Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1541

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-04-2019
Datum publicatie
23-04-2019
Zaaknummer
18/950000-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Volgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/950000-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 april 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te PI Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 maart 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr I.A. van Straalen, advocaat te 's-Gravenhage. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Tromp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

verdachte op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of

omstreeks de periode van 1 juli 2018 tot en met 30 oktober 2018 te 1e

Exloërmond, gemeente Borger-Odoorn, en/of elders in Nederland, tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht,

afgeleverd, verstrekt, vervoerd en/of vervaardigd amfetamine en/of een of meer

andere middelen in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de

bij die wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde

lid van die wet;

2.

verdachte in of omstreeks de periode van 1 juli 2018 tot en met 30 oktober 2018 te 1e Exloërmond, gemeente Borger-Odoorn, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of een of meer

andere middelen in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de

bij die wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde

lid van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen een of meer voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen, te weten chemicaliën, een of meer (kook)ketels en/of een (bestel-/vracht)auto, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of die mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

3.

verdachte in of omstreeks de periode van 1 juli 2018 tot en met 30 oktober 2018 te 1e Exloërmond, gemeente Borger-Odoorn, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet en/of als bedoeld in artikel 10a, eerste lid van die wet, van welke organisatie verdachte (een van) de oprichter(s), leider(s) en/of bestuurder(s) was;

4.

verdachte op of omstreeks 30 oktober 2018 te 1e Exloërmond, gemeente Borger-Odoorn, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid amfetamine, zijnde een middel in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

5.

verdachte op of omstreeks 30 oktober 2018, in de/het arrondissement(en) Noord-Nederland en/of Oost-Nederland en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen of ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, een of meer handelingen met afvalstoffen heeft verricht en/of nagelaten waarvan verdachte en/of die mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs had(den) kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden en/of konden ontstaan, en daarbij niet aan zijn/hun verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van verdachte en/of die mededader(s) konden worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen en/of te beperken, een en ander hierin bestaande dat verdachte en/of die mededader(s) toen in een overbeladen (vracht)auto waarin zij/hij re(e)d(en) , een grote hoeveelheid afvalstoffen (onder andere een of meer tanks en/of jerrycans met vloeistoffen), afkomstig van/overgebleven na het vervaardigen van amfetamine, althans afkomstig van een (drugs)laboratorium, hebben/heeft vervoerd zonder dat die afvalstof(fen), althans die tank(s) en/of jerrycan(s), was/waren vastgezet.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feiten 3, 4 en 5 aangezien het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

Zij heeft gevorderd tot een veroordeling ten aanzien van de feiten 1 en 2. Er zijn DNA-sporen aangetroffen op de kraan en de dop van de destilleerketel in het drugslab. Ook zijn DNA-sporen van verdachte aangetroffen op een drinkflesje in een vuilniszak afkomstig uit de vrachtwagen die gebruikt is om het drugsafval te vervoeren vanaf de locatie van het drugslab. De officier van justitie meent dat sprake is van cruciale dadersporen op de destilleerketel. Dat er daarnaast sprake is van een DNA-spoor op het flesje versterkt het bewijs dat verdachte in het drugslab is geweest en heeft geproduceerd. Het gaat om verschillende plekken en dat vraagt om uitleg. De verdachte geeft geen alternatief scenario, zodat de officier zowel het onder 1 als het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen acht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle feiten.

Hij heeft ten aanzien van de feiten 1 en 2 het volgende aangevoerd. Het enkele aantreffen van een DNA-spoor op de plaats delict is onvoldoende voor een veroordeling. Onder omstandigheden kan het van belang zijn of de verdachte een verklaring aflegt omtrent het aangetroffen spoor. Soms kan het afleggen van een ontzenuwende verklaring niet worden verwacht, bijvoorbeeld omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte daartoe in staat moet zijn. Huidepitheel is overdraagbaar op mensen zowel als op voorwerpen. Reeds met een handdruk kan epitheel worden overgedragen. Een leeg flesje is een verplaatsbaar object. Het kan op een andere plaats zijn leeggedronken als waar het is weggegooid. Het is niet uit te sluiten dat verdachte het flesje elders heeft leeggedronken en dat een ander dit bewust heeft meegenomen naar het drugslab en wellicht ook de ketel heeft aangeraakt. De DNA-sporen leveren onvoldoende bewijs van het medeplegen van productie van amfetamine of van voorbereidingshandelingen daartoe. Reeds op zichzelf is de enkele aanwezigheid van een niet verklaard DNA-spoor ontoereikend om betrokkenheid bij deze feiten aan te nemen op het niveau van medeplegen. Voorts heeft medeverdachte [medeverdachte] verklaard verdachte niet te herkennen en dat die nooit op zijn erf is geweest.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feiten 3, 4 en 5 - evenals de officier van justitie en de raadsman - niet wettig en overtuigend bewezen. Voorts acht zij de feiten 1 en 2 niet wettig en overtuigend te bewijzen. Verdachte zal van deze feiten worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de feiten 1 en 2 het volgende. Van verdachte zijn op de dop en de kraan van de destilleerketel in het drugslab DNA-sporen aangetroffen. Daarnaast zijn DNA-sporen aangetroffen op een drinkflesje dat in een vuilniszak zat die is gevonden in de vrachtwagen waarin ook afvalstoffen van het drugslab zijn aangetroffen. Uit overige bewijsmiddelen in het dossier blijkt echter niet van verdachtes aanwezigheid dan wel betrokkenheid op enigerlei wijze bij het drugslab. De rechtbank is van oordeel dat het enkele DNA-bewijs onvoldoende redengevend is om aan te nemen dat verdachte in de ten laste gelegde periode zich schuldig heeft gemaakt aan het produceren van amfetamine dan wel het voorbereiden daarvan.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 5 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Jongsma, voorzitter, mr. E.P. van Sloten en mr. W. Geelhoed, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 april 2019.

mr. Van Sloten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.