Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1399

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-04-2019
Datum publicatie
13-05-2019
Zaaknummer
KL 5917585 \ CV EXPL 17-3907 (E)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Effectenleaseovereenkomst, tussenpersoon. Beroep op klachtplicht en verjaring afgewezen. Schending artikel 41 NR 1999 en schending zorgplicht. Terugbetaling inleg en restschuld toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 5917585 \ CV EXPL 17-3907

vonnis van de kantonrechter d.d. 9 april 2019

inzake

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in (voorwaardelijke) reconventie,

gemachtigde: mr. G. van Dijk te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,

gemachtigde: mr. J. van Staveren te Amsterdam,

Partijen zullen hierna [A] en Dexia worden genoemd.

1 Procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in (voorwaardelijke) reconventie,

- de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie,

- de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in (voorwaardelijke) reconventie tevens vermeerdering van eis in reconventie,

- de conclusie van dupliek in (voorwaardelijke) reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald. De uitspraak van het vonnis is (nader) vastgesteld op heden.

2 De feiten

2.1.

[A] wilde vermogen opbouwen om eerder te kunnen stoppen met werken. De heer [C] , werkzaam als adviseur bij Spaar Select, is een aantal keren bij [A] thuis geweest en heeft aan de hand van de hem daar verstrekte informatie een Persoonlijk Financieel Plan voor [A] opgesteld. Het plan is mede gericht aan de echtgenote van [A] , mevrouw [B] (hierna: [B] ).

2.2.

In het Persoonlijk Financieel Plan van 25 mei 2000 heeft Spaar Select [A] onder meer geadviseerd om door middel van het leasen van het zogenoemde Allround Effect het gewenste vermogen op te bouwen. In het Persoonlijk Financieel Plan staat dienaangaande vermeld:

" Allround Effect

Het Allround Effect is de meest geschikte spaarvorm indien u op korte of middellange termijn uw wens wil realiseren tegen een zo hoog mogelijk rendement. Middels een Allround Effect met een inleg van f 250,- per maand bouwt u in vijf jaar tijd een netto vermogen op van f 24.735,- op basis van 12,5 % rendement.

(…)."

2.3.

In (onder meer) de brochure "Allround Effect" van Spaar Select met als onderschrift "op alle fronten beter" staat vermeld:

"Spaar Select biedt nu met het Allround Effect een product waarmee u een gegarandeerd beter resultaat kunt behalen dan de AEX-index. (…) Doordat dividenduitkeringen bij het Allround Effect direct voor u worden herbelegd, is uw resultaat gegarandeerd beter dan de AEX-index. Zo kunt u na 5 tot 20 jaar een hoog effectief rendement behalen dat kan oplopen tot een veelvoud van andere spaar- of beleggingsvormen.

(…)

Het Allround Effect wordt u aangeboden door Spaar Select in samenwerking met Bank Labouchere (rb: rechtsvoorgangster van Dexia). (…)

(…)

LET OP

* Beleggen bij wie en in welke vorm dan ook brengt financiële risico's met zich mee. Dat geldt ook voor het Allround Effect.

* Beleggen geeft u kans op een hoger, maar ook op een lager dan gemiddeld rendement. Dit risico is voor u.

* De waarde van uw belegging kan fluctueren. (…)."

2.4.

[A] en [B] hebben vervolgens, via Spaar Select als tussenpersoon, de volgende effectenleaseovereenkomst met (rechtsvoorgangers van) Dexia afgesloten:

Nr.

Contract

Datum

Naam

Leasesom €

Looptijd

Termijnbedrag

1.

39783413

15-06- 2000

Allround Effect

Maandbetaling

27.226,80

240 mnd

113,44

2.5.

Op voornoemde overeenkomst staat Spaar Select B.V. vermeld als adviseur.

2.6.

Op de website van Bank Labouchere, de rechtsvoorgangster van Dexia, stond op 11 mei 2000 vermeld:

"Labouchere Beleggingsproducten

Met de effectenleaseproducten van Labouchere Beleggingsproducten is het voor iedereen mogelijk kansrijk te beleggen. Ze zijn bestemd voor particulieren die op basis van hun financiële situatie deskundig advies van gespecialiseerde onafhankelijke financiële adviseurs wensen.

(…)

De producten worden uitsluitend aangeboden via onafhankelijke, gespecialiseerde financiële adviseurs in ons land. Hun kwaliteit en kennis van zaken garandeert hun cliënten een met zorg omkleed persoonlijk advies. Door training en begeleiding van de financiële adviseurs houden de accountmanagers van Labouchere Beleggingsproducten hen uitvoerig op de hoogte van de verschillende producten. (…)."

2.7.

Op verzoek van [A] is in september 2006 de met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomst tussentijds beëindigd. Daarbij is een restschuld ontstaan van € 337,84. [A] heeft de restschuld betaald aan Dexia.

2.8.

Bij brief van 2 augustus 2006 heeft de gemachtigde van [A] aan Dexia geschreven:

"(…) Aangezien door u aan cliënt krediet is verstrekt zonder dat u beschikte over een vergunning als bedoeld in artikel 9 van de Wet op het Consumentenkrediet, is het bovengenoemde contract (ktr: het contract genoemd onder 2.4) ingevolge artikel 3:40 lid 2 BW nietig. Namens cliënt wordt een beroep gedaan op de aldus ontstane nietigheid.

Voort wordt het contract voor zover nog nodig, vernietigd c.q. ontbonden op grond van de artikelen 3:44 lid 4 BW (misbruik van omstandigheden), 6:74 BW (wanprestatie), 6:162 BW (onrechtmatige daad), 6:194 BW (misleidende reclame) en 6:228 BW (dwaling). Namens cliënt wordt het recht voorbehouden om hiertoe nog andere gronden aan te voeren.

(…)

Tevens dient deze brief als een in art. 3:317 BW bedoelde mededeling ter stuiting van de verjaring. Cliënt behoudt zich ondubbelzinnig het recht voor in de toekomst alsnog, en indien nodig via een gerechtelijke procedure, schadevergoeding van u te vorderen.

Op grond van het bovenstaande wordt u hierbij verzocht, en voor zover nodig gesommeerd, om binnen twee weken na heden alle door cliënt aan u betaalde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente, terug te betalen (…)."

2.9.

In voornoemde periode (aangevangen omstreeks medio 2002) zijn de effectenleaseproducten van Dexia onderwerp geweest van meerdere juridische procedures. Onder meer door het aanbieden van het zogenaamde "Dexia Aanbod" en door de zogenaamde "Duisenberg regeling" heeft Dexia geprobeerd de geschillen met haar afnemers minnelijk te regelen. Op 25 januari 2007 heeft het gerechtshof Amsterdam de "Duisenberg regeling" verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM). [A] heeft door middel van een zogenaamde
"opt-out-verklaring" in 2007 aangegeven niet aan die regeling gebonden te willen zijn.

2.10.

Bij brief van 9 oktober 2009 heeft de gemachtigde van (onder meer) [A] aan Dexia geschreven:

"Hierbij zenden wij u een lijst van 488 pagina's genaamd "Lijst Dexia relaties".

Namens de op deze lijst vermelde cliënten bevestigen wij u dat zij hun vorderingen op Dexia Bank Nederland N.V. onverkort handhaven en dat deze brief met bijlage als doel heeft om de mogelijke verjaring van hun vorderingen op Dexia Bank Nederland N.V. te stuiten.

(…)."

De bijgevoegde lijst bevat onder meer de naam van [A] .

2.11.

[A] heeft in 2011 een brief ontvangen van Dexia, soortgelijk aan de hiernavolgende brief van 21 december 2011 betreffende "uitbetaling vergoeding", waarin is opgenomen:

"In het verleden heeft u één of meerdere effectenlease-overeenkomsten met Dexia afgesloten. Deze overeenkomsten hebben in lang niet alle gevallen tot het beoogde resultaat geleid. Dexia heeft ter compensatie van de door haar cliënten geleden schade een aantal regelingen getroffen, waaronder het Dexia Aanbod en de Duisenbergregeling. U heeft aangegeven van die regelingen geen gebruik te willen maken. Dexia erkent dat u desondanks aanspraak heeft op een vergoeding van de door u geleden schade en is voornemens het daarvoor in haar boeken opgenomen bedrag ter grootte van € (…) aan u uit te betalen.

(…)."

Dexia heeft twee/derde gedeelte van de restschuld, vermeerderd met wettelijke rente, aan [A] betaald.

2.12.

Bij brieven van 23 en/of 24 januari 2012 is, mede namens [A] , een soortgelijke brief als de brief van 9 oktober 2009 naar Dexia verstuurd, waarin staat:

"Namens de op de bijgesloten lijst vermelde personen berichten wij u dat zij hun vorderingen op Dexia onverkort handhaven en dat deze brief met bijlage bedoeld is om de verjaring van deze vorderingen, voor zover nodig, te stuiten. Dit geldt ook voor de vorderingen van de eega's (…).

(…)

Het betreft de vorderingen terzake alle door hen bij u of uw rechtsvoorgangers gesloten effectenleaseovereenkomsten (…)."

2.13.

