarbij niet aan zijn/hun verplichting heeft voldaan alle maatregelen te

nemen die redelijkerwijs van verdachte en/of die mededader(s) konden worden

gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen en/of te beperken,

een en ander hierin bestaande dat verdachte en/of die mededader(s) toen in een

overbeladen (vracht)auto waarin zij/hij re(e)d(en), een grote hoeveelheid

afvalstoffen (onder andere een of meer tanks en/of jerrycans met

vloeistoffen), afkomstig van/overgebleven na het vervaardigen van amfetamine,

althans afkomstig van een (drugs)laboratorium, hebben/heeft vervoerd zonder

dat die afvalstof(fen), althans die tank(s) en/of jerrycan(s), was/waren vastgezet.

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van feit 3 partieel nietig moet worden verklaard. Onduidelijk is of het gaat om de amfetamine in het pand dan wel in de vrachtwagen. Voorts is onduidelijk om welke hoeveelheid het gaat. De dagvaarding is onvoldoende feitelijk, en daarmee onbegrijpelijk.

De rechtbank overweegt als volgt. In het licht van het dossier blijkt voldoende dat het gaat om de hoeveelheid amfetamine die afkomstig is uit de loods en die vervolgens vervoerd is met de vrachtwagen. Het is voldoende duidelijk waartegen verdachte zich moet verdedigen. De dagvaarding is geldig en de rechtbank zal het verweer van de raadsman omtrent de partiële nietigheid verwerpen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feit 1. Zij heeft veroordeling gevorderd voor feiten 2, 3 en 4. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd.

Verdachte was de chauffeur van de vrachtwagen en heeft bij de loods gezien wat er werd ingeladen. Hij had chemicaliën in zijn bus bestaande uit: amfetamine, afvalstoffen van de productie van amfetamine en ook stoffen die geschikt zijn voor de productie van amfetamine. Hij had hierover de beschikkingsmacht, zodat hij deze aanwezig heeft gehad. Voorts had verdachte laatstgenoemde producten naar een andere locatie kunnen brengen, zodat volgens de officier van justitie sprake is van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet. Daarnaast had hij de stoffen waarvan hij had kunnen weten dat deze gevaarlijk waren voor het milieu niet vastgezet in de vrachtwagen. Als huurder en bestuurder van de vrachtwagen was hij hiervoor verantwoordelijk.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle feiten. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Er kan niet bewezen worden dat verdachte voor 30 oktober 2018 aanwezig is geweest op het terrein waar zich het drugslab bevond. Uit het dossier blijkt ook niet van enige betrokkenheid bij de productie van amfetamine. Hij was slechts de chauffeur van de vrachtwagen waarin die dag de afvalstoffen en voorwerpen behorende bij het ontmantelde drugslab waren ingeladen. Deze vervoerde voorwerpen waren restafval en dat was niet bestemd voor de productie van synthetische drugs elders. Verdachte heeft zich niet schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor een nieuw drugslab. Voorts had verdachte de indringende geur niet herkend als zijnde een chemische geur afkomstig van de productie van amfetamine. Uit de bewijsmiddelen in het dossier kan niet volgen dat verdachte wetenschap dan wel beschikkingsmacht had over de in de vrachtwagen aangetroffen amfetamine en de daarbij behorende goederen. Hieruit kan aldus ook niet volgen dat verdachte opzet had op het vervoeren van deze gevaarlijke stoffen. Het was voor hem niet kenbaar dat deze afkomstig waren van een amfetaminedrugslab. Het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt voor de feiten 1, 2, 3 en 4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feit 1 en 2 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank dat zij - evenals de officier van justitie en de raadsman - van oordeel is dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het productieproces van de amfetamine.

Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank dat er in het dossier geen aanwijzingen zijn voor een eventueel nieuw te vestigen drugslaboratorium elders. Ook kan niet worden aangetoond dat verdachte voornemens was om door de stoffen achterin de vrachtwagen te vervoeren een nieuw drugslab voor te bereiden dan wel te bevorderen.

