Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:140

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-01-2019
Datum publicatie
18-01-2019
Zaaknummer
18/100434-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 6 WVW 1994. Veroordeling ondanks fout bestuurster andere auto.

Verdachte heeft op 19 april 2017 te Groningen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden, ten gevolge waarvan een ongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft door zijn te hoge snelheid en een te hoog alcoholpromillage zijn voorsorterende tegenligster te laat gezien. Hij heeft onvoldoende rechts gehouden en is frontaal op haar gebotst. Het slachtoffer heeft door het ongeval letsel opgelopen waardoor zij tijdelijk gehinderd is in de uitoefening van haar dagelijkse bezigheden.

De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden passend en geboden. Daarnaast wordt een taakstraf voor de duur van 100 uren opgelegd en een rijontzegging voor de duur van 18 maanden.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 175
Wegenverkeerswet 1994 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/100434-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 januari 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 december 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.M.M. Pater, advocaat te Emmeloord. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Scharenborg.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 april 201, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto, merk: Seat, daarmede rijdende over de weg, (Leegeweg), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl verdachte genoemde auto bestuurde onder invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank, met hoge snelheid, althans met een hogere snelheid dan ter plaatse geboden en/of verantwoord was, genoemde weg heeft bereden en/of (daarbij) onvoldoende rechts heeft gehouden, tengevolge waarvan een botsing/aanrijding is ontstaan met een personenauto, bestuurd door [slachtoffer] , die stond opgesteld op de Leegeweg teneinde af te slaan naar een (voor die [slachtoffer] ) linksgelegen inrit, waardoor aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstige kneuzingen aan knie en/of ribben en/of neus, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden:

hij op of omstreeks 19 april 2017, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, als

bestuurder van een voertuig (personenauto, merk: Seat), daarmee rijdende op de weg, Leegeweg, genoemde weg heeft bereden met een hoge snelheid, althans een snelheid hoger dan ter plaatse toegestaan en/of verantwoord was en/of (daarbij) onvoldoende rechts heeft gehouden, waardoor een aanrijding/botsing is ontstaan met een (hem, verdachte, tegemoetkomende) auto, bestuurd door [slachtoffer] , die stond voorgesorteerd teneinde linksaf te slaan, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde, waarbij hij aanmerkelijke schuld bewezen acht.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft overeenkomstig haar pleitnota betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit de VOA-rapportage is gebleken dat de tegenligster zich over de denkbeeldige wegas bevond met haar auto. Uit het remspoor blijkt dat verdachte meer aan de rechterkant is begonnen met remmen. De conclusie dat hij meer rechts had moeten houden, klopt niet met de bevindingen en het aanwezige remspoor. De aanrijding dient derhalve niet (geheel) voor rekening van verdachte te komen.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte veel minder heeft gedronken dan zijn alcoholpercentage doet vermoeden, slechts twee glazen. Hij heeft een levertransplantatie ondergaan, hetgeen hem een voortdurend verhoogd alcoholpercentage oplevert doordat de lever minder goed functioneert. Dit verklaart, in combinatie met de medicatie van verdachte, de verhoogde alcoholspiegel na het nuttigen van twee biertjes door verdachte. Omdat er geen bloedonderzoek is gedaan naar het medicijngebruik van verdachte en ook geen onderzoek naar het effect van die medicatie op verdachte alcoholpercentage, kan niet met zekerheid gesteld worden dat verdachte alcoholpercentage boven de wettelijke toegestane hoeveelheid heeft gelegen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 20 december 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb nog wat gedronken en ben toen in de auto gestapt. Ik reed waarschijnlijk wel harder dan toegestaan, want ik wilde snel naar huis omdat ik al te laat was. Ik heb de tegenligster wel op de weg gezien, ik zag haar koplampen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 9 mei 2017, opgenomen op pagina 8 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Ik heb veel pijn. De bedoeling is dat wanneer ik minder pijn heb ik fysiotherapie kan krijgen. Ik gebruik morfine langwerkend, morfine kortwerkend en Naproxen en paracetamol. Dit zijn allemaal middelen tegen de pijn. Omzaparol, dat is een maagbeschermer en Macrol.