In een schriftelijke verklaring van de voormalig directeur van Spaar Select, de heer [D] (hierna: [D] ), van 26 september 2013 staat vermeld:

"1. Ik was van 1993 tot 2002 directeur van Spaar Select B.V. De activiteit met de grootste omzetcomponent van Spaar Select was de verkoop van effectenleaseproducten die door Bank Labouchere N.V. en daarna door Dexia op de markt werden gebracht.

(…)

3. Spaar Select is met de verkoop van aandelenleaseproducten van Bank Labouchere begonnen in 1997. Spaar Select kreeg daarbij commerciële ondersteuning van Bank Labouchere. In de periode 1997-1998 ontvingen de financieel adviseurs van Spaar Select trainingen van Bank Labouchere. Daarna werden deze trainingen intern verzorgd, op basis van het trainingsmateriaal van Bank Labouchere.

(…)

5. Tussen Spaar Select en Bank Labouchere c.q. Dexia bestond intensief contact. Ons aanspreekpunt was de heer [F] , die ons wekelijks bezocht en op de hoogte was van de werkwijze van Spaar Select. De focus van Bank Labouchere c.q. Dexia was (zoals van iedere financiële instelling in die periode) gericht op het behalen van een zo groot mogelijke omzet.

6. Spaar Select maakte bij haar verkoopactiviteiten gebruik van brochures van Bank Labouchere c.q. Dexia en ook van eigen brochures, die echter altijd vooraf door Bank Labouchere c.q. Dexia werden goedgekeurd.

(…)

8. Dat de producten van Bank Labouchere c.q. Dexia zo riskant waren werd mij pas duidelijk toen de koersen van aandelen extreem gingen dalen (een AEX die in korte tijd daalde van 700 punten naar 200) (…).

Ik had mij daarvoor niet gerealiseerd dat het aan de producten verbonden risico zo groot was en ik ben daar door Bank Labouchere c.q. Dexia ook nooit op gewezen. De medewerkers van Spaar Select wisten dat voor zover ik weet evenmin (…).

(…)

10. Spaar Select werd in de contracten, brochures en het Financieel Plan omschreven als adviseur en de medewerkers van Spaar Select presenteerden zich ook als zodanig.

(…)

12. Als er klachten waren kon Spaar Select terugvallen op Bank Labouchere c.q. Dexia."

2.14.

De heer [E] (hierna: [E] ), voormalig vestigingsmanager van Spaar Select Twente B.V., een franchiseonderneming van Spaar Select, heeft op 13 augustus 2014 schriftelijk verklaard:

"1. Van april 1998 tot eind 2002 ben ik werkzaam geweest bij Spaar Select Twente B.V. (…).

(…)

6. De werkwijze van Spaar Select bestond eruit dat adviseurs van Spaar Select (de accountmanagers) in persoonlijke gesprekken met klanten specifieke adviezen gaven over af te nemen financiële producten. Er was steeds direct persoonlijk contact.

De adviesgesprekken vonden meestal plaats bij de mensen thuis, maar soms ook op de vestiging. In deze gesprekken presenteerden de accountmanagers zich als financieel adviseur. (…).

(…)

12. De verkoop van aandelenleaseproducten was een belangrijk speerpunt van Spaar Select. Het grootste gedeelte van de geadviseerde en verkochte producten, betrof aandelenleaseproducten van Bank Labouchere/Dexia. (…)."

2.15.

In een interview voor het magazine van Spaar Select heeft de heer [F] (hierna: [F] ), directeur van het bedrijfsonderdeel "Labouchere beleggingsproducten" van Bank Labouchere, aangegeven:

"Klanten kunnen dezelfde aandelenleaseproducten afnemen via zowel Legio Lease, als Bank Labouchere. Wat maakt het voor de klant voor verschil ? [F] : 'Als je als klant bij Legio Lease inhaakt op een productaanbod, dan vul je de bon of het aanvraagformulier in en stuurt het naar Leiden. Op dat moment krijg je geen advies en neem je wellicht impulsief een beslissing. (…) Voor hetzelfde geld kun je je financiële planning ook laten beoordelen en regelen door een bedrijf als Spaar Select. In die planning kan dan exact hetzelfde product worden opgenomen. Dat kost de klant niets meer dan rechtstreeks bij Legio Lease afsluiten. Maar het voordeel is natuurlijk wel, dat het product wordt afgesloten als onderdeel van een totaal financieel plan.'."

2.16.

Bij e-mailbericht van 28 augustus 2014 heeft [F] desgevraagd vragen van

mr. G. van Dijk, gemachtigde van [A] , beantwoord. Hierin staat:

"Was u ermee bekend dat de adviseurs van Spaar Select hun klanten veelal thuis bezochten en hen, al dan niet door middel van een zgn. Financieel Plan, adviseerden om op bepaalde aandelenleaseproducten in te schrijven?

Antw: Ja. De adviseurs van Spaar Select c.q. Spaar Select bemiddelden bij de klanten thuis op afspraak. Met het oog op de zorgvuldigheid, de controlemogelijkheid en de zoveel mogelijke eenduidigheid in zo'n grote organisatie als Spaar Select vonden de klantgesprekken thuis bij de klanten van Spaar Select plaats volgens een gereguleerde gespreksopzet en verslaglegging."

2.17.

Bij brief van 24 oktober 2016 heeft de gemachtigde van [A] aan Dexia geschreven:

"In bovengenoemde zaak is Dexia reeds gesommeerd om alle door cliënt betaalde bedragen terug te betalen, zulks vermeerderd met wettelijke rente. Dexia heeft tot op heden de verschuldigde bedragen niet betaald.

(…)

Het betreft in casu een effectenleasezaak waar cliënt is geadviseerd door Spaar Select ten aanzien van de onderhavige effectenleaseovereenkomst(en). Spaar Select mocht echter, als cliëntenremisier, geen advies geven over de effectenleaseovereenkomst(en). Dit is op 2 september 2016 expliciet door de Hoge Raad beslist. Tevens heeft de Hoge Raad daar aangegeven dat bij een onrechtmatige advisering, waarvan Dexia wist of behoorde te weten, 100% van alle schade, met wettelijke rente door Dexia vergoed dient te worden.

(…)

Namens cliënt sommeer ik u thans alle door cliënt betaalde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente (…) en vermeerderd met € 500,- aan buitengerechtelijke kosten, (…) te storten op de rekening van de stichting Derdengelden Leaseproces (…)."

2.18.

Bij e-mailbericht van 23 februari 2017 heeft mevrouw [G] (hierna: [G] ), voormalig financieel adviseur van Spaar Select, desgevraagd vragen van
mr. J.R. van Staveren, gemachtigde van Dexia, beantwoord. Hierin staat:

"3. Kan u aangeven op welke wijze klanten door u geïnformeerd werden over effectenlease-overeenkomsten ? Kwamen daarbij ook de aan overeenkomsten van effectenlease klevende risico's ter sprake, en zo ja op welke wijze ? Kreeg u hier specifiek voorlichting over, en zo ja, van wie ?

Ja, deze werden heel scherp en duidelijk weergegeven. Zowel mondeling als schriftelijk lichtte ik toe welke risico's er aan het product verbonden waren. Wij kregen hier middels trainingen voorlichting over zodat we zelf ook wisten hoe die risico's er dan uit zagen. In de persoonlijke gesprekken met klanten vond ik het heel belangrijk dat klanten snapten hoe dit er dan uitzag. De klanten waar ik producten voor heb afgesloten, wisten heel goed waar ze aan begonnen. Ik toetste dit regelmatig."

3 De vordering in conventie

3.1.

[A] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht te verklaren dat Dexia onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld en/of toerekenbaar tekort is geschoten jegens [A] , op de in de dagvaarding genoemde gronden;

b. Dexia te veroordelen tot betaling van de door [A] geleden schade, bestaande uit de door [A] betaalde bedragen aan inleg in de effectenleaseovereenkomsten en de betaalde restschuld, te vermeerderen met wettelijke rente, telkens vanaf de dag der door [A] gedane betalingen althans vanaf de door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan die der voldoening;

c. Dexia te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [A] conform rapport Voorwerk II, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

d. Dexia te veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten.

3.2.

Dexia voert verweer.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De vordering in (voorwaardelijke) reconventie

4.1.

Dexia vordert, na wijziging van eis, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

in voorwaardelijke reconventie

onder de voorwaarde dat de rechtbank het in de conclusie opgenomen verweer in conventie met betrekking tot de klachtplicht en verjaring verwerpt:

[A] te bevelen om binnen twee weken na betekening van het ten deze te wijzen vonnis aan Dexia tegen vergoeding van de kosten daarvan kopie te verstrekken van het dossier dat Leaseproces omtrent hem heeft aangelegd, althans van het intakeformulier of de intakeformulieren die Leaseproces omtrent hem heeft opgemaakt, onder de bepaling dat [A] een dwangsom zal verbeuren van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft aan dat bevel te voldoen;

in reconventie

a. voor recht te verklaren dat de overeenkomst met nummer 39784313 rechtsgeldig tot stand gekomen is, niet is vernietigd en niet blootstaat aan vernietiging op enige grond waarop van de zijde van [A] een beroep kan worden gedaan; alsmede

b. voor recht te verklaren dat [A] met betrekking tot de overeenkomst met nummer 39784313 niet werd blootgesteld aan het risico op een onaanvaardbaar zware financiële last; alsmede

c. voor recht te verklaren dat Dexia niets meer is verschuldigd aan [A] ;

in (voorwaardelijke) reconventie

alles met veroordeling van [A] in de proceskosten.