De rechtbank past ten aanzien van de feiten 3 en 4 de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Feiten 3 en 4

1. De door verdachte ter zitting van 28 maart 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Mij was gevraagd om pallets op te halen. Ik heb een bus gehuurd en ben op 30 oktober 2018 naar die boerderij in 1e Exloërmond gereden. Daar werden de goederen ingeladen door de anderen. Het waren jerrycans en vaten met folie. Er zat een waterachtige vloeistof in. Ik heb wel een geur geroken. Ik kende deze geur niet. Daarna zijn we weer weggereden. Ik ben vervolgens aangehouden door de politie.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO d.d. 6 december 2018, opgenomen op pagina 101 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 201901221034.DPV d.d. 4 februari 2019, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op dinsdag 30 oktober 2018 van omstreeks 14.45 uur en later heb ik op verzoek van [naam],

teamleider Districtsrecherche Zuid-Oost Drenthe, onderzoek Speksteen, onderzoek verricht

op de locatie [straatnaam] te Eerste Exloërmond. Op genoemde locatie was in het kader van het onderzoek Speksteen door een arrestatieteam (AT) een instap uitgevoerd.

[naam] deelde mij verder mede dat eerder op de dag was gezien dat vanaf deze locatie een

witte bestelbus was weggereden. Deze bestelbus, merk Ford, type Transit, was op een andere

locatie gecontroleerd. Hierbij bleek dat de laadruimte vermoedelijk was geladen met

verpakkingen met chemicaliën, vermoedelijk gerelateerd aan de vervaardiging van

synthetische drugs. De bestelbus, gekentekend [kenteken], was voor nader onderzoek

afgevoerd naar het bedrijfsterrein van [bedrijf], gevestigd

aan de [straatnaam] te Gasselternijveen. LFO werd tevens verzocht de inhoud van de

laadruimte van deze bestelbus te onderzoeken.

Wij zagen bij de verkenning van de eerder genoemde verdieping van de voormalige aardappelschuur/loods, later aangeduid met de letter [X], dat de achterzijde ingericht en

gebruikte was voor de vervaardiging van synthetische drugs. Wij zagen namelijk dat er onder

andere twee gebruikte en vervuilde rvs kook(reactie) ketels en een destillatieopstelling

stonden. Wij zagen dat de ketels losgekoppeld waren van de aanwezige water en gasslangen.

Wij roken ter plaatse de typische en kenmerkende geur van amfetamineachtige stoffen.

Vermoedelijk waren de aanwezige productiemiddelen gebruikt voor de vervaardiging van

amfetamine. Op woensdag 31 oktober 2018 van omstreeks 12.00 uur en later werd door ons de productieplaats op het achterste deel van de inpandige verdieping van de voormalige

aardappelschuur/loods nader onderzocht. Wij zagen en roken dat de aanwezige kookketels ter plaatse waren gebruikt maar inmiddels waren losgekoppeld van de aanwezige gasslangen van de gasflessen, waterslangen (aan en afvoer koelwater) en de frequentieregelaars (kabels doorgeknipt) van de twee kookketels beide voorzien van een roermotor.

Op woensdag 31 oktober 2018 van omstreeks 08.30 uur en later werd door ons op het

bedrijfsterrein van het bedrijf [bedrijf] de inhoud van de laadruimte van de bestelbus,

merk Ford, type Transit gekentekend [kenteken], nader onderzocht. Wij zagen dat de

laadruimte was geladen met jerrycans en vaten. Direct na het openen van de laadklep roken

wij de kenmerkende en typische geur van amfetamineachtige stoffen.

Gezien de voorlopige indicatieve resultaten was het achterste deel van de bovenverdieping van de voormalige aardappelschuur/loods zeer waarschijnlijk ingericht en gebruikt voor het op grote schaal vervaardigen c.q. bewerken van synthetische drugs, met name de vervaardiging van BMK met behulp van een sterk zuur vermoedelijk vanuit AP AA [ rvs ketel X1], de vervaardiging van amfetamine volgens de Leuckart methode met behulp van BMK [rvs ketel X2) en het destilleren (zuiveren) [opstelling X3] van de ter plaatse vervaardigde ruwe amfetamine-base (olie).

De laadruimte van de bestelbus, gekentekend [kenteken], was gevuld met chemicaliën welke

nodig zijn voor de vervaardiging c.q. bewerking van BMK en amfetamine, namelijk

fosforzuur, mierenzuur, formamide, BMK en amfetamine-base (indicatief/eindproduct).

Tevens was de bus geladen met in totaal ongeveer 2410 liter afval gerelateerd aan de vervaarding van BMK en amfetamine. Deze chemicaliën (zuiver en afval) passen bij het productieproces van de productieplaats (o.a. kookketels en destillatieopstelling) aanwezig op de bovenverdieping van de voormalige aardappelschuur/loods en waren daar zeer waarschijnlijk van afkomstig.

Onderzochte goederen aangetroffen in de voormalige aardappelschuur/loods::

AAJC7182NL: Vloeistof monster uit een gebruikte en vervuilde rvs kookketel.