Het letsel dat ik heb opgelopen is: linker knie zwaar gekneusd plus een schaafplek. Ik heb mijn neus zwaar gekneusd plus een schaafplek. Een volledige borstkas zwaar gekneusd. Dit is wat ze in het ziekenhuis geconstateerd hebben.

V: Kon u na het ongeval gewoon weer aan het werk?

A: Nee.

V: En bent u momenteel weer aan het werk?

A: Nee.

V: Wat kunt u vertellen over wat er woensdag 19 april is gebeurd?

A: Ik minderde al vaart omdat ik vlak bij mijn huis was. Ik zag wel lichten met het idee dat die auto heel ver weg was. Ik deed mijn knipperlicht uit. En toen zag ik de twee lichten en hoorde ik een knal en was ik geraakt. Ik weet zeker dat ik nog niet ingedraaid was. Ik zag eerst de lampjes in de verte en het volgende moment werd ik verblind door de lichten. Het is dus zo snel gegaan.

3. Een geneeskundige verklaring d.d. 10 mei 2017, opgemaakt en ondertekend door A.R. Boddeus, huisarts bij Huisartensenpraktijk Boddeus & Steenbergen:

DatumJournaalregels

20-04-2017 Gisteravond een aanrijding gehad, is het ZKH, heeft een zwaar gekneusde borstkas en gekneusde neus en een gekneusde knie. En veel schaafplekken. Vanuit ZKH pcm en naproxen voorgeschreven gekregen. Loopt alleen maar te trillen. Heeft veel pijn, vraagt om iets zwaarders.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van rijden onder invloed d.d. 27 september 2017, opgenomen op pagina 27 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Medewerking bloedonderzoek

Op donderdag 20 april 2017 om 01:40 uur, heeft de arts, N. de Jong-vd Veer in aanwezigheid van mij, [verbalisant 2] (DRN91692), de verdachte, [verdachte] bloed afgenomen conform Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.

Wegens bijzondere omstandigheden heeft de bloedafname meer dan 90 minuten na staandehouding plaatsgevonden. Deze omstandigheden waren: in verband met medische behandeling.

Verpakken monster

Ik, [verbalisant 2] , (DRN91692), heb het bloedmonster overeenkomst het bepaalde in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, gewaarmerkt, direct verpakt en verzegeld, alsmede het bloedafnameformulier voorzien van een genummerde en op naam gestelde SIN-sticker met het nummer TAAP1088NL.

Ik, [verbalisant 2] (DRN91692), heb mij ervan vergewist, dat het bloedmonster overeenkomstig het bepaalde in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer verzonden is naar het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag.

5. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2017.04.21.007, d.d. 26 april 2017 opgemaakt door K.S. Kruseman, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijke deskundige, voor zover inhoudende als zijn/haar verklaring:

Resultaat onderzoek

In het bloed TAAP1088NL van [verdachte] is een ethanolconcentratie gemeten van 1,94 mg/ml (= promille).

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verkeersongevallenanalyse d.d. [nummer] september 2017, opgenomen op pagina 47 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :

1.4.

Conclusie / beantwoording

Wij, verbalisanten, zijn van mening dat het ongeval niet te wijten is aan een technisch gebrek, doch dat de oorzaak moet worden gezocht in een rij- c.q. beoordelingsfout van de bestuurder van voertuig 1 (Seat, kenteken [kenteken] ). De bestuurder van voertuig 1 is [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats]. De bestuurder van voertuig 1 reed vrijwel zeker met een aanmerkelijk hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid, hij hield niet zoveel mogelijk rechts en door het inzetten van een noodremming werd zijn voertuig onbestuurbaar, waardoor hij het voertuig dat hem naderde niet kon ontwijken. Er ontstond een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval, waarbij aan een ander, de bestuurster van voertuig 2 (Renault, kenteken [kenteken] ), lichamelijk letsel werd toegebracht. De bestuurster van voertuig 2 is [slachtoffer] . Bovendien verkeerde de bestuurder van voertuig 1 onder invloed van alcoholhoudende drank, hetgeen later bleek uit een ingesteld onderzoek hiernaar.

2.2.1

Wegsituatie

Het verkeersongeval vond plaats op 19 april 2017 op de Leegeweg, gelegen binnen de als zodanig aangeduide bebouwde kom van Hoogkerk in de gemeente Groningen. Het verkeersongeval had plaatsgevonden nabij de inrit naar perceel [nummer] . De Leegeweg loopt van de Noodweg naar de Kerkstraat en is bestemd voor verkeer in beide richtingen.