5 Het geschil en de beoordeling daarvan in conventie

5.1.

Bij brief van 11 april 2018 heeft de griffier partijen bericht dat de onderhavige procedure zal worden aangehouden, in afwachting van de uitkomst van een aantal andere - vergelijkbare - zaken bij deze rechtbank, waarvan een zaak door de kantonrechter is verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. Inmiddels is in deze zaak vonnis gewezen op 14 november 2018 (Rechtbank Noord-Nederland, 14 november 2018, ECLI:NL:RBNNE: 2018:4726). Naar het oordeel van de kantonrechter kan op basis van dit vonnis ook in deze procedure vonnis worden gewezen. In het betreffende vonnis heeft de rechtbank ten aanzien van een aantal geschilpunten zoals die hier eveneens voorliggen beslist. Bij de beoordeling zal, voor zover aangewezen, naar dat vonnis worden verwezen. Met inachtneming hiervan, overweegt de kantonrechter dat tussen partijen in de kern genomen in geschil is of Dexia onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld door in strijd te handelen met artikel 41 van de toenmalige Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999), alsmede door schending van haar precontractuele zorgplichten. Ten aanzien van de in dit verband tussen partijen opgekomen geschilpunten overweegt de kantonrechter als volgt.

Procespartijen

5.2.

Dexia heeft aangevoerd dat [B] mede-eigenaar is van de in procedure zijnde effectenleaseovereenkomst en dat het de procesefficiëntie zou dienen als de vordering namens beide eigenaren in dezelfde procedure wordt ingesteld. Volgens [A] kan aan het verweer van Dexia over het mede-eigenaarschap voorbij worden gegaan, omdat Dexia daaraan geen rechtsgevolgen verbindt.

5.3.

Daargelaten de vraag of Dexia aan haar verweer rechtsgevolgen heeft willen verbinden, staat vast dat [A] en [B] beiden contractant zijn van Dexia. Voorts volgt uit de dossierstukken dat [A] en [B] met elkaar gehuwd zijn. Om die reden zal de kantonrechter de door [A] ingestelde vorderingen aldus begrijpen, dat deze mede ten behoeve van [B] zijn ingesteld. Hierbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [A] op zichzelf genomen geen bezwaar heeft gemaakt tegen het verzoek om de vordering namens beide eigenaren in dezelfde procedure in te stellen uit hoofde van procesefficiëntie.

Verjaring

5.4.

Volgens Dexia zijn de vorderingen van [A] verjaard en kan daarom niet aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil worden toegekomen. Dexia heeft daartoe, verkort weergegeven, aangevoerd dat de vorderingen van [A] zijn gebaseerd op een onrechtmatige daad en zijn onderworpen aan een verjaringstermijn van vijf jaar op grond van artikel 3:310 BW. Pas bij brief van 24 oktober 2016 heeft [A] zich voor het eerst op het standpunt gesteld dat Dexia bij het sluiten van de overeenkomst gehandeld zou hebben in strijd met artikel 41 NR 1999, aldus Dexia. Volgens Dexia was [A] uiterlijk ten tijde van de beëindiging van de overeenkomst in 2006 bekend met de schade. In de vijf jaren voorafgaande aan de brief van 24 oktober 2016 heeft Dexia alleen in januari 2012 een brief namens [A] ontvangen. Deze brief is verzonden namens tienduizenden afnemers en uit de brief blijkt niet welk recht op nakoming door de schuldeiser wordt voorbehouden en op welke feiten de vorderingen zijn gebaseerd, zodat deze brief geen stuitende werking heeft gehad. Volgens Dexia is er geen reden om bij de uitleg van de brief van januari 2012, de brieven van [A] van 2 augustus 2006 en 9 oktober 2009 te betrekken. In de brief uit 2006 blijkt niet op welke feiten de aanspraak tot terugbetaling was gebaseerd en voor de brief uit 2009 geldt hetzelfde als voor de brief van januari 2012.

5.5.

[A] heeft, verkort weergegeven, gesteld dat hij Dexia al in 2006 aansprakelijk heeft gesteld voor zijn schade en dat de brieven van 2 augustus 2006, 9 oktober 2009 en 23/24 januari 2012 stuitende werking hebben gehad in de zin van artikel 3:317 BW. In dit verband heeft [A] gewezen op rechtsoverwegingen 4.10 tot en met 4.14. van het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 november 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:9114). Uit dit arrest volgt ook dat de brieven uit oktober 2009 en januari 2012 stuitende werking hebben gehad, aldus [A] . Bovendien werden er destijds honderden procedures gevoerd tussen Dexia en afnemers van haar producten, zodat Dexia een vordering kon verwachten en uit de context had kunnen afleiden om welke vorderingen het ging. Dexia heeft ook erkend dat [A] aanspraak kon maken op een schadevergoeding en is tot uitbetaling overgegaan.

5.6.

De kantonrechter verwijst met betrekking tot dit verweer van Dexia naar het vonnis van 14 november 2018, waarin het volgende kader is uitgezet. Art. 3:310 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. De verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen (HR 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0694, NJ 2003/300). Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Dit houdt niet in dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is vereist dat de benadeelde – behalve met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon – daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden (HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1739, NJ 2006/115). Dit betekent evenmin dat is vereist dat de benadeelde steeds ook met de (exacte) oorzaak van de schade bekend is (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8903, NJ 2006/113). Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van alle ter zake dienende omstandigheden (HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3240, NJ 2015/207).

5.7.

Voorts geldt dat artikel 3:317 lid 1 BW bepaalt dat de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. De schriftelijke mededeling moet een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhouden dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, ermee rekening moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren (zie: HR 24 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0418).

5.8.

Voor het antwoord op de vraag of de schriftelijke mededeling aan de eisen van artikel 3:317 lid 1 BW voldoet, dient niet alleen te worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling is gedaan en op de overige omstandigheden van het geval (zie: HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112). Bij deze beoordeling kan onder omstandigheden mede betekenis toekomen aan de verdere correspondentie tussen partijen (zie: HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7063). Aan de mededeling mag niet de eis worden gesteld dat deze de vordering, waarvoor de schuldeiser zich het recht op nakoming voorbehoudt, nauwkeurig omschrijft met aanwijzing van de correcte juridische grondslag daarvoor (zie: HR 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1494). Voor een voldoende duidelijke waarschuwing is wel noodzakelijk dat voor de schuldenaar kenbaar is welke vordering is bedoeld, waartoe in elk geval is vereist dat de vordering zodanig is omschreven dat de schuldenaar kan begrijpen welk recht op nakoming wordt voorbehouden en waartegen hij zich eventueel heeft te verweren (zie: HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9615).

5.9.

Artikel 3:318 BW bepaalt dat verjaring ook wordt gestuit door erkenning.

5.10.

Met inachtneming van het voorgaande, overweegt de kantonrechter als volgt. Dexia beroept zich op verjaring in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de brief van 24 oktober 2016. Partijen zijn het erover eens dat [A] in 2006 bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, zodat vast staat dat de verjaringstermijn over de in geschil zijnde periode vanaf 24 oktober 2011 tot 24 oktober 2016 al een aanvang had genomen. Voor het antwoord op de vraag of [A] zich in voornoemde periode jegens Dexia ondubbelzinnig een recht op nakoming heeft voorbehouden, acht de kantonrechter het volgende van belang. Vast staat dat partijen op 2 augustus 2006, 9 oktober 2009,

21 december 2011 (dit wordt niet betwist door Dexia), 23/24 januari 2012 en 24 oktober 2016 met elkaar hebben gecorrespondeerd naar aanleiding van de effectenleaseovereenkomst die [A] met Dexia had gesloten. Ook staat vast dat [A] zijn vorderingen in de onderhavige procedure (waaronder een vordering tot vergoeding van schade) baseert op een onrechtmatige daad, te weten schending van artikel 41 NR 1999 door Dexia, alsmede schending van de precontractuele zorgplichten.

5.11.

In de brief van 2 augustus 2006 pretendeert [A] een vordering op Dexia te hebben tot terugbetaling van alle bedragen die [A] aan Dexia heeft betaald. [A] schrijft in dat verband dat de effectenleaseovereenkomst door hem worden vernietigd c.q. ontbonden op grond van, onder meer, een onrechtmatige daad. In het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 november 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:9114), heeft het hof in een soortgelijke zaak over een vrijwel gelijkluidende schriftelijke mededeling geoordeeld dat de brief voldoet aan de eisen die in artikel 3:317 lid 1 worden gesteld aan een stuitingshandeling.

5.12.