AAJC7183NL: Monster donker bruine substantie uit een rvs destillatieketel.

Onderzochte goederen aangetroffen in de laadruimte van de bestelbus:

AAJC7173NL: Vloeistof monster uit een witte tien liter jerrycan.

AAJC7175NL: Vloeistof monster uit een van de zes witte jerrycans.

AAJC7176NL: Vloeistof monster uit een blauw 200 liter klemdekselvat.

AAJC7179NL: Vloeistof monster uit een blauw 200 liter klemdekselvat.

3. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2018.11.29.180, d.d. 7 januari 2019 opgemaakt door ing. A.G.A. Sprong, op de algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 128 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend als zijn verklaring:

Conclusie: In het onderzoeksmateriaal is amfetamine aangetroffen.

AAJC7173NL: bevat amfetamine.

AAJC7175NL: bevat amfetamine.

AAJC7176NL: bevat amfetamine gerelateerde syntheseverontreinigingen en een lage concentratie amfetamine.

AAJC7179NL: bevat amfetamine, N-formylamfetamine en amfetamine gerelateerde syntheseverontreinigingen.

AAJC7182NL: bevat amfetamine.

AAJC7183NL: bevat amfetamine gerelateerde syntheseverontreinigingen en een lage concentratie amfetamine.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt (aanvullend) proces-verbaal van bevindingen

d.d. 19 maart 2019, inhoudend als relaas van verbalisant:

Ik verbalisant zag op de foto's dat de Ford Transit, voorzien van kenteken [kenteken], de volgens het rapport opgemaakt door de LFO gevuld was met chemicaliën die nodig zijn voor het vervaardigen c.q. bewerken van BMK en Amfetamine, namelijk fosforzuur, mierenzuur, formamide, BMK en amfetamine base en in totaal 2410 liter afval. Ik zag dat deze vrachtauto niet voorzien was van oranje borden van 30 x 40 cm, die loodrecht op de lengteas van het voertuig stonden om aan te geven dat er gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Ik zag dat er in het geheel geen oranje borden aanwezig waren. Tevens zag ik aan de hand van de foto's dat het voertuig niet voorzien was van inrichtingen die het vastzetten en de behandeling van gevaarlijke stoffen mogelijk maakt. Ik zag dat de lading die bestond uit meerdere colli in het geheel niet was vastgezet door middel van vastzetbanden of iets dergelijks, ook waren de lege ruimtes niet met behulp van stuwmiddel opgevuld. Doordat de lading was opgestapeld en niet op de voorgeschreven wijze was vastgezet bestond het gevaar dat bij een (onverwachte) rijmanoeuvre, zoals remmen, het nemen van een bocht, uitwijken dan wel betrokken raken bij een ongeval de vaten in de vrachtauto stuk konden gaan waar bij de inhoud vervolgens uit de vrachtauto zou kunnen stromen en op of in de bodem zou kunnen geraken. Uit de veiligheidsbladen blijken de gevaren van de voornoemde stoffen voor zowel mens als milieu. Uit bovenstaande blijkt dat men niet alle verplichte maatregelen heeft genomen of nagelaten die redelijke wijze konden worden gevergd, teneinde de gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte had de opdracht gekregen om pallets op te halen. Hij moest achter een onbekende persoon aan rijden naar een afgelegen boerderij. Daar werden vanuit een loods jerrycans en blauwe vaten met vloeistoffen ingeladen die bovendien een sterke chemische geur hadden. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat dergelijke vaten veelal worden gebruikt voor de opslag van afvalstoffen afkomstig van een drugslaboratorium. Verdachte heeft ter zitting aangegeven niet de naam van de opdrachtgever te willen noemen om problemen met die persoon te voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte onder deze omstandigheden zodanig heeft gehandeld dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat sprake zou zijn van het vervoer van verboden stoffen, in dit geval amfetamine en afvalstoffen daarvan. Hij had voorts de beschikkingsmacht over de goederen in de vrachtwagen nu hij de bestuurder was. Het onder 3 ten laste gelegde acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Nu de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte wist dat er verboden stoffen, te weten amfetamine en afvalstoffen daarvan, in de vrachtwagen werden geladen, had hij redelijkerwijs kunnen weten dat dit goed vastgezet had moeten worden. Verdachte, alsook de medeverdachten, hebben niet voldaan aan de zorgplicht als bedoeld in artikel 13 van de Wet bodembescherming. De rechtbank acht ook het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

3.