Het ongeval vond gezien de oorspronkelijke rijrichting van voertuig 1, merk Seat, plaats op een recht weggedeelte. De rijbaan heeft een breedte van circa 3.80 meter en is niet verdeeld in rijstroken. Naast de rijbaan ligt aan beide zijden van de rijbaan een suggestiestrook. De totale wegbreedte, inclusief de suggestiestroken bedraagt ongeveer 6.60 meter.

2.2.3

Verkeersmaatregelen ter plaatse

Wij zagen, ten tijde van het onderzoek, het volgende: voor motorvoertuigen bedroeg de ter plaatse toegestane maximum snelheid 50 km/h.

2.2.9

Weersgesteldheid

Droog.

2.2.10

Wegdek

Droog.

2.4.1.

Bepaling botsposities

Aan de hand van de schades en de aangetroffen sporen werd duidelijk hoe de voertuigen met elkaar in aanraking waren gekomen. In een situatietekening op schaal werden de voertuigen ingetekend in de meest waarschijnlijke positie op het moment van de botsing. Dit gebeurde aan de hand van de aangetroffen remblokkeersporen van voertuig 1. Hieruit blijkt dat de bestuurster van voertuig 2 zich op het moment van de botsing gedeeltelijk met haar voertuig over de denkbeeldige wegas bevond. De bestuurder van voertuig 1 had echter rechts naast zich voldoende ruimte om het hem tegemoetkomende voertuig te ontwijken.

4.1.1.

Uitzicht

Door ons, verbalisanten, zijn geen uitzicht belemmerende omstandigheden aangetroffen, welke van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan van het ongeval.

4.1.2

Onderzoek snelheid voertuig 1

Als minimale aanvangssnelheid werd een snelheid van 85 kilometer per uur berekend. Bij de genoemde minimale aanvangssnelheid van 85 kilometer per uur legt voertuig 1 ongeveer 23,6 meter per seconde af. Met de bij de berekening gehanteerde remvertraging van 6 m/s2 en met behulp van de hiervoor geldende formules kan worden vastgesteld dat de stopafstand bij deze snelheid ca. 70 meter is. Het reactiepunt van de bestuurder van voertuig 1 lag op ca. 39 meter voor het botspunt (afstand in reactietijd 23,6 meter en remblokkeerspoor tot botspunt ongeveer 15 meter). Hierbij wordt door ons, verbalisanten, opgemerkt dat de stopafstand bij 50 km/h, onder dezelfde omstandigheden, ca. [nummer] meter is.

Uit vorenstaande blijkt dat de bestuurder van de Seat, indien deze zich had gehouden aan de ter plaatse geldende maximum snelheid, zijn voertuig onder dezelfde omstandigheden voor het botspunt tot stilstand had kunnen brengen, dan wel naar rechts had kunnen uitwijken en mogelijk hiermee een aanrijding had kunnen voorkomen.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 14 september 2017, opgenomen op pagina 14 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

V: De aanrijding vond plaats op de Leegeweg. Reed jij vaker deze route?

A: Ja.

Met betrekking tot de hierboven weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft op 19 april 2017 als bestuurder van een Seat in de gemeente Groningen over de Leegeweg gereden, komende uit de richting van de Noodweg. Alvorens verdachte die avond in de auto is gestapt, moet hij een aanzienlijke hoeveelheid alcohol genuttigd hebben. Het alcoholgehalte in het bloed van verdachte bedroeg ten tijde van het bloedonderzoek 1,94 mg/ml.