Vervolgens heeft [A] binnen vijf jaren de brief van 9 oktober 2009 aan Dexia verstuurd, waarin [A] zijn vorderingen op Dexia onverkort heeft gehandhaafd en heeft meegedeeld dat de brief als doel had om de mogelijke verjaring van die vorderingen te stuiten. In voornoemd arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het hof over een vrijwel gelijkluidende schriftelijke mededeling (waarbij de naam van de schuldeiser op een bij de brief gevoegde lijst met namen stond vermeld) geoordeeld dat de schuldeiser de verjaring met die brief heeft gestuit, ondanks dat de vorderingen in de brief niet nader werden benoemd.

5.13.

Onweersproken is door [A] gesteld dat Dexia ongeveer twee jaren later, op

21 december 2011, jegens [A] heeft erkend dat [A] schade heeft geleden ten gevolge van de met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomst, alsmede dat [A] aanspraak maakt op een vergoeding van die schade. Dexia heeft [A] vervolgens twee/derde gedeelte van de restschuld, vermeerderd met wettelijke rente, betaald.

5.14.

Bij brief van 23/24 januari 2012 heeft [A] zijn vorderingen op Dexia nogmaals gehandhaafd en meegedeeld dat de brief met bijlage bedoeld is om de verjaring van de vorderingen te stuiten, een en ander op soortgelijke wijze als in de brief van 9 oktober 2009.

5.15.

Het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwende, is de kantonrechter, evenals de rechtbank in het vonnis van 14 november 2018, van oordeel dat de formulering van de brief van 2 augustus 2006 voldoende is voor de conclusie dat voor Dexia in de gegeven omstandigheden kenbaar was dat [A] (onder meer) een beroep deed op een onrechtmatige daad en aanspraak maakte op terugbetaling van alle gelden uit hoofde van de met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomsten. De omstandigheid dat de onrechtmatige daad in de brief van 2 augustus 2006 ten onrechte is gekoppeld aan vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst, doet naar het oordeel van de kantonrechter niet af aan de kenbaarheid van de rechtsgrond onrechtmatige daad. Hierbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat de mededeling op zichzelf genomen niet een correcte juridische grondslag hoeft te bevatten. De kenbaarheid van de vordering tot schadevergoeding volgt uit de brief en uit de gevorderde terugbetaling van alle gelden. Naar het oordeel van de kantonrechter was voor Dexia voldoende duidelijk waartegen zij zich eventueel diende te verweren.

5.16.

Vervolgens heeft [A] bij brief van 9 oktober 2009 zijn vorderingen onverkort gehandhaafd en er op gewezen dat de brief als doel had om de verjaring van zijn vorderingen te stuiten, waarna Dexia eind 2011 heeft erkend dat [A] aanspraak kon maken op een vergoeding van haar schade en twee/derde gedeelte van de restschuld aan [A] heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente. Naar het oordeel van de kantonrechter impliceert de erkenning van aansprakelijkheid door Dexia dat voor Dexia kenbaar was dat [A] een beroep deed op een onrechtmatige daad en een vergoeding van zijn schade. Hierbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat Dexia bij conclusie van antwoord in conventie heeft aangevoerd dat zij op grond van de in de aandelenlease-zaken gewezen jurisprudentie uit eigen beweging twee/derde gedeelte van de restschuld van [A] , vermeerderd met wettelijke rente, heeft gerestitueerd. Deze jurisprudentie heeft betrekking op de schending van de precontractuele zorgplichten en het toewijzen van een schadevergoeding (zie hierna onder 5.39). De schending van de precontractuele zorgplichten levert een onrechtmatige daad op (zie Hoge Raad in het aldaar vermelde [I] /Dexia-arrest uit 2009). Voorts is de kantonrechter van oordeel dat de omstandigheid dat in de brief van 9 oktober 2009 de vordering niet nader werd omschreven, niet afdoet aan de kenbaarheid van de vorderingen van [A] bij Dexia, gelet op de inhoud van de brief van 2 augustus 2006, alsmede op voornoemde erkenning. Het verweer van Dexia dat de erkenning (voor zover al in de brief besloten) slechts betrekking had op het in de brief genoemde bedrag, doet daar niet aan af. In de brief van 2 augustus 2006 wordt terugbetaling van alle betaalde bedragen gevorderd, vermeerderd met rente en de brieven van 2 augustus 2006 en 9 oktober 2009 voldoen naar het oordeel van de kantonrechter aan de vereisten voor een stuiting van de verjaring op basis van artikel 3:317 lid 1 BW. De vraag of de erkenning van Dexia in 2011 op zichzelf genomen stuitende werking heeft gehad zal de kantonrechter daarom in het midden laten.

5.17.

Voornoemde kenbaarheid van de vorderingen van [A] bij Dexia brengt voorts met zich dat de brief van [A] van 23/24 januari 2012 naar het oordeel van de kantonrechter eveneens aan de vereisten voor een stuiting van de verjaring voldoet, op dezelfde wijze als hiervoor overwogen in 5.16. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat van verjaring van de vorderingen van [A] in de periode van 24 oktober 2011 tot 24 oktober 2016 geen sprake is geweest.

Klachtplicht

5.18.

Dexia heeft voorts tot haar verweer aangevoerd dat [A] zijn klachtplicht ex artikel 6:89 BW heeft verzuimd. Volgens Dexia heeft [A] pas bij brief van 24 oktober 2016 een concrete klacht aan Dexia kenbaar gemaakt, terwijl [A] sinds 2000 op de hoogte was van het feit dat Spaar Select hem had geadviseerd en dat Dexia hem als cliënt had geaccepteerd. Voorts was [A] sinds 2006 bekend met de afloop van de overeenkomst en was [A] cliënt van Leaseproces, een gespecialiseerde rechtsbijstandverlener die bekend was met de omvang van de bancaire zorgplicht en met de inhoud van artikel 41 NR 1999. In de brieven van [A] uit 2006, 2009 en 2012 worden de aard en omvang van de tekortkoming niet beschreven, hetgeen wel vereist is ter voldoening aan de klachtplicht, aldus Dexia. Volgens Dexia is zij in haar belangen geschaad door het tijdsverloop. [A] betwist dat hij niet tijdig heeft geklaagd en heeft onder meer gesteld dat de inhoud van de brief van 2 augustus 2006 voldoende is voor een tijdige klacht. Reiding heeft in dit verband gewezen op een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:143). [A] stelt voorts dat hij pas expliciet kon klagen over het feit dat Spaar Select geen vergunning had en dat Dexia de order in dat geval had moeten weigeren, sinds de arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016 ( [H] /Dexia, ECLI:NL:HR:2016:2012).

5.19.

De kantonrechter verwijst met betrekking tot dit verweer van Dexia naar de overwegingen 5.18 tot en met 5.22. van het vonnis van deze rechtbank van 14 november 2018 en neemt deze over als volgt. Artikel 6:89 BW is van toepassing op alle verbintenissen, waaronder die uit beleggingsadviesrelaties. Volgens artikel 6:89 BW kan de schuldeiser op een gebrek in een prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd. Het in artikel 6:89 BW bedoelde protest is vormvrij (vgl. HR 11 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8297, NJ 2010/331).

5.20.

De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 8 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY4600 en ECLI:NL:HR:2013:BX7846) geoordeeld dat bij beantwoording van de vraag of tijdig is geprotesteerd, acht moet worden geslagen op alle relevante omstandigheden, waaronder de aard en inhoud van de rechtsverhouding, de aard en inhoud van de prestatie en de aard van het gestelde gebrek in de prestatie. In dit verband heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 7:23 BW, geoordeeld dat in de klachtplichtregeling een onderzoekstermijn besloten ligt en een daarop volgende mededelingstermijn. De lengte van de termijn die beschikbaar is voor het onderzoek is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer van belang zijn de aard en de waarneembaarheid van het gebrek, de wijze waarop dit aan het licht treedt, en de deskundigheid van de koper. Dienaangaande heeft de Hoge Raad overwogen dat de omstandigheid dat de beleggingen waarop een beleggingsadviesrelatie betrekking heeft, een tegenvallend rendement hebben of tot verliezen leiden, niet zonder meer op een tekortschieten van de bank wijst. Deze enkele omstandigheid behoeft voor de cliënt in beginsel niet een reden voor onderzoek te zijn. De Hoge Raad heeft voorts geoordeeld dat bij beantwoording van de vraag of tijdig is geklaagd ook van belang is of de schuldenaar nadeel lijdt door het late tijdstip waarop de schuldenaar heeft geklaagd. In dit verband dient de rechter rekening te houden met enerzijds het voor de schuldeiser ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren zoals in artikel 6:89 BW vermeld - te weten het verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming - en anderzijds de concrete belangen waarin de schuldenaar is geschaad door het late tijdstip waarop dat protest is gedaan, zoals een benadeling in zijn bewijspositie of een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken. De tijd die is verstreken tussen het tijdstip dat bekendheid met het gebrek bestaat of redelijkerwijs diende te bestaan, en dat van het protest, vormt in die beoordeling weliswaar een belangrijke factor, maar is niet doorslaggevend.

5.21.

Hoewel [A] pas in de brief van 24 oktober 2016 een expliciet beroep heeft gedaan op schending van artikel 41 NR 1999 door Dexia, volgt uit de brief van [A] van 2 augustus 2006 dat [A] (onder meer) een beroep doet op een onrechtmatige daad en op terugbetaling van alle gelden uit hoofde van de met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomsten. Zowel de schending van artikel 41 NR 1999 als de schending van de zorgplichten zijn te kenmerken als een onrechtmatige daad. Ook veronderstellen beide schendingen een handelen of nalaten in de precontractuele fase. Daarnaast volgt uit de brief van 2 augustus 2006 voldoende dat [A] zich (onder meer) beklaagde over de handelwijze van Dexia ten tijde van het tot stand komen van de effectenleaseovereenkomsten, vanwege de verwijzing naar misleidende reclame, dwaling en misbruik van omstandigheden (zie: gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 januari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:143). Het vorenstaande in onderling verband en samenhang beschouwende, acht de kantonrechter de brief van 2 augustus 2006 in de gegeven omstandigheden voldoende voor de conclusie dat de brief de aard en omvang van de tekortkoming vermeldt. De brief maakt voldoende duidelijk dat [A] zich beklaagde over het feitencomplex waarop de vorderingen uit hoofde van een onrechtmatige daad en tot vergoeding van schade uiteindelijk zijn gegrond, te weten het handelen van Dexia in de precontractuele fase. De brief dient daarom als een klacht in de zin van artikel 6:89 BW te worden aangemerkt. Dexia heeft niet tot haar verweer aangevoerd dat [A] met het verzenden van deze brief te laat heeft geklaagd.

5.22.

Daarnaast is de kantonrechter, gelet op voornoemde arresten van de Hoge Raad van 8 februari 2013, van oordeel dat [A] met de brief van 24 oktober 2016 tijdig heeft geklaagd over de schending van artikel 41 NR 1999 door Dexia. Nog daargelaten dat niet is komen vast te staan dat er voor [A] aanleiding bestond om eerder onderzoek te verrichten naar een schending van artikel 41 NR 1999 door Dexia, is eveneens onvoldoende gebleken dat Dexia door het tijdstip waarop is geprotesteerd over die schending in haar belangen is geschaad. Hierbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat voor het antwoord op de vraag of sprake is geweest van een schending van artikel 41 NR 1999 de kwaliteit van het advies van Spaar Select of de wetenschap van [A] , niet relevant is. Naar het oordeel van de kantonrechter is van een schending van de klachtplicht dan ook geen sprake.

Schending artikel 41 NR 1999

5.23.

[A] stelt, verkort weergegeven, dat Dexia onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren via Spaar Select, terwijl het Spaar Select als cliëntenremisier zonder vergunning ex artikel 7 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) niet was toegestaan om [A] te adviseren om een effectenleaseovereenkomst met Dexia aan te gaan en Dexia dit wist, althans dit behoorde te weten. Volgens [A] volgt uit het Persoonlijk Financieel Plan dat Spaar Select hem heeft geadviseerd. De advisering van Spaar Select vond plaats via de verkoopmethode genaamd "SPEND". Volgens [A] volgt uit deze verkoopmethode dat de adviseurs van Spaar Select bij klanten een probleem dienden te creëren dat alleen door de adviseurs van Spaar Select kon worden opgelost. Het advies was steeds weer een effectenleasecontract, aldus [A] . [A] stelt voorts dat uit de door hem overgelegde producties (onder meer weergegeven in 2.6 en 2.13 tot en met 2.16) volgt dat Dexia bekend was met de vaste werkwijze van Spaar Select en dat Dexia wist dat Spaar Select concrete beleggingsproducten adviseerde. Volgens [A] hebben Dexia en Spaar Select bewust samengewerkt. Spaar Select ontving provisie van Dexia per verkocht contract. Spaar Select handelde als orderremisier, terwijl zij daarvoor geen vergunning had. Het advies van Spaar Select om voor een spaardoel een aandelenleaseproduct af te sluiten, is een advies dat een redelijk handelend en redelijk bekwaam adviseur niet had mogen geven, aldus [A] .

5.24.

Dexia heeft, samengevat weergegeven, aangevoerd dat uit de door [A] overgelegde brochures en aanmeldformulieren van Spaar Select volgt dat [A] wel degelijk op de hoogte was van de risico's die waren verbonden aan de overeenkomsten. Uit de verklaring van [G] (zie 2.19) volgt ook dat er door medewerkers van Spaar Select op die risico's werd gewezen. Artikel 41 NR 1999 strekte er niet toe om beleggers te beschermen tegen bewust aanvaarde risico's, aldus Dexia. Het enkel aanprijzen van een bepaald product is ook geen advisering. Dexia betwist dat zij wist of moest weten dat Spaar Select beleggingsadvies aan [A] had gegeven. Het Persoonlijk Financieel Plan van Risselada heeft Dexia destijds ook niet onder ogen gehad. Volgens Dexia had Spaar Select geen vaste werkwijze. Uit een verklaring onder ede van een toenmalige accountmanager van Dexia ten overstaan van het gerechtshof 's-Hertogenbosch volgt ook dat hij er geen weet van had dat de desbetreffende tussenpersoon beleggingsadviezen gaf. Er is volgens Dexia geen reden om aan te nemen dat Dexia die wetenschap met betrekking tot Spaar Select wel gehad zou hebben. Dexia betwist voorts dat zij enige vorm van zeggenschap of controle had over het optreden van Spaar Select.

5.25.

De kantonrechter stelt tegen deze achtergrond het volgende kader voorop, evenals de rechtbank in het vonnis van 14 november 2018. Artikel 7 lid 1 Wte 1995 bepaalde tot 1 januari 2007 dat het verboden is zonder vergunning als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder in of vanuit Nederland diensten aan te bieden of te verrichten. Artikel 1 Wte 1995 bepaalde in dit verband dat onder effectenbemiddelaar werd verstaan: "degene die als tussenpersoon, anders dan op grond van een overeenkomst als bedoeld onder c, beroeps- of bedrijfsmatig werkzaam is bij de totstandkoming van transacties in effecten". Artikel 1 bepaalde voorts dat onder effecteninstelling werd verstaan: "een effectenbemiddelaar of een vermogensbeheerder".

5.26.

Artikel 10 lid 1 Wte 1995 juncto artikel 12 lid 1 sub c Vrijstellingsregeling Wte 1995 bepaalden tot 1 januari 2007 dat van artikel 7 lid 1 Wte 1995 vrijstelling werd verleend aan natuurlijke personen en rechtspersonen, voor zover zij bij het als effectenbemiddelaar aanbieden of verrichten van diensten cliënten aanbrachten bij een effecteninstelling die (onder meer) ingevolge een vergunning als bedoeld in artikel 7 lid 1 Wte 1995 als effectenbemiddelaar diensten mocht aanbieden of verrichten.

5.27.

Artikel 41 NR 1999 luidde als volgt:

"Een effecteninstelling onthoudt zich met betrekking tot een natuurlijke of rechtspersoon waarop 21, eerste lid, van de wet, van toepassing is, maar die niet is ingeschreven in het in dat lid bedoelde register, van de volgende rechtshandelingen:

a. het middellijk of onmiddellijk deelnemen in het kapitaal van deze instelling;

b. het verrichten van effectentransacties voor deze instelling;

c. het aanbrengen van cliënten of effectenorders voor rekening van cliënten bij deze instelling;

d. het accepteren van door deze instelling aangebrachte cliënten of cliëntenorders."

5.28.

Artikel 21 Wte 1995 luidde tot 1 januari 2007:

"1. Onze Minister houdt een register waarin zijn opgenomen de effecteninstellingen die ingevolge een vergunning of ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder h, i, of j, als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder hun diensten mogen aanbieden of verrichten alsmede de aan de desbetreffende vergunning of vrijstelling gestelde beperkingen of verbonden voorschriften. In het register zijn tevens opgenomen de effecteninstellingen die ingevolge een vrijstelling als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder hun diensten mogen aanbieden of verrichten (…).

(…)

6. Het is een effecteninstelling als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, die niet in het register is ingeschreven, verboden om als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder diensten aan te bieden of te verrichten".

5.29.

In een brief van de Stichting Toezicht Effectenverkeer van 5 februari 2002 staat vermeld:

"Indien de cliëntenremisier klanten die bij effecteninstellingen worden of zijn aangebracht, tevens beroeps- of bedrijfsmatig adviseert over (specifieke) effectentransacties, dan verricht hij feitelijk orderremisier- dan wel vermogensbeheeractiviteiten en is hij vergunningplichtig. (…).

(…)

Indien de cliëntenremisier een transactiegerelateerde vergoeding (bijvoorbeeld provisie, commissie of een andersoortige vergoeding) ontvangt van de uitvoerende effecteninstelling, gaat de STE er van uit dat de cliëntenremisier beroeps- of bedrijfsmatig adviseert en derhalve vergunningplichtig is, tenzij de cliëntenremisier aantoont dat hij geen adviezen over effectentransacties verstrekt aan betrokken klanten. (…)."

5.30.

