Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1359

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-04-2019
Datum publicatie
05-04-2019
Zaaknummer
C/17/162328 / HA ZA 18-198
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

gebrekkige opstal; voormalige stalvloer als erfverharding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/287
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/162328 / HA ZA 18/198

Vonnis van 3 april 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. R. van Eck te Deventer,

tegen

[B] , h.o.d.n. [handelsnaam B] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.P.E. de Ruiter te Zwolle.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. Procesverloop

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 31 oktober 2018;

- het proces-verbaal van comparitie van 19 februari 2019.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [B] heeft in april 2016 het perceel plaatselijk bekend [adres] van zijn vader gekocht om daar een pluimveehouderij te exploiteren. Met het oog hierop moest het perceel, waar op dat moment nog een varkenshouderij was gevestigd, eerst worden gesaneerd. Hiervoor moesten gebouwen worden afgebroken en moest de grond worden afgegraven. [B] is hiertoe overgegaan.

2.2. De gebouwen op het perceel van [B] waren begin augustus 2017 allemaal gesloopt. De onder de stallen gelegen kelders, die gebruikt werden voor de opslag van mest en water voor de varkenshouderij, waren nog niet allemaal gesloopt. Op het terrein lag op diverse plaatsen puin van de gesloopte bebouwing. [B] had een toegangspad aangelegd (dan wel heeft dat in stand gehouden) dat hij goed onderhield ten behoeve van verkeer van en naar zijn bedrijf.

2.3. Op 7 augustus 2017 was al een grote schuur gebouwd voor de pluimveehouderij. Voor de schuur waar het pluimvee wordt gehouden stonden twee silo's voor de opslag van het diervoer. De woning van [B] was op dat moment nog in aanbouw.

2.4. [A] is een producent van diervoeders voor landbouwhuisdieren en vaste leverancier van [B] .

2.5. In opdracht van [B] is een chauffeur van [A] (hierna: [C] ) op 7 augustus 2017 met een bulkwagen (een truck met oplegger) naar het terrein van [B] gereden om daar circa 32 ton diervoer af te leveren. [C] was nog niet eerder op het terrein van [B] geweest. [C] is vanaf de openbare weg vooruit het toegangspad naar het erf van [B] opgereden. Andere chauffeurs van [A] die het terrein eerder hadden bezocht kwamen doorgaans vanaf de openbare weg achterwaarts het terrein opgereden.

2.6. [C] is met de bulkwagen voor de silo's naar rechts gedraaid op een betonnen plaat. [C] wilde daarna achteruit richting de silo's rijden om het diervoer te kunnen lossen en om vervolgens vooruit het erf te kunnen verlaten.

2.7. Bij het manoeuvreren met de bulkwagen - die inclusief het voer een gewicht van circa 48 ton had - op/bij de hiervoor bedoelde betonnen plaat heeft één van de stalmuren onder de plaat het begeven en is de plaat ingezakt. De wielen van de bulkwagen zijn (bezien vanaf de achterkant van de wagen) naar rechts weggezakt en de wagen is gekanteld. Hierbij is schade ontstaan aan de bulkwagen.

2.8. De betonnen plaat betrof de bovenkant van een voormalige mestkelder, die zich onder een stal bevond (anders gezegd: het betrof een voormalige stalvloer). Bij het slopen van de stal heeft [B] ervoor gekozen om de kelder met daarboven de stalvloer vooralsnog in stand te laten. De plaat werd daarna gebruikt als erfverharding, ook voor zwaar materieel (in ieder geval tractors en auto's). Naast de plaat lag zand en puin.

2.9. In opdracht van de verzekeraar van [A] heeft Dekra Automotive (hierna: Dekra) onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval. In het door Dekra opgestelde onderzoeksrapport van 15 februari 2018 volgt, voor zover van belang, het volgende:

4 SITUATIE TER PLAATSE

(…)

Wij hebben op 8 september 2017 een bezoek gebracht aan de heer [B] . Wij spraken met de heer [B] (de rechtbank leest) jr. Hij vertelde ons het volgende:

Op het moment van onderhavige gebeurtenis waren de gebouwen reeds gesloopt, was er een grote schuur gebouwd voor het houden van het pluimvee en was er een begin gemaakt met de bouw van een woning op het terrein. Een deel van de grond was afgegraven en vervangen door schone grond. Wel waren en nog een aantal kelders aanwezig welke nog gesloopt moesten worden. Op het terrein lag nog puin van de gesloopte bebouwing en waren op enkele plaatsen de betonnen vloeren van bijgebouwen nog zichtbaar. Met name van de gebouwen welke van een kelder waren voorzien. De sloop van deze vloeren en de kelders zou in een later stadium plaatsvinden. (…)

5 GESPREK DE HEER [B] SR.

(…)

Het afgelopen jaar zijn er vrij regelmatig vrachtauto's het terrein opgereden om voer te lossen. Er werd altijd achteruit het terrein opgereden richting de silo's. Dit werd gedaan om het wegrijden na het lossen te vergemakkelijken. Op deze manier wordt ook alleen maar gebruik gemaakt van de rechte toegangsweg en was het voor de chauffeurs niet nodig andere delen van het terrein op te rijden. Delen waar werkzaamheden werden uitgevoerd of al waren uitgevoerd.

Men heeft het niet nodig gevonden om waarschuwingsmaatregelen te nemen. Men zorgde er voor dat de toegangsweg in goede staat was. Als er op andere delen van het terrein grond was afgegraven dan werden rijplaten gebruikt zodat werkverkeer, zoals tractors, op het terrein konden blijven rijden.

Volgens de heer [B] was er op het moment dat de betreffende vrachtwagen arriveerde niemand op het terrein aanwezig. De zoon was in de schuur bezig met werkzaamheden. Het was bekend dat er zich op de betreffende plaats nog een kelder bevond. De vloer van de schuur welke daar gestaan heeft, en dus het dak van de kelder, was vervaardigd van dik gewapend beton.

Tractors, auto's, etc. konden gewoon over dit beton rijden. De vrachtwagen is ook niet door dit beton gezakt. De rechter wielen van de vrachtwagen bevonden zich net naast het beton, zakten weg in de grond en duwden op deze manier de muur van de kelder naar binnen. Hierdoor zakten de wielen nog verder weg en kantelde de vrachtwagen naar rechts.

De heer [B] is van mening dat het ongeval volledig te wijten is aan het handelen van de chauffeur.

6 GESPREK CHAUFFEUR, DE HEER [C]

(…)

Het voertuig was beladen met 32 ton voer. Het voertuig zelf weegt circa 16 ton. De heer [C] is een ervaren chauffeur. Hij wist dat er het afgelopen jaar al regelmatig voer is gelost bij de heer [B] . Voor hem was het de eerste keer dat hij dit adres bezocht. (…)

Op het moment dat hij arriveerde bij de heer [B] was het druk op de weg. Indien hij zou gaan manoeuvreren om achteruit het terrein op te rijden zou dit geleid hebben tot behoorlijke verkeershinder. Hij zag dat er een rechte toegangsweg was naar de silo's. Het pad was droog en hij ging er van uit dat er voldoende ruimte was om bij de silo's te kunnen manoeuvreren. Voor de silo's sloeg hij rechtsaf met de bedoeling daarna achteruit terug te rijden om te kunnen lossen. Zover is het niet gekomen. Hij reed over een betonnen plaat waaronder, naar later voor hem bleek, zich een kelder bevond. Hij voelde dat de rechter wielen een muur van de kelder opzij hadden geduwd. De wielen waren net naast de muur weggezakt en het gewicht van de vrachtauto deed de rest. Op het moment dat de heer [C] het terrein opreed, was er verder niemand aanwezig. Op zich is dat niet ongebruikelijk omdat de chauffeurs precies weten wat ze doen moeten en daar geen hulp van de klant bij nodig hebben. Hij heeft wel gezien dat er op veel plaatsen op het terrein zand afgegraven was en dat er veel puin lag van gesloopte gebouwen, Hij had echter niet verwacht dat de rechter wielen in het zand zouden zakken. De grond zag er droog en hard uit. Alleen het wegzakken in het zand zal ook niet de oorzaak zijn geweest van het kantelen. Het kantelen is voornamelijk te wijten aan het opzij duwen van de keldermuur. Hij vond het overigens wel vreemd dat er geen waarschuwings maatregelen waren genomen. Op de plaats waar hij reed zag hij wel bandensporen van waarschijnlijk tractors. Er werd dus wel gereden op het terrein.

7 CONCLUSIE

Of er sprake is van nalatigheid aan de zijde van de heer [B] vinden wij moeilijk te beoordelen. Hem zou verweten kunnen worden dat hij geen waarschuwings maatregelen heeft genomen. Aan de andere kant was het hem ook niet bekend dat de muur van de kelder op deze wijze opzij geduwd kon worden. Er werd met werkmaterieel ook over het terrein en ook over de betonvloeren gereden.