verdachte op 30 oktober 2018 te 1e Exloërmond, gemeente Borger-Odoorn, en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid amfetamine, zijnde een middel in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

4.

verdachte op 30 oktober 2018, in de arrondissementen Noord-Nederland en Oost-Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een of meer handelingen met afvalstoffen heeft verricht en nagelaten waarvan verdachte en/of die mededader(s) redelijkerwijs had(den) kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan, en daarbij niet aan zijn/hun verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van verdachte en/of die mededader(s) konden worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen en/of te beperken, een en ander hierin bestaande dat verdachte en/of die mededader(s) toen in een vrachtauto waarin zij/hij re(e)d(en), een grote hoeveelheid afvalstoffen, onder andere een of meer tanks en jerrycans met vloeistoffen, afkomstig van/overgebleven na het vervaardigen van amfetamine, hebben/heeft vervoerd zonder dat die afvalstoffen, althans die tank(s) en/of jerrycan(s), waren vastgezet.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

3. Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

4. Medeplegen van de overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 2, 3 en 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de eis van de officier van justitie te fors is.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Reclassering Nederland, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft op 30 oktober 2018 een hoeveelheid amfetamine aanwezig gehad. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke harddrugs een gevaar voor de volksgezondheid vormen. Verdachte heeft er mede toe bijgedragen om het drugscircuit in stand te houden, met alle vormen van criminaliteit en overlast dat dat met zich meebrengt.

Daarnaast heeft hij verzuimd om de gevaarlijke stoffen afkomstig van een drugslaboratorium goed vast te zetten in zijn vrachtwagen, zodat er risico's bestonden voor het milieu.

Veroordeelde heeft een forse justitiële documentatie met veelal andersoortige delicten. Feiten waarbij verdachte gehandeld heeft in strijd met de Opiumwet zijn van niet recente datum. Uit de reclasseringsrapportage komt naar voren dat verdachte goed meewerkt aan het reclasseringstoezicht in het kader van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling. Verdachte wordt als coöperatief ervaren en er zijn geen overtredingen of bijzonderheden te melden. Hij was gedurende het toezicht goed op weg zijn leven weer op orde te krijgen. De reclassering wil het toezicht voortzetten.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat de rechtbank het voorbereiden en/of bevorderen van het vervaardigen van amfetamine niet bewezen heeft verklaard. De rechtbank zal derhalve een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

Vanwege de ernst van de bewezen verklaarde delicten is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.

Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 12 februari 2008, gewezen door het Gerechtshof Den Haag, is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van het voorarrest. Bij onherroepelijk geworden vonnis van 18 juli 2013, gewezen door het Gerechtshof Den Haag, is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en 6 maanden met aftrek van het voorarrest. Bij onherroepelijk geworden vonnis van 10 oktober 2014, gewezen door het Gerechtshof Amsterdam, is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met aftrek van het voorarrest.

Bij deze onherroepelijke vrijheidsstraffen is de periode van de voorwaardelijke invrijheidstelling in totaal 2091 dagen.

Verdachte is met ingang van 24 maart 2017 voorwaardelijk in vrijheid gesteld met een proeftijd van 2091 dagen onder de gebruikelijke voorwaarden, waaronder het niet plegen van een strafbaar feit. Dit besluit is betekend op 14 maart 2017.

Bij vordering d.d. 11 december 2018 heeft de officier van justitie gevorderd de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen voor de gehele periode nu verdachte zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden die waren verbonden aan de voorwaardelijke invrijheidstelling.

De rechtbank overweegt dat de hiervoor bewezenverklaarde feiten door verdachte zijn begaan voor het einde van de proeftijd die aan de voorwaardelijke invrijheidstelling was verbonden. De rechtbank zal op grond daarvan komen tot de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Echter, herroeping voor de gehele periode acht zij niet passend gezien het advies van de reclassering waarin deze aangeeft verdachte te willen blijven begeleiden. De rechtbank zal de voorwaardelijke invrijheidstelling herroepen tot na te melden duur.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 15j van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikelen 1a, 2 en 6 Wet op de economische delicten, artikel 13 Wet bodembescherming en artikel 10.1 Wetmilieubeheer, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte 1 en 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 164 dagen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte.

Wijst de vordering tot herroeping van de v.i. toe en gelast alsnog de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat door toepassing van de v.i. nog niet is ten uitvoer gelegd, te weten: 180 dagen gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Jongsma, voorzitter, mr. E.P. van Sloten en mr. W. Geelhoed, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 april 2019.

Mr. Van Sloten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.