In 2016 heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 2 september 2016 ( [H] /Dexia, ECLI:NL:HR:2016:2012) onder meer geoordeeld, samengevat weergegeven, dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van potentiële cliënten bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Indien de cliëntenremisier geen vergunning heeft en zich niet heeft beperkt tot het aanbrengen van de cliënt, maar ook jegens de afnemer als financieel adviseur is opgetreden en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn, schendt Dexia niet alleen haar zorgplicht, maar handelt zij ook in strijd met artikel 41 NR 1999. Dit levert volgens de Hoge Raad een (extra) onrechtmatigheidsgrond op. Deze (extra) onrechtmatigheidsgrond is des te ernstiger omdat uit het arrest van de Hoge Raad van 6 september 2013 (ECLI:NL:HR:2013:CA1725) volgt dat op degene die als beleggingsadviseur optreedt, een bijzondere zorgplicht rust tegenover de cliënt en dat de cliënt er in beginsel vanuit mag gaan dat de dienstverlener die zorgplicht jegens hem naleeft. Hieruit volgt dat de cliënt bij een door deze dienstverlener geadviseerde constructie minder snel bedacht hoeft te zijn op, en zich minder snel eigener beweging behoeft te verdiepen in, niet vermelde risico's dan degene die zich wendt tot een aanbieder van een effectenleaseproduct.

5.31.

Ook wordt in voornoemd arrest van 2 september 2016 overwogen dat de omstandigheid dat Dexia de leaseovereenkomst heeft gesloten, terwijl zij wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon Spaar Select de cliënt had geadviseerd bij Dexia een effectenleaseproduct te kopen, terwijl de tussenpersoon niet beschikte over de daarvoor benodigde vergunning, Dexia zwaar moet worden aangerekend. De Hoge Raad oordeelt dat het hier gaat om een geval waarin een professionele financiële instelling een complex financieel product aan het beleggend publiek aanbiedt, zonder eigen specifieke voorlichting aan de potentiële particuliere belegger. Juist in een zodanige verhouding moet de particuliere belegger kunnen vertrouwen op de (deskundigheid en) onpartijdigheid van de door hem ingeschakelde beleggingsadviseur. Indien deze beleggingsadviseur een cliëntenremisier is die, ter bescherming van de positie van beleggers op de effectenmarkten, niet zonder vergunning als beleggingsadviseur mag optreden, maar die niet over een zodanig vergunning beschikt, en de aanbieder van het financiële product dit weet of behoort te weten, dient deze laatste te weigeren met de particuliere belegger te contracteren. De Hoge Raad oordeelt daarnaast dat niet hoeft te worden aangetoond dat Dexia wist of behoorde te weten dat de cliëntenremisier niet over een vergunning beschikte toen zij ten opzichte van de belegger mede als beleggingsadviseur optrad. Dexia moet als professionele effecteninstelling (geacht worden te) weten dat een cliëntenremisier die tevens adviseert, de grenzen van de vrijstelling van artikel 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995 overschrijdt. Daarom lag het ook op haar weg om, als zij wist of behoorde te weten dat Spaar Select mede in de hoedanigheid van beleggingsadviseur was opgetreden, te onderzoeken of Spaar Select over de daartoe benodigde vergunning beschikte.

5.32.

In zijn arrest van 12 oktober 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1935) bevestigt de Hoge Raad het voorgaande nogmaals uitdrukkelijk en met inachtneming daarvan overweegt de kantonrechter als volgt. Niet in geschil is dat Spaar Select is opgetreden als effectenbemiddelaar. Een effectenbemiddelaar die mogelijke cliënten aanbrengt bij een effecteninstelling wordt ook cliëntenremisier genoemd. Cliëntenremisiers zoals Spaar Select waren uit hoofde van artikel 12 van de Vrijstellingsregeling Wte 1995 vrijgesteld van de vergunningplicht van artikel 7 lid 1 Wte 1995, om cliënten aan te brengen bij een effecteninstelling als Dexia. Op grond van artikel 21 lid 1 Wte 1995 moesten effectenbemiddelaars die van de vergunningplicht waren vrijgesteld, worden ingeschreven in het in dit artikel genoemde register. De effecteninstelling die wist of behoorde te weten dat een cliëntenremisier een aangebrachte belegger vergunningplichtige diensten heeft verleend zonder over de noodzakelijke vergunning te beschikken en deze belegger niettemin als cliënt accepteert, handelt in strijd met artikel 41 NR 1999 en daarmee onrechtmatig jegens die belegger.

5.33.

De kantonrechter zal voor het antwoord op de vraag of sprake is van schending van artikel 41 NR 1999, net als de rechtbank in haar vonnis van 14 november 2018, dienen te beoordelen of Spaar Select haar vrijstelling te buiten is gegaan en vergunningplichtige diensten heeft verleend, alsmede of Dexia dit wist of behoorde te weten. Vast staat tussen partijen dat Spaar Select niet over een vergunning ex artikel 7 lid 1 Wte 1995 beschikte. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Spaar Select vergunningplichtige diensten aan [A] verleend. Uit het persoonlijk financieel plan dat de adviseur van Spaar Select voor [A] heeft opgesteld volgt dat Spaar Select aan [A] een op zijn specifieke situatie toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. De adviseur van Spaar Select heeft [A] een concreet beleggingsproduct geadviseerd, zodat van een enkele aanprijzing in algemene termen geen sprake was. Spaar Select is voorts betrokken geweest bij de totstandkoming van de effectentransactie tussen [A] en Dexia en heeft niet slechts als doorgeefluik gefunctioneerd. Spaar Select heeft voor die transactie ook provisie ontvangen, hetgeen volgens de brief van de Stichting Toezicht Effectenverkeer van 5 februari 2002 betekent dat sprake is geweest van vergunningplichtige werkzaamheden door Spaar Select. Het voorgaande brengt met zich dat Spaar Select naar het oordeel van de kantonrechter beleggingsadvies aan [A] heeft gegeven, terwijl Spaar Select niet beschikte over een vergunning voor het verlenen van beleggingsdiensten.

5.34.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of Dexia wist of moest weten dat Spaar Select beleggingsadvies gaf, dat mede inhield een effectenleaseovereenkomst met Dexia te sluiten. Zoals de rechtbank in haar vonnis van 14 november 2018 heeft overwogen volgt uit de tekst op de website van rechtsvoorgangster Bank Labouchere van 11 mei 2000 (zie 2.6) dat Bank Labouchere/Dexia wist en in ieder geval behoorde te weten, dat financieel adviseurs van tussenpersonen, waaronder Spaar Select, effectenleaseproducten van Bank Labouchere/Dexia aan klanten adviseerden, in de vorm van een persoonlijk advies. De effectenleaseproducten van Bank Labouchere/Dexia werden blijkens de tekst op de website immers uitsluitend aan particulieren aangeboden via de financieel adviseurs van de tussenpersonen, op basis van een deskundig en persoonlijk advies (zie: gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:10970).

5.35.

De kantonrechter ziet het voorgaande, net als de rechtbank in voornoemd vonnis, bevestigd in de verklaringen van [F] (zie 2.15 en 2.16), de toenmalige directeur van het bedrijfsonderdeel "Labouchere beleggingsproducten" van Bank Labouchere. In een

e-mailbericht van 28 augustus 2014 heeft [F] desgevraagd (aan mr. G. van Dijk van Leaseproces) geantwoord dat het juist is dat de adviseurs van Spaar Select hun klanten adviseerden om op bepaalde effectenleaseproducten in te schrijven. Ook heeft [F] bevestigd dat dit ging via een gereguleerde gespreksopzet en verslaglegging. Verder heeft [F] in een interview voor een magazine van Spaar Select verklaard dat het voordeel van het afnemen van aandelenleaseproducten via Bank Labouchere is, dat klanten hun financiële planning kunnen laten beoordelen en regelen door een bedrijf als Spaar Select, waarbij het product wordt afgesloten als onderdeel van een totaal financieel plan. Dit betekent naar het oordeel van de kantonrechter dat Dexia niet alleen wist of behoorde te weten dat financieel adviseurs van (onder meer) Spaar Select de klanten adviseerden, maar dat dit ook de bedrijfsopzet was van Bank Labouchere/Dexia.

5.36.

Het verweer van Dexia dat Spaar Select geen vaste werkwijze had, maakt het vorenstaande niet anders. De door Dexia gegeven voorbeelden van financiële plannen waarin wel werd gewaarschuwd voor een restschuldrisico en het al dan niet opmaken van een schriftelijk financieel plan, doen op zichzelf genomen niet af aan de bedrijfsopzet van Dexia om klanten te adviseren effectenleaseovereenkomsten met Dexia te sluiten op basis van een op de persoon toegesneden beleggingsadvies. Ook de verklaring onder ede van een toenmalige accountmanager van Dexia, ten overstaan van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarin hij heeft verklaard dat hij er geen weet van had dat de desbetreffende tussenpersoon, Don Risicobeheer, beleggingsadviezen gaf, acht de kantonrechter onvoldoende voor de conclusie dat Dexia geen wetenschap had van de beleggingsadviezen die Spaar Select gaf. Hierbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat uit de stellingen en producties van [A] (zoals weergegeven in 2.2, 2.6, 2.13 tot en met 2.16) volgt dat Spaar Select op grote schaal persoonlijk beleggingsadvies gaf en dat de bedrijfsopzet van Dexia gericht was op inschakeling van tussenpersonen zoals Spaar Select om haar effectenleaseproducten te verkopen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Dexia de stellingen en bewijsstukken van [A] onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat Dexia wist en in ieder geval had behoren te weten dat er op de persoon toegesneden beleggingsadvies werd gegeven.