Volgens de heer [B] had de chauffeur gewoon achteruit het terrein moeten oprijden. Dan was er niets gebeurd. De toegangsweg is altijd goed berijdbaar.

2.10.

[A] heeft de bulkwagen laten repareren. Hiermee was een bedrag van € 44.502,13 (exclusief btw) gemoeid. Daarnaast is een bedrag van € 1.048,00 (exclusief btw) besteed aan de kosten van het onderzoek naar de schade-oorzaak en -omvang.

3. Het geschil

3.1.

[A] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [B] veroordeelt om aan [A] te betalen een bedrag van € 45.550,13 te verhogen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag te rekenen vanaf 7 augustus 2017 tot de dag der algehele voldoening;

II. [B] veroordeelt in de kosten van het geding en daarbij op voorhand het nasalaris begroot op een bedrag van € 131,00 zonder betekening en € 205,00 met betekening van het ten deze te wijzen vonnis en het totale bedrag aan proceskosten te vermeerderen met de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het wijzen van het vonnis indien en voor zover deze niet binnen de termijn zijn voldaan.

3.2.

[B] voert verweer. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De geschil en de beoordeling daarvan

4.1.

[A] heeft aan haar vordering tot schadevergoeding (primair) ten grondslag gelegd dat [B] op grond van artikel 6:174 BW (risico)aansprakelijk is en (subsidiair en meer subsidiair) dat [B] op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de geleden schade, op grond van de wet dan wel wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm.

4.2.

[A] heeft ter onderbouwing van haar vordering gesteld dat de betonnen plaat eruit zag als erfverharding en op een plaats lag waar een dergelijke verharding verwacht mag worden. Bovendien was voor [C] zichtbaar dat deze gebruikt werd als erfverharding voor zwaar materieel. [C] mocht er dan ook van uitgaan dat hij met de bulkwagen de betonnen plaat op kon rijden. Nu deze bruikbaarheid ontbrak, gelet op het incident dat vervolgens plaatsvond, geldt dit als gebrekkigheid in de zin van artikel 6:174 BW. Aan het gebruik van een onderkelderde stalvloer als terreinverharding voor zwaar materieel kleven namelijk grote risico's. De vloer is niet berekend op dit gebruik zodat onbekend was of deze de betreffende last kon dragen, terwijl de schade aan een vrachtwagen bij het instorten van de vloer groot zal zijn. Daar komt bij dat het gezien de ligging van de betonnen plaat ten opzichte van het toegangspad naar de silo's en ten opzichte van deze silo's voor de hand lag dat de chauffeur van een bulkwagen de betonnen plaat zou gaan gebruiken om te keren, althans te manoeuvreren. Dit geldt temeer nu een chauffeur wel kon zien dat de plaat werd gebruikt voor zwaar materieel, maar niet kon zien dat de plaat in feite het dak van een kelder betrof. [B] had hiervoor eenvoudig kunnen en - gelet op de gevaarzettende situatie - ook moeten waarschuwen, maar heeft dat nagelaten. Gelet op dit alles is [B] - aldus nog steeds [A] - aansprakelijk voor de door haar geleden schade, bestaande uit de reparatiekosten van de bulkwagen en de kosten van onderzoek naar de oorzaak van de schade, primair op grond van artikel 6:174 en (meer) subsidiair op grond van artikel 6:162 BW.

4.3.

[B] betwist dat sprake is van een gebrekkige opstal. Volgens [B] was de betonnen plaat wel herkenbaar als (voormalige) stalvloer. De plaat was van dik, gewapend beton en kon het gewicht van de bulkwagen wel dragen. De schade is ontstaan omdat [C] door een onhandige manoeuvre de bulkwagen naast de betonnen plaat heeft gestuurd. De wielen zijn toen in het zand naast de betonvloer weggezakt en vervolgens is de bulkwagen gaan kantelen. In de val die daarop plaatsvond is de onder de vloer gelegen muur weggedrukt en is de plaat weggezakt. Er is volgens [B] daarom geen sprake van een causaal verband tussen een eventueel gebrek aan de opstal (wat er volgens hem dus niet is) en de schade. Voorts was het [C] bekend dat er sloopwerkzaamheden plaatsvonden op het terrein en dat er werd gegraven. Hij had er dan ook, mede gelet op het gewicht van de bulkwagen, rekening mee moeten houden dat het terrein buiten de duidelijk herkenbare toegangsweg niet overal goed berijdbaar zou zijn. [B] hoefde er bovendien geen rekening mee te houden dat iemand met een bulkwagen op en naast de verharding zou manoeuvreren nu ook andere chauffeurs dit niet hebben gedaan. Ten slotte voert [B] aan dat het nemen van waarschuwingsmaatregelen in de gegeven omstandigheden lastig realiseerbaar was. [B] heeft tevens betwist dat de vordering op basis van de subsidiaire en meer subsidiaire grondslag toewijsbaar is.

4.4.

De rechtbank stelt bij de beoordeling ten aanzien van artikel 6:174 BW voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de muur van de voormalige kelder is ingestort, de betonnen plaat deels is verzakt en de bulkwagen is gekanteld. [B] betwist echter de gestelde oorzaak van dit instorten en de volgorde waarin de feiten zich hebben voltrokken. Het feitelijke discussiepunt betreft de vraag of de bulkwagen (volledig) op de betonnen plaat stond of dat de rechterwielen in een strookje zand pal naast de betonnen plaat stonden toen de muur instortte en de plaat het begaf. Volgens [B] is dit laatste het geval, gelet op de inhoud van het rapport van Dekra met daarin ook een verklaring van [C] . Dit is volgens hem in de dagvaarding ook met zoveel woorden erkend. De rechtbank overweegt hieromtrent dat [A] in de dagvaarding (randnummer 12) over de toedracht

- onder verwijzing naar jurisprudentie - heeft gesteld dat in het licht van de toetsing aan artikel 6:174 BW ook rekening moet worden gehouden "met de omstandigheid dat de bulkwagen bij het manoeuvreren enigszins naast de verharding kan komen (…), ook als de chauffeur de normale voorzichtigheid in acht neemt." Onder randnummer 23 is vervolgens vermeld: "De omstandigheid dat de wagen deels naast de vloer kwam disculpeert de heer [B] niet zoals hierboven onder pun 12 (…) naar voren is gebracht." De rechtbank is van oordeel dat hiermee in ieder geval niet sprake is van een uitdrukkelijke erkentenis van de waarheid van een stelling van [B] . De inhoud van randnummer 12 betreft een opsomming van jurisprudentie en met de inhoud van randnummer 23 is kennelijk beoogd om daarnaar te verwijzen. Bij gelegenheid van de comparitie is door [A] , onder verwijzing naar de verklaring van [C] ter zitting, uitdrukkelijk betoogd dat de bulkwagen met alle wielen op de betonnen plaat stond toen de muur het begaf en het beton inzakte. Bij die gelegenheid is door [C] gesteld dat hij onjuist is begrepen door de onderzoekers van Dekra en verkeerd door hun is geciteerd. Het wegzakken van de rechterwielen in het zand, zoals in het rapport vermeld, zag niet op het moment dat de bulkwagen op de plaat stond, maar op een moment kort daarvoor toen hij aan kwam rijden, aldus [C] . De rechtbank stelt vast dat dus op dit moment niet vaststaat waar de rechterwielen van de bulkwagen zich bevonden toen de muur instortte. Tijdens de comparitie is besproken wat hierover aan de hand van de foto op pagina 7 van het rapport van Dekra vastgesteld zou kunnen worden, maar ook daarover verschillen partijen van mening. Overigens heeft het er naar het oordeel van de rechtbank wel de schijn van dat de bulkwagen volledig op de betonnen plaat stond toen de muur instortte. Op de bedoelde foto is immers te zien dat het beton onder de wielen afwezig is en het beton daarvoor niet. Wat daar verder ook van zij, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen kan dit geschilpunt bij de verdere beoordeling in het midden blijven.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil, en de rechtbank volgt hun hierin, dat het erf met de betonvloer en de daaronder gelegen kelder een opstal is in de zin van artikel 6:174 BW, waarvan [B] bezitter is. [B] is overeenkomstig de hoofdregel van artikel 6:174 lid 1 BW (risico)aansprakelijk voor een (gebrekkige) opstal indien deze niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen en deze daardoor gevaar voor personen heeft opgeleverd, welk gevaar zich ook heeft verwezenlijkt. Of de opstal voldoet aan de daaraan te stellen eisen, hangt af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval, zoals de aard en de functie van de opstal, de fysieke toestand van de opstal ten tijde van de verwezenlijking van het gevaar en het van de opstal te verwachten gebruik door derden. Voorts dient in aanmerking genomen te worden de grootte van de kans op verwezenlijking van het aan de opstal verbonden gevaar en de mogelijkheid en de bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen (zie Hoge Raad 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236 en recent nog gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 december 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10736).

4.6.

Volgens [A] oogde de betonnen plaat als erfverharding en werd deze ook in die hoedanigheid gebruikt door zwaar(der) materieel. [B] daarentegen heeft hierover aangevoerd dat de betonnen plaat niettemin herkenbaar was als voormalige stalvloer. De contouren lagen volgens hem in het verlengde van de nieuwe stal, de oude stalvloer lag hoger dan het terrein en bovendien was voor iedere bezoeker duidelijk dat de oude stallen waren gesloopt. De rechtbank stelt op grond van de foto op pagina 6 van het rapport van Dekra vast dat de betonnen plaat iets boven het zand ernaast lag (althans op de dag dat de foto werd genomen). Een erg duidelijke situatie betrof het echter niet, zeker niet in combinatie met het feit dat vast staat dat er met zwaar materieel overheen gereden werd en dit voor [C] kenbaar was vanwege de bandensporen op de plaat. De rechtbank kan [B] dan ook niet volgen in zijn standpunt dat het voor [C] duidelijk kon zijn dat het in werkelijkheid een voormalige stalvloer betrof. Dat al eerder bulkwagens met een gewicht zoals de wagen waarin [C] op 7 augustus 2017 reed op de betonnen plaat hadden gereden is in dit geding gesteld noch gebleken. Gelet op het feit dat het voer voor [B] met bulkwagens werd gebracht was naar het oordeel van de rechtbank zeer voorzienbaar dat dit vroeg of laat wel een keer zou gebeuren. De silo's bevinden zich immers vrij dicht bij de betonnen plaat en het hangt van de keuze van de chauffeur af of hij het terrein voorwaarts (zoals [C] deed) of achterwaarts op rijdt. Gelet hierop had [B] kunnen en moeten voorzien dat deze betonnen plaat door chauffeurs zoals [C] op enig moment een keer als erfverharding gebruikt zou worden door hier overheen te rijden en/of op te draaien. Uit de foto's en hetgeen door partijen is verklaard volgt immers dat het toegangspad richting de silo's onvoldoende ruimte biedt om met een (vooruit rijdende) bulkwagen zodanig te manoeuvreren dat deze met de achterkant gekoppeld kan worden aan de silo's zonder hiervoor een deel van het erf te gebruiken. Verder ligt het in de lijn der verwachting dat vervolgens, bij gebruikmaking van de betonnen plaat als erfverharding, het al snel zal gebeuren dat de chauffeur de bulkwagen daarbij tijdens het manoeuvreren enigszins ernaast zet. Dit geldt te meer nu [A] , zoals onweersproken ter zitting is gesteld, ook 's nachts voer aflevert en het zicht dus veel minder is. Naar het oordeel van de rechtbank hoeft een chauffeur er daarbij geen rekening mee te houden dat een smalle strook zand direct naast de betonnen plaat daarvoor niet geschikt zou zijn. Weliswaar was tot op korte afstand van de betonnen plaat puin van sloopwerkzaamheden te zien, maar dat enkele feit rechtvaardigt niet dat de chauffeur erop bedacht moet zijn dat hij in de gevarenzone kan komen als de banden van de bulkwagen aan één kant net naast de betonnen plaat worden gezet. Normaal gesproken zal dat niet het geval zijn. Het feit dat dat hier anders was - althans uitgaande van de lezing van de feiten door [B] - heeft rechtstreeks te maken met het feit dat zich daaronder of vlakbij een muur van de voormalige mestkelder bevond, wat [C] echter niet bekend was en waarmee hij ook geen rekening hoefde te houden nu de betonnen plaat zichtbaar werd gebruikt als erfverharding. Gelet hierop is niet van belang óf [C] de rechterwielen naast de betonnen plaat heeft gereden: ook in dat geval was dit onderdeel van het erf niet geschikt voor (in ieder geval) zwaar beladen bulkwagens. Daarom faalt ook het verweer van [B] dat [C] beter had moeten opletten toen hij het bouw- en sloopterrein van [B] opreed en verder dat er geen sprake zou zijn van causaal verband (in de zin van conditio sine qua non) tussen het incident en de schade indien de bulkwagen daadwerkelijk gedeeltelijk naast de betonnen plaat heeft gestaan in plaats van erop.

4.7.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat sprake was van een gevaarlijke situatie en dat daarom op [B] de verplichting rustte om (duidelijk) hiervoor te waarschuwen. Niet valt in te zien waarom dat niet van [B] gevergd kon worden in het licht van de omstandigheden van het geval. Een dergelijke waarschuwing had ook op vrij eenvoudige wijze gekund. [B] heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende toegelicht waarom het niet mogelijk was om bijvoorbeeld bij het toegangshek een waarschuwingsbord te plaatsen waarbij chauffeurs van (zeer) zwaar materieel werden gewezen op gevaar bij het verlaten van het toegangspad dan wel specifiek voor het gebruik van de betonnen plaat. Ook had bijvoorbeeld een bord geplaatst kunnen worden met de tekst dat bulkwagens alleen achterwaarts het toegangspad op mochten rijden in verband met gevaarzettende situaties op het bouw- en sloopterrein. Dit is echter allemaal nagelaten.

4.8.

Het bovenstaande in samenhang bezien brengt de rechtbank tot het oordeel dat de betonvloer met de daaronder gelegen kelder niet voldeed aan de (veiligheids)eisen die men in de gegeven omstandigheden aan een erfverharding op een agrarisch bedrijf, dat wordt bezocht door zeer zwaar verkeer zoals bulkwagens met voer, mocht stellen. Er is dan ook sprake van een gebrekkige opstal als bedoeld in artikel 6:174 BW, zodat [B] aansprakelijk is voor de schade van [A] . Op grond van dezelfde feiten en omstandigheden heeft [B] bovendien naar het oordeel van de rechtbank niet zorgvuldig en daarmee onrechtmatig gehandeld. [B] heeft met het voorlopig in stand houden van de betonnen plaat met de daaronder gelegen kelder ook een gevaarzettende situatie in het leven geroepen door deze als erfverharding te gaan gebruiken, terwijl hij wist of kon weten dat deze ook gebruikt zou kunnen worden als onderdeel van de route naar de voersilo's door bulkwagens. Zoals hiervoor al overwogen had [B] daarvoor moeten waarschuwen, hetgeen hij in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt heeft nagelaten. Dit leidt tevens tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW, zodat de vordering in ieder geval ook toewijsbaar zou zijn geweest op de meer subsidiair ingestelde grondslag.

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat [B] aansprakelijk is voor de schade die [A] als gevolg van de gebrekkige opstal heeft geleden. In hetgeen hiervoor is overwogen ligt al besloten dat er geen sprake is van eigen schuld aan de zijde van [A] in het geval er van uitgegaan zou moeten worden dat [C] de rechterwielen van de bulkwagen naast de betonnen plaat heeft gezet. Voor matiging van de schadevergoeding, zoals subsidiair verzocht, is dan ook geen plaats.

4.10.

De hoogte van de door [A] gevorderde schadevergoeding, bestaande uit de reparatiekosten en de kosten van onderzoek naar de schadeoorzaak en -omvang, is door [B] niet betwist, zodat de vordering in hoofdsom zal worden toegewezen.

4.11.

De gevorderde wettelijke rente zal als onbetwist worden toegewezen vanaf 7 augustus 2017 tot de dag van de algehele voldoening.

4.12.

[B] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden vastgesteld op:

- dagvaarding € 83,99

- griffierecht € 1.950,00

- salaris advocaat € 2.148,00 (2 punten × tarief € 1.074,00)

Totaal € 4.181,99

4.13.

Verder zal [B] worden veroordeeld in de nakosten, nu hiertegen geen specifiek verweer is gevoerd en deze kosten zich nu al laten begroten. De rechtbank tekent hierbij aan dat sinds 1 mei 2018 hogere liquidatietarieven gelden, maar nu [A] haar eis op dit punt niet heeft vermeerderd zal worden aangesloten bij de gevorderde bedragen. De vordering zal worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum te melden.

4.14.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is als zijnde onweersproken eveneens toewijsbaar.

5. Beslissing

5.1.

veroordeelt [B] tot betaling aan [A] van een bedrag van € 45.550,13, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 7 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [B] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [A] vastgesteld op een bedrag van € 4.181,99, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW in geval de proceskosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis worden voldaan;

5.3.

veroordeelt [B] in de na dit vonnis ontstane kosten, die worden begroot op een bedrag van € 131,00 zonder betekening, te verhogen met € 68,00 indien [B] niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [A] volledig aan dit vonnis voldoet en betekening van het vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW in geval de nakosten niet binnen veertien dagen na dagtekening respectievelijk betekening van dit vonnis worden voldaan;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman, rechter, en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 3 april 2019.

fn 85