Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1419

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-03-2019
Datum publicatie
05-04-2019
Zaaknummer
C/18/189430 FT RK 19-17 en C/18/189432 FT RK 19-19
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Toewijzing dwangakkoord. Omstandigheid dat gemeente op grond van Bbz 2004 niet mag meewerken aan vrijwillig buitengerechtelijke akkoord neemt niet weg dat rechter onder de in artikel 287a Fw genoemde voorwaarden bevoegd is de gemeente te bevelen in te stemmen met een schuldregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie: Groningen

zaaknummers: C/18/189430 / FT RK 19/17 en C/18/189432 / FT RK 19/19

vonnis d.d. 25 maart 2019

in de zaak van:

[naam verzoeker A] , geboren op [geboortedatum] 1951 te [geboorteplaats 1] , en

[naam verzoeker B] , geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),

beiden wonende te [adres] , [woonplaats] ,

hierna te noemen: verzoekers

tegen

Gemeente Oldambt (cluster Maatschappelijke Zaken), gevestigd te Garst 1, 9673 AA Winschoten vertegenwoordigd door Flanderijn gerechtsdeurwaarders correspondentieadres: Postbus 41, 9900 AA Appingedam, hierna te noemen Gemeente Oldambt.

PROCESGANG

Verzoekers hebben op 9 januari 2019 een verzoekschrift ingediend tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a van de Faillissement (Fw) en een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Beide verzoeken zijn ingediend door mr. G.B. de Jong.

Het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord is behandeld ter zitting van 18 maart 2019. Verschenen zijn verzoekers, bijgestaan door mr. G.B. de Jong. Namens Gemeente Oldambt is verschenen [naam C] .

RECHTSOVERWEGINGEN

Mr. De Jong heeft op 1 mei 2018 namens verzoekers een schuldregeling aangeboden aan hun schuldeisers. Het aangeboden akkoord houdt – samengevat – in: betaling ineens van

9 % op de concurrente vorderingen van de schuldeisers tegen finale kwijting voor het restant. Daartoe is door derden een bedrag van € 8.500,00 ter beschikking gesteld.

De hierboven genoemde schuldregeling is door alle schuldeisers behalve Gemeente Oldambt aanvaard.

Gemeente Oldambt heeft niet ingestemd met het voorstel en heeft daartoe verweer gevoerd. Gemeente Oldambt stelt zich op het standpunt dat op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) 2004 er geen mogelijkheid is om mee te werken aan een buitengerechtelijke schuldregeling. Dit behoort alleen tot de mogelijkheden indien sprake is van een actuele bedrijfsbeëindiging of voortzetting van het bedrijf waar in dit geval geen sprake van is.

[naam C] heeft ter zitting verklaard dat aan verzoekers een Bbz-krediet is verstrekt van

€ 33.000,00, waarop door verzoekers niet is afgelost. Er staat nu nog een bedrag open van

€ 23.000,00 omdat een deel van het verstrekte krediet is kwijtgescholden door Gemeente Oldambt. Het Bbz is een algemene maatregel van bestuur en in deze regeling is expliciet opgenomen wanneer er wel en wanneer er niet kan worden ingestemd met een buitengerechtelijke schuldregeling. Er bestaat geen ruimte in de regeling om in dit geval daaraan mee te werken. In deze regeling staat niets vermeld over de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). [naam C] verzoekt de rechtbank een uitspraak te doen of in dit geval de Faillissementswet de algemene maatregel van bestuur terzijde kan schuiven.

Mr. De Jong heeft ter zitting verklaard dat de Faillissementswet hoger in de hiërarchie staat dan het Bbz. Het resultaat van een WSNP en een buitengerechtelijk schuldregeling danwel dwangakkoord is hetzelfde.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ter beoordeling ligt een verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord. Dit verzoek moet worden getoetst aan artikel 287a Fw. Ingevolge deze bepaling kan een verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord worden toegewezen, indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt voorop dat het een schuldeiser in beginsel vrij staat zijn medewerking aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling –waarbij hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand moet doen van zijn recht op voldoening– te weigeren en dat bij toewijzing van een bevel tot instemming terughoudendheid geboden is. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en zonodig te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking de onevenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.

Bij de beoordeling van de vraag of Gemeente Oldambt in redelijkheid niet tot weigering kon komen zal allereerst moeten worden gekeken naar de inhoud van het akkoord, vergeleken met de situatie waarin verzoekers toegelaten zouden worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).