5.37.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat Spaar Select haar vrijstelling te buiten is gegaan door vergunningplichtige diensten te verlenen in de vorm van beleggingsadvies en dat Dexia daarvan wist, althans behoorde te weten. Het had daarom op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van de onderhavige effectenleaseovereenkomsten te verifiëren of zij die kon en mocht aangaan. Door de overeenkomst met [A] te sluiten in plaats van te weigeren, heeft Dexia haar verplichtingen ingevolge artikel 41 NR 1999 geschonden.

Schending zorgplicht

5.38.

Daarnaast stelt [A] dat Dexia haar zorgplicht heeft geschonden door hem niet in niet mis te verstane bewoordingen te waarschuwen voor het risico van een restschuld. Ook verwijt [A] Dexia dat zij haar informatieverplichting heeft geschonden.

5.39.

Gelijk de rechtbank in haar vonnis van 14 november 2018, overweegt de kantonrechter dat de Hoge Raad in zijn arrest van 5 juni 2009 ( [I] /Dexia, ECLI:NL:HR:2009:BH2815) onder meer heeft geoordeeld, samengevat weergegeven, dat in verband met de risicovolle aard van effectenleaseproducten, op Dexia als professionele dienstverlener een bijzondere zorgplicht rust tegenover particuliere beleggers en dat op Dexia als aanbieder van een effectenleaseproduct de verplichting rust een particuliere belegger te waarschuwen voor het restschuldrisico. Voorts heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de aanbieder gehouden is onderzoek te doen naar de inkomens- en vermogenspositie van de particuliere belegger. Deze waarschuwingsplicht en de verplichting inlichtingen in te winnen over inkomen en vermogen van de potentiële particuliere afnemer, hebben een algemeen karakter, dat in belangrijke mate is verbonden aan de risicovolle aard van het effectenleaseproduct, dat aan een breed publiek is aangeboden. De verplichting de afnemer bij het aangaan van de leaseovereenkomst indringend te waarschuwen voor het restschuldrisico, strekt ertoe de potentiële particuliere wederpartij te informeren over, en hem te waarschuwen tegen, het lichtvaardig op zich nemen van onnodige risico's, of van risico's die hij redelijkerwijs niet kan dragen. Schending van deze zorgplichten, in de rechtspraak verkort aangeduid als de precontractuele waarschuwingsplicht en onderzoeksplicht, zal volgens de Hoge Raad in het algemeen meebrengen dat de aanbieder van het effectenleaseproduct gehouden is de daarmee verband houdende schade te vergoeden.

5.40.

Voorts volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1935) dat voor het antwoord op de vraag of Dexia onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld (alsmede voor de omvang van de schade) niet voorop staat of Dexia tekort is geschoten in haar zorgplicht (zoals hiervoor weergegeven in 5.38.), maar of zij heeft gecontracteerd in weerwil van het verbod van artikel 41 NR 1999, dat juist ertoe strekt om de afnemer te beschermen tegen het aangaan van een beleggingsovereenkomst na advies door een adviseur zonder de benodigde vergunning. Bij effectenleaseovereenkomsten die tot stand zijn gekomen op een wijze als hier aan de orde, is voor het oordeel dat sprake is van onrechtmatig handelen door Dexia de inhoud van het advies niet relevant noch een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het aan te schaffen product. Dexia had de afnemer op basis van art. 41 NR hoe dan ook moeten weigeren.

5.41.

Met inachtneming van het voorgaande komt de kantonrechter, evenals de rechtbank in het vonnis van 14 november 2018, tot het oordeel dat, daargelaten het feit dat de inhoud van het advies niet relevant is voor het onrechtmatig handelen van Dexia op grond van artikel 41 NR 1999 en dit onrechtmatig handelen reeds vast staat, Dexia niettemin geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit volgt dat Dexia of Spaar Select [A] bij het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten indringend hebben gewaarschuwd voor het restschuldrisico. Dit volgt ook niet uit de schriftelijke, algemene verklaring van [G] (zie 2.19) en evenmin uit de brochures en aanmeldformulieren van Spaar Select die slechts een algemene waarschuwing behelzen. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de stelling van [A] dat Dexia niet heeft voldaan aan haar waarschuwingsplicht in de precontractuele fase. Dit betekent dat Dexia haar bijzondere zorgplicht heeft geschonden. Nu de schending van deze zorgplicht reeds is komen vast te staan, zal de kantonrechter, evenals de rechtbank in het vonnis van 14 november 2018, de vraag of Dexia aan haar informatieverplichting heeft voldaan in het midden laten.

Onrechtmatige daad

5.42.

Concluderend is de kantonrechter van oordeel dat Dexia onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld, zowel vanwege schending van artikel 41 NR 1999 als vanwege schending van haar zorgplicht (waarschuwingsplicht). De gevorderde verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld acht de kantonrechter daarom toewijsbaar.

Schade

5.43.

[A] stelt, verkort weergegeven, dat Dexia gehouden is om de gehele schade te vergoeden, op grond van het arrest [H] /Dexia van de Hoge Raad van 2 september 2016, te vermeerderen met wettelijke rente. Door het handelen van Dexia heeft [A] een effectenleaseovereenkomst afgesloten die bij een juist handelen van Dexia niet was afgesloten. De schade die [A] daardoor heeft geleden bestaat volgens [A] uit (a) de inleg in de overeenkomst en (b) de restschuld na afloop van de overeenkomst. [A] vordert vergoeding van die schade en stelt dat het causaal verband gegeven is. In het arrest [H] /Dexia heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij advisering door een cliëntenremisier, de billijkheid vereist dat de vergoedingsplicht van Dexia 100 % bedraagt, omdat Dexia het contracteren had moeten weigeren. Wel mag het eventueel ontvangen dividend in mindering worden gebracht op de geleden schade.

5.44.

Volgens Dexia dient, samengevat weergegeven, in het kader van de schadeverdeling rekening te worden gehouden met de eigen schuld van [A] . Voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst is aan [A] de productbrochure ter hand gesteld (zie 2.3). Hieruit volgt duidelijk dat er risico's aan het product waren verbonden. Ook uit de tekst van de overeenkomst zelf volgt dat er sprake is van beleggen met geleend geld. Aan beleggen zijn risico's verbonden. Artikel 41 NR 1999 strekt er niet toe om beleggers te beschermen tegen bewust aanvaarde risico's. Bij het vaststellen van de voor vergoeding in aanmerking komende schade dient, op basis van de artikelen 6:95-97 BW en 6:100 BW, naast dividend en batig saldo, eveneens rekening te worden gehouden met het fiscale voordeel dat [A] heeft genoten. Volgens Dexia bedraagt het fiscale voordeel dat [A] heeft genoten

€ 355,63.

5.45.

De kantonrechter overweegt, indachtig ook het vonnis van 14 november 2018, het volgende. Bij de beoordeling van het door Dexia gedane beroep op eigen schuld van [A] geldt volgens vaste rechtspraak als uitgangspunt (zie voor een samenvatting van die rechtspraak het eerdergenoemde arrest [H] /Dexia) in geval van schending door Dexia van haar zorgplicht, dat de reeds betaalde rente, aflossing en eventuele kosten alsmede de restschuld, mede het gevolg zijn van aan de afnemer toe te rekenen omstandigheden, daarin bestaande dat uit de leaseovereenkomst voldoende duidelijk kenbaar was dat werd belegd met geleend geld, dat de leaseovereenkomst voorzag in een geldlening, dat over die lening rente moest worden betaald en dat het geleend bedrag moest worden terugbetaald. Er zal dan grond zijn voor vermindering van de vergoedingsplicht van de aanbieder in evenredigheid met de mate waarin de aan de aanbieder en de aan de afnemer toe te rekenen omstandigheden moeten worden geacht te hebben bijgedragen aan het ontstaan van deze schade, en vervolgens zal moeten worden onderzocht of op grond van de billijkheid een andere verdeling gerechtvaardigd is. Volgens voornoemde rechtspraak geldt als uitgangspunt dat één derde deel van de schade voor rekening van de afnemer blijft.

5.46.

Bij de verdeling van de schade dient voorts te worden onderzocht of Dexia als aanbieder had moeten begrijpen dat de mogelijke financiële gevolgen van een leaseovereenkomst, een onaanvaardbaar zware financiële last voor de afnemer vormden. Indien hiervan sprake was heeft de verdeling van één derde deel van de schade voor rekening van de afnemer en twee derde deel van de schade voor rekening van Dexia betrekking op een eventuele restschuld en op de reeds betaalde rente, aflossing en kosten. Indien geen sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last, dient alleen de eventuele restschuld conform voornoemde schadeverdeling te worden verdeeld. De verplichting tot schadevergoeding strekt zich in dat geval niet mede uit over de door de afnemer betaalde rente, aflossing en kosten.

5.47.