Uit het proces-verbaal verkeersongevallenanalyse is gebleken dat het een rechte weg betrof met suggestiestroken aan weerszijden van de weg. Er waren geen uitzicht belemmerende omstandigheden. De (weers) omstandigheden waren goed. Het weer en de weg waren droog. Uit tegenovergestelde richting kwam een Renault de verdachte tegemoet rijden. De bestuurster van de Renault was voornemens een voor haar links gelegen inrit in te rijden. Bij het naderen van de inrit van haar woning gelegen aan de Leegeweg [nummer], liet de bestuurster de auto vaart minderen. Zij sorteerde voor en bevond zich met haar voertuig over de denkbeeldige wegas. Zij deed haar richtingaanwijzer aan. Uit het proces-verbaal verkeersongevallenanalyse is gebleken dat verdachte met hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur, te weten 85 kilometer per uur, aan kwam rijden. Met deze snelheid is verdachte de Renault genaderd terwijl hij daarbij niet tijdig vaart minderde en onvoldoende rechts hield. Verdachte heeft, toen hij de Renault door zijn hoge snelheid veel te laat had opgemerkt, een noodremming ingezet. De wielen van zijn voertuig blokkeerden waardoor het voertuig onbestuurbaar werd. Verdachte is vervolgens met zijn auto frontaal op de Renault gebotst. De bestuurster van de Renault raakte ten gevolge van het ongeval gewond. Zij heeft een zwaar gekneusde borstkas, een gekneusde neus en een gekneusde knie opgelopen.

Aan verdachte is primair overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 ten laste gelegd. Of er sprake is van schuld aan het ontstane verkeersongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dit betekent dat in het algemeen niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld. Uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer gedragsregels in het verkeer, kan niet worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

Uitgaande van deze beoordelingsmaatstaven en de feiten in dit geval oordeelt de rechtbank als volgt. De verdachte had de Renault redelijkerwijs kunnen en moeten zien. De Leegeweg is een smalle, niet in rijstroken verdeelde rechte weg. Er waren geen uitzicht belemmerende obstakels en de weersomstandigheden waren niet dusdanig dat deze het zicht van de verdachte beperkten. De Renault moet dus tijdig zichtbaar zijn geweest voor een oplettende bestuurder die met gepaste snelheid aan komt rijden. Daar komt bij dat verdachte de Leegeweg kende en dat hij daar regelmatig reed. Hij had bedacht moeten zijn op de aanwezigheid van tegenliggende verkeersdeelnemers op deze weg. Dit geldt nog sterker omdat het om één rijbaan voor verkeer in twee rijrichtingen gaat, zonder belijning. Desondanks moet worden vastgesteld dat de verdachte de voorsorterende Renault niet tijdig heeft opgemerkt. Verdachte reed met een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan en hield onvoldoende rechts waardoor hij niet in staat was zijn snelheid tijdig aan te passen en de Renault te ontwijken. Uit de verklaring bij de politie en gelet op de geneeskundige verklaring van de huisarts blijkt dat het slachtoffer ten gevolge van het ongeval zodanig lichamelijk letsel opgelopen dat daaruit verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden, in elk geval haar werk, is ontstaan.

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat de bestuurster van de Renault, doordat zij zich met de auto op de weghelft van verdachte bevond, zelf veroorzaker van het ongeval is geweest. De rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid geldt dat de eventuele aanwezigheid van medeschuld aan de zijde van een slachtoffer, schuld aan de zijde van verdachte niet opheft. In uitzonderlijke gevallen kan dit anders zijn, doch de rechtbank is van oordeel dat een dergelijke situatie zich in het onderhavige geval in elk geval niet voordoet nu uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat verdachte bij gepaste snelheid tijdig had kunnen stoppen dan wel naar rechts uitwijken.

De raadsvrouw heeft tevens aangevoerd dat niet met zekerheid gesteld kan worden dat verdachtes ‘alcoholpercentage’ boven de wettelijke toegestane hoeveelheid heeft gelegen. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Uit bloedonderzoek is gebleken dat verdachte een alcoholpromillage van 1,94 mg/ml had. Het niet onderbouwde verweer van de raadsvrouw dat de inname van een zeer geringe hoeveelheid alcohol - namelijk twee eenheden - tot dit promillage kan hebben geleid, omdat verdachte een levertransplantatie heeft ondergaan en medicijnen gebruikt, kan de rechtbank niet volgen. Dit verweer wordt daarom verworpen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 19 april 2018, te Groningen als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto, merk: Seat, daarmede rijdende over de weg, (Leegeweg), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend, terwijl verdachte genoemde auto bestuurde onder invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank, met een hogere snelheid dan ter plaatse geboden en verantwoord was, genoemde weg heeft bereden en onvoldoende rechts heeft gehouden, tengevolge waarvan een botsing/aanrijding is ontstaan met een personenauto, bestuurd door [slachtoffer] , die stond opgesteld op de Leegeweg teneinde af te slaan naar een (voor die [slachtoffer] ) linksgelegen inrit, waardoor aan [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van deze wet.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden. De officier van justitie heeft tevens gevorderd aan verdachte op te leggen een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor de duur van 2 jaren. De officier van justitie heeft in zijn eis rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten (uitgaande van de categorie 'ernstige schuld'), het reclasseringsadvies, de persoon van verdachte en diens justitiële documentatie.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte een lange weg achter de rug heeft met revalidatie en herstel van zijn zeer ernstige verwondingen. Hij heeft een blijvende beperking, mag niet op zijn knieën zitten en de linkerknie niet belasten. De raadsvrouw heeft er tevens op gewezen dat, afgezien van dit ongeval, er geen overtredingen meer zijn geweest in het verkeer, nadat verdachte de ingrijpende operatie (levertransplantatie) heeft ondergaan. Het laatste feit dateert van 2012, ruim zes jaren geleden. Voorts heeft de raadsvrouw er op gewezen dat verdachte automonteur is en dat het niet hebben van een geldig rijbewijs grote gevolgen voor hem zal hebben.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 19 april 2017 aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden, ten gevolge waarvan een ongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft kennelijk door zijn te hoge snelheid en een te hoog alcoholpromillage zijn voorsorterende tegenligster te laat gezien. Hij heeft onvoldoende rechts gehouden en is frontaal op haar gebotst. Het slachtoffer heeft door het ongeval letsel opgelopen waardoor zij tijdelijk gehinderd is in de uitoefening van haar dagelijkse bezigheden. Aldus heeft verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en een ander lichamelijk letsel toegebracht. Verdachte neemt bovendien niet of nauwelijks verantwoordelijkheid voor hetgeen hij heeft aangericht. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft enerzijds bij de bepaling van de strafmaat acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie van 13 juli 2018 van verdachte. Hieruit blijkt dat hij eerder met justitie in aanraking is geweest voor rijden onder invloed. Verdachte heeft toen een taakstraf en rijontzegging gekregen. De rechtbank constateert dat verdachte kennelijk geen lering heeft getrokken uit deze eerdere veroordeling. Bovendien blijft verdachte hardnekkig ontkennen dat hij meer dan twee glazen bier heeft genuttigd die avond, terwijl bloedonderzoek aantoont dat verdachte veel te veel had gedronken.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat verdachte automonteur is. Verdachte moet dagelijks zo'n 40 kilometer rijden naar zijn werk en ook zijn vriendin woont niet in de buurt. Een eventuele ontzegging van de rijbevoegdheid zal een grote impact op het dagelijks leven van verdachte hebben. Naar het onderdeel van de rechtbank kunnen deze persoonlijke belangen van verdachte echter geen aanleiding vormen om van een ontzegging van de rijbevoegdheid af te zien. Het gaat immers om een ernstig feit en verdachte is al eerder veroordeeld voor rijden onder invloed.

De rechtbank weegt anderzijds mee dat het ongeval voor verdachte grote fysieke gevolgen heeft gehad. Verdachte werd door de botsing uit de auto geslingerd en heeft daardoor aanzienlijk lichamelijk letsel opgelopen.

Volgens de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS wordt voor het veroorzaken van een verkeersongeval, onder invloed van meer dan 570 µg/l, met aanmerkelijke schuld en lichamelijk letsel, tijdelijke ziekte ten gevolge een taakstraf van 140 uur en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 18 maanden als uitgangspunt.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op al het voorgaande, een taakstraf in de vorm van een werkstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, een passende bestraffing vormt en in dit geval een bijdrage kan leveren aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de gedragingen van verdachte, in het licht van zijn eerdere veroordeling, een gevangenisstraf rechtvaardigen. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat dit een gevangenisstraf in voorwaardelijke zin moet zijn, als stok achter de deur voor verdachte. De rechtbank weegt hierbij mee dat het ongeval voor verdachte grote fysieke gevolgen heeft gehad. De rechtbank legt daarnaast een rijontzegging op conform de oriëntatiepunten.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf voor de duur van 100 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.

Ten aanzien van feit 1 voorts:

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 18 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. A. Jongsma en mr. M.S. van den Berg, rechters, bijgestaan door mr. A.M.J. Flach, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 januari 2019 .

Mr. M.S. van den Berg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.