De rechtbank is van oordeel dat indien verzoekers zouden worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, hun schuldeisers aan het einde van de schuldsaneringsregeling naar alle waarschijnlijkheid geen hogere uitkering tegemoet zouden kunnen zien dan in het kader van de aangeboden schuldregeling. Op basis van de huidige gegevens kan er aan het einde van de wettelijke schuldsaneringsregeling na aftrek van de bewindvoerderkosten aan de schuldeisers geen enkele uitkering worden gedaan. Niet valt te verwachten dat daarin veel verandering zal gaan plaatsvinden nu [naam verzoeker A] 67 jaar oud is en een AOW-uitkering ontvangt en [naam verzoeker B] , die beperkt werkzaam is in haar eigen naaiatelier, gelet op haar medische beperkingen niet in staat is om fulltime te werken. De kans is derhalve gering dat verzoekers de komende jaren een zodanig inkomen zullen kunnen verwerven dat er aan het einde van de schuldsaneringsregeling wel een uitkering kan worden gedaan. Tijdens de WSNP zal verder het bewindvoerderssalaris moeten worden betaald. Deze kosten zullen circa € 3.859,00 zijn (gebaseerd op de huidige bedragen, het bewindvoerderssalaris zal echter elk jaar stijgen).

Nu de vooruitzichten voor Gemeente Oldambt als schuldeiser bij aanvaarding van het akkoord gunstiger zijn dan bij verwerping daarvan, is het uitgangspunt dat zij op grond van de inhoud van de aangeboden schuldregeling in redelijkheid niet tot weigering van instemming met deze schuldregeling heeft kunnen komen. Immers moet op grond van deze vooruitzichten er van uit worden gegaan dat zij geen belang heeft bij de weigering van de instemming, terwijl verzoekers en de overige schuldeisers wel belang hebben bij aanvaarding van de schuldregeling, zoals nader uiteengezet zal worden gezet.

Het belang van verzoekers bij aanvaarding van de schuldregeling is dat zij thans vrij van problematische schulden voort kunnen leven, terwijl bij verwerping van de schuldregeling een beroep zullen moeten doen op de wettelijke schuldsaneringsregeling, welke in beginsel een looptijd van drie jaar heeft en voor hun (zeer) belastend is. De rechtbank merkt dit belang aan als een rechtens te respecteren belang.

Ten aanzien van de belangen van de overige schuldeisers overweegt de rechtbank dat nu de vooruitzichten van de schuldeisers bij aanvaarding van de aangeboden schuldregeling gunstiger zijn dan bij verwerping daarvan, de aanvaarding in het belang van de overige schuldeisers is. Dit klemt temeer nu de overige schuldeisers die wél akkoord zijn gegaan, tezamen een ruime meerderheid (75,50 %) van de totale schuldenlast vertegenwoordigen.

Aanvaarding van de schuldregeling heeft bovendien tot gevolg dat Gemeente Oldambt een betaling ineens tegemoet kan zien, terwijl zij – alsmede de overige schuldeisers – in geval van toelating van verzoekers tot de schuldsaneringsregeling, pas na drie jaar - voor zover er iets valt uit te delen - een lagere uitkering tegemoet kan zien.

Ten aanzien van het door Gemeente Oldambt gevoerde verweer dat de Faillissementswet het Bbz niet terzijde schuift overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat Gemeente Oldambt op grond van Bbz 2004 niet mag meewerken aan een vrijwillig buitengerechtelijke akkoord niet wegneemt dat de rechter onder de in artikel 287a Faillisementswet vermelde voorwaarden bevoegd is Gemeente Oldambt te bevelen in te stemmen met een schuldregeling (zie ook Gerechtshof Arnhem Leeuwarden 8 september 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:7268).

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord toewijzen. Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal niet-ontvankelijk worden verklaard aangezien verzoekers daar rechtens geen belang meer bij hebben.

De rechtbank ziet geen aanleiding om Gemeente Oldambt te veroordelen in de proceskosten nu Gemeente Oldambt uitgebreid verweer heeft gevoerd.

BESLISSING

De rechtbank:

- beveelt Gemeente Oldambt in te stemmen met de door verzoekers aan de gezamenlijke crediteuren aangeboden schuldregeling;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling;

- wijst af het verzoek om Gemeente Oldambt te veroordelen in de proceskosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Baarsma en is het openbaar uitgesproken op 25 maart 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.