Van voornoemde schadeverdeling dient volgens de Hoge Raad (in het arrest [H] /Dexia) te worden afgeweken als de particuliere belegger als potentiële cliënt bij de aanbieder is aangebracht door een cliëntenremisier die, in strijd met de Wte 1995, tevens beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken, en de aanbieder hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. In dat geval eist de billijkheid in beginsel, ondanks dat aan de belegger omstandigheden toerekenbaar zijn die tot zijn schade hebben bijgedragen, dat de vergoedingsplicht van aanbieder Dexia geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat betreft de door de particuliere belegger reeds betaalde rente, aflossing en kosten. Dit geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware last voor de afnemer vormden.

5.48.

Dit betekent dat Dexia in het onderhavige geval gehouden is om de gevorderde inleg in de effectenleaseovereenkomst en de restschuld van [A] volledig te vergoeden. Hiervan is twee/derde gedeelte van de restschuld, vermeerderd met wettelijke rente, reeds vergoed. Partijen zijn het erover eens dat eventueel ontvangen dividend in mindering mag worden gebracht op de geleden schade. Voorts zijn partijen het erover eens dat [A] een fiscaal voordeel heeft genoten. Partijen twisten echter over de omvang van het genoten voordeel. Dexia is in haar berekening uitgegaan van de aftrekbare rente ad € 711,26, vermenigvuldigd met een percentage van 50 % van de (derde) belastingschijf 2000. Volgens [A] bedroeg zijn belastbaar inkomen f. 37.070,-, zodat hij in de eerste (33,90 %) of tweede schijf (37,95 %) zou vallen. Uitgaande van voornoemd belastbaar inkomen (door [A] onderbouwd met de Aanslag Inkomstenbelasting 2000 van de Belastingdienst) zal de kantonrechter het genoten fiscaal voordeel vaststellen op € 711,26 vermenigvuldigd met 37,95 % = € 269,92. Dexia heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat uitgegaan moet worden van 50 %. De vergoeding van de betaalde inleg en de betaalde restschuld zal daarom worden toegewezen, verminderd met eventuele dividenduitkeringen, het reeds betaalde gedeelte van de restschuld, neerkomend op een bedrag van 2/3e x € 337,84 =

€ 225,25 (vermeerderd met wettelijke rente) en een bedrag van € 269,92.

5.49.

[A] vordert voorts de wettelijke rente over de geleden schade, telkens vanaf de dag dat [A] aan Dexia heeft betaald. Dexia heeft op dit punt geen op zichzelf staand verweer gevoerd. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198) dient de wettelijke rente op de door [A] gevorderde wijze te worden berekend (vergelijk ook: gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:10970). De gevorderde wettelijke rente zal daarom worden toegewezen.

5.50.

Daarnaast vordert [A] vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten conform rapport Voorwerk II. Daartegen heeft Dexia aangevoerd, samengevat weergegeven, dat [A] geen buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt en dat zijn gemachtigde geen werkzaamheden heeft verricht die voor vergoeding in aanmerking komen. Het verweer van Dexia dat [A] geen recht heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten, omdat [A] in de overeenkomst met Leaseproces aan Leaseproces uitsluitend de opdracht heeft gegeven tot het voeren van een procedure, kan, zoals ook de rechtbank in haar vonnis van

14 november 2018 heeft overwogen, niet slagen. De kantonrechter neemt die overweging over en maakt deze tot de zijne. Verkort weergegeven komt dit er op neer dat er sprake is geweest van werkzaamheden die meer omvatten dan die waarvoor de proceskosten een vergoeding plegen in te sluiten. Voorts waren de werkzaamheden in redelijkheid noodzakelijk en zijn de kosten, die gevorderd worden op basis van het tarief van het Rapport Voorwerk II, naar hun omvang redelijk. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden toegewezen tot ten hoogste het bedrag conform het rapport Voorwerk II. De kantonrechter heeft in de processtukken noch in de bijbehorende stukken (voldoende) concrete aanknopingspunten gevonden om de hoogte van de schade te kunnen becijferen. Zo is het de kantonrechter bijvoorbeeld niet duidelijk geworden welk bedrag er uiteindelijk aan inleg is betaald. Om die reden zal aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen het bedrag dat hoort bij een vordering van onbepaalde waarde die - nu de staffel zoals die gold tot 1 juli 2012 voor dergelijke vorderingen geen bedrag noemt - zal worden bepaald op het bedrag behorend bij een vordering tot € 20.000,00. Zulks naar analogie van de staffel in civiele zaken. Aan buitengerechtelijke kosten acht de kantonrechter daarom een bedrag toewijsbaar van € 968,00 (inclusief BTW).

Proceskosten

5.51.

Dexia zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden vastgesteld op:

- dagvaarding € 97,31

- griffierecht € 78,00

- salaris advocaat € 600,00 (2 punten × € 300,00)

Totaal € 775,31.

De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum bepaald.

6 Het geschil en de beoordeling daarvan in (voorwaardelijke) reconventie

6.1.

Nu de voorwaarde waaronder de voorwaardelijke reconventie is ingesteld, is vervuld, wordt aan een inhoudelijke beoordeling toegekomen. De kantonrechter zal daarom dienen te beoordelen of [A] , kort gezegd, gehouden is een kopie van zijn dossier, opgesteld door Leaseproces, aan Dexia te verstrekken op grond van artikel 843a Rv.

6.2.

Zoals hiervoor reeds overwogen in 5.40. is bij effectenleaseovereenkomsten die tot stand zijn gekomen op een wijze als hier aan de orde, voor het wegnemen van de onrechtmatigheid van het handelen van Dexia, alsmede voor de omvang van de schade, de inhoud van het advies niet relevant noch een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het aan te schaffen product. Reeds om die reden is onvoldoende komen vast te staan dat Dexia een (rechtmatig) belang heeft bij afgifte van het door Leaseproces opgestelde dossier. Onder aanhaling van het vonnis van deze rechtbank van 14 november 2018, volgt naar het oordeel van de kantonrechter uit de stellingen van Dexia dat Dexia slechts vermoedt dat het door Leaseproces aangelegde dossier van [A] wel eens steun zou kunnen geven aan haar stelling dat [A] wel degelijk op de hoogte was van de risico's die aan de effectenleaseovereenkomsten waren verbonden. Artikel 843a Rv biedt echter niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan slechts wordt vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan de eigen stellingen (zie: gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 augustus 2014, PJ 2014/129 en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 december 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:9850, r.o. 2.23). [A] heeft de vermoedens van Dexia ook gemotiveerd weerlegd. Nu de vordering van Dexia is gegrond op speculaties, is er naar het oordeel van de kantonrechter sprake van een 'fishing expedition'. De vordering zal daarom als onvoldoende adequaat onderbouwd worden afgewezen.

6.3.

Aan de vordering om voor recht te verklaren dat de effectenleaseovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen, niet is vernietigd en niet blootstaat aan vernietiging op een grond waarop van de zijde van [A] een beroep kan worden gedaan, heeft Dexia geen nadere feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd die toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht in de gegeven omstandigheden rechtvaardigen. De vordering zal daarom als onvoldoende adequaat onderbouwd worden afgewezen. De vordering om voor recht te verklaren dat [A] met betrekking tot de effectenleaseovereenkomsten niet werd blootgesteld aan het risico op een onaanvaardbaar zware financiële last, zal de kantonrechter bij gebrek aan voldoende belang afwijzen. Hierbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat Dexia op grond van de schending van artikel 41 NR 1999 en het arrest [H] /Dexia gehouden is om alle schade van [A] voortvloeiend uit het afsluiten van de effectenleaseovereenkomsten met Dexia te vergoeden, ook als de mogelijke financiële gevolgen van de effectenleaseovereenkomsten geen onaanvaardbaar zware last voor [A] vormden. De in conventie toegewezen vergoeding van schade staat voorts in de weg aan de gevorderde verklaring voor recht dat Dexia niets meer is verschuldigd aan [A] . De vorderingen in reconventie zullen daarom worden afgewezen.

Proceskosten in (onvoorwaardelijke) reconventie

6.4.

Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in (onvoorwaardelijke) reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden vastgesteld op:

- salaris advocaat € 600,00 (2 punten × € 300,00).

7 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

7.1.

verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld, zowel vanwege schending van artikel 41 NR 1999 als vanwege schending van haar zorgplicht (waarschuwingsplicht);

7.2.

veroordeelt Dexia tot betaling van de door [A] geleden schade, bestaande uit de door [A] betaalde bedragen aan inleg in de effectenleaseovereenkomst alsmede bestaande uit de betaalde restschuld, verminderd met eventuele dividenduitkeringen en een bedrag van € 225,25 (vermeerderd met rente) en een bedrag van € 269,92, te vermeerderen met wettelijke rente, telkens vanaf de dag der door [A] gedane betalingen tot aan de dag van volledige betaling;

7.3.

veroordeelt Dexia tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [A] ad

€ 968,00;

7.4.

veroordeelt Dexia in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden vastgesteld op € 775,31;

7.5.

veroordeelt Dexia in de nakosten, begroot op € 100,00;

7.6.

verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de veroordelingen in 7.2. tot en met 7.5;

7.7.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

7.8.

wijst de vorderingen af;

7.9.

veroordeelt Dexia in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden vastgesteld op € 600,00.

Aldus gewezen door mr. J.E. Biesma, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2019 in tegenwoordigheid van mr. A. Hut, griffier.

c 429/ah