Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1367

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-01-2019
Datum publicatie
04-04-2019
Zaaknummer
164064
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kinderrechter wijzigt op grond van art. 1:265g lid 2 BW omgang tussen kinderen en hun (zieke) moeder, maar gaat daarin niet mee met wens GI en de kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaakgegevens : C/17/164064 / FJ RK 18-1076

datum uitspraak: 11 januari 2019

beschikking wijzigen zorg/omgangsregeling

in de zaak van

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI (Gecertificeerde Instelling), gevestigd te Amsterdam.

betreffende

[naam] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [kind 1] ,

[naam] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [kind 2] ,

[naam] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [kind 3] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

[naam] , hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de GI van 9 november 2018, ingekomen bij de griffie op 12 november 2018;

- de ter zitting door mr. B.G. Kooi namens de moeder ingediende stukken genummerd 1 tot en met 6.

Op 19 december 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- namens de GI, mevrouw [naam] en de heer [naam] ,

- namens de moeder, mr. B.G. Kooi.

Opgeroepen en niet verschenen zijn:

- de minderjarigen [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] ,

- de moeder,

- de vader.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] wordt uitgeoefend door de ouders.

[kind 1] , [kind 2] en [kind 3] zijn in 2015 onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is telkens verlengd, voor het laatst tot 26 augustus 2019.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 16 mei 2018 voor [kind 1] en bij beschikking van 13 juli 2018 voor [kind 2] en [kind 3] een eerdere -bij beschikking van 16 juni 2017 vastgestelde- zorgregeling gewijzigd en de volgende zorgregeling vastgesteld:

[kind 1] zal vier maal per jaar (passend in het bezoekschema van zijn zusjes), een middag iets leuks gaan doen met de moeder. [kind 2] en [kind 3] gaan één keer in de veertien dagen in het weekeinde een dagdeel naar de moeder.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de voornoemde zorgregeling te wijzigen. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI verwezen naar de drie reeds eerder ingediende verzoeken tot het wijzigen van de zorgregeling.

De moeder heeft de ziekte van Huntington en gaat hierdoor cognitief en fysiek achteruit terwijl de kinderen ouder en mondiger worden. Sinds de vorige beschikking van 13 juli 2018 zijn er nog twee omgangsmomenten geweest. Daarna hebben [kind 2] en [kind 3] aangegeven de omgang te frequent te vinden, en het liefst nog maar vier maal per jaar een middag naar hun moeder te willen gaan. [kind 1] geeft aan dat het contact met zijn moeder wat hem betreft helemaal niet meer hoeft. De GI vindt dat de kinderen hun eigen mening moeten mogen vormen, ook gezien hun leeftijd. De GI tekent daarbij aan dat het er niet op lijkt dat de kinderen dit geheel op een ‘neutrale’ wijze kunnen doen en daarbij hun eigen afweging kunnen maken. De verschillende partijen en het netwerk om de kinderen lijken hun eigen belang en mening op te leggen aan de kinderen. De GI zou de kinderen moeten motiveren voor de omgang met hun moeder, maar dit behoort op dit moment niet (meer) tot de mogelijkheid omdat de kinderen echt niet meer willen. De GI verzoekt de kinderrechter een omgang vast te leggen van vier maal per jaar voor [kind 2] en [kind 3] en tweemaal per jaar voor [kind 1] .

Het standpunt van belanghebbende

Namens de moeder, die wegens haar ziekte niet aanwezig kon zijn, is door haar advocaat ter zitting naar voren gebracht dat zij niet instemt met het verzoek. Op twee omgangsmomenten na heeft er geen omgang meer plaatsgevonden en is er geen gevolg meer gegeven aan de beschikking. Naleving van de omgang werkt kennelijk alleen als ook een dwangsom is opgelegd, zoals eerder het geval was na een door de moeder gevoerd kort geding. Zowel de vader als de GI willen niet meewerken aan de omgang tussen de kinderen en de moeder. Uit mailcorrespondentie tussen de hulpverlening van de moeder (Eigen Regie Friesland) en de GI blijkt dat er geen gedwongen bezoeken zullen plaatsvinden tot dit verzoek voorkomt bij de kinderrechter. Ook blijkt uit de correspondentie dat de gedragswetenschapper van de GI van mening is dat de omgang wel doorgang moet vinden. Door de gedragswetenschapper is aangegeven dat het teveel uitstellen van de bezoeken de drempel om weer naar moeder te gaan zal verhogen. Als de omgang zal worden teruggebracht naar vier keer per jaar, zullen de kinderen de moeder telkens (te) hard achteruit zien gaan.

De beoordeling

De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265g lid 2 BW een eerdere beslissing betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedtaken wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De GI heeft aangevoerd dat haar verzoek in dit geval is gebaseerd op een wijziging in omstandigheden, welke wijziging bestaat uit haar wens te willen aansluiten op de behoefte van de kinderen, die nadrukkelijk aangeven de huidige regeling te frequent te vinden.

Het is de kinderrechter duidelijk dat er sprake is van een zeer moeilijke situatie. De moeder lijdt aan een ernstige, progressieve ziekte, waardoor de kinderen geen zorgeloos contact meer kunnen hebben met haar. De moeder kan als gevolg van haar ziekte niet langer aansluiten bij de behoeften van de kinderen en is emotioneel onvoorspelbaar. Daarnaast is de verstandhouding tussen de ouders ernstig verstoord en lijkt de vader niet bereid te zijn inspanning te willen leveren om de kinderen op regelmatige basis contact te laten hebben met hun moeder. De afgelopen periode heeft er uitsluitend contact plaatsgevonden als op het naleven daarvan een dwangsom stond. Er is volledige begeleiding van hulpverlening (Eigen Regie Friesland) aanwezig vanaf het ophalen van de kinderen tot aan het terugbrengen. De kinderen geven inmiddels zelf aan nog maar enkele malen per jaar naar hun moeder toe te willen gaan. De betrokken jeugdzorgwerker van de GI heeft per mail van 1 november 2018 laten weten als jeugdzorgwerker van de kinderen te zullen stoppen, omdat het haar inmiddels onvoldoende lukt om de juiste afstand te bewaren en de nodige onafhankelijkheid te behouden.

De kinderen lijken door hun vader en de jeugdzorgwerker te worden gesteund in het aangeven van hun grenzen in het contact met de moeder, zonder dat zij daarin worden begrensd. Er lijkt onvoldoende oog te zijn voor de vraag wat het voor de kinderen op langere termijn kan betekenen als zij zich nu min of meer afkeren van hun moeder en van haar vervreemden. Hierbij valt te denken aan spijt- of schuldgevoelens ten aanzien van gemiste momenten, die nooit meer kunnen worden ingehaald. De kinderrechter acht deze situatie zorgelijk, en bedreigend voor de ontwikkeling van de kinderen.

De kinderrechter zal het verzoek niet toewijzen, maar zal wel zelf een regeling vaststellen die op dit moment het meest in het belang van de kinderen wordt geacht. Omdat de huidige frequentie van de regeling voor [kind 2] en [kind 3] , gelet op het voortschrijdende ziekteverloop van de moeder, te belastend voor hen is, maar de kinderrechter het wel belangrijk vindt dat de kinderen hun moeder in voldoende mate blijven zien, zal de regeling worden teruggebracht naar één bezoekmoment per maand. De duur van dit moment wordt niet vastgelegd. De hulpverlening kan in overleg met de kinderen en afhankelijk van de toestand van de moeder per keer beslissen wanneer het bezoekmoment dient te worden beëindigd. Voor [kind 1] zal de huidige regeling in frequentie ongewijzigd blijven, maar geldt voor wat betreft de duur van de bezoeken hetzelfde als hiervoor is omschreven ten aanzien van de bezoeken van [kind 2] en [kind 3] .

De beslissing

De kinderrechter:

wijzigt de zorgregeling en bepaalt deze als volgt:

[kind 2] en [kind 3] gaan éénmaal per maand en [kind 1] éénmaal per kwartaal naar de moeder, telkens het laatste weekend van de betreffende maand of het betreffende kwartaal, waarbij de hulpverlening in overleg met de kinderen en afhankelijk van de toestand van de moeder per keer beslist wanneer het bezoekmoment dient te worden beëindigd.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Koopman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.R. Alstein